Voorkom deze fouten bij het aanvragen van een octrooi

Met technologische vernieuwing worden ook octrooien steeds belangrijker. Zo steeg in 2015 het aantal Europese octrooien dat werd verleend aan Nederlandse bedrijven met 17 procent naar tweeduizend, het hoogste aantal in tien jaar.

Tom Beetz, lid van het bestuur van de Orde van Octrooigemachtigden, noemt een reeks veelgemaakte fouten die aanvragers maken. Onlangs presenteerde de orde het boek Octrooi als handleiding voor octrooiaanvragen.

Te vroeg publiceren over je uitvinding

Houd het enthousiasme over een nieuwe uitvinding en de technologische vernieuwing in toom. Het publiceren van een uitvinding kan er zomaar voor zorgen dat een octrooiaanvraag niet wordt ingewilligd. Om een octrooi aan te vragen op een uitvinding moet die technologie onder andere nieuw en innovatief zijn. Door een uitvinding te publiceren, is de nieuwheid weg.

“Publiceren moet je heel breed zien”, legt Beetz uit. “Ik kan mij een klant herinneren die mij opbelde vanuit een beurs waar hij stond met een uitvinding. Hij vertelde dat er veel belangstelling was voor zijn vernieuwing en hij het wel wilde octrooieren. Maar dan heb je al het probleem, want dan kun je het al openbaar hebben gemaakt.”

Belangrijk hierbij is dat geen onderscheid wordt gemaakt of de uitvinder zelf de technologie openbaar heeft gemaakt of dat iemand anders dat heeft gedaan.

Vanwege deze regel is het belangrijk om geheimhoudingsverklaringen te gebruiken bij eventuele overleggen met bijvoorbeeld een producent. “Op dat moment is het niet openbaar. Openbaar is in principe wanneer iedereen er toegang tot kan hebben. Het kan openbaar zijn gemaakt zonder dat iemand het heeft gezien. Dat maakt niet uit, want in dat geval was het wel mogelijk geweest.”

Beetz waarschuwt, het ligt niet allemaal zo zwart-wit wanneer iets als ‘openbaar’ wordt beschouwd.

Knutsel niet zelf wat in elkaar

“Een ander veelvoorkomende fout is als een uitvinder het allemaal zelf denkt te weten. Die gaat zelf wat knutselen en het dan indienen. Dat is allemaal veel goedkoper en het resultaat is in bijna alle gevallen rampzalig. Met als gevolg dat hij helemaal niks heeft en wel een openbaarmaking heeft gedaan.”

Betaal jaartaksen en wees nauwkeurig in de aanvraag

Er moet een bedrag worden betaald om de octrooiaanvraag in stand te houden. Als een betaling wordt gemist, krijgt een octrooihouder zes maanden respijt, maar uiteindelijk dreigt een heel octrooi te vervallen. Als dat gebeurt kan het niet meer worden hersteld en is het octrooi “dood”.

Ook de vorm waarin een aanvraag wordt gedaan, moet voldoen aan allerlei eisen. Dat gaat dan om regelmarge of de lettergrootte. “Het lijkt flauwekul en dat is het natuurlijk ook, maar het zijn wel formele eisen en als je er niet aan voldoet, dan gaat het mis.”

(Bron: Nu.nl)

Gehuwde ondernemers opgelet: wederhelft kan rechtshandeling vernietigen op grond van ontbreken toestemming

De Nederlandse wet bevat een limitatieve opsomming van bepaalde financieel risicovolle handelingen waarbij een gehuwde vóór het verrichten van de handeling de toestemming nodig heeft van diens wederhelft.

Zo heeft een gehuwde bijvoorbeeld toestemming nodig als hij/zij in privé een hypotheek wil afsluiten.

De gedachte van de wetgever is dat echtgenoten tegen elkaar en tegen zichzelf moeten worden beschermd. Mocht het overleg met het thuisfront uitblijven en er wordt een hypotheekrecht aan de bank verstrekt, dan kan de andere echtgeno(o)t(e) de overeenkomst met de bank vernietigen op grond van het ontbreken van toestemming.

uitzondering

De wet maakt ook een uitzondering op dit toestemmingsvereiste, namelijk als:

  1. De hypothecaire geldlening niet wordt aangegaan ten behoeve van de privésfeer, maar voor “de normale uitoefening van het bedrijf”
  2. De vennootschap in kwestie een B.V. of N.V. is
  3. De echtgeno(o)t(e) alleen of samen met medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt

normale uitvoering van het bedrijf

Wanneer echter sprake is van een “normale uitoefening van het bedrijf”, is niet altijd eenduidig. Een verrichte handeling door de vennootschap, die niet direct als vreemd kan worden bestempeld, maakt nog niet dat het onder de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap valt.

De Hoge Raad oordeelde vorig jaar nog dat een borgstelling voor een overbruggingskrediet, dat enkel werd gebruikt om een faillissement van het bedrijf te voorkomen, niet kon worden aangemerkt als een handeling die behoorde tot de normale uitoefening van het bedrijf.

Dit criterium brengt dan ook nog steeds de nodige rechtspraak met zich mee. Zo oordeelde een rechter van de rechtbank Gelderland recentelijk juist het tegenovergestelde. De casus luidde als volgt:

Twee gezamenlijke directeuren, beiden gehuwd, waren hoofdelijk een hypothecaire geldlening aangegaan ter financiering van de aankoop van een bedrijfswoning. Vijf jaar later ging het bedrijf failliet. De bank ging over tot executie van het pand, ten gevolge waarvan de echtgenoten overgingen tot vernietiging van de onderliggende overeenkomst. De bank was hier uiteraard niet blij mee en betoogde dat er geen toestemming was vereist, omdat de aangegane hoofdelijke aansprakelijkheid onder de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap viel.

