Verhoging btw-tarief naar 9%

Het lage btw-tarief wordt per 2019 verhoogd van 6% naar 9%. De verhoging geldt voor alle goederen en diensten waarop nu (nog) het 6%-tarief van toepassing is.

Verhoging btw

Door de btw-verhoging gaat u dus meer betalen voor onder meer:

  • Goederen: voedingsmiddelen, dranken (exclusief alcoholische dranken), water, geneesmiddelen, boeken, tijdschriften, bloemen planten.
  • Diensten: sportactiviteiten, fietsenmaker, kapper, schilderen en stukadoren, personenvervoer, hotelovernachtingen, toegang tot dierentuinen, musea, pretparken, bioscopen en schoonmaakdiensten.

Aanpassen administratie voor verhoging btw

Voor ondernemers is het van belang om administratieve systemen (boekhoudprogramma’s, factureringsprogramma’s) tijdig aan te passen zodat zij het nieuwe btw-tarief van 9% correct kunnen toepassen en afdragen. Een aantal prestaties verdient hierbij bijzondere aandacht:

  • De staatssecretaris wil ondernemers niet met extra administratieve lasten belasten bij de verhoging van het btw-tarief. De Belastingdienst zal daarom niet naheffen op in 2018 betaalde prestaties, die pas in 2019 worden verricht. Voorbeelden hiervan zijn concerten en sportevenementen, die dit jaar al zijn betaald, maar pas in 2019 plaatsvinden. Dit geldt voor alle goederen en diensten waarop het verlaagde tarief van toepassing is.
  • Bij een doorlopende prestatie, zoals bijvoorbeeld abonnementen op tijdschriften die voor langere periodes vooruit worden gefactureerd, moet over de periode na 1 januari 2019 3% extra btw worden bijbetaald. Deze verhoging mag worden doorberekend zonder aanpassing van de bestaande overeenkomst.
  • Bij het opstellen van offertes voor de uitvoering van prestaties over 2019 kan nu al rekening gehouden worden met het btw-tarief van 9%.
  • Ondernemers die geen recht op btw-aftrek hebben (van btw vrijgestelde handelingen) kunnen geplande investeringen nog in 2018 doen.
  • Uit de uitgereikte facturen moet duidelijk blijken wanneer de prestatie is verricht.

(Bron: ABAB)

Belastingdienst mag bsn niet in btw-nummer gebruiken

De Belastingdienst heeft geen wettelijke basis om het burgerservicenummer te gebruiken in het btw-identificatienummer van zelfstandigen met een eenmanszaak. De Belastingdienst moet de geconstateerde overtredingen zo snel mogelijk beëindigen. Gebeurt dat niet, dan kan de Autoriteit Persoonsgegevens handhavende maatregelen treffen.

Het btw-nummer moet verplicht op de website van ondernemers en op facturen worden vermeld, waardoor iedereen het burgerservicenummer kan zien van een zelfstandige.

Dat kan mogelijk zorgen voor problemen, want met een bsn, naam, woonadres en telefoonnummer kunnen criminelen makkelijk identiteitsfraude plegen.

Meer informatie: Autoriteit Persoonsgegevens 6 juli 2018

Wanneer is een huisarts btw-plichtig?

De activiteiten van een huisarts die de diagnose, behandeling en voor zover mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen van de mens tot doel hebben, zijn vrijgesteld van btw. Hieraan verbonden diensten kunnen wel btw-belast zijn, zo bleek onlangs voor de rechter.

GEZ-modules

Een huisarts verrichtte diensten voor een stichting, zogenaamde GEZ-modules, waarvoor door de verzekeraar een vergoeding werd betaald. Via de stichting werd de huisarts hiervoor betaald. De vergoeding was btw-belast, aldus de rechter.

