All posts in Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek

Geldsteekproef kan geschikt bewijs zijn

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek
Reacties uitgeschakeld voor Geldsteekproef kan geschikt bewijs zijn

Hof Den Bosch oordeelt dat de Belastingdienst de juistheid van uitgaven van een vennootschap mag controleren met toepassing van een geldsteekproef. Maar de belastingplichtige behoudt wel de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren.

Hoofdregels bewijslastverdeling

Binnen fiscale beroepsprocedures is de hoofdregel beknopt samen te vatten als: wie stelt, bewijst. Wie dus een stelling inneemt die de wederpartij bestrijdt, zal deze stelling moeten bewijzen. Als de wederpartij de stelling niet betwist, gaat de belastingrechter ervan uit dat deze stelling juist is. Vaak volstaat overigens het aannemelijk maken van een stelling. Hierbij is het de taak van de Belastingdienst om de aanwezigheid en hoogte van de heffingsgrondslag aannemelijk te maken. Als de belastingplichtige aanvoert dat er reden is om de heffingsgrondslag te verminderen, zal hij dat aannemelijk moeten maken. Heeft een van de partijen de schijn tegen zich? Dan is daaraan een vermoeden te ontlenen die nadelig is voor die partij. Dit vermoeden is in principe wel vatbaar voor het leveren van tegenbewijs. Bovendien moet de bewijslastverdeling wel een redelijk blijven.

Vrije bewijsleer

In beginsel geldt de zogeheten vrije bewijsleer. Dat betekent dat belastingplichtigen zelf kunnen kiezen op welke manier zij hun standpunten aannemelijk willen maken. Maar de fiscus doet over sommige bewijsvormen minder moeilijk dan andere. Zo is een kloppende rittenregistratie een standaardmiddel om aannemelijk te maken dat men minder dan 500 privékilometer met de auto van de zaak rijdt. Zie ook: ‘Rittenregistratie werkt beter dan overzicht autokosten’. Maar de wet zelf stelt dat andere bewijsmiddelen ook zijn toegestaan.

Geldsteekproef

De Belastingdienst maakt soms gebruik van de zogeheten guldensteekproef of geldsteekproef. In dat geval controleert de fiscus een deel van de administratie van een belastingplichtige. Daarbij vindt een extrapolatie plaats van eventueel gevonden fouten. Onder de toepassing van de geldsteekproef kunnen kleine fouten soms grote gevolgen hebben. Het gebruik van de geldsteekproef kan dan ook aanleiding geven tot het voeren van beroepsprocedures.

Steekproef in beginsel toegestaan

Zo had de Belastingdienst de juistheid van de uitgaven van een holding gecontroleerd met behulp van de geldsteekproef. Naar aanleiding van deze proef paste de inspecteur correcties toe op de fiscale winst. De holding vond dat de fiscus de uitkomsten van de evaluatie van de geldsteekproef niet had mogen gebruiken als onderbouwing van de fiscale correcties. Hof Den Bosch oordeelt dat de fiscus via steekproeven administraties van belastingplichtigen mag controleren. Men moet de steekproef wel uitvoeren op een statistisch-wetenschappelijk verantwoorde en controleerbare wijze. Bovendien levert zo’n steekproef hooguit een bewijsvermoeden op. De belastingplichtige blijft de mogelijkheid houden om dit vermoeden te ontkrachten. Bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat de steekproef is gebaseerd op verkeerde uitgangspunten.

Vereisten gebruik geldsteekproef

Het hof meent dat een geldsteekproef aan bepaalde eisen moet voldoen om statistisch-wetenschappelijk verantwoord te zijn. Zo moet de onderzochte groep homogeen zijn. Dat betekent dat samenhang moet bestaan tussen de elementen van de groep. Bovendien moet de keuze van de onderzochte groep aan de hand van objectieve maatstaven plaatsvinden. In deze zaak zijn euro’s de elementen van de onderzochte groep. De groep bestaat uit alle uitgaven van de holding. Volgens het hof voldoet de geldsteekproef hier aan de eisen. En de holding maakt het tegendeel niet aannemelijk.