In deze situatie was de woning aangekocht om als bedrijfswoning dienst te doen. De bestemming van de woning was dan ook met medewerking van de gemeente gewijzigd. Ook waren er vijf vaste werknemers van het bedrijf in de woning gevestigd.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel bleek bovendien dat het aankopen en beheren van onroerend goed tot de activiteiten van het bedrijf behoorden. Andere onroerende goederen waren reeds eerder aangekocht met hetzelfde doel. De rechtbank oordeelde dat de aankoop van de woning onder deze omstandigheden paste binnen de gangbare, gebruikelijke activiteiten van het bedrijf.

De handtekeningen van de echtgenoten voor het sluiten van de overeenkomst met de bank waren dus niet vereist, waardoor zij geen beroep konden doen op vernietiging. Voor de bestuurders had dit als gevolg dat zij de restschuld bij de bank hoofdelijk dienden te vergoeden.

conclusie

De vraag of een persoonlijke zekerheidsstelling is aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening kan dus grote gevolgen met zich meebrengen.

Bij een ontkennende beantwoording van deze vraag heeft de andere echtgeno(o)t(e) veel in de melk te brokkelen.

Maar wanneer de handelende echtgeno(o)t(e) een hypotheek bij nader inzien ook liever kwijt is dan rijk, kan het ontbreken van de toestemming juist voordelig uitpakken: de niet handelende gehuwde vernietigt de overeenkomst en de situatie wordt weer teruggedraaid naar hoe die was. Maar als er sprake is van een gebruikelijke bedrijfsactiviteit, zal deze uitvlucht waarschijnlijk geen optie zijn…

(Bron: DVAN)

Certificeren van aandelen

waarom certificeren?

Een aandeelhouder in een B.V. heeft twee soorten rechten:

  • het recht op zeggenschap in de algemene vergadering van aandeelhouders (stemrecht);
  • het recht op een deel van de winst, in de vorm van uitkering van dividend.

De algemene vergadering van aandeelhouders is het hoogste orgaan van een B.V.. De algemene vergadering beslist onder meer over benoeming van bestuurders, stelt de jaarrekening vast (en daarmee hoeveel dividend wordt uitgekeerd) en is als enige bevoegd ingrijpende besluiten zoals tot statutenwijziging of fusie te nemen. Het bestuur van de vennootschap voert het beleid uit dat door de algemene vergadering wordt bepaald.
Zolang er niet veel aandeelhouders zijn, en zolang iedere aandeelhouders nauw bij de onderneming van de B.V. betrokken is, zal het geen probleem zijn dat het recht op zeggenschap en het recht op dividenduitkering samenvallen. Soms is het echter minder gewenst. Enkele voorbeelden:

  • een familiebedrijf waarin enkele leden van de familie wél en een groot aantal – meestal in een volgende generatie – niet actief bij de bedrijfsvoering betrokken zijn;
  • de eigenaar/grootaandeelhouder wil langzamerhand terugtreden, maar toch nog toezicht of macht uitoefenen;
  • er zijn zoveel aandeelhouders, dat het moeilijk wordt om in de algemene vergadering tot overeenstemming te komen;
  • de belangen van de aandeelhouders lopen uiteen: de een wil meer dividend uitkeren, terwijl de ander het bedrijf wil uitbouwen.

wat houdt certificering in?

Certificering van aandelen biedt de mogelijkheid het stemrecht op aandelen bij een beperkte groep te concentreren, namelijk het bestuur van de Stichting Administratiekantoor. Deze Stichting wordt dan enig aandeelhouder. Het bestuur van de Stichting is stemgerechtigd in de algemene vergadering en beslist dan ook hoe in de algemene vergadering wordt gestemd. Het bestuur moet handelen enerzijds in het belang van de certificaathouder en anderzijds in het belang van de onderneming. Het kan soms lastig zijn de beide belangen met elkaar te verzoenen. In de praktijk is het zo, dat het belang van de onderneming vaak de doorslag geeft. Dit is bijvoorbeeld vaak zo bij de dividendpolitiek.

In het algemeen wordt door certificering de slagvaardigheid bevorderd bij het nemen van beleidsbeslissingen, die door de algemene vergadering van aandeelhouders moeten worden genomen. Uiteraard gaat dit voordeel alleen op als alle of althans zoveel mogelijk aandelen ter certificering worden aangeboden. Daarover zal men het wel eens moeten zijn, want aandeelhouders kunnen niet worden verplicht aan certificering mede te werken.

Certificering houdt in:

  • de aandeelhouder draagt zijn aandelen over aan de Stichting Administratiekantoor;
  • de Stichting Administratiekantoor draagt certificaten van aandelen over aan de (dan ex-) aandeelhouder; deze certificaten corresponderen met de aandelen.

de stichting administratiekantoor

In de statuten van de stichting wordt geregeld hoeveel bestuursleden er zijn, hun bevoegdheden, de wijze waarop zij voor de eerste maal benoemd worden, de wijze waarop bij het ontstaan van vacatures opvolging plaats vindt, enzovoorts.

