Inspecteur mag onterecht gefactureerde btw direct naheffen bij ontvanger factuur

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de inspecteur in gevallen waarin een afnemer ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, niet verplicht is om eerst een naheffingsaanslag op te leggen aan de opsteller van de factuur alvorens hij het ten onrechte in aftrek gebrachte bedrag van de afnemer kan naheffen.

Een bv houdt zich bezig met opruim- en schoonmaakwerkzaamheden in de bouwsector. Voor het inhuren van personeel zijn aan haar facturen uitgereikt met btw. De bv heeft de btw op deze facturen in aftrek gebracht. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat de aftrek ten onrechte is geschied. Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de btw terecht bij de bv heeft nageheven. Hierbij overweegt het hof onder meer dat, gelet op de gegevens die de inspecteur heeft verzameld over de opsteller van de facturen, naheffing bij dat bedrijf geen effect zou hebben gesorteerd.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur in gevallen waarin een afnemer ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, niet verplicht is om eerst een naheffingsaanslag op te leggen aan de opsteller van de factuur alvorens hij het ten onrechte in aftrek gebrachte bedrag van de afnemer kan naheffen. Het Besluit van 27 juni 2012, nr. 2012/477M staat de inspecteur toe de in aftrek gebrachte omzetbelasting na te heffen bij de afnemer, zeker indien aannemelijk is dat naheffing bij de opsteller van de factuur zonder resultaat blijft. Wanneer – zoals in dit geval – op voorhand aannemelijk is dat de opsteller van de factuur het bedrag van een op te leggen naheffingsaanslag geheel of gedeeltelijk niet zal betalen, belemmert het besluit de inspecteur niet de in aftrek gebrachte omzetbelasting na te heffen van de afnemer zonder dat een naheffingsaanslag aan de opsteller van de factuur wordt opgelegd. Het hof heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de inspecteur niet in strijd met het recht heeft gehandeld door de in aftrek gebrachte omzetbelasting van de afnemer na te heffen. Het cassatieberoep van de bv is ongegrond.

(Bron: Pleinplus)

Overzicht details verlaagd btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen

Zoals in het Woonakkoord al is aangekondigd, heeft de staatssecretaris van Financiën – vooruitlopend op het nog in te dienen wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2013 – de details bekendgemaakt over de verlaging van het btw-tarief op renovatie- en herstelwerkzaamheden aan woningen, die per 1 maart 2013 van kracht wordt. De verlaging is alleen van toepassing op de arbeidskosten en geldt niet voor de gebruikte materialen. Voorwaarde is dat de woning minimaal twee jaar oud is (gerekend vanaf de datum na eerste ingebruikname van de woning). Onderstaand een overzicht gemaakt van het overheidsbesluit.

Renovatie en herstel

Anders dan de titel van dit besluit doet vermoeden, is het verlaagde btw-tarief van 6 procent van toepassing op alle renovatie- en herstelwerkzaamheden die in en aan een woning worden verricht. Daaronder wordt verstaan: het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van (delen van) de woning.

Het verlaagde tarief is uitsluitend van toepassing op de arbeidskosten en niet op de bij de renovatie- en herstelwerkzaamheid gebruikte materialen. Ook onder het verlaagde btw-tarief vallen de arbeidskosten voor het aanbrengen van goederen in of aan een woning die in bouwkundig opzicht deel (gaan) uitmaken van de woning en daardoor van rechtswege in eigendom overgaan op de eigenaar van de woning.

TIP

Bij de vragen 1 en 2 van de bijlage bij het gepubliceerde besluit (zie bijlage) zijn lijsten met voorbeelden opgenomen van werkzaamheden waarop het verlaagde btw-tarief wel/niet mag worden toegepast.

Arbeid en materiaal

De verhouding tussen de materialen en de arbeidscomponent van de renovatie- of herstelwerkzaamheden wordt vastgesteld door de ondernemer die de dienst verricht. Als die ondernemer voor zowel het werk als de materialen één bedrag in rekening brengt en niet op de factuur een splitsing aanbrengt tussen de materialen en de arbeid, dan moet men voor de splitsing tussen de arbeid en de materialen aansluiten bij de marktwaardemethode. Dit betekent dat een vergelijking moet worden gemaakt met soortgelijke prestaties op de markt. Als die soortgelijke prestaties ontbreken, dan moet men het factuurbedrag splitsen op basis van de kostprijs.

Daarbij vallen de kosten van in eigen productie vervaardigde materialen onder materiaalkosten (zie voor de factor arbeid de specifieke goedkeuring hierna). Overheadkosten mogen naar evenredigheid over de arbeid en de materialen worden verdeeld.

Voorbeeld:

– A (arbeidsuren) = € 10.000

– B (materialen) = € 2.500

– C (arbeid en materiaal) = € 12.500

– D (overheadkosten) = € 1.500

– E (aanneemsom excl. btw) = € 14.000

Toerekenen overheadkosten:

– F (overheadkosten arbeid) = (A/C x D) = € 1.200

– G (overheadkosten materiaal)= (B/C x D) = € 300

De btw bedraagt:

Arbeidskosten (A + F) x 6% = € 672

Materiaalkosten (B + G) x 21% = € 588

Aanneemsom incl. btw = E + € 672 + € 588 = € 15.260

 

Woning

Voor het begrip woning wordt aangesloten bij de uitleg van dit begrip in de toelichting van Tabel I behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968.

In dit besluit worden onroerende zaken die zijn bestemd voor permanente bewoning door particulieren als woning aangemerkt. Het tijdelijk leegstaan ontneemt aan de onroerende zaak niet haar karakter van woning. Het maakt niet uit of de onroerende zaak eigendom is van de bewoner of dat hij de onroerende zaak huurt.

Bij een (semi-) permanent verblijf in bijvoorbeeld een bejaarden-, verpleeg- of verzorgingsinstelling, worden de ruimten in die instelling die ter beschikking staan van de bewoner aangemerkt als woning in de zin van de post. Ook zijn aangemerkt als woning: de aanleunwoning, de studentenflat, het klooster voor zover in gebruik voor permanente bewoning en de zogenoemde ‘tweede’ woning (als permanente bewoning daarvan is toegestaan).

Garages, schuren, serres en aan- en uitbouwen vallen onder het begrip woning als zij zich bevinden op hetzelfde perceel als de woning. Garages die tot hetzelfde gebouwencomplex behoren als woningen (denk aan parkeergarages onder door particulieren bewoonde flats in een flatgebouw) worden ook tot de woning gerekend.

De bij een woning behorende tuin valt niet onder het begrip woning , maar er geldt een specifieke goedkeuring voor hoveniers.

De gemeenschappelijke ruimtes in appartementen, bejaardentehuizen/ aanleunwoningen, verpleeg- en verzorgingsinstellingen en dergelijke (zoals de hal, het trappenhuis, de eetzaal en de recreatieruimte) volgen het regime dat geldt voor de particuliere woongedeelten.

Niet als woning zijn aan te merken:

  • bedrijfsgebouwen en -ruimtes;
  • afzonderlijke garageboxen;
  • vakantiewoningen waarvan permanente bewoning niet is toegestaan;
  • hotels/pensions;
  • woonboten/woonwagens*;
  • asielzoekerscentra;
  • ziekenhuizen; – internaten.

*In zijn uitspraak van 15 november 2012 (Leichenich, C-532/11) heeft het Hof van Justitie EU beslist dat een woonboot, met de bijbehorende ligplaats en aanlegsteiger, onder voorwaarden is aan te merken als een onroerende zaak voor de btw1 . Als een woonboot is bestemd voor permanente bewoning door particulieren, aangesloten is op verschillende (nuts)voorzieningen en uitsluitend is bestemd om duurzaam op één bepaalde plek te worden gebruikt als woning, wordt een woonboot voor toepassing van het verlaagde btw-tarief aangemerkt als ‘woning’. Ditzelfde geldt voor woonwagens.