Omkering bewijslast

In bepaalde gevallen vindt een omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. Meestal gaat het dan om gevallen waarin de belastingplichtige niet heeft voldaan aan een verplichting. Omkering van de bewijslast houdt in dat een partij de bewijslast krijgt toebedeeld die normaal gesproken bij de wederpartij ligt. Verzwaring van de bewijslast betekent dat men moet laten blijken dat een bewering juist is. Alleen maar aannemelijk maken is niet voldoende. De omkering van de bewijslast geldt niet voor zover een beroepschrift is gericht tegen een vergrijpboete.

Voorbeelden omkering bewijslast

Ten slotte een aantal voorbeelden waarin sprake is van een omkering van de bewijslast:

  • De belastingplichtige dient de vereiste aangifte niet in. In dat geval kan de Belastingdienst een ambtshalve aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag opleggen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze aanslag juist is. Het is dan aan de belastingplichtige om te doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Overigens ontslaat het achterwege blijven van een aangifte de inspecteur niet van zijn verplichting om een redelijke schatting te maken.
  • Een informatiebeschikking is onherroepelijk geworden.
  • Een huidig bestuurder van een lichaam dat zijn belastingschulden niet kan betalen, heeft geen (tijdige) melding van betalingsonmacht ingediend. In deze situatie wordt het onbetaald blijven van de belastingschulden geacht te wijten te zijn aan het onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. De bestuurder mag alleen tegenbewijs leveren als hij aannemelijk maakt dat hij geen schuld heeft aan het meldingsverzuim.

(Bron: Taxence)

Fiscale controle? Vergaande bevoegdheden belastingdienst

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek
Reacties uitgeschakeld voor Fiscale controle? Vergaande bevoegdheden belastingdienst

De Belastingdienst heeft vergaande bevoegdheden inzake het uitvoeren van een fiscale controle bij uw bedrijf. Wanneer hieraan niet de nodige medewerking wordt verleend, kan dit forse gevolgen hebben. Dit blijkt uit een uitspraak van het gerechtshof in Den Bosch. Maar wat zijn uw rechten en plichten bij een fiscale controle?

Kopieën geweigerd

In de betreffende zaak ging het om een dga van meerdere bv’s die medewerking weigerde tijdens een boekenonderzoek. Tijdens het boekenonderzoek had de inspecteur diverse malen verzocht om kopieën beschikbaar te stellen van bepaalde stukken van een van de bv’s. Dit werd geweigerd, waarna een informatiebeschikking volgde.

Wettelijk recht

Het verzoek om kopieën was gebaseerd op het wettelijke recht op inzage in stukken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. De kopieën mogen ook digitaal worden aangeleverd.

Ook ten behoeve van derden

Ondernemers moeten ook kopieën van gegevensdragers laten maken als dit voor de heffing van belastingen van derden van belang kan zijn. De eigen belastingplicht hoeft dus niet ter discussie te staan.

Sanctie

Wordt geen of onvoldoende medewerking verleend of wordt, zoals in deze zaak, geen toestemming gegeven voor het maken van kopieën, dan kan de inspecteur een informatiebeschikking opleggen. Hierin eist hij alsnog de gevraagde informatie. Wordt deze niet gegeven, dan kan de inspecteur de bewijslast omdraaien.

Omdraaien bewijslast

Bij het omdraaien van de bewijslast legt de inspecteur op basis van de wel aanwezige gegevens een aanslag op en moet de belastingplichtige maar aantonen dat deze niet correct is. Dit zal in de regel zonder nadere gegevens niet meevallen. Probeer een informatiebeschikking daarom altijd te voorkomen.

Informatiebeschikking aanvechten

Vindt u dat de inspecteur ten onrechte gegevens vraagt, dan kunt u de informatiebeschikking via bezwaar en beroep aanvechten. Bijvoorbeeld als u van mening bent dat de gevraagde gegevens op geen enkele manier voor uw belastingheffing of die van een derde van belang kunnen zijn.