Aansturing praktijkondersteuners

Het doel van de stichting was met name de gezondheidszorg in het werkgebied te verbeteren. Dit gebeurde onder meer door de samenwerking tussen de werkzame medici te bevorderen. Een andere taak was het zo goed mogelijk aanwenden van de beschikbare middelen. De huisarts onderhield daartoe contact met praktijkondersteuners, die ze aanstuurde in hun contacten op spreekuren met patiënten.

Coördineren en organiseren

Uit de stukken bleek dat de huisarts in de praktijk met name een coördinerende en organiserende functie vervulde. Er was bij de uitvoering van deze taken ook geen directe zorgrelatie met de patiënten. Ook was er geen sprake van prestaties die opgingen in haar prestaties in de rol van huisarts. De prestaties waren daarom belast met btw.

Vragen op medisch gebied

Dat het contact met de praktijkondersteuners soms ook betekende dat er antwoord gegeven werd op vragen op medisch gebied, maakte nog niet dat daarom de dienst daarom als medische handeling aangemerkt moest worden. Bij diensten die een combinatie zijn van medische en niet-medische diensten, kan het raadzaam zijn de dienst te splitsen. Op deze manier kan een deel van de dienst vrijgesteld blijven.

(Bron: Koenen en co)

Koop in voor 1 januari 2019 en u bespaart 3% btw

Het kabinet heeft bepaald dat per 1 januari 2019 het verlaagde btw-tarief van 6% wordt verhoogd naar 9%. Hierdoor worden bepaalde goederen en diensten vanaf 2019 3% duurder. De goederen en diensten die onder dit verlaagde btw-tarief vallen zijn onder andere voedingsmiddelen, geneesmiddelen, agrarische goederen, boeken, kappersdiensten, restaurantdiensten en personenvervoer.

Deze verhoging heeft vooral invloed op particulieren en ondernemers die geen recht hebben op aftrek van de door hun betaalde btw. Behoort u tot deze groep? Dan kan het verstandig zijn om deze goederen en diensten in te kopen voor 1 januari 2019, zodat u nog gebruik kan maken van het 6% tarief (een besparing van 3% btw). Het is belangrijk dat niet alleen de goederen en diensten voor 1 januari 2019 zijn ingekocht, maar dat deze ook voor 1 januari 2019 worden geleverd en verricht. Voor de prestaties die worden verricht voor 1 januari 2019 maar na 1 januari 2019 worden gefactureerd, geldt het 6% btw-tarief.

Daarnaast is het van belang om als ondernemer vanaf 1 januari 2019 9% btw af te dragen over de prestaties die onder het verlaagde btw-tarief vallen.

(Bron: DRV)

Omzetting btw-identificatienummer complex

Onlangs publiceerde de Autoriteit Persoonsgegevens het onderzoeksrapport over het btw-identificatienummer. In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën gereageerd op de resultaten van het onderzoek.

De conclusie uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens was dat het gebruik van het burgerservicenummer in het btw-identificatienummer van de ondernemers geen wettelijke grondslag heeft en dus in strijd is met de algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De staatssecretaris van Financiën onderschrijft de resultaten en conclusies die de Autoriteit Persoonsgegevens trekt volmondig. In zijn brief geeft hij echter ook aan dat het omzetten van het btw-identificatienummer naar een bruikbaar alternatief uitermate complex is.

De afgelopen jaren is er al meerdere malen onderzoek verricht naar alternatieven voor het burgerservicenummer in het btw-identificatienummer. Uit deze onderzoeken volgt dat de mogelijke alternatieven grote operationele gevolgen hebben.

Alternatief

Na hernieuwd onderzoek in het afgelopen voorjaar kwam er een alternatief naar voren dat op dit moment verder wordt onderzocht. Alle bestaande en nieuwe ondernemers krijgen dan een nieuw btw-identificatienummer voor extern gebruik. Dit nieuwe nummer kunnen ondernemers gebruiken in alle uitingen aan derden (op facturen, website e.d.) en ook in de correspondentie naar de Belastingdienst.