 

Woon-/winkelpanden

Panden die deels als woning en deels als bedrijfspand worden gebruikt (bijvoorbeeld woon-/winkelpanden) mogen in hun geheel als woning worden aangemerkt. Daarbij geldt de voorwaarde dat die panden voor meer dan 50% voor particuliere bewoning worden gebruikt. Bij een percentage van 50% of minder mag het deel dat voor particuliere bewoning wordt gebruikt voor de toepassing van het tarief worden afgesplitst

Moment van tariefbepaling

Het moment waarop de dienst wordt afgerond, is bepalend voor het antwoord op de vraag of het verlaagde tarief (6%) van toepassing is. Het verlaagde tarief is alleen van toepassing als de dienst is afgerond op of na 1 maart 2013 en vóór 1 maart 2014. Dit betekent dat als er deelfacturen worden uitgereikt in de periode van 1 maart 2013 tot en met 28 februari 2014, terwijl de dienst wordt afgerond in maart 2014, het algemene btw-tarief van toepassing is op die deelfacturen. Indien er vóór 1 maart 2013 deelfacturen met toepassing van het algemene btw-tarief zijn uitgereikt en de dienst wordt afgerond in de periode ná 28 februari 2013 tot 1 maart 2014, dan dient op de definitieve factuur het verlaagde btw-tarief te worden toegepast.

Wat betekent de btw-verlaging voor ondernemers in de bouwsector?

Aannemers, klusbedrijven en soortgelijke ondernemers die (onderdelen van) de renovatie- en herstelwerkzaamheden uitvoeren, mogen in de bedoelde periode het verlaagde tarief hanteren. Voor de toepassing van het verlaagde tarief is het niet noodzakelijk dat de opdrachtgever een particulier is. Ook als bijvoorbeeld woningbouwcorporaties opdracht geven tot het verrichten van renovatie- en herstelwerkzaamheden in of aan woningen, geldt het verlaagde tarief. Als renovatie- en herstelwerkzaamheden in onderaanneming worden verricht, is het verlaagde tarief zowel in de relatie hoofdaannemeropdrachtgever als in de relatie hoofdaannemer-onderaannemer van toepassing, mits de dienst wordt afgerond van 1 maart 2013 tot 1 maart 2014.

Specifieke goedkeuringen

In het besluit van 28 februari wordt specifiek goedgekeurd dat van 1 maart 2013 tot 1 maart 2014:

  • Het verlaagde tarief wordt toegepast op het ontwerpen en vervaardigen van bouwtekeningen door architecten en dergelijke ondernemers, mits zij ook de renovatie van de woning begeleiden.
  • Het verlaagde tarief wordt toegepast op de arbeidskosten van de in opdracht van de opdrachtgever op maat gemaakte goederen, die een onderdeel gaan vormen van de woning. Dit geldt zowel voor de op locatie vervaardigde goederen als de in de eigen bedrijf vervaardigde goederen. Hierbij valt te denken aan inbouwkasten, deuren, kozijnen en dakkapellen.
  • Het verlaagde tarief wordt toegepast op de arbeidskosten van hoveniers voor het aanleggen en onderhouden van tuinen.

Overzicht van veel gestelde vragen en antwoorden

Bijlage bij het besluit minister van financiën BLKB/2013/305 (verlaagd btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen)

1. Voor welke werkzaamheden geldt het verlaagde btw-tarief op arbeidskosten? Let op: dit is geen uitputtende opsomming!

– het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van de badkamer, toilet, keuken, invalidentrap, dakterras, veranda, dakkapel en serre;
– het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van de riolering binnen het perceel van de woning;
– het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van boilers, geisers, cv-installaties, gaskachels, houtkachels, warmtepompen, zonnepanelen, zonneboilers, zonwering, rolluiken, alarminstallaties, bliksemafleiders, airco-installaties en sauna’s, mits die goederen in bouwkundig opzicht onderdeel (gaan) uitmaken van de woning;
– het (aan)bouwen, vernieuwen (waaronder het slopen en opnieuw opbouwen) en onderhouden van garages, schuren, carports, erkers en dergelijke wanneer deze zich bevinden op hetzelfde perceel als de woning en de functie van het bijgebouw gelijk blijft;
– het aanbrengen en vernieuwen van (dubbel) glas;
– het onderhouden (waaronder vegen) en vernieuwen van schoorstenen;
– het onderhouden, vernieuwen en herstellen van een gevel;
– het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van wandafwerking zoals tegels die zodanig zijn aangebracht dat verwijdering daarvan schade toebrengt aan de wand als geheel;
– het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van vloeren die in bouwkundig opzicht onderdeel (gaan) uitmaken van de woning. Onder vloeren die in bouwkundig opzicht onderdeel uitmaken van de woning worden ook vloeren begrepen, die zodanig zijn aangebracht dat verwijdering daarvan schade toebrengt aan de vloer als geheel. Bedoeld worden betonnen gietvloeren, plavuizen, tegels, terrazzo, kunststofvloeren en sommige parketvloeren. Ook het via volledige verlijming aanbrengen van (onder)tapijt rechtstreeks op de originele vloer of trap valt onder het verlaagde tarief;
– het renoveren en herstellen van een bejaardentehuis, aanleunwoning, appartementencomplex. Alleen die ruimten die ter beschikking staan van de bewoners (waaronder de gemeenschappelijke ruimten zoals de hal, trappenhuis, lift en recreatieruimten) worden als woning aangemerkt;
– het verwijderen van asbest;
– de werkzaamheden van de uitvoerder van de renovatie- en hersteldienst.

2. Voor welke werkzaamheden geldt het verlaagde btw-tarief op arbeidskosten niet? Let op: dit is geen uitputtende opsomming!

– het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van gordijnen;
– het bestrijden van ongedierte;
– het glazenwassen van woningen;
– het slopen van een bestaande woning en het bouwen van een nieuwe woning; er is sprake van een nieuw vervaardigd goed;
– sloopwerkzaamheden die niet in het kader van renovatie- en herstelwerkzaamheden plaatsvinden;

3. Een ondernemer rondt zijn prestatie af vóór 1 maart 2013, maar die prestatie maakt onderdeel uit van een groter project (volledige renovatie) dat pas na 1 maart 2013 wordt afgerond. De onderaannemer moet aan de hoofdaannemer doorgeven welk deel arbeid en welk deel materiaal is. Aangenomen wordt dat over de arbeidscomponent 6% moet worden berekend, omdat het project als geheel na 1 maart 2013 wordt afgerond. Is die aanname juist?

Wanneer de dienst van de onderaannemer aan de hoofdaannemer (bijvoorbeeld het betegelen van een badkamervloer) is afgerond vóór 1 maart 2013 kan deze dienst niet delen in het verlaagde tarief. Overigens ligt in de reden dat de prestatie van de onderaannemer onder de verleggingsregeling valt (zie ook vraag 6). Uitgaande van het feit dat de totale dienst door de hoofdaannemer aan de cliënt (bijvoorbeeld de complete renovatie van de badkamer) wordt afgerond in de periode na 1 maart 2013 kan de arbeidscomponent in de dienst van de hoofdaannemer aan de cliënt wel in het verlaagde tarief delen. Wanneer de onderaannemer zelf factureert aan de cliënt dan geldt het tarief dat geldend is op het moment dat de onderaannemer de dienst heeft voltooid.
In die situatie waarin de onderaannemer een deel van een groot renovatieproject aan de hoofdaannemer in de periode vóór 1 maart 2013 heeft opgeleverd (bijvoorbeeld de eerste 10 huizen in een totaalproject van 100 huizen) kan het verlaagde btw-tarief voor deze (deel)oplevering niet worden toegepast. Voor het begrip “oplevering” zie ook het antwoord op vraag 11.

4. Het onderhoud van een algemene cv-ketel in een huizenblok of flat. Deze ketel verzorgt de warmte voor de aangesloten huizen of appartementen. De opdrachtgever is een particulier, VVE of woningcorporatie.

5. Valt de arbeidscomponent onder het 6%-tarief?

De arbeidscomponent van het onderhoud valt onder het verlaagde btw-tarief, mits de dienst is afgerond in de periode tussen 1 maart 2013 en 1 maart 2014. De algemene cv-ketel in een appartementencomplex volgt het regime dat geldt voor de particuliere woongedeelten.