Let op! De gevraagde gegevens moeten redelijkerwijs van belang kúnnen zijn. Hiervan is al snel sprake.

(Bron: DRV)

Volgens Hof Amsterdam is het overleggen van een definitieve jaarrekening onvoldoende bewijs als deze definitieve versie volledig gelijk is aan een eerder ingediende conceptversie die evenmin voldoende bewijs vormde.

Een bedrijf had nagelaten zijn aangifte vennootschapsbelasting over 2011 in te dienen. De inspecteur legde het bedrijf daarom een positieve ambtshalve aanslag op. Het bedrijf vond dat onterecht, omdat volgens een herziene conceptjaarrekening een fiscaal verlies was geleden. Dit concept was ook overlegd tijdens de beroepsprocedure voor Rechtbank Noord-Holland. De rechtbank vond dat het bedrijf daarmee niet had voldaan aan zijn zware bewijslast. De conceptjaarrekening was immers slechts een (voorlopige) weergave van de feiten die de accountant als zodanig had aangeduid. Ook bevatte het concept geen accountantsverklaring. De rechtbank verklaarde het beroep van het bedrijf ongegrond.

 

Definitieve versie gelijk aan concept

Het bedrijf ging vervolgens in hoger beroep en legde daarbij de definitieve jaarrekening over. Het hof constateerde dat de definitieve jaarrekening post voor post gelijk was aan de herziene conceptversie. Volgens het hof had de rechtbank terecht geoordeeld dat het bedrijf met het overleggen van de conceptversie niet had voldaan aan zijn bewijslast. Het hof vond daarom dat de definitieve jaarrekening evenmin voldoende bewijs opleverde. Dit was te meer het geval nu de accountant had verklaard dat de aard van zijn werkzaamheden van een zodanige aard was dat hij geen zekerheid over de getrouwheid van de jaarrekening kon verstrekken. Ten slotte had de Belastingdienst naar aanleiding van de conceptjaarrekening diverse vragen gesteld die het bedrijf niet had beantwoord. Het hof oordeelde dat het bedrijf in het hoger beroep evenmin had voldaan aan zijn bewijslast en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: Taxlive)

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting niet te hoog is omdat X niet heeft weersproken dat deze is gebaseerd op het verschil tussen de door X op zijn aangiften btw vermelde omzet en de omzet zoals die volgde uit zijn aangifte IB 2008.

Belanghebbende, X, exploiteert in 2008, onder meer, een advocatenkantoor. De inspecteur legt aan X, in afwachting van de uitkomsten van een boekenonderzoek, een naheffingsaanslag omzetbelasting op over het tijdvak 2008. De naheffingsaanslag is gebaseerd op het verschil tussen de door X op zijn aangiften omzetbelasting vermelde omzet (ca. € 389.800) en de omzet zoals die volgt uit de aangifte IB/PVV 2008 (ca. € 809.000). In geschil is de hoogte van de naheffingsaanslag, in het bijzonder de hoogte van de door X behaalde omzet.

De Inspecteur heeft zich nader op het standpunt gesteld dat in de omzet ten onrechte een bedrag aan doorlopende kosten, bestaande uit griffierechten en leges, is begrepen van ca. € 29.000. In zoverre is het beroep gegrond.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur is geslaagd in het bewijs dat de naheffingsaanslag niet op een te hoog bedrag is opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat X terecht het factuurstelsel toepast. Dat betekent dat X de omzetbelasting verschuldigd is ongeacht de vraag of de door hem uitgereikte facturen daadwerkelijk zijn betaald. De stelling van X dat de omzet moet worden verlaagd met het bedrag van de debiteuren is dan ook onjuist. Voor een eventuele teruggaaf wegens oninbare debiteuren dient X wettelijk een verzoek te doen.