In de systemen van de Belastingdienst zal het oude (op het burgerservicenummer gebaseerde) btw-identificatienummer nog steeds worden gebruikt. Voor een goede koppeling in de systemen tussen het nieuwe en het oude btw-identificatienummer gebruikt de Belastingdienst een conversieservice.

Hoewel dit alternatief nog onderzocht wordt, is het duidelijk dat ook deze variant enorm complex is om door te voeren. Met name de verouderde systemen bij de Belastingdienst kunnen problemen opleveren bij de conversieservice. Daarnaast brengt deze mogelijkheid risico’s met zich mee voor de juiste afhandeling van btw-heffing en -verrekening.

Niet voor 1 januari 2019

De omzetting van het btw-identificatienummer zal niet kunnen worden gerealiseerd voor 1 januari 2019. De staatssecretaris gaat met de Autoriteit Persoonsgegevens om tafel om een overgangsperiode voor de realisatie van de omzetting te bespreken. Bovendien zal de omzetting van het btw-identificatienummer ook gevolgen hebben voor het bedrijfsleven, wat een invoeringstermijn rechtvaardigt.
(Bron:ABAB(

Bij overdracht onderneming overnemer niet gebonden aan btw-afspraken overdrager en Belastingdienst

In een onlangs verschenen arrest van de Hoge Raad (‘de HR’) oordeelt de HR dat bij de overdracht van een onderneming de overnemer niet is gebonden aan de btw-afspraken die de overdrager heeft gemaakt met de Belastingdienst omtrent de toepassing van de ‘unit-theorie’.

De HR oordeelde daarnaast dat belanghebbende ook overdrachtsbelasting verschuldigd was over de gekapitaliseerde waarden van de canon en retributie.


De zaak

Belanghebbende heeft in 2013 een complex van onroerende zaken tezamen met de lopende huurovereenkomsten verkregen (hierna: ‘de onroerende zaken’). Eén onroerende zaak functioneert als kantoortoren. De onroerende zaken betreffen een voortdurend erfpachtrecht en een voortdurend opstalrecht. De overdracht kwalificeerde als een overdracht van een onderneming als bedoeld in art. 37d wet OB.

Op verzoek van verkoper is een aantal jaren voorafgaand aan de onderhavige transactie door de Belastingdienst bevestigd dat iedere etage van de kantoortoren als een aparte onroerende zaak moest worden beschouwd met een eigen datum van eerste ingebruikneming en herzieningstermijn (dit in lijn met de tekst van het zogenoemde Vastgoedbesluit). Belanghebbende verdeelt echter de kantoortoren in evenzoveel onroerende zaken als er aparte delen zijn verhuurd (units), met meerdere onroerende zaken per verdieping tot gevolg. Het beoogde gevolg daarvan is een ruimere toepassing van de samenloopvrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

In geschil is:

  • Of belanghebbende gebonden is aan de hiervoor vermelde btw-afspraken die in dit kader door verkoper met de Belastingdienst zijn gemaakt. Het standpunt van de inspecteur leidt tot een beperktere toepassing van de samenloopvrijstelling omdat als een deel van een etage reeds meer dan twee jaren daarvoor in gebruik is genomen, de vrijstelling voor de gehele verdieping niet kan worden toegepast, en zo niet.
  • Of per etage (inspecteur) of per unit (belanghebbende) bepaald dient te worden of de samenloopvrijstelling kan worden toegepast, met andere woorden, of in onderhavige geval de ‘unit-theorie’ kan worden toegepast.
  • Voorts is in geschil of de Inspecteur de gekapitaliseerde waarde van de toekomstig verschuldigde canons c.q. retributies terecht tot de heffingsgrondslag van de overdrachtsbelasting heeft gerekend.

Oordeel HR

In geval van een overdracht van een onderneming treedt de overnemer btw-technisch in de plaats van overdrager. Op grond van de tekst en de parlementaire geschiedenis van artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting kan volgens de HR niet worden geconcludeerd dat de overnemer is gebonden aan tussen de overdrager en de inspecteur gemaakte btw-afspraken.