6. Kunnen onderaannemers die werk in onderaanneming hebben aangenomen met 21% BTW blijven factureren als zij de verleggingsregeling toepassen?

Wanneer de verleggingsregeling wordt toegepast vindt geen facturering met BTW tegen het algemene of verlaagde btw-tarief plaats. De onderaannemers moeten wel een splitsing aanbrengen tussen arbeid en materiaal (ervan uitgaande dat de prestatie van de onderaannemer is afgerond tussen 1 maart 2013 en 1 maart 2014).

7. Een installatiebedrijf verricht 95% van de werkzaamheden onder de BTW-verlegd regeling. Het bedrijf hanteert een vaste prijslijst. Het bedrijf heeft een verhouding tussen materiaal en arbeid berekend (45% arbeid). Volstaat het nu om op de facturen te vermelden dat: – als voldaan wordt aan de voorwaarden van de tijdelijke btw-verlaging – er 45% van de factuur aangemerkt kan worden als arbeid?

Uitgaande van de juistheid van dat percentage, volstaat het om op de facturen te vermelden dat, als voldaan wordt aan de voorwaarden er 45% van de factuur aangemerkt kan worden als arbeid. De hoofdaannemer is verantwoordelijk voor een juiste toepassing van de maatregel.

8. In de bouwsector is het gebruikelijk de bouwsom in termijnen te factureren. De bouwsom kan bijvoorbeeld in vijf termijnen aan de opdrachtgever in rekening worden gebracht. Is het noodzakelijk om bij het factureren van elke termijn de tot dan toe werkelijk gerealiseerde arbeid, materiaal en overhead in rekening te brengen?

Wanneer reeds bij het opstellen van de begroting een (voorlopige) verdeling is gemaakt tussen arbeid en materiaal kan deze verdeling bij de tussentijdse facturen worden aangehouden. Bij de eindafrekening kan de bouwonderneming dan eventueel verrekenen naar de werkelijke verdeling arbeid en materiaal.

9. Veel opdrachtgevers kiezen ervoor om de bouwonderneming een prijs te laten aanbieden op basis van aangenomen werk. Dit betekent dat het risico voor hogere kosten (omdat het werk tegen zit) voor rekening van de bouwonderneming is. Als het mee zit, is het voordeel voor de bouwonderneming. De opdrachtgever weet vooraf waar hij aan toe is. De extra uren worden bij aangenomen werk niet in rekening gebracht. Is er dan ook geen sprake van btw over die uren?

Bij aangenomen werk worden de extra uren niet in rekening gebracht en niet gefactureerd (dus ook geen btw over deze extra uren).

10. In de bouwsector is het percentage Algemene Kosten (AK) een veel gebruikt begrip. Kunnen AK als overhead worden aangemerkt?

Om praktische redenen kunnen voor de toepassing van de post renovatie de AK als overhead worden aangemerkt met uitzondering van de winstopslag. Onder AK kunnen worden begrepen arbeidskosten (zoals salariskosten van algemene leiding, secretariaat en stafdiensten), afschrijvingen en huren (van gebouwen en inventaris) en overige algemene bedrijfskosten (zoals energiekosten, ict-kosten etc.). In zijn algemeenheid mogen overheadkosten pro rata worden verdeeld over arbeid- en materiaalkosten.

11. Het komt in de bouwpraktijk voor dat er bij de oplevering een aantal punten naar voren komen die de bouwonderneming later moet herstellen. Bijvoorbeeld een kras in een ruit. Is het werk af met de oplevering, of telt de tweede oplevering als alle opleverpunten zijn afgerond?

De dienst wordt als verricht beschouwd als de oplevering heeft plaatsgevonden. De oplevering vindt plaats als het afgesproken werk is voltooid en de consument het werk heeft aanvaard. De aanvaarding kan ook blijken uit het feit dat de consument het werk heeft betaald.

12. Zijn er specifieke eisen bij de creditnota bij verrekening van het juiste btw-bedrag?

Veel bouwondernemingen leveren na 28 februari 2013 een vóór die datum aangevangen werk op. Omdat eerdere termijnen met 21% btw zijn gefactureerd, zal er een verrekening van de btw plaatsvinden. Hoe vraagt een ondernemer aan de Belastingdienst de teveel betaalde btw terug?
Op de gebruikelijke wijze door middel van een verzoek om teruggaaf.

13. Als een (bij)gebouw verbouwd wordt tot een woning, vallen de werkzaamheden (de arbeid en een deel van de overhead) dan onder het 6%-tarief?

Als een gebouw verbouwd wordt tot een zelfstandige woning, geldt voor die verbouwing geen verlaagd tarief als sprake is van de oplevering van een nieuwe onroerende zaak. Dat valt niet onder het begrip renovatie en herstel van een woning die langer dan twee jaar in gebruik genomen is. Bijvoorbeeld een bijgebouw naast de woning dat op hetzelfde perceel is gelegen of de transformatie van een kantoorpand tot een woning. Voor wat betreft de verbouwing van een kantoorpand is het verlaagde tarief zondermeer niet van toepassing.

14. Is het bouwbedrijf verplicht het mandagen register ook naar de opdrachtgever te sturen? Of is het voldoende als het bouwbedrijf arbeid, materiaal en overhead uitsplitst op de factuur?

De Belastingdienst stelt niet verplicht het mandagenregister aan de opdrachtgever te sturen.

15. Op welk moment kan worden aangenomen dat de dienst is afgerond bij onderhouds- en serviceabonnementen voor cv-installaties, liften e.d.?

Met de klant worden afspraken gemaakt over onderhoudswerkzaamheden aan cv-installaties die nodig zijn voor de veiligheid en het ongestoord functioneren van de cv. Vaak worden hiervoor zogenoemde onderhoudsabonnementen afgesloten. Als daarnaast ook afspraken worden gemaakt waarbij de ondernemer zich, tegen een relatief geringe (extra) vergoeding, verplicht om binnen een bepaalde termijn (meestal 24 uur) een storing te verhelpen worden dit meestal serviceabonnementen genoemd. Voor deze zogenoemde storingsbeurten kunnen ook afspraken worden gemaakt over het al dan niet berekenen van arbeidsloon. De materialen worden echter altijd apart in rekening gebracht. Kenmerkend aan de hier bedoelde overeenkomsten is dat in alle gevallen eenmaal per vastgestelde periode, bijvoorbeeld één keer per jaar, onderhoudswerkzaamheden aan de installatie worden verricht. Het moment waarop de vergoeding wordt betaald kan variëren van een eenmalige vooruitbetaling, betaling in termijnen of zodra de onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. Zowel bij de hiervoor bedoelde onderhoudsabonnementen als de serviceabonnementen is de onderhoudsdienst de hoofdprestatie (hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in de prijs van het abonnement). Het moment waarop de onderhoudsdienst is afgerond is daarom bepalend voor het antwoord op de vraag of het verlaagde tarief van toepassing is. Hierbij is niet van belang op welke wijze de vergoeding (vooraf, in termijnen of na afloop) wordt betaald.

16. De dienstverrichter moet het verlaagde tarief aannemelijk maken. Moet de dienstverrichter in zijn boekhouding een verklaring voegen van de opdrachtgever dat de woning voldoet aan de eis dat de woning ouder is dan twee jaar na het tijdstip van eerste ingebruikneming?

Nee, om te verifiëren of het verlaagde btw-tarief terecht is toegepast, baseert de Belastingdienst zich op de gegevens uit de BAG (Basisregistraties Adressen en Gebouwen) en uit de GBA (Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens). Bij twijfel of een woning voldoet aan de ouderdomseis van twee jaar, mag de dienstverrichter desgewenst nog steeds een verklaring laten tekenen door de opdrachtgever.

17. Het tijdelijke verlaagde btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen kan onder voorwaarden ook worden toegepast op renovatie- en herstelwerkzaamheden aan woonboten en woonwagens ouder dan twee jaar na het tijdstip van eerste ingebruikneming. Betekent dit dat de bestaande (structurele) verlaagde btw-tarieven ook mogen worden toegepast op woonboten en woonwagens?