(Bron: Taxence)

Inspecteur stelt inkomen dga die geen aangifte doet, niet te hoog vast

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek
Reacties uitgeschakeld voor Inspecteur stelt inkomen dga die geen aangifte doet, niet te hoog vast

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur het inkomen van X, die dga is van drie bv’s, niet te hoog heeft vastgesteld. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Belanghebbende, X, is directeur-grootaandeelhouder van drie bv’s. Hij doet ondanks een uitnodiging, herinnering en aanmaning geen aangifte IB/PVV 2013. De inspecteur legt hem ambtshalve een aanslag op naar een inkomen uit werk en woning alsmede een bijdrage-inkomen van € 25.000. In de aanslag wordt geen rekening gehouden met enig bedrag aan te verrekenen loonheffing. X dient alsnog een aangifte in, die door de inspecteur als bezwaar tegen de ambtshalve opgelegde aanslagen wordt aangemerkt.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK I, 11 april 2017, 16/00939 en 16/00940, V-N 2017/32.1.1) oordeelt dat de inspecteur het inkomen van X, die dga is van drie bv’s, niet te hoog heeft vastgesteld. Omdat X niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd. X heeft met zijn niet-onderbouwde stelling dat hij (slechts) € 8200 uit twee dienstbetrekkingen heeft ontvangen niet aan zijn verzwaarde bewijslast voldaan. Gelet op hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht, acht het hof zijn schatting van het inkomen redelijk. Het hoger beroep van X is ongegrond.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de omzetcorrectie voor het jaar 2007 in zijn geheel moet vervallen. Deze omzetcorrectie gaat er namelijk ten onrechte vanuit dat, door de afboeking van € 100.000, er sprake is van een ongeloofwaardig lage brutowinstmarge.

X handelt in computers en computeronderdelen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een btw-naheffingsaanslag op aan X. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het betreft met name de omzetcorrectie op de afboekingen van voorraden in 2007 (€ 100.000), 2008 (€ 15.000) en 2009 (€ 10.000).

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de omzetcorrectie voor het jaar 2007 in zijn geheel moet vervallen. Volgens de rechtbank gaat deze omzetcorrectie er namelijk ten onrechte vanuit dat, door de afboeking van € 100.000, er sprake is van een ongeloofwaardig lage brutowinstmarge. De afboeking van € 100.000 heeft namelijk voor € 62.000 betrekking op 2006 en voor € 38.000 op 2007. Gezien het voorgaande is de rechtbank dan ook van mening dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat er sprake is van niet-geboekte verkopen. Vervolgens stelt de rechtbank nog vast dat de correcties voor 2008 en 2009 wel terecht zijn. Deze afboekingen kunnen namelijk geen verband houden met een systeemfout, omdat deze reeds in 2007 was ontdekt. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag.

(Bron: Taxlive)

In een arrest van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad langverwachte duidelijkheid gegeven over wanneer een onjuiste aangifte straffeloos blijft. We wisten al dat verdedigbaar onjuist oftewel een ‘pleitbaar standpunt’ een fiscale boete uitsluit. Maar geldt dit ook voor achteraf bedachte standpunten? Of moet de belastingplichtige bij het doen van de aangifte al hebben bedacht waarom zijn mogelijk onjuiste aangifte toch pleitbaar is? De Hoge Raad geeft nu uitleg voor zowel de fiscale boete als bij strafrechtelijke vervolging.

Pleitbaar standpunt: objectief of (een beetje) subjectief?

Een discussiepunt was nog hoe moest worden bepaald of deze belastingplichtige een pleitbaar standpunt had ingenomen. Het verschil tussen de ‘objectieve’ en ‘subjectieve leer’ zat in de vraag: welke intentie had de belastingplichtige op het moment dat hij de aangifte deed? In de subjectieve leer was dat van belang. Had de belastingplichtige toen nog helemaal niet bedacht waarom zijn aangifte verdedigbaar juist zou kunnen zijn – of was zijn bedoeling zelfs om een onjuiste aangifte te doen – dan kon in de ‘subjectieve’ uitleg geen sprake zijn van een pleitbaar standpunt. In de objectieve uitleg doet dat er niet toe. Het gaat er dan alleen om of er een verdedigbare onderbouwing kan worden gegeven.