Desgewenst kunnen nadere regelingen in een huishoudelijk reglement opgenomen worden. Er zijn geen bijzondere wettelijke bepalingen omtrent deze nadere (bevoegdheids)regelingen, zodat een vorm kan worden gekozen die zo goed mogelijk past bij de individuele situatie.

rechten van de certificaathouder

Een certificaathouder behoudt, vermogensrechtelijk gezien, hetzelfde belang in het vermogen van de vennootschap als waartoe hij als aandeelhouder gerechtigd was: recht op uitkering van dividend of van het saldo bij liquidatie. De Stichting Administratiekantoor treedt slechts op als kassier/sluis: uitkeringen op de aandelen die de Stichting Administratiekantoor ontvangt, worden doorgegeven aan de certificaathouder.

certificaten van aandelen

Bij certificering is het mogelijk om tegenover één aandeel van bijvoorbeeld € 1,- één certificaat van € 1,- uit te geven. Maar het is ook mogelijk om in plaats daarvan bijvoorbeeld tien certificaten van € 0,10 uit te geven. Met certificaten van kleinere coupures kan flexibeler worden omgegaan. In bijvoorbeeld geval van vererving kan het bezit van (certificaten van) aandelen toch vrij eenvoudig gelijkelijk over meerdere erfgenamen worden verdeeld. Ook in andere gevallen, zoals verkoop, zal overdracht van kleinere pakketten mogelijk zijn, waarmee dan niet direct zulke grote bedragen gemoeid zijn.

soorten certificaten

Er zijn twee soorten certificaten: royeerbare certificaten en niet-royeerbare certificaten. “Royeerbaar” wil zeggen dat de certificaten op wens van de certificaathouder, of onder bepaalde omstandigheden, weer omgewisseld kunnen worden in aandelen. Bij “niet-royeerbare certificaten” vindt de omwisseling alleen plaats als het bestuur van de Stichting Administratiekantoor daartoe besluit.

In de meeste gevallen wordt gekozen voor niet-royeerbare certificaten. Wil een certificaathouder van zijn certificaten af, dan wordt gewoonlijk bepaald dat deze zijn certificaten eerst moet aanbieden aan de overige certificaathouders overeenkomstig de blokkeringsregeling, die in de statuten van de B.V. staat. Hebben de overige certificaathouders en ook de aandeelhouders geen belangstelling, dan kan vrij verkocht worden, maar dat is meer een theoretische dan een praktische mogelijkheid. De verkoopbaarheid van een kleine hoeveelheden aandelen in een klein bedrijf is immers vrij moeilijk. Dit geldt evenzeer voor kleine pakketten aandelen. De positie van een certificaathouder is daardoor niet nadeliger dan die van een aandeelhouder.

administratie- of certificeringsvoorwaarden

De aandelen die worden gecertificeerd, worden door een stichting gehouden. Dit geschiedt onder een aantal voorwaarden. Deze heten administratievoorwaarden of ook wel certificeringsvoorwaarden. Hierin zijn uitgebreid de rechten en plichten van de stichting en de certificaathouder ten opzichte van elkaar beschreven.
Over de inrichting van de administatievoorwaarden bestaat grote vrijheid. Het belangrijkste punt is welke rechten de vergadering van certificaathouders heeft.

Hoe vindt certificering plaats?

Certificering van aandelen kent de volgende stappen:

  1. de oprichting van de stichting: Stichting Administratiekantoor (met meestal toevoeging van de naam van de B.V., zonder de letters B.V.);
  2. benoeming van het eerste bestuur en vaststelling van de certificeringsvoorwaarden;
    c. tenslotte leveren de aandeelhouders hun aandelen in en krijgen daarvoor certificaten (van aandelen) terug.

rechten van de certificaathouders

Hoewel er in de wet weinig geregeld is over certificering van aandelen, hebben certificaathouders de volgende rechten, indien de certificering met medewerking van de vennootschap geschiedt:

  1. De certificaathouders moeten voor de algemene vergadering van aandeelhouders worden opgeroepen.
  2. Zij kunnen de algemene vergadering van aandeelhouders na machtiging van de rechter bijeenroepen (mits ze tezamen minimaal tien procent van het geplaatst kapitaal in de vorm van certificaten houden).
  3. Voor de certificaathouder moet de agenda ook worden vermeld bij de oproeping, casu quo ten kantore van de vennootschap worden neergelegd.
  4. De certificaathouder mag zelf de algemene vergadering van aandeelhouders bijwonen en daar het woord voeren. Hij mag zich ook met een schriftelijke volmacht doen vertegenwoordigen.
  5. Bij voorstellen tot statutenwijziging moet dit in de oproeping worden vermeld.
  6. De certificaathouder(s) (mits ze tezamen minimaal tien procent van het geplaatst kapitaal in de vorm van certificaten houden) kan na toestemming van de rechter de boeken en bescheiden van de ontbonden rechtspersoon inzien.
  7. De certificaathouder kan de jaarstukken inzien ten kantore van de vennootschap.
  8. De certificaathouder kan de algemene vergadering van aandeelhouders bijeenroepen teneinde de jaarstukken in de algemene vergadering van aandeelhouders te doen vaststellen/goedkeuren.
  9. De certificaathouder(s) (mits ze tezamen minimaal tien procent van het geplaatst kapitaal in de vorm van certificaten houden) kan/kunnen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam een verzoek doen tot het instellen van een enquête.
  10. De certificaathouder is bevoegd een voorstel tot fusie neergelegd ten kantore van de vennootschap in te zien.

Van “medewerking van de vennootschap” kan bijvoorbeeld al sprake zijn, als de vennootschap de kosten van de certificering betaalt.

(Bron: Smit Boeser van Grafhorst notarissen)

Concurrentie die niet contractueel is verboden kan onder omstandigheden toch onrechtmatig zijn

Het staat werknemers zonder concurrentiebeding in beginsel vrij om zich na afloop van de arbeidsovereenkomst in vrije concurrentie met voormalig werkgevers te begeven. Toch kan concurrentie die niet contractueel is verboden onder omstandigheden toch onrechtmatig zijn tegenover die voormalig werkgever.