Ja, het verlaagde tarief voor schilder- en stukadoorswerk, isolatiewerkzaamheden en schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen is ook van toepassing op dergelijke werkzaamheden in, aan en binnen woonboten en woonwagens. De woonboot of woonwagen dient dan wel bestemd te zijn voor permanente bewoning door particulieren, aangesloten te zijn op (nuts)voorzieningen en bestemd te zijn om duurzaam op één bepaalde plek te worden gebruikt als woning.

18. Bij het tijdelijke verlaagde tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen in 2010-2011 waren praktische afspraken gemaakt met betrokken organisaties in de gevelelementenbranche voor wat betreft de toe te passen verhouding van arbeid en materiaalkosten bij het vernieuwen, vergroten etc. van deuren en kozijnen. Gelden deze afspraken nu weer?

Ja, de forfaitaire verdeling van 40% arbeid en 60% materiaal mag worden toegepast bij de berekening van de btw voor de totale vergoeding van de dienst: vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van deuren en kozijnen. Dit betekent dat het bedrijf bij het factureren van bovenstaande dienst over 40% van de kosten 6% btw en over 60% van de kosten 21% mag rekenen. Wanneer een ondernemer van mening is dat er een groter aandeel dan de overeengekomen 40% arbeid in de dienst van toepassing is dan dient dit te worden gespecificeerd rekening houdend met onderstaande punten:
– de toerekening vindt plaats op basis van de gangbare prijzen voor de levering van de materialen en voor het verrichten van de arbeid (marktwaardenmethode);
– de toerekening vindt plaats op basis van de kostprijzen voor de materialen en de arbeid. De (voorbereidende) installatiewerkzaamheden vallen wel onder de factor arbeid. Overheadkosten worden naar evenredigheid over de twee kostenposten verdeeld.

19. Bij het tijdelijke verlaagde tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen in 2010-2011 waren praktische afspraken gemaakt met Bouwend Nederland en de Aannemersfederatie over een forfaitaire verdeling van de vergoeding in materialen en arbeid. Gelden deze afspraken nu weer?

Ja, de hierna opgenomen praktische afspraken mogen wederom worden toegepast.
Deze forfaitaire verdeling kan worden gehanteerd bij het offreren van renovatiewerkzaamheden aan woningen, ouder dan twee jaar na eerste ingebruikneming. Deze forfaitaire verdeling kan ook worden gehanteerd als in de offerte geen verdeling arbeid en materialen is gemaakt en bij de facturering voor het geheel van de renovatiewerkzaamheid één prijs wordt berekend.
De forfaitaire verdeling voor de volgende werkzaamheden is gebaseerd op generieke marktwaarden van de arbeidscomponenten bij renovatie en herstel van woningen (prijspeil 1 maart 2013).
(25% arbeid)
– Gevel en dak: vervangen balustraden van galerijen en balkons, beglazing (vervangen glas)
– Installaties: vervangen en aanbrengen cv-installaties (incl. verwijderen geisers, aanpassen bestaande gasaansluiting, nieuwe radiatoren, plaatsen thermosstatische kraan + voetventiel, nieuw leidingwerk radiatoren), van individueel naar warmte door derden bij meergezinswoningen (incl. regelaar t.b.v. stadsverwarming, kamerthermostaat aan/uit, aansluiten thermostaat, demontage en afvoeren oude cv-ketel met toebehoren, standaard VR ketel, demontage en afvoeren keukengeiser, standaard keukengeiser, warm- en koudwaterleiding, isolatie thermaflex, appendages en hulpmaterialen en muurmengkraan), aanbrengen rookmelders, het plaatsen en afvoeren van zonneboilers;
(30% arbeid)
– Gevel en dak: vervangen draaiende delen van buitendeuren, vervangen hang- en sluitwerk ramen (buitenzijde) en buitendeuren; (40% arbeid)
– Gevel en dak (vervangen buitenkozijnen (ramen en deuren), vervangen vensterbank/waterslagen e.d.),
– Upgraden interieur: badkamerrenovatie (indien incl. verwijderen sanitair, wandtegels, vloertegels, aanbrengen nieuw sanitair, wandtegels en vloertegels, aanpassen leidingwerk en electra en bouwkundige voorzieningen), keukenrenovatie (indien incl. verwijderen keukenblok en wandtegels, aanbrengen wandtegels en keukenblok, aanpassen leidingwerk, aanpassen electra en herstellen aansluiting wasmachine e.d.). Let op: voor het enkel plaatsen van een keuken geldt deze afspraak niet!
– Installaties: herstellen/vervangen wandcontactdozen en schakelmateriaal;
(55% arbeid)
– Gevel en dak: herstel gevelmetselwerk, herstel scheurvorming binnenspouwblad, na-isoleren en hydrofoberen gevel, herstellen betonwerk, vervangen en ontstoppen hemelwaterafvoer, steigerwerk, stucgevelsysteem, galerijen en balkons (herstel galerijvloeren, balkons en balustraden), platte daken (vervangen en herstellen), hellende daken (verbeteren en herstellen), nieuwe dakrandafwerking, nieuwe dakramen, nieuwe dakkapel, vervanging dakbedekking op eigen terrein, vervanging 4 pans dakraam
– Upgraden interieur: na-isolatie vloer begane grond, toilet renovatie, het plaatsen van binnenwanden, vervangen binnenkozijnen, herstellen en vervangen van trappen en hellingen, binnenwandafwerkingen, pleisterafwerkingen, keramische afwerking (wandtegelwerk en vloertegelwerk), vloerafwerkingen (onder- en dekvloeren) en plafondafwerkingen
– Installaties: aanbrengen MV installatie, vervangen groepenkast, vervangen elektrische bedrading in woning, plaatsen brandmelders, plaatsen nieuwe radiatoren zonder vervangen cv ketel (incl. verwijderen radiatoren en nieuwe leidingen radiatoren);
(80% arbeid)
-Gevel en dak: oppervlakte afwerking (doorgestreken voeg, sloopwerk en voegwerk), herstellen gemetselde schoorsteen.
Wanneer een ondernemer van mening is dat er een groter aandeel dan de overeengekomen percentages arbeid in de dienst van toepassing is dan dient dit te worden gespecificeerd rekening houdend met onderstaande punten:
– de toerekening vindt plaats op basis van de gangbare prijzen voor de levering van de materialen en voor het verrichten van de arbeid (marktwaardenmethode);
– de toerekening vindt plaats op basis van de kostprijzen voor de materialen en de arbeid. De (voorbereidende) installatiewerkzaamheden vallen wel onder de factor arbeid. Overheadkosten worden naar evenredigheid over de twee kostenposten verdeeld.
Let op: er is geen forfaitaire afspraak gemaakt over een percentage arbeid/materiaal bij (totaal)renovaties of andere activiteiten en prestaties dan hiervoor bedoeld. Bij deze kan de aanbieder van de renovatie zelf het percentage arbeid vaststellen. Het is belangrijk dat de inschatting van de arbeid bij het verstrekken van de opdracht is vastgelegd. Dit betreft opdrachten met een vast overeengekomen aanneemsom

(Bron: Overheid)

6 tips voor de laatste btw-aangifte van het jaar

Heb je de laatste btw-aangifte van dit jaar al gedaan? Let erop dat die 31 januari binnen moet zijn bij de Belastingdienst. Haast is geboden dus. Een paar laatste tips, ook voor degenen die de aangifte al wel verstuurd hebben.

Ieder kwartaal moet je de btw-aangifte doen. Simpelgezegd moet je bij de Belastingdienst aangeven hoeveel btw je hebt ontvangen van klanten en hoeveel je hebt betaald op producten van de zaak. Het verschil betaal je aan of krijg je terug van de Belastingdienst. Het laatste kwartaal van het jaar is altijd iets ingewikkelder, omdat je een aantal zaken moet afrekenen en correcties moet doorvoeren over het hele afgelopen jaar. Een paar tips waar je aan moet denken bij de laatste btw-aangifte van het jaar.