Hoge Raad: pleitbaar standpunt volledig objectief

De Hoge Raad heeft nu heel duidelijk uitgemaakt: het pleitbare standpunt moet volstrekt objectief worden bekeken. Het is daarom helemaal niet meer relevant of de belastingplichtige bij het doen van zijn aangifte een pleitbare uitleg voor ogen stond, maar alleen of die uitleg achteraf alsnog kan worden vastgesteld.

Wat is pleitbaar?

Niet alleen geeft de Hoge Raad de gevolgen als er een pleitbaar standpunt is of kan worden ingenomen, maar hij geeft ook nog eens aan wat dat eigenlijk is, een ‘pleitbaar standpunt’. De gegeven definitie luidt:
“indien aan die aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. (…) niet van belang of de belastingplichtige bij het doen van de aangifte de pleitbare maar later onjuist bevonden uitleg voor ogen heeft gestaan”
Oftewel:
  1. een uitleg van het fiscale recht
  2. waarop de aangifte is gebaseerd
  3. waarvan de belastingplichtige ten tijde van de aangifte
  4. kon en mocht menen dat deze juist was
  5. ook als die uitleg pas achteraf is bedacht

Achteraf maar wel destijds verdedigbaar

Het gaat dus wel om een standpunt dat naar de situatie moet worden beoordeeld op het moment dat de aangifte is gedaan. Als inmiddels – als over de aanslag en boete wordt geoordeeld – duidelijk is geworden dat de uitleg toch fout blijkt te zijn, dan maakt dat niet meer uit. De beoordeling vindt achteraf plaats, maar wel naar de situatie van het moment dat de belastingaangifte is gedaan.

Bronnen voor een pleitbaar standpunt

De uitleg van het Hof dat in deze zaak sprake was van een pleitbaar standpunt is volgens de Hoge Raad terecht:
gelet op de wettekst, (…) de wetsgeschiedenis en de op grond daarvan in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen, en in aanmerking genomen dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad tot dat moment geen oordelen waren gegeven over een voldoende vergelijkbaar geval”
Dat betekent dat verdedigbaarheid kan worden gebaseerd op de diverse bronnen:
  1. wettekst
  2. toelichting in de parlementaire geschiedenis
  3. hierop in de literatuur verdedigde standpunten

Pleitbaarheid sluit ‘aanmerkelijke kans’ uit – dus ook geen strafvervolging

Zoals Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma al schreef in een eerdere bog, licht nu ook de Hoge Raad toe waarom een pleitbaar standpunt per definitie tot boeteloosheid leidt. Zelfs als een belastingplichtige de bedoeling had om een onjuiste aangifte te doen.
Een onjuiste aangifte is nog geen belastingfraude. Een boete of strafvervolging is alleen aan de orde als een aangifte opzettelijk onjuist is gedaan. Voor het bestaan van opzet gelden drie minimumeisen:
  1. aanmerkelijke kans dat een gevolg intreedt
  2. bewustheid van die kans
  3. aanvaarding dat het gevolg zich voordoet
Is aan deze drie punten voldaan, dan is sprake van de (minimumgrens) van ‘voorwaardelijk opzet’. Is aan één van de criteria niet voldaan, dan ontbreekt opzet. En ontbreekt dus de mogelijkheid om iemand vanwege opzet een boete of straf op te leggen.
Door het innemen van een ‘pleitbaar standpunt’ is volgens de Hoge Raad geen sprake meer van een kans die groot genoeg is om als ‘aanmerkelijke kans’ te gelden. Daardoor maakt de bewustheid van die (te kleine) kans en de aanvaarding daarvan niet uit. Er kan dus nooit meer sprake zijn van een opzettelijk onjuiste aangifte.