Bij de vaststelling of een gedeelte van een onroerende zaak zelfstandig als onroerende zaak kan worden aangemerkt, heeft als uitgangspunt te gelden dat niet met elkaar verbonden dan wel, indien verbonden, juridisch of fysiek te onderscheiden onroerende zaken afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen wanneer zij afzonderlijk (kunnen) worden gebruikt. Of dit in casu het geval kan zijn moet door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden beoordeeld.

Ten slotte oordeelt de HR met betrekking tot het derde geschilpunt dat het oordeel van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch geen verdere motivering vereist. Belanghebbende is dan ook overdrachtsbelasting verschuldigd over de gekapitaliseerde waarden van de canon en de retributie.

Gevolgen voor de praktijk

Btw-afspraken met de Belastingdienst c.q. ingenomen posities
Al heeft de HR het niet zo ruim geformuleerd, er is wel eindelijk duidelijkheid over de behandeling van btw-afspraken met de Belastingdienst en ingenomen posities, namelijk dat er keuze is voor de belastingplichtige om al dan niet een positie over te nemen van de overdrager. Er vanuit gaande dat de Belastingdienst wel is gebonden aan een dusdanige uitspraak. Volledig zeker is dit echter niet.

Heffingsgrondslag overdrachtsbelasting
De stelling dat alleen een onderbouwde verklaring van koper dat hij de koopsom heeft bepaald alsof sprake was van eigendom is niet voldoende. Daarbij adviseren wij, ook in geval de notaris hier niet om verzoekt, om voor de zekerheid toch voor een taxatierapport of een dergelijke verklaring van een taxateur zorg te dragen om discussies als de bovenstaande zo veel als mogelijk te vermijden.

(Bron: Deloitte

Verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% per 1 januari 2019

In het regeerakkoord is bekendgemaakt dat het verlaagde btw-tarief met ingang van 1 januari 2019 wordt verhoogd van 6% naar 9%. De aangekondigde tariefsverhoging heeft gevolgen voor alle goederen en diensten waarop nu het 6%-tarief van toepassing is. Derhalve worden onder andere primaire levensbehoeften duurder, zoals voedingsmiddelen, leidingwater en medicijnen. Daarnaast heeft de wijziging bijvoorbeeld gevolgen voor bepaalde diensten in het kader van cultuur en recreatie (bijv. toegang tot concerten, sauna en zwembad, sportwedstrijden, huur vakantiewoningen) en bepaalde arbeidsintensieve diensten (o.a. fietsenmaker en kapper).

De verhoging van het verlaagde btw-tarief moet nog door de Eerste en Tweede Kamer worden goedgekeurd, maar de staatssecretaris van Financiën raadt ondernemers aan zich vast voor te bereiden op de wijziging. De voorbereidingen die ondernemers moeten treffen zijn onder andere het aanpassen van de administratie en prijzen en vanaf 1 januari 2019 de facturatie en btw-aangiften.

Toezegging achterwege laten naheffing voor in 2018 betaalde prestaties
Met het nieuwe btw-tarief hoeft nog geen rekening gehouden te worden voor prestaties die in 2019 worden verricht, maar reeds in 2018 worden betaald. De staatssecretaris heeft namelijk toegezegd dat de belastingdienst het tariefverschil voor deze gevallen niet zal naheffen. Dat betekent bijvoorbeeld dat de ticketverkoop voor concerten die volgend jaar plaatsvinden nog met toepassing van 6% btw kan plaatsvinden. Voor ondernemers die diensten of goederen aanbieden tegen het verlaagde tarief biedt dit mogelijkheden om een besparing van 3% te realiseren.