1. Privégebruik van goederen en diensten van de zaak

Een van de zaken die je bij de laatste btw-aangifte van het jaar moet terugbetalen is de btw voor privégebruik die je eerder hebt afgetrokken over spullen en diensten van het bedrijf. De meest bekende categorie is hierbij het privégebruik van de auto van de zaak dat bij de laatste aangifte van het jaar verrekend moet worden. Je hoeft niet de gehele btw hierover terug te betalen, maar een reëel gedeelte. Bij de auto kun je dit uitrekenen aan de hand van een sluitende kilometeradministratie. Heb je dat niet bijgehouden? Dan moet je 2,7 procent van de cataloguswaarde van de auto afdragen.

2. Inkopen bij belaste en vrijgestelde omzet

Bestaat je omzet uit een vrijgesteld én btw-plichtig deel, met gedeelde inkoopkosten? Let dan op. Als het goed is heb je gedurende het jaar een inschatting gemaakt van de uitgaven die je doet voor de belaste omzet. Die btw-berekening heb je afgetrokken van de voorbelasting. Nu het einde van het jaar is geweest, moet je controleren of die inschatting ook daadwerkelijk klopt. Als dat niet het geval is, moet je de btw corrigeren in de laatste aangifte van het jaar.

3. Voorzieningen voor personeel betaald

Zaken als het kerstpakket, een bedrijfsuitje of een jubileumgeschenk vallen onder de noemer personeelsvoorzieningen, geschenken en giften, en zijn slechts beperkt aftrekbaar. Om precies te zijn mag je maar tot een bedrag van 227 euro (exclusief btw) de btw af te trekken. Heb je voor één of meerdere werknemers meer uitgegeven in 2012 en de voorbelasting daarvan al afgetrokken? Dan moet je dat in de laatste aangifte corrigeren.

4. Te hoge of lage kleineondernemersregeling

Betaal je weinig btw en maak je daarom gebruik van de kleineondernemersregeling? Controleer dan nu of de gemaakte schattingen voor 2012 niet te hoog of te laag waren. Als dat wel het geval is, moet je deze corrigeren in de laatste btw-aangifte van het jaar.

5. Het juiste btw-tarief

Het klinkt heel logisch, maar voor de duidelijkheid: vanaf de btw-aangifte over het vierde kwartaal 2012 geef je het algemene btw-tarief van 21 procent weer aan in rubriek 1a van het aangifteformulier, tegenwoordig aangeduid met ‘hoog tarief’. Tot de aangifte van het derde kwartaal in 2012 was deze rubriek bedoeld voor het hoge belastingtarief van 19%, maar dat tarief is dus per 1 oktober verhoogd naar 21 procent.

6. iets vergeten

Heb je de laatste aangifte van 2012 al de deur uit gedaan en kom je nu tot de conclusie dat je toch nog iets vergeten bent te melden? Schiet niet direct in paniek, maar stop ook zeker niet je kop in het zand. Je bent het immers verplicht te melden als je te veel of te weinig btw hebt opgegeven. Corrigeer daarom de gegevens middels het formulier Suppletie omzetbelasting dat je vindt in het beveiligde gedeelte op de site van de Belastingdienst.

(Bron: Sprout)

Overzicht nieuwe factuureisen vanaf 2013

De factuureisen voor ondernemers wijzigen met ingang van 1 januari 2013. NUzakelijk.nl zet de eisen op een rij.

Wat moet er op een reguliere factuur staan?

1. Factuurdatum

2. Opeenvolgend factuurnummer (meerdere reeksen zijn toegestaan)

3. Naam, adresgegevens en btw-identificatienummer van de ondernemer

4. Naam en adresgegevens van de klant

5. Btw-identificatienummer van de afnemer indien een verleggingregeling van toepassing is (de btw wordt geheven van de afnemer) of het een buitenlandse transactie betreft

6. De hoeveelheid geleverde goederen en/of diensten en een duidelijke omschrijving hiervan

7. De datum of periode waarop de levering of dienst heeft plaatsgevonden

8. De maatstaf van heffing voor elk btw-tarief of elke btw-vrijstelling, de eenheidsprijs exclusief btw en eventuele kortingen

9. Het toegepaste btw-tarief (bij verschillende prestaties telkens het btw-tarief vermelden): 0, 6 of 21 procent of indien van toepassing een verwijzing naar de vrijstelling die geldt

10. Het te betalen btw-bedrag

11. Eventueel een verwijzing naar vorige facturen, bijvoorbeeld in het geval van creditnota’s of voorschotten

12. Indien de afnemer de factuur uitreikt in plaats van de leverancier of dienstverrichter moet er op de factuur staan: ‘factuur uitgereikt door de afnemer’

13. Indien een verleggingregeling van toepassing is, dan moet er op de factuur staan: ‘btw verlegd’

14. Indien van toepassing de vermelding: ‘Bijzondere regeling reisbureaus’

15. Indien van toepassing de vermelding: ‘Bijzondere regeling – gebruikte goederen’, ‘Bijzondere regeling – kunstvoorwerpen’, ‘Bijzondere regeling – voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten’

16. Voldoet een fiscaal vertegenwoordiger de btw, vermeld dan ook zijn naw-gegevens en het btw-identificatienummer

17. Bij een verkoop van een vervoermiddel moeten de gegevens over het vervoermiddel (nieuw of gebruikt) worden opgenomen

Wat is er anders?

De punten 12 tot en met 16 zijn nieuw of gewijzigd.

Verder moet vanaf volgend jaar de factuur vóór de zestiende dag na de maand waarin de levering of dienst is verricht uitgereikt worden. Tot nu toe was dat vóór de vijftiende dag. Deze regel geldt ook voor doorlopende leveringen waarvoor maandelijks een factuur wordt verstuurd.

De mogelijkheid tot elektronisch factureren krijgt per 1 januari 2013 een wettelijke grondslag. Dat betekent dat papieren en elektronische facturen gelijk behandeld moeten worden.

Bij internationale transacties was er vaak onduidelijkheid over welke factuurregels van toepassing waren. Vanaf 2013 komt hier meer duidelijkheid over: in principe gelden de regels van het land waar de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht.

Hoewel de wijzigingen niet erg ingrijpend lijken, kan de Belastingdienst een ondernemer een boete tot 4.920 euro opleggen bij het uitreiken van een onjuiste factuur.

Vereenvoudigde factuur

Verder worden de regels voor het uitreiken van vereenvoudigde facturen versoepeld. Ondernemers mogen een vereenvoudigde factuur uitreiken wanneer het factuurbedrag inclusief btw niet hoger is dan 100 euro of wanneer het document een eerdere factuur aanvult, zoals een creditnota.

Op een vereenvoudigde factuur moeten de datum van uitreiking, de identiteit van de ondernemer die de prestatie verricht, de aard van de prestatie, het btw-bedrag en een eventuele verwijzing naar de oorspronkelijke factuur worden vermeld.

(Bron: Nuzakelijk)

BTW-vooraftrek alleen bij volledige boekhouding

Wilt u voorbelasting aftrekken over de uitgaven van uw onderneming dan moet u ook alle originele facturen of kopieën kunnen overleggen bij een boekenonderzoek. Dat er geen uitzonderingen op deze voorwaarde bestaan ondervond een ondernemer die een BTW-naheffingsaanslag kreeg opgelegd omdat hij de facturen niet kon overleggen. Dat leidde zelfs tot de gang naar de rechter.