Het (al dan niet overeengekomen) concurrentiebeding blijft hip & happening. Over de concurrerende ex-werknemer wordt namelijk regelmatig geprocedeerd. Een werknemer (die niet is gebonden door een concurrentiebeding) handelt in beginsel niet onrechtmatig indien hij in dienst van zijn nieuwe werkgever gebruik maakt van de kennis, kunde en ervaring die hij heeft opgedaan bij de oude werkgever. Dat geldt ook wanneer de oude en de nieuwe werkgever elkaar in dezelfde markt beconcurreren. In het algemeen staat het een ex-werknemer namelijk vrij om zijn voormalig werkgever te beconcurreren. De voormalige werkgever heeft het dan ook vaak maar te dulden dat de ex-werknemer de relaties benadert. Op grond van het recht op vrije arbeidskeuze (art. 19 lid 3 Grondwet) en het mededingingsrecht is het een ex-werknemer namelijk in principe toegestaan om te profiteren van het bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever.

Het is voor werkgevers niet eenvoudig om onrechtmatige concurrentie van ex-werknemers aan te tonen. Voordat onrechtmatige concurrentie wordt aangenomen dienen de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding geven heel concreet te worden bewezen. Een voormalig werkgever draagt de bewijslast ten aanzien van onrechtmatigheid. De meeste vorderingen worden afgewezen vanwege het gebrek aan bewijs van de gestelde feiten, met name ten aanzien van het initiatief van de overstap. Slechts onder bijzondere omstandigheden is namelijk sprake van onrechtmatige concurrentie. Richtinggevend voor het leerstuk van onrechtmatige werknemersconcurrentie is nog steeds het arrest Boogaard/Vesta uit 1955.

Bijkomende omstandigheden

Concurrentie is pas onrechtmatig als sprake is van bijkomende omstandigheden, die daaruit bestaan dat de ex-werknemer: (1) het duurzame bedrijfsdebiet van zijn voormalig werkgever (2) stelselmatig en substantieel afbreekt door deze klanten, leveranciers of personeelsleden af te nemen en (3) daarbij gebruikmaakt van kennis en gegevens die hij bij zijn voormalig werkgever vertrouwelijk heeft verkregen.

Jurisprudentie

Uit de jurisprudentie van de afgelopen jaren blijkt dat de Boogaard/Vesta-criteria steeds leidend zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige werknemersconcurrentie. Praktisch alle rechters lopen de criteria langs en vullen deze in aan de hand van bijkomende omstandigheden. Deze bijkomende omstandigheden zijn:

  • het misbruik maken van de bij de werkgever opgedane kennis;
  • het afhandig maken van personeel en/of klanten;
  • het doen van voordelige aanbiedingen;
  • het doen van ongunstige, onjuiste schadelijke of denigrerende mededelingen over de werkgever;
  • verwijzen naar het vroegere dienstverband.

De rechtspraak is op dit punt niet consistent. In het ene geval wordt het informeren van personeel, het registreren van een internetdomeinnaam en het aanschaffen van hard- en software ten behoeve van een nieuwe onderneming niet onrechtmatig geacht. Dat is in lijn met Boogaard/Vesta, nu het nog niet gaat om een daadwerkelijke afbraak. In andere gevallen werd het registreren van domeinnamen en het polsen van personeelsleden wel onrechtmatig geacht, terwijl daarmee niet aan de eisen van Boogaard/Vesta was voldaan.

Het feit dat meerdere werknemers tegelijkertijd overstappen naar een concurrerend bedrijf dat zich richt op dezelfde bedrijfsactiviteiten en eenzelfde klantenkring heeft, is op zichzelf niet onrechtmatig. Ook het louter informeren van klanten over een op handen zijnde vertrek naar een andere werkgever is niet onrechtmatig. Verder werd het uitnodigen van collega’s op een meeting en daar een bedrijfsplan presenteren met als doel om deze in dienst te laten treden bij een nieuw op te richten concurrerende onderneming niet als onrechtmatige concurrentie beschouwd. Ook niet toen de helft van het personeel was overgestapt. Tevens werd het uitdelen van visitekaartjes door een kapster aan klanten ten behoeve van haar eenmanszaak en waarbij vaststond dat er minstens veertien klanten waren overgestapt niet onrechtmatig geacht. Het feit dat de ex-werknemer negatieve maar ware mededelingen doet over de voormalig werkgever, leidt ook niet direct tot onrechtmatigheid.

Grens rechtmatig-onrechtmatig

Maar wanneer is dan wel sprake van onrechtmatige concurrentie? De grens tussen rechtmatig en onrechtmatig is lastig te trekken. Het stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet van de werkgever wordt onrechtmatig geacht. Het bedrijfsdebiet van de werkgever bestaat – naast bijvoorbeeld knowhow en specifieke producten – bij uitstek uit de zakelijke relaties die de werkgever heeft opgebouwd. Van onrechtmatigheid is verder zonder meer sprake als zakelijke relaties van de werkgever al tijdens het dienstverband worden overgenomen en de werkgever het nakijken heeft. En hoe substantiëler de vertrouwelijke bedrijfsinformatie is waarover de ex-werknemer beschikt, des te eerder is het gebruik daarvan onrechtmatig.

Ook bij het ‘ronselen’ (actief werven) van personeel geldt dat dit pas onrechtmatig is als dit stelselmatig en substantieel gebeurt, er duurzaam in de personeelsleden is geïnvesteerd en er wordt geworven met gebruikmaking van gegevens die de ex-werknemer gedurende zijn dienstverband bekend zijn geworden. Aan de strenge eisen ten aanzien van bewijs wordt vaak niet voldaan. Het blijft dan bij stellingen en vermoedens.