(Bron: WVDB)

Geen boete voor niet-suppleren BTW bij niet-gedane aangifte BTW

X dreef een onderneming op het gebied van het ontwerpen en plaatsen van stands op beurzen. X was BTW-plichtig maar diende over 2011 geen BTW-aangiften in. X deed in juli 2014 aangifte IB 2011 en 2012. Voor deze aangiften waren jaarstukken voor de eenmanszaak opgemaakt waaruit een te betalen BTW-bedrag over 2011 volgde van € 37.094. X diende geen BTW-suppleties over 2011 in. De inspecteur legde aan X behalve een naheffingsaanslag BTW over 2011 van € 37.094, ook vergrijpboeten op grond van artikel 10a AWR van € 18.547 op en op grond van artikel 67f AWR van € 9.273. X ging in beroep tegen de vergrijpboeten. De inspecteur stelde op de zitting dat de boete op grond van artikel 67f AWR moest worden vernietigd en dat de boete op grond van artikel 10a AWR moest worden verminderd tot € 100. Rechtbank Noord-Nederland stelde voorop dat artikel 10a AWR in samenhang moest worden gelezen met een bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aangewezen en uitgewerkte informatieverplichting. In dit geval was de boete opgelegd op grond van de informatieverplichting van artikel 15 UVBG OB en werd X het nalaten te suppleren verweten, terwijl hij wist dat er BTW verschuldigd was over 2011. De Rechtbank stelde vast dat belastingplichtigen op grond van artikel 15, lid 1, UVBG OB middels een suppletie de onjuistheid of onvolledigheid in een gedane aangifte aan de inspecteur kenbaar moesten maken, zodra zij een onjuistheid of onvolledigheid in een gedane aangifte hadden geconstateerd (én daardoor te veel of te weinig belasting was betaald). X had in het geheel geen aangiften gedaan, zodat de gedraging van X geen beboetbare gedraging opleverde in de zin van artikel 10a AWR jo. artikel 15 UVBG OB. De Rechtbank verwierp de stelling van de inspecteur dat artikel 15 UVBG OB zo moest worden gelezen dat ook een suppletieplicht bestond als helemaal geen aangifte was gedaan. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde beide vergrijpboeten.

(Bron: FUTD)

Staatssecretaris trekt cassatie tegen BTW-aftrek afbouwende apotheker in

V.o.f. X exploiteerde een apotheek en was ondernemer voor de BTW. In november 2004 richtten de vennoten van X met vijf huisartsen de Vereniging Gezondheidscentrum op en werd afgesproken dat X de afbouwkosten van het gezondheidscentrum voor haar rekening zou nemen. Vanaf 1 juni 2006 huurde X 250 m2 bedrijfsruimte in een pand waar de huisartsen samen 550 m2 bedrijfsruimte huurden. De verhuurder had de bedrijfsruimten als “casco” ter beschikking gesteld aan de huurders. Vervolgens liet X de zes bedrijfsruimten afbouwen en inrichten voor de uitoefening van de apotheek en de huisartsenpraktijken. De kosten hiervan bedroegen bijna € 1,8 mln. X nam dat bedrag voor haar rekening en bracht de volledige BTW van € 285.619 in aftrek. De inspecteur legde aan X een naheffingsaanslag BTW op voor 43,9% van de afgetrokken voorbelasting, omdat volgens hem voor dat deel van de kosten niet X maar de huisartsen de afnemers van de desbetreffende leveringen en diensten waren. Rechtbank Den Haag vernietigde de naheffingsaanslag, maar Hof Den Haag volgde het standpunt van de inspecteur. X ging in cassatie. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X gegrond en verwees de zaak naar Hof Amsterdam om te onderzoeken wie de afnemer van de prestaties was. Dat Hof besliste dat X de afnemer van de prestaties was. Voor het antwoord op de vraag aan wie de prestaties waren verricht, was volgens het Hof alleen van belang of de werkzaamheden waren verricht ingevolge een rechtsbetrekking met de dienstverrichters. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond. De staatssecretaris heeft in een onderschrift laten weten dat hij zijn beroep in cassatie intrekt omdat hij verwacht dat de Hoge Raad zal beslissen dat de uitspraak van het Hof niet onjuist is. Verder had X gesteld dat zij de kosten voor haar rekening had genomen ter bevordering van haar omzet en met het oog op de afname door derden van haar producten. Al omdat daarmee moest worden aangenomen dat het wezenlijk doel van X niet was gericht op het behalen van belastingvoordeel, kwam de stelling van misbruik van recht volgens de staatssecretaris te ontvallen. Ook was volgens het Hof gesteld noch gebleken dat de facturering aan X schijn was geweest en dat de huisartsen de uiteindelijke betalingen hadden gedaan.