De man begon op 1 januari 2005 met het exploiteren van een onderneming. Hij bracht over het jaar 2006 € 8.541 aan BTW-voorbelasting in aftrek en over 2008 € 1.566. Uit een boekenonderzoek bleek dat de boekhouding van de ondernemer niet in orde was. Hierop legde de inspecteur een BTW-naheffingsaanslag op. Het gerechtshof in Leeuwarden stelde de inspecteur in het gelijk, omdat de ondernemer geen originele of facturen of kopieën daarvan kon tonen waardoor hij geen recht heeft op aftrek van voorbelasting in 2006. Dat de ondernemer de facturen was kwijtgeraakt tijdens een verbouwing veranderde niets aan deze zaak. Het hof stelde overigens ook vast dat de ondernemer in de jaren 2007 en 2008 geen economische activiteiten had verricht en voor die jaren dan ook niet als BTW-ondernemer aangemerkt kon worden. Volgens het Hof had de ondernemer niet aannemelijk gemaakt dat de gemaakte kosten in 2008 betrekking hadden op ondernemingsactiviteiten. De inspecteur had de voorbelasting dan ook terecht nageheven.

Voorwaarden voor BTW-vooraftrek

Om BTW te kunnen aftrekken moet u aan een aantal voorwaarden voldoen, voldoet u niet aan deze voorwaarden dan kunt u ook geen BTW aftrekken:

  • U gebruikt de aangeschafte goederen of diensten voor omzet die belast is met BTW;
  • U hebt de goederen en diensten daadwerkelijk ontvangen;
  • U krijgt een factuur met BTW, die voldoet aan de eisen voor een BTW-factuur.

(Bron: FA-Rendement/Gerechtshof Leeuwarden)

Belastingtip: Vergeet de BTW-correctie voor privégebruik van auto niet

De laatste BTW-aangifte van het jaar is er eentje waarbij je extra moet opletten. Zo moet je onder meer een BTW-correctie voor het privégebruik van de auto van de zaak opnemen. Je moet de BTW die je in rekening brengt op je uitgaande facturen afdragen aan de Belastingdienst. De BTW op de aankopen voor je onderneming kun je als voorbelasting in aftrek brengen. Dat geldt dus ook voor bijvoorbeeld de auto van de zaak. De auto van de zaak kun je echter ook voor privé-ritten gebruiken. Je moet dat dan wel aan het einde van het jaar corrigeren.

In de laatste BTW-aangifte van het jaar moet je een BTW-correctie voor het privégebruik van de auto van de zaak opnemen. Er is al snel sprake van privégebruik, omdat je sinds 1 juli 2011 ook het woon-werkverkeer tot het privégebruik moet rekenen.

Sinds 1 juli 2011 kun je voor de BTW-correctie voor het privégebruik een forfait van 2,7 procent van de catalogusprijs van de auto van de zaak toepassen. Daarnaast mag je voor deze BTW-correctie ook aansluiten bij het werkelijk privégebruik van de auto. Dit werkelijke gebruik zul je dan wel moeten aantonen aan de hand van een sluitende kilometeradministratie.

Lager BTW-forfait

Er geldt een lager forfait van 1,5 procent als de auto al vijf jaar – inclusief het aanschafjaar – in gebruik is. Je kunt dit lagere forfait ook toepassen als je bij de aanschaf van de auto geen BTW in aftrek hebt kunnen brengen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als je de margeregeling toepast.

Overige correcties

Bij de laatste aangifte van het boekjaar moet je ook rekening houden met de volgende correctieposten:

  • correctie BTW privégebruik gas, water, elektra en warmte;
  • correctie BTW voor gebruik door jou van tot het bedrijf behorende goederen voor andere dan bedrijfsdoeleinden;
  • correctie BTW voor verrichten van diensten door jou voor andere dan bedrijfsdoeleinden;
  • correcties in het kader van de bedrijfskantineregeling;
  • verdere correcties op aftrek van voorbelasting over verstrekkingen aan je werknemers (loon in natura),relatiegeschenken enzovoort;
  • herziening voorbelasting roerende/onroerende zaken;
  • herrekening voorbelasting op goederen en diensten bij wijziging gebruik.

Zorg ervoor dat je deze correcties aan het einde van het jaar goed in je aangifte verwerkt.

(Bron: Z24.nl)

Controle btw-identificatienummers

Vanaf 1 oktober kunt u terecht op de internetsite van de  Europese Commissie voor de controle van de geldigheid van  een btw-identificatienummer, of naam adres en woonplaats van uw klant, meldt de Belastingdienst.

Naam en adresgegevens

Van de meeste lidstaten kunt u op die site ook de naam- en  adresgegevens van uw klant controleren. Als dit bij een van de lidstaten  niet mogelijk is, dan volstaat de  bevestiging van de geldigheid dat  het btw-identificatienummer om aan te tonen dat u de controle hebt  uitgevoerd.

0% tarief

Daarnaast dient u vanzelfsprekend nog met andere bescheiden  in uw administratie de juistheid van het toepassen van het 0% tarief of  de juistheid van het verleggen aan te tonen, aldus de Belastingdienst.

Naar de website van de Europese Commissie.

In het Elsevier BTW Programma 2012 is de VIES-controle op buitenlandse BTW-nummers ingebouwd (F4). Hier kan men alle nummers in in één keer tegelijk controleren.

(Bron: Elsevierfiscaal)

Terugvragen btw 2011 in ander EU-land kan alleen nog deze maand

U kunt nog tot en met 30 september 2012 verzoeken over 2011 indienen voor teruggaaf van in een ander EU-land betaalde btw.

Dat kan via de speciale internetpagina: Inloggen voor teruggaaf van btw uit andere EU-landen.

Verzoeken over het jaar 2011 kunt u indienen tot en met 30 september 2012.
Meer informatie over het terugvragen van in een ander EU-land betaalde btw, vindt u hierna: Hebt u btw betaald in een ander EU-land? Over goederen, diensten of een invoer uit een niet-EU-land en u doet daar geen btw-aangifte? U kunt deze btw dan makkelijk terugvragen uit dat EU-land via de Nederlandse belastingdienst.

Hoe vraagt u btw terug?

U kunt btw terugvragen op deze speciale internetsite. Maak hierbij gebruik van de Toelichting bij het verzoek om teruggaaf btw uit andere EU-landen. Wij sturen uw verzoek door naar de belastingdienst in het EU-land waar u btw terugvraagt. Voor deze internetsite hebt u inloggegevens nodig.

Let op! Controleer voordat u inlogt op de speciale internetsite of er sprake is van onderhoudswerkzaamheden of storingen aan de site.

Inloggegevens aanvragen

Bent u ondernemer of intermediair en hebt u nog geen inloggegevens? Vraag dan uw inloggegevens aan waarmee u btw kunt terugvragen. U kunt btw terugvragen uit een EU-land als u voldoet aan een aantal voorwaarden.

Facturen en invoerdocumenten

U kunt onder bepaalde omstandigheden btw terugvragen over gemaakte kosten en investeringen die u hebt gedaan in een ander EU-land. Maar terugvragen kan ook als u in een ander EU-land btw hebt betaald over een invoer uit een niet-EU-land. Een aantal EU-landen vraagt u facturen of invoerdocumenten mee te sturen. Papieren facturen of invoerdocumenten moet u dan scannen.

Coulancerente

Hebt u een teruggaafverzoek gedaan? En duurde het langer dan 15 dagen voordat wij dit verzoek doorstuurden naar het land van teruggaaf? Dan komt u mogelijk in aanmerking voor een rentevergoeding: de zogenoemde coulancerente.

(Bron: Overheid)

Nieuwe factureringsregels btw per 1 januari 2013

De factureringsregels voor de btw worden aanpast per 1 januari 2013. Niet alleen in Nederland, maar in de hele Europese Unie. Dat heeft gevolgen voor hoe u een btw-factuur maakt, maar ook voor wanneer u hem uitreikt. Deze nieuwe btw-regels moeten factureren eenvoudiger maken en elektronisch factureren stimuleren.

Nieuwe factureringsregels btw per 1 januari 2013
Een van de veranderingen is dat de huidige eisen waaraan een btw-factuur moet voldoen, op een aantal punten worden aangepast. Daarnaast kunt u in bepaalde gevallen volstaan met een vereenvoudigde factuur of zelfs helemaal geen factuur, en mag u bij grensoverschrijdende transacties de regels van uw eigen lidstaat volgen. Verder worden de eisen voor een elektronische factuur versoepeld.