Voorbereiden op concurrentie

Ook het voorbereiden van concurrentie kan onrechtmatig zijn. Van doorslaggevend belang is dan of de voorbereidingshandelingen op zichzelf al concurrentie opleveren. Is dat het geval, dan wordt die concurrentie onrechtmatig geacht. Zonder daadwerkelijke concurrentie is de voorbereiding echter niet onrechtmatig. Het doen van voordelige aanbiedingen aan relaties van de voormalige werkgever wordt soms als onrechtmatig gezien. De beginselen van contractsvrijheid en vrije mededinging brengen mee dat het is toegestaan om aanbiedingen te doen die voordelig zijn ten opzichte van andere aanbieders. Dat wordt pas onrechtmatig als daarbij gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke gegevens over klanten, prijzen, kosten en voorwaarden. Bovendien moet ook hier sprake zijn van een stelselmatige en substantiële afbraak van een duurzaam debiet.

Feit blijft dat onrechtmatige werknemersconcurrentie in de rechtspraak niet snel wordt aangenomen. De voormalig werkgever dient zoveel mogelijk bijkomende omstandigheden aannemelijk te maken, wil zijn vordering uit hoofde van onrechtmatige concurrentie slagen.

Concurrentie- en relatiebeding

Maar hoe kan een werkgever zichzelf dan beschermen tegen concurrentie van (ex) werknemers? Het wordt een lastiger verhaal als niet op voorhand afspraken gemaakt zijn. Een non-concurrentie- of relatiebeding aangaan blijft dan ook essentieel. Ook na invoering van de Wet werk en zekerheid is dit in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogelijk, mits schriftelijk wordt gemotiveerd dat deze bedingen noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Daarnaast is het te adviseren een geheimhoudingsbeding met boeteclausule overeen te komen. Ontbreken deze bedingen dan is de hoofdregel dat het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalig werkgever, door gebruikmaking van bij die werkgever opgedane kennis en gegevens onrechtmatig zal worden geacht. Dat zal een voormalig werkgever dan wel aan moeten kunnen tonen. Slaagt de voormalig werkgever daarin, dan wordt vrijwel altijd een verbod op concurrerende activiteiten met een bepaalde tijdsduur opgelegd, onder verbeurte van een dwangsom.

De nieuwe werkgever

Niet alleen de ex-werknemer, maar ook de nieuwe werkgever kan ik sommige gevallen succesvol worden aangesproken op grond van onrechtmatige concurrentie. Een nieuwe werkgever is in beginsel vrij ex-werknemers van een concurrent die niet gebonden zijn aan een concurrentiebeding in dienst te nemen. Het profiteren van een wanprestatie van die werknemer, bijvoorbeeld het schenden van een non-concurrentie- en/of relatiebeding, is alleen onder bijkomende omstandigheden onrechtmatig ten opzichte van de voormalig werkgever. Dat is anders als een onrechtmatige daad van de ex-werknemer aan de nieuwe werkgever kan worden toegerekend of als deze bewust van het onrechtmatig handelen profiteert.

Conclusie

Als een werkgever en werknemer geen concurrentiebeding zijn overeengekomen is het desalniettemin mogelijk dat de werknemer onrechtmatige concurrentie verricht ten opzichte van zijn voormalig werkgever.  Maar, slechts onder bijzondere omstandigheden is daarvan sprake, namelijk als door gebruik van bedrijfsgeheimen afbreuk wordt gedaan aan het duurzame bedrijfsdebiet van die voormalig werkgever, doordat gebruik wordt gemaakt van de kennis en gegevens die bij die voormalig werkgever vertrouwelijk zijn verkregen. Bewijs is cruciaal in dergelijke procedures. Een mogelijkheid is om naast de ex-werknemer ook de nieuwe werkgever/concurrent aan te spreken wegens onrechtmatige concurrentie. De werkgever staat niet geheel machteloos tegen concurrentie van ex-werknemers indien geen concurrentiebeding is overeengekomen. Maar om discussie te voorkomen loont het om op voorhand schriftelijk een rechtsgeldig non-concurrentie- en relatiebeding met deze werknemers overeen te komen.

(Bron: DVAN)

Aansprakelijkheid echtgenoot

Is uw echtgenoot of partner ook aansprakelijk?

Gaat uw bedrijf failliet of heeft u schulden? Als u getrouwd bent of een geregistreerd partnerschap heeft, kan het zijn dat uw partner ook aansprakelijk is.

Hoe zit het met de aansprakelijkheid?

Uw aansprakelijkheid is afhankelijk van de rechtsvorm van uw bedrijf. Een ander belangrijk aspect is uw burgerlijke staat. Binnen een ‘regulier’ huwelijk of een geregistreerd partnerschap en een eenmanszaak of vof, is er geen verschil tussen privé- en ondernemingsvermogen. Bent u in gemeenschap van goederen samen en gaat u failliet? Dan zijn zowel u als uw partner aansprakelijk met uw privévermogen. Bekijk onderstaande aandachtspunten.

De juiste rechtsvorm kiezen

Bij de ene rechtsvorm loopt uw partner meer risico dan bij de ander.

Trouwen op huwelijkse voorwaarden

In huwelijksvoorwaarden zet u afspraken over bijvoorbeeld de verdeling van de bezittingen, de inkomsten en pensioenrechten. U kunt bijvoorbeeld het bedrijf op uw naam zetten en het huis op de naam van uw partner. U verkleint dan het risico dat de bank uw huis verkoopt als het slecht gaat met uw bedrijf. In dat geval is het noodzakelijk om zowel de hypotheek als huis op dezelfde persoon af te sluiten. Zorg voor daadwerkelijke jaarlijkse verrekening volgens de akte om de huwelijkse voorwaarden in stand te houden.