(Bron: FUTD)

Verlaagd btw-tarief verhoogd

Bent u kapper, bloemist, schilder of stukadoor? Verkoopt u boeken, verstrekt u geneesmiddelen of geeft u gelegenheid tot sportbeoefening? Of verricht u een van de overige prestaties die door de wetgever onder het verlaagd btw-tarief zijn gebracht? Dan moet u vanaf 1 januari 2019 méér btw berekenen over de door u geleverde goederen en diensten. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het verlaagde btw-tarief verhoogd van 6% naar 9%. Ons advies: pas uw prijzen voor prestaties die onder het verlaagde tarief vallen aan en richt uw btw-administratie tijdig in.

De btw-verhoging werd door het kabinet aangekondigd in het Regeerakkoord Rutte III en dient ter financiering van de verlaging van de inkomstenbelasting. De tariefsverhoging  wordt opgenomen in het Belastingplan 2019 en treedt, na instemming van zowel de Tweede als Eerste Kamer, per 1 januari 2019 in werking.

Heeft de btw-verhoging gevolgen voor u?

De tariefsverhoging geldt voor alle goederen en diensten die momenteel zijn onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6%:

  • eet- en drinkwaren;
  • genees- en verbandmiddelen;
  • kunstvoorwerpen en antiquiteiten;
  • boeken;
  • bloemen, bomen en planten;
  • het geven van gelegenheid tot sportbeoefening;
  • diensten verricht door schoenmakers, kleermakers en kappers;
  • het schilderen en stukadoren van bepaalde woningen;
  • personenvervoer;
  • hotelovernachtingen en kampeerdiensten;
  • het verlenen van toegang tot circussen, dierentuinen, openbare musea, muziek- en toneeluitvoeringen, bioscopen, sportwedstrijden en attractieparken;
  • schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen.

Verricht u één van bovenstaande prestaties of één van de andere prestaties onderworpen aan het verlaagd btw-tarief? Dan moet u met ingang van 1 januari 2019 een btw-tarief van 9% berekenen aan uw afnemers. Pas daarom tijdig uw prijzen aan en voer de tariefsverhoging door in uw btw-administratie.

Vooruitbetalingen: 6% of 9% btw?

Om te bepalen welk btw-tarief van toepassing is, moet in beginsel worden aangesloten bij het moment van verschuldigdheid. Dit is het moment waarop de factuur is uitgereikt dan wel had moeten zijn uitgereikt óf, ingeval geen verplichting bestaat tot het uitreiken van een factuur, het moment van presteren. Betaalt uw afnemer vóórdat de factuur is uitgereikt c.q. de prestatie heeft plaatsgevonden, dan wordt aangesloten bij het moment van ontvangst van de betaling.

Geen overgangsregeling

In een recent gepubliceerd nieuwsbericht heeft de staatssecretaris van Financiën aangekondigd geen overgangsregeling in te stellen voor de verhoging van het verlaagde btw-tarief op 1 januari 2019. Betalingen die u ontvangt vóór 1 januari 2019 waarbij de samenhangende prestatie plaatsvindt op of na 1 januari 2019 zijn daarom onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6%.

Lopende contracten

De verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% per 1 januari 2019 kunt u doorberekenen aan uw afnemers, ongeacht hetgeen is bepaald in een eventuele overeenkomst. In een overeenkomst opgenomen strijdige bedingen zijn nietig.

(Bron: Berk)