Belastingkamer instrueert de Strafkamer

De Belastingkamer van de Hoge Raad geeft hiermee ook de uitleg die de Strafkamer zou moeten volgen. Niet alleen voor de boete, maar ook voor een mogelijke strafvervolging geldt dat opzet ontbreekt als sprake is van een pleitbaar standpunt.
Met betrekking tot een mogelijke strafvervolging geldt het volgende. (…)
Daartoe is immers vereist dat de betrokkene opzettelijk heeft gehandeld, dus (…) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ten onrechte geen onderscheidenlijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Dat laatste doet zich niet voor indien, al dan niet achteraf bezien, de door de betrokkene aanvaarde kans dat de aangifte onjuist of onvolledig zou blijken te zijn, niet aanmerkelijk was.”

Conclusie

Een belastingaangifte waarvan de belastingrechter oordeelt dat deze onjuist is, maar waarvoor achteraf een onderbouwing kan worden gevonden die objectief verdedigbaar is, is nooit opzettelijk onjuist. Het maakt daarbij niet uit of de belastingplichtige toen al had bedacht waarom zijn aangifte verdedigbaar juist zou kunnen zijn. Het maakt zelfs niet uit of zijn bedoeling was om een onjuiste aangifte te doen.
Door het bestaan van een objectieve uitleg waardoor de onjuistheid op losse schroeven komt te staan, is de ‘kans’ dat de aangifte onjuist gedaan wordt, te klein geworden. Er is dan geen ‘aanmerkelijke kans’ meer, één van de minimumeisen voor opzet.
De intentie van de belastingplichtige doet er dan dus niet toe: een pleitbaar standpunt sluit doen van een ‘opzettelijk onjuiste aangifte’ uit. Niet alleen kan dan dus geen fiscale boete meer worden opgelegd, maar ook de strafrechter kan in dat geval niet veroordelen voor het plegen van belastingfraude.
(Bron: Taxlive)

Bestuurder van beboete B.V. kan zelf straf krijgen

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek
Reacties uitgeschakeld voor Bestuurder van beboete B.V. kan zelf straf krijgen

Op grond van Europees recht mag men niet meer dan één keer worden bestraft voor hetzelfde feit (ne-bis-in-idembeginsel). Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijk gemaakt dat lichamen en hun wettelijke vertegenwoordigers op dit punt tellen als twee afzonderlijke (rechts)personen.

De zaak voor het Hof waren twee wettelijke vertegenwoordigers van Italiaanse vennootschappen strafrechtelijk vervolgd omdat zij hadden nagelaten de btw te betalen die de vennootschappen waren verschuldigd. Daarvoor hadden de vennootschappen zelf al een fiscale boete gekregen van 30% van de verschuldigde btw. Het Hof oordeelde dat hier geen sprake was van het ne-bis-in-idembeginsel, omdat de bestuurders en de vennootschappen verschillende personen waren.

(Bron: Taxence)

Let op bij belastingvrijwegstrepen schuld dga van/aan BV

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek
Reacties uitgeschakeld voor Let op bij belastingvrijwegstrepen schuld dga van/aan BV

Naar aanleiding van een WOB-verzoek heeft het ministerie van Financiën een intern memo van de Belastingdienst openbaar waarin handvatten worden gegeven voor de bestrijding van het belastingvrij wegstrepen van de rekening-courant schuld van de dga aan zijn bv.

Het WOB-verzoek ging over het beleid van het ministerie en de Belastingdienst met betrekking tot het belastingvrij afboeken van een vordering van een bv op haar dga. Aanleiding voor het WOB-verzoek was een artikel in het FD waarin was aangegeven dat een dergelijke vordering belastingvrij zou zijn af te boeken met de stelling dat er van aanvang sprake was van een schijnlening en dat dit reeds langer dan vijf jaar geleden duidelijk was dat de lening niet zou worden terugbetaald.