Procedure opstellen huwelijkse voorwaarden

De procedure voor het opstellen van huwelijkse voorwaarden voordat u trouwt, is simpel. U vraagt een notaris om huwelijkse voorwaarden op te stellen. De notaris zorgt voor inschrijving van de huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister. De huwelijkse voorwaarden gelden vanaf het moment van uw huwelijk.

Achteraf omzetten naar huwelijkse voorwaarden

Bent u langer dan 1 jaar getrouwd? In dat geval kan de notaris alsnog huwelijkse voorwaarden opstellen. Dankzij een wetswijziging is de toestemming van de rechtbank niet meer nodig voor wijziging of opstellen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk.

In de ‘nieuwe’ wet die geldt vanaf 2012 worden eventuele schuldeisers alsnog beschermd. Wil men het huwelijk wijzigen in een huwelijk met huwelijkse voorwaarden? Dan dienen beide echtgenoten zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor alle gemeenschapsschulden die er op de datum van wijziging van het huwelijk zijn.

Man-vrouwfirma

Zit u samen met uw man of vrouw in een vof, dan bent u beiden ondernemer en aansprakelijk met uw privévermogen. In die situatie biedt trouwen onder huwelijksvoorwaarden nauwelijks bescherming. U bent allebei met uw privévermogen aansprakelijk bij eventuele schulden.

Huwelijksvoorwaarden opheffen

Heeft u uw bedrijf verkocht of bent u gestopt en gaat u met pensioen? Dan kan het voordelig zijn om de huwelijksvoorwaarden om te zetten naar een wettelijke gemeenschap van goederen. Uw erfgenamen betalen dan minder successierechten als u overlijdt.

(Bron: Kamer van Koophandel)

De juiste rechtsvorm kiezen bij samenwerking: stel uzelf 10 vragen

Als u gaat samenwerken met andere bedrijven, is het handig om afspraken met elkaar te maken. Soms is het verstandig een rechtsvorm te kiezen voor uw samenwerking. Welke het beste bij u past, hangt van uw situatie en wensen af. Stel uzelf 10 vragen en kies dan de juiste rechtsvorm.

Tien vragen voordat u een rechtsvorm kiest

  1. Is de samenwerking eenmalig of voor onbepaalde tijd?
  2. Hoe intensief is de samenwerking? Worden al uw zakelijke activiteiten ondergebracht in een samenwerkingsverband? Of betreft het slechts een deel en hebben partners daarnaast ook een eigen onderneming?
  3. Heeft u als doel om geld te verdienen (winstoogmerk) of werkt u samen uit idealisme?
  4. Accepteert u dat u aangesproken kunt worden op verplichtingen die uw compagnon of partner aan gaat? Tot hoe ver mag dat gaan? Of wilt u de aansprakelijkheid beperken?
  5. Welke omzet verwacht u? De hoogte van de omzet bepaalt voor een belangrijk deel welke rechtsvorm fiscaal het meest interessant is.
  6. Onder welke naam wordt naar buiten getreden; wie mogen de contracten met klanten sluiten: de individuele partners of compagnons, of het collectief?
  7. Gaan de partners of compagnons zich zelf bezighouden met de dagelijkse bedrijfsvoering van de samenwerking, of sturen zij alleen op afstand?
  8. Is het de bedoeling vermogen op te bouwen binnen het samenwerkingsverband? Zo ja hoe wordt dit verdeeld?
  9. Komen er regelmatig nieuwe leden bij of stappen bestaande leden uit? Wanneer kan dat en tegen welke vergoeding?
  10. Hoe belangrijk is het om het samenwerkingsverband overdraagbaar te maken of op een bepaald moment te kunnen verkopen?

Mogelijke juridische vormen

Er zijn veel juridische vormen mogelijk die elk voor- en nadelen hebben. Daarom is het goed om op een rijtje te hebben wat voor u en uw partners belangrijk is. Kies vervolgens de rechtsvorm die u het meeste biedt. Let goed op fiscale verschillen en aansprakelijkheid.

Contracten en andere mogelijkheden

Wanneer de samenwerking kortdurend of eenmalig is, kunt u ook een gelegenheidscontract opstellen. Ook zijn er combinaties van rechtsvormen mogelijk, bijvoorbeeld een VOF en een BV. En tot slot is er ook nog een aantal meer ‘exotische’ rechtsvormen die vooral in bepaalde branches populair zijn. Een voorbeeld hiervan is de Engelse LLP, die kenmerken heeft van zowel VOF als BV en die om die reden populair is bij zakelijke dienstverleners als advocaten en accountants. U heeft dus veel mogelijkheden.

(Bron: Kamer van Koophandel)

Bekrachtiging = vervallen persoonlijke aansprakelijkheid?

Aan het laten verrichten van rechtshandelingen door een BV-i.o. (een BV “in oprichting”) kleven risico’s.  De persoon die namens de BV-i.o. handelt, is persoonlijk aansprakelijk voor de verrichte rechtshandelingen. Deze persoonlijke aansprakelijkheid vervalt pas  (uitzonderingen daargelaten) als de BV ná oprichting de betreffende rechtshandelingen bekrachtigt.

Wat zegt het Hof?

In de praktijk zien wij nog erg veel problemen rondom de BV-i.o. Het komt vaak voor dat een ondernemer door haast niet wil of kan wachten en toch alvast rechtshandelingen aangaat namens een BV-i.o. Belangrijk om te weten is dat het niet altijd vanzelfsprekend is dat de persoonlijke aansprakelijkheid zal komen te vervallen door een simpele bekrachtiging ná oprichting van de BV. Recent zijn er weer twee uitspraken geweest van het Hof (Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof Amsterdam) waarin dit nog eens onderstreept werd.