De nieuwe factureringsregels gaan pas volgend jaar in. Toch is het verstandig om er alvast in te duiken en, indien nodig, het administratieve proces binnen uw bedrijf aan te passen. Op het uitreiken van een onjuiste factuur staat namelijk een boete van maximaal € 4.920,-.

I. Bijzondere regeling expliciet vermelden
Een bijzondere regeling voor de btw-heffing zet u nu nog met ‘enige aanduiding’ op de factuur. Dat wordt aangescherpt: u moet de bijzondere regeling expliciet en herkenbaar omschrijven.

a. De huidige verwijzing naar een eventuele vrijstelling, verleggingsregeling of intracommunautaire levering gaat vanaf 2013 als volgt:
– Indien de afnemer de factuur uitreikt (in plaats van de leverancier of dienstverrichter), dan vermeldt u: ‘factuur uitgereikt door de afnemer’
– Indien een verleggingsregeling van toepassing, dan vermeldt u: ‘btw verlegd’
– Indien van toepassing, dan verwijst u naar de vrijstelling of intracommunautaire levering

b. Indien van toepassing, dan vermeldt u: ‘Bijzondere regeling reisbureaus’

c. De verwijzing naar de margeregeling wordt:
– ‘Bijzondere regeling – gebruikte goederen’, of
– ‘Bijzondere regeling – kunstvoorwerpen’, of
– ‘Bijzondere regeling – voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten.

II. Vereenvoudigde btw-factuur
U mag vanaf 2013 een vereenvoudigde factuur uitreiken als het bedrag niet hoger is dan € 100,- (inclusief btw). Het voordeel van een vereenvoudigde factuur is dat u er minder gegevens op hoeft te zetten.

U mag geen vereenvoudigde factuur uitreiken bij grensoverschrijdende afstandverkopen en bij intracommunautaire leveringen tegen het nultarief.

Eisen vereenvoudigde btw-factuur per 1 januari 2013
1. Factuurdatum;
2. NAW-gegevens van de leverancier;
3. Aard van geleverde goederen of verrichte diensten;
4. Het te betalen btw-bedrag, óf de gegevens waarmee dat bedrag kan worden berekend.

III. Vooruitbetaling
Bij een vooruitbetaling voor de levering van goederen of diensten moet u nu nog een factuur uitreiken. Dat is straks bij een vooruitbetaling voor een intracommunautaire levering niet meer verplicht.

IV. Particulieren
Zijn uw goederen of diensten bestemd voor particulieren? Dan is een factuur minder belangrijk voor de btw-heffing en is afgifte ervan ook niet verplicht.

In de onderstaande gevallen geldt hierop echter een uitzondering, en is bij particulieren alsnog een factuur verplicht:

– Groothandelaren in levensmiddelen, dranken, tandheelkundige grondstoffen en (onderdelen van) tandtechnische werken;
– Er is sprake van een afstandsverkoop (export naar klanten in de EU die geen btw-aangifte doen);
– Levering van een nieuw of weinig gebruikt vervoermiddel aan particulier uit ander EU-land.

V. Over de grens gelden regels eigen lidstaat
Een btw-factuur stelt u nu nog op aan de hand van de regels van de lidstaat waar de prestatie belast is. Bij grensoverschrijdende transacties wordt echter steeds vaker de btw wordt verlegd. Daarbij controleert de lidstaat waar de afnemer is gevestigd of aan de fiscale verplichtingen is voldaan.

Vanaf 2013 reikt u als presterende ondernemer een btw-factuur uit naar de regels van uw eigen lidstaat, en dus niet naar de eisen van de lidstaat waar de btw-prestatie belast is.

Dit geldt ook als u goederen of diensten buiten de Europese Unie levert.

VI. Elektronische facturen
Elektronische facturen kunt u binnen Nederland vorm- en middelvrij opmaken en versturen, zolang u maar aan de regels voor integriteit, authenticiteit en leesbaarheid voldoet. Dat is echter lastiger bij grensoverschrijdende transacties, omdat de regels voor elektronisch factureren sterk verschillen per EU-lidstaat.

Vanaf 2013 verandert dat. U bepaalt dan zelf hoe u de integriteit, authenticiteit en leesbaarheid van een elektronische factuur waarborgt (vanaf het moment dat u de factuur uitreikt totdat de bewaartermijn verloopt). Dat kan met de geavanceerde elektronische handtekening, Electronic Data Interchange (EDI), of met een ander systeem. Als het verband tussen factuur en prestatie maar te controleren is. Dit laatste kan echter wel per bedrijf verschillen en is ook afhankelijk van soort en grootte van het bedrijf.

(Bron: De Zaak)

Vragen en antwoorden over de btw-verhoging van 19% naar 21% per 1-10-2012

1. Mogen ondernemers voor prestaties die zij verrichten na 30 september 2012 reeds voor 1 oktober 2012 btw factureren naar het tarief van 21%?

Ja. Om te voorkomen dat ondernemers aanvullende factureren voor het verschil tussen 19% en 21% moeten uitreiken mogen ondernemers voor prestaties die zij verrichten na 30 september 2012 en die onder het 21% tarief vallen reeds voor 1 oktober 2012 btw factureren naar het tarief van 21%. De ondernemer die de prestatie afneemt mag die 21% conform de regels voor hetrecht op aftrek in aftrek brengen.

2. Onder welke rubriekpost op het aangifteformulier dient het 21% tarief te worden opgenomen tot 1 oktober 2012?

Als voor prestaties die na 30 september 2012 verricht worden voor 1 oktober 2012 een factuur wordt uitgereikt met 21% btw dan kan deze btw opgenomen worden in rubriek 1c van het aangifteformulier. Indien het aangeven in rubriek 1c problematisch is voor de ondernemer dan mag hij er voor kiezen dat wordt aangegeven in rubriek 1a (momenteel 19%). Met ingang van 1 oktober 2012 moet het algemene btw-tarief van 21% gewoon weer in rubriek 1a van het aangifteformulier aangegeven worden. Dit is de rubriek waar tot 1 oktober 2012 het 19% btw-tarief moet worden aangegeven en dat vanaf 1 oktober 2012 wordt aangeduid met “hoog tarief”.

3. Welk tarief is van toepassing bij doorlopende prestaties die zijn aangevangen vóór 1 oktober 2012 en eindigen na 30 september 2012?

Als de afrekening voor doorlopende prestaties betrekking heeft op een periode die eindigt na 30 september 2012 moet de afrekenperiode worden gesplitst. Voor het deel van de prestatie dat plaatsvindt vóór 1 oktober 2012 geldt het oude tarief van 19%. Voor het deel van de prestatie dat plaatsvindt ná 30 september 2012 geldt het nieuwe tarief van 21% Hierbij valt te denken aan het verlenen van licenties, abonnementen op leveringen van bijvoorbeeld gas, elektriciteit en water en telecommunicatiediensten.

4. Hoe dient de correctie in verband met de btw verhoging van 19 naar 21% over de periode 1 oktober tot en met 31 december 2012 bij doorlopende prestaties plaats te vinden?

Voor het deel van de (doorlopende) prestatie dat plaatsvindt ná 30 september 2012 moet in beginsel bij prestaties aan ondernemers en rechtspersonen een aanvullende factuur uitgereikt worden met 21% btw. Als een ondernemer begin 2013 een “jaarfactuur” uitreikt over het jaar 2013 dan kan hij om administratieve redenen er voor kiezen op deze factuur mede de extra verschuldigde btw over het laatste kwartaal van 2012 in rekening te brengen. Op deze factuur kan de “2012 btw” vermeld worden als “na gefactureerde btw 2012”. De ondernemer moet de extra verschuldigde btw wel voldoen over het tijdvak oktober 2012.

5. Op welk moment kan worden aangenomen dat de dienst is afgerond bij onderhoudsen serviceabonnementen voor cv-installaties, liften e.d.?