In de beantwoording op het WOB-verzoek geeft Financiën aan dat er geen beleid geformuleerd door de Belastingdienst of het ministerie van Financiën over de geconstateerde mogelijkheid om belastingvrij de schuld van de dga aan zijn vennootschap af te boeken. Op basis van wet- en regelgeving en jurisprudentie wordt per casus een afweging gemaakt. Wel is aan de Belastingdienst in een intern memo een aantal handvatten gegeven. Uit het memo blijkt onder meer dat wanneer in de aangifte Vpb wordt gedetecteerd dat een vordering op de dga in enig jaar verdwijnt (tijdens het jaar of op de beginbalans, dit aanleiding kan zijn om de regeling van de IB/PV aangiften van alle openstaande jaren van de dga aan te houden. Bestrijding leidt tot correcties bij de aanslagregeling of tot navordering. Dat zal vrijwel steeds gepaard gaan met het opleggen van een boete of soms zelfs het opstarten van een strafrechtelijk traject. Als een standpunt in vooroverleg wordt gevraagd dan wordt (mede op basis van het Besluit fiscaal bestuursrecht van 15 februari 2016, nr. BLKB 2016/19, onderdeel 4) in het kader van vooroverleg geen inhoudelijk standpunt ingenomen en wordt gemeld dat in plaats daarvan het door belanghebbende in te nemen standpunt (zo nodig bij aanslagregeling) bestreden zal worden. Uit het memo komt ook naar voren dat de stelling van de belastingplichtige dat er sprake was van een schijnlening niet snel zal worden aangenomen. De stelling dat er jaren geleden sprake was van een schijnlening wordt als zodanig als een nieuw feit beschouwd voor jaren die binnen de navorderingstermijn liggen.

(PKF)

BV X leverde bedrijfssoftware voor dienstverlenende organisaties. Zij bood onder meer een door een derde ontwikkeld fiscaal softwarepakket aan ter ondersteuning van aangifte- en advieswerkzaamheden voor accountants en administratiekantoren. Het softwarepakket was een Cloud-applicatie, de gebruiker had overal ter wereld toegang tot zijn gegevens. BV X huurde daarvoor een deel van een server van Amazon in Ierland. In november 2016 werd BV X door de FIOD benaderd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de heer A, die werd verdacht van het systematisch onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting. A maakte gebruik van het softwarepakket van BV X. De FIOD vorderde – met een machtiging van de officier van justitie – op grond van artikel 126ng van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de gegevens van A over 2011 tot en met 2016, waaronder de door A voor derden ingediende aangiften en onderliggende aantekeningen. BV X verstrekte aan de FIOD een bestand met gegevens en diende vervolgens bij de Rechtbank een klaagschrift in over de kennisneming en het gebruik van de gegevens. De strafkamer van Rechtbank Overijssel besliste dat BV X kon worden aangemerkt als een aanbieder van een communicatiedienst als bedoeld in artikel 126la, onder a, Sv, zodat de officier van justitie op juiste gronden de vordering ex artikel 126ng Sv aan BV X had gedaan. BV X faciliteerde voor haar klanten de mogelijkheid om bij de cloud te komen waar de klanten toegang hadden tot de door hen opgeslagen gegevens. Het toegang hebben tot die gegevens en het invoeren van de gegevens kon alleen via telecommunicatiestructuren en het faciliteren van de mogelijkheid om klanten toegang te geven tot de cloud, was volgens de Rechtbank dan ook een vorm van telecommunicatie. De Rechtbank verwierp de stelling van BV X dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waren geschonden. Bij de beoordeling van de vordering waren andere alternatieven overwogen, maar die waren niet afdoende gebleken. Het was niet uitgesloten dat er verschil bestond tussen de fiscale gegevens van een klant in de cloud en de gegevens die waren doorgegeven aan de Belastingdienst. Een doorzoeking van de computers van A die vele uren in beslag zou nemen of het in beslag nemen van de server van Amazon, was volgens de Rechtbank beduidend ingrijpender. De Rechtbank verklaarde het klaagschrift van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)