In het ene geval ging het om een situatie dat de heer X namens een BV-i.o. een huurovereenkomst heeft gesloten. Drie maanden later wordt de BV opgericht en daarbij is de heer X bestuurder van de BV geworden. De BV komt echter de huurovereenkomst niet na en het geschil gaat uiteindelijk om de vraag of de heer X wel of niet aansprakelijk is jegens de verhuurder doordat hij de huurovereenkomst namens de BV heeft bekrachtigd. Het Hof oordeelt dat ondanks dat niet de heer X maar de BV de rechtshandelingen van de BV-i.o. heeft bekrachtigd, de heer X toch persoonlijk aansprakelijk is omdat hij ten tijde van de bekrachtiging wist dat de BV haar verplichtingen jegens de verhuurder niet (meer) zou kunnen nakomen. Door niettemin te bekrachtigen en daardoor te bewerkstelligen dat zijn persoonlijke aansprakelijkheid zou worden afgewenteld, heeft de heer X onrechtmatig gehandeld jegens de verhuurder.

In het andere geval ging het om een BV die binnen een half jaar na haar oprichting failliet was gegaan. Op het moment dat de BV werd opgericht en vervolgens de rechtshandelingen uit haar oprichtingsfase bekrachtigde, verkeerde de BV al op de rand van de afgrond. Volgens het Hof kwalificeerde het oprichten van de BV en het vervolgens ‘volladen’ van de BV met een negatief vermogen door middel van bekrachtiging van de in de oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen als kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daarmee acht het Hof de bestuurder die de BV heeft opgericht en alle door de BV-i.o. gedane rechtshandelingen namens de BV heeft bekrachtigd, voor het gehele boedeltekort in het faillissement aansprakelijk. Volgens het Hof kon in dit geval in het licht van de feiten niet anders worden geoordeeld dan dat de BV ten tijde van haar oprichting en van de bekrachtiging van de in de oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen geen middelen van bestaan had en ook geen enkel reëel uitzicht daarop had. Door de bekrachtiging werd de BV schuldenaar van de voordien door haar oprichter aangegane (omvangrijke) schulden zoals de loonvorderingen vanaf de start tot aan de oprichting. Een deel van het personeel had al maanden geen loon ontvangen. Het was evident dat de BV niet in staat was die schulden te voldoen. Onder de geschetste omstandigheden was geen redelijk bestuurder tot de bekrachtiging overgegaan. Ook is aannemelijk dat de bekrachtiging een belangrijke oorzaak van het faillissement was.

Advies

Bij bekrachtiging van rechtshandelingen die zijn verricht in de oprichtingsfase moet altijd voorzichtigheid worden betracht. Het beste advies is om in het geheel geen rechtshandelingen in die fase te verrichten. Als dit echter niet anders kan, beoordeel dan op moment van bekrachtiging zorgvuldig of de BV haar verplichtingen zal kunnen nakomen.

(Bron: DVAN)

Stappenplan bedrijf overnemen

Een bedrijfsovername biedt voordelen ten opzichte van het zelf starten van een bedrijf. U bent vaak direct verzekerd van een inkomen, klantenbestand, naamsbekendheid en bedrijfspand. Maar er komt ook veel bij kijken. Waar moet u aan denken voordat u een bedrijf overneemt? Met welke regels en vergunningen krijgt u te maken? 10 belangrijke stappen voor het overnemen van een bedrijf.

1. Bekijk welke bedrijfsovername bij u past

De ene overname is de andere niet. Moet u op zoek naar een bedrijf? Of neemt u het bedrijf van uw familielid of van uw werkgever over? Lees meer over de verschillende soorten bedrijfsovernames.

2. Stel een profiel op en zoek kandidaatondernemingen

Zoek aan de hand van een profiel potentiële kandidaatondernemingen en benader deze. De Kamer van Koophandel geeft u een aantal tips bij de koop van een bedrijf.

3. Ga na of een geleidelijke bedrijfsovername iets voor u is

Misschien wilt u een bedrijf overnemen, maar niet ineens. Bijvoorbeeld omdat u dat niet in 1 keer kunt financieren. Of omdat u nog wilt leren van de ervaring van de verkoper. Een geleidelijke bedrijfsovername kan op verschillende manieren.

4. Onderhandel over de overnameprijs

Wat is de overnameprijs? En welke inventarisgoederen neemt u over? De overnameprijs moet kloppen met de waarde van het bedrijf. U kunt om een boekenonderzoek vragen, een ‘due diligence’. Zo krijgt u meer inzicht in bijvoorbeeld cijfers, klanten en contracten.

5. Zoek uit hoeveel werknemers een arbeidscontract hebben

Als u een bedrijf overneemt, dan neemt u ook het personeel over. Uitgangspunt bij de overname is dat er voor het personeel niets verandert. Lees meer over de regels voor personeel bij bedrijfsovername.

6. Stel een overnamecontract op

Neem afspraken over de overname op in een contract. U kunt hierin een ontbindingsclausule opnemen. De overname gaat dan niet door als u bijvoorbeeld geen financiering of vergunningen kunt krijgen. Eventuele geschillen kunt u op basis van het contract oplossen.

7. Ga op zoek naar financiering

Heeft u zelf het geld niet om het bedrijf over te nemen? Dan moet u dat lenen bij uw familie, of bij een bank of investeerder. Mogelijk komt u ook in aanmerking voor een subsidie of andere regeling.

8. Regel belastingzaken met de Belastingdienst

Bij het overnemen van een bedrijf moeten u en de verkoper een aantal belastingzaken regelen. De verkoper maakt bijvoorbeeld de balans op en rekent af met de Belastingdienst. Dit heet fiscaal afrekenen.