Met de klant worden afspraken gemaakt over onderhoudswerkzaamheden aan cv-installaties die nodig zijn voor de veiligheid en het ongestoord functioneren van de cv. Vaak worden hiervoor zogenoemde onderhoudsabonnementen afgesloten. Als daarnaast ook afspraken worden gemaakt waarbij de ondernemer zich, tegen een relatief geringe (extra) vergoeding, verplicht om binnen een bepaalde termijn (meestal 24 uur) een storing te verhelpen worden dit meestal serviceabonnementen genoemd. Kenmerkend aan de hier bedoelde overeenkomsten is dat in alle gevallen eenmaal per jaar onderhoudswerkzaamheden aan de installatie worden verricht. Het moment waarop de vergoeding wordt betaald kan variëren van een eenmalige vooruitbetaling, betaling in termijnen of zodra de onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. Zowel bij de hiervoor bedoelde onderhoudsabonnementen als de serviceabonnementen is de onderhoudsdienst de hoofdprestatie (hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in de prijs van het abonnement). Het moment waarop de onderhoudsdienst is afgerond is daarom bepalend voor het antwoord op de vraag of het algemene tarief van 19% of 21% van toepassing is. Hierbij is niet van belang op welke wijze de vergoeding (vooraf, in termijnen of na afloop) wordt betaald.

6. Vaak worden service- en onderhoudsabonnementen in termijnen betaald of ze zijn al vooraf betaald (lees: ook al gefactureerd) in januari. Is het juist dat als de onderhoudsbeurt plaatsvindt na 30 september 2012 de ondernemer nog extra 2% verschuldigd is als gefactureerd is en betaling al heeft plaatsgevonden tegen 19%?

Ja, zie het antwoord bij 3. Het moment waarop de prestatie wordt verricht is beslissend. Opgemerkt wordt nog dat het opmaken van de factuur als zodanig irrelevant is. Als bijvoorbeeld de prestatie vóór 1 oktober 2012 wordt verricht en de factuur wordt opgemaakt ná die datum is toch het 19% tarief van toepassing.

7. Overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen. Wat wordt bedoeld met “een gesloten overeenkomst”? Indien nog opschortende voorwaarden gelden valt deze overeenkomst dan wel al onder de werking van de overgangsregeling of pas vanaf het moment dat de opschortende voorwaarden zijn uitgewerkt?

Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan (artikel 6:213 van het Burgerlijk Wetboek). Van belang is dat de (koop/aannemings)overeenkomst vóór 28 april 2012 is gesloten. Niet van belang is of er opschortende dan wel ontbindende voorwaarden zijn opgenomen in deze overeenkomst.

8. Hoe zit het met gemengde objecten (woning versus bedrijfsgedeelte)? Geldt de overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen alleen voor het woongedeelte en niet voor het bedrijfsgedeelte?

Panden die deels als woning en deels als bedrijfspand worden gebruikt (bijvoorbeeld woon-/winkelpanden) mogen in hun geheel als woning worden aangemerkt. Daarbij geldt de voorwaarde dat die panden voor meer dan 50% voor particuliere bewoning worden gebruikt. Bij een percentage van 50% of minder mag het deel dat voor particuliere bewoning wordt gebruikt voor de toepassing van het tarief worden afgesplitst. In dit laatste geval is de overgangsregeling alleen van toepassing op het woongedeelte.

9. Worden er eisen gesteld aan de verkrijger van de woning? (particulier?)

Nee, er worden geen eisen gesteld aan de verkrijger van de woning.

10. Hoe dient men te handelen bij de overgangsregelingen voor onroerende zaken en aangekochte nieuwbouwwoningen bij meerwerk?

Meerwerk: In het kader van de uitvoering van een koop/aanneemovereenkomst is het vaak mogelijk zgn. meerwerk te laten uitvoeren. Veel koop/aanneemovereenkomsten bepalen terzake dat de opdrachtgever bij het verstrekken van de opdracht tot meerwerk direct een bedrag moet betalen ter grootte van een bepaald percentage, bijvoorbeeld 50%, van de vergoeding voor dat meerwerk.

Overgangsregeling onroerende zaken: Als de opdracht tot het verrichten van het hier bedoelde meerwerk wordt verstrekt vóór 1 oktober 2012,  kan het daarbij direct te betalen bedrag worden beschouwd als een op dat tijdstip vervallen termijn. Daarvoor geldt dan dus het 19% tarief.

Overgangsregeling nieuwbouwwoningen: Als de opdracht tot het verrichten van het hier bedoelde meerwerk is verstrekt vóór 28 april 2012 (dus als onderdeel van de koop/aanneemovereenkomst voor de bouw van een nieuwbouwwoning) en de betaling daarvan in één of meer termijnen gedaan wordt vóór 1oktober 2013 geldt het 19% tarief.

11. Een particulier heeft vóór 28 april 2012 een bouwkavel gekocht. Er is (nog) geen aannemingsovereenkomst overeengekomen voor de bouw van een nieuwbouwwoning. Is de overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen ook van toepassing op de aankoop van een bouwkavel?

Nee, de overgangsregeling geldt niet. De overgangsregeling voor aangekochte nieuwbouwwoningen is slechts van toepassing als een ondernemer ingevolge een vóór 28 april 2012 gesloten koop/aannemingsovereenkomst ná 30 september 2012 een woning levert. De datum van 28 april 2012 is in die zin een fatale termijn. Als er vóór die datum geen koop/aannemingsovereenkomst is gesloten voor de bouw van een nieuwbouwwoning is de overgangsregeling niet van toepassing.

12. Geldt de overgangsregeling voor onroerende zaken ook voor apart overeengekomen verbouwingen (zoals het plaatsen van een keuken of badkamer) waarbij de vergoeding vervalt in termijnen naarmate de verbouwing vordert?

Ja, de overgangsregeling voor onroerende zaken geldt ook voor apart overeengekomen verbouwingen waarbij de vergoeding vervalt in termijnen naarmate de verbouwing vordert. Dit geldt echter niet voor diensten bestaande in het verrichten van onderhouds- of herstelwerkzaamheden. Als zodanig zijn in dit verband aan te merken werkzaamheden die (vrijwel) uitsluitend gericht zijn op de instandhouding van de zaak, zoals het vervangen van kozijnen of dakgoten en het vernieuwen van dakbedekking. Van verbouwing is slechts sprake, als de werkzaamheden gericht zijn op een verandering van de inrichting, de aard of de omvang van de zaak. Dat is bij woningen bijvoorbeeld het geval bij veranderingen aan/het plaatsen van keukens en badkamers, het aanbouwen van een serre en het aanbrengen van een dakkapel. Ingeval in het kader van de uitvoering van een en hetzelfde contract naast verbouwingswerkzaamheden tevens werkzaamheden worden verricht die van belang zijn voor de instandhouding van de zaak, zodat het contract in zoverre mede een element van onderhoud of herstel in zich draagt, is niettemin het geheel aan te merken als verbouwing, mits de werkzaamheden als geheel niet (vrijwel) uitsluitend gericht zijn op de instandhouding van de zaak. Er behoeft alsdan geen splitsing te worden gemaakt: de overgangsregeling kan worden toegepast op de verbouwing als geheel. Daarbij wordt aangenomen dat de ondernemer dan ook het 19%-tarief berekent aan de klant.

13. Heeft de verhoging van het algemene btw-tarief gevolgen voor de wijze van verrekenen van negatieve tijdvak- en jaarwinstmarges bij toepassing van de globalisatieregeling bij de margeregeling?

Nee, er hoeft bij het verrekenen van negatieve tijdvak- en jaarwinstmarges geen rekening te worden gehouden met de tariefsverhoging.

14. Hoe wordt bij toepassing van de globalisatieregeling bij de margeregeling na afloop van het kalenderjaar 2012 de btw berekend over de voor 2012 vastgestelde winstmarge voor goederen waarop het algemeen tarief van toepassing is?

De btw over de jaarwinstmarge 2012 voor goederen waarvoor het algemeen tarief van toepassing is moet tijdsevenredig worden berekend. Dat wil zeggen dat voor ¾ van de jaarwinstmarge het 19%-tarief geldt en voor ¼ van de jaarwinstmarge het 21%-tarief

(Bron: Overheid)