9. Erft u een onderneming of krijgt u er een geschonken? Betaal dan erfbelasting of schenkbelasting

Als u een onderneming erft of geschonken krijgt en u zet deze voort, dan kunt u gebruikmaken van de bedrijfsopvolgingsregeling. U betaalt dan minder of geen erf- of schenkbelasting.

10. Ga na wat u allemaal wilt overnemen van de verkoper

Denk aan:

  • Bedrijfsruimte: Gaat het om een huurpand? Dan moet de verhuurder hiermee akkoord gaan.
  • Intellectuele eigendomsrechten: Dit kunnen handelsnamen, auteurs- en modelrechten, merk-, octrooi- en kwekersrechten zijn.
  • Vorderingen en schulden: Wat spreekt u af als de verkoper zijn schulden niet (geheel) betaald heeft op de datum van overname? Neemt u de schulden en vorderingen over? Maak afspraken voor het geval de schulden onverwachts groter blijken te zijn.
  • Lopende rechtszaken, productaansprakelijkheid en verleende garanties.
  • Lopende contracten, telefoonnummers en abonnementen: Moet de verkoper nog iets regelen om de contracten op u over te laten gaan?

(Bron: Kamer van Koophandel)

Kun je pandrecht op een merk vestigen?

Onlangs kregen wij via één van de IT-notarissen waar we mee samenwerken de vraag van een accountant door, die wilde weten of het ook mogelijk is om een pandrecht te vestigen op een merk. Dit is uiteraard mogelijk, hieronder volgt een uitleg van de procedure.

Merk

Met een merk kunt u uw producten of diensten onderscheiden van die van uw concurrenten. Een merk wordt pas beschermd, nadat het is geregistreerd. Hoe werkt een dergelijke registratie?

Een merk kan worden geregistreerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). Door deze registratie krijgt u het exclusieve recht op het gebruik van het merk voor bepaalde producten en diensten binnen de Benelux. De inschrijving is in eerste instantie 10 jaar geldig, maar deze kunt u na 10 jaar verlengen. U dient wel zelf uw merk actief in stand te houden in de markt. Tijdens de registratieperiode wordt u merk beschermd.

Pandrecht op een merk

We nemen het voorbeeld van een webwinkelier die een beeldmerk houdt en voor een investering een externe geldschieter inzet. Deze webwinkelier kan het beeldmerk bij notariële of onderhandse akte in onderpand geven aan de investeerder. Wanneer de webwinkelier zijn verplichting tot terugbetalen van de lening van de investeerder niet nakomt, kan de investeerder op grond van de pandakte het beeldmerk te gelde maken en zorgen voor de voldoening van zijn vordering.

Een pandrecht op een merk heeft pas derdenwerking na inschrijving van de pandakte in het merkenregister. Indien dit niet gebeurt, heeft het pandrecht alleen werking tussen een pandgever en een pandhouder.

De webwinkelier moet de houder van het merkenrecht zijn om het in pand te kunnen geven. Dit is terug te vinden in het register op de website van de Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). Indien de webwinkelier inderdaad houder van het merk blijkt, kan hij een authentieke of onderhandse pandakte laten opstellen, waarin duidelijk welk merk wordt verpand.

Vervolgens dient deze pandakte te worden ondertekend door de webwinkelier en de investeerder. De getekende akte moet worden gestuurd naar het BBIE, die de verpanding in het register inschrijft. De webwinkelier kan vanaf het moment van deze inschrijving niet meer zonder de toestemming van de investeerder het merk overdragen of opzeggen.

Het is dus van belang om zeker te stellen dat de verpanding is geregistreerd bij het BBIE. Wanneer dit niet is gebeurd, kan de webwinkelier nog steeds het BBIE overdragen of opzeggen. Het BBIE kent het bestaan van de pandakte immers niet. Natuurlijk kan de investeerder dan verhaal halen bij de webwinkelier, maar zijn onderpand is hij kwijt.

(Bron: www.it-jurist.nl)

Auteursrecht

De Auteurswet beschermt automatisch werken van letterkunde, wetenschap of kunst. De bescherming gaat in op het moment dat het werk tot stand komt. Voorwaarde is dat het werk origineel is.

Auteursrecht kost niets en de bescherming is internationaal. Makers hoeven hun werk niet te registreren of te deponeren. Het auteursrecht vervalt 70 jaar na het overlijden van de maker.

  • Werken waarop auteursrechtelijke bescherming kan rusten: teksten, kunstwerken, brochures, video’s en ander promotiemateriaal, software, foto’s, sieraden, tekeningen, schaalmodellen en bouwwerken.
  • Werken waarop geen bescherming rust: catalogi, gebruiksaanwijzingen, dienstregelingen, theaterprogramma’s en telefoongidsen.

Collectieve beheersorganisatie (cbo)

De meeste auteurs (waaronder ook componisten, muzikanten en filmmakers) oefenen hun auteursrechten uit via een collectieve beheersorganisatie (cbo). Voorbeelden zijn Buma/Stemra, Sena, Videma, Stichting Reprorecht en Stichting de Thuiskopie. Deze cbo’s zijn aangesloten bij de Vereniging van Organisaties die Intellectueel eigendom Collectief Exploiteren (VOI©E).

Toezicht

Het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA) houdt toezicht op een aantal van deze collectieve beheersorganisaties.

Klachten

Hebt u als gebruiker van auteursrechtelijk beschermd werk een klacht over een van deze cbo’s? Dan neemt u eerst contact op met die organisatie. Elke organisatie heeft een eigen geschillenregeling. Als de organisatie uw klacht niet (correct) afhandelt, kunt u zich wenden tot VOI©E. Als de cbo is aangesloten bij De Geschillencommissie, kunt u ook de Geschillencommissie Auteursrechten Zakelijk inschakelen.

(Bron: Ondernemingsplein)