Handelen voor de bv in oprichting

Met het oprichten van een bv kan enige tijd gepaard gaan. Toch zal het vaak nodig zijn om alvast transacties aan te gaan. In beginsel zal de Belastingdienst de resultaten uit de voor-voorperiode en de voorperiode toerekenen aan de bv. Als de oprichters handelingen voor de bv in oprichting verrichten tijdens deze periode, zal de vergoeding die zij daarvoor ontvangen belast zijn als resultaat uit overige werkzaamheden.

(Voor-)voorperiode ruisende inbreng

De periode waarin de oprichtingsakte van de bv nog niet is gepasseerd, maar wel op naam van de bv wordt gehandeld, wordt de voorperiode genoemd. Bij de ruisende inbreng van een IB-onderneming in de bv kan aan de geregistreerde intentieverklaring of voorovereenkomst terugwerkende kracht worden verleend tot maximaal drie maanden. Er ontstaat dan een voor-voorperiode. De oprichters van de bv moeten daartoe een verzoek indienen bij de aangifte over het jaar waarin de voor-voorperiode aanvangt. Vereist is dat inbreng in de bv binnen negen maanden na het gekozen overgangstijdstip heeft plaatsgevonden.

 

(Voor-)voorperiode geruisloze inbreng

Ook bij de geruisloze inbreng is terugwerkende kracht te verlenen aan de intentieverklaring of voorovereenkomst. Er ontstaat dan weer een voor-voorperiode. De intentieverklaring of voorovereenkomst moet zijn gesloten en geregistreerd bij de Belastingdienst binnen negen maanden na het laatste volledige boekjaar van de ondernemer. Als vaststaat dat binnen die termijn de notaris een akte van depot of andere notariële akte is opgemaakt, waaruit het voornemen tot oprichting blijkt, kan ook terugwerkende kracht worden verleend aan de intentieverklaring of voorovereenkomst.

 

Toerekening winst voorperiode

Civielrechtelijk heeft de bv pas bestaansrecht als zij is opgericht. Voor de winst die in de voorperiode is gegenereerd, kan dus geen aanslag vennootschapsbelasting worden opgelegd, omdat de bv toen eenvoudigweg nog niet bestond. Op grond van jurisprudentie wordt de winst uit de voorperiode toegevoegd aan de winst van het eerste boekjaar van de bv. Dit is in beginsel ook mogelijk voor de winst uit de voor-voorperiode. De toerekening van de winst uit de voorperiode en voor-voorperiode aan de winst van de bv in het eerste boekjaar brengt het volgende met zich. De winst uit die perioden wordt niet met inkomstenbelasting belast bij de belastingplichtige die zijn onderneming inbrengt, maar met vennootschapsbelasting bij de bv. Ook mag men in die perioden geen gebruik maken van de ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting. Bij inbreng van een IB-onderneming in de bv kunnen de handelingen ten behoeve van de bv wel ondernemingsactiviteiten zijn als ze buiten de (voor-)voorperiode vallen en dus niet aan de bv worden toegerekend.

 

Optreden namens bv i.o.

Als de notaris bezig is met de voorbereiding voor de oprichting van de bv, kunnen de oprichters handelen namens de bv in oprichting (bv i.o.). Als in de op te richten bv een eenmanszaak wordt ingebracht, wordt soms de naam van deze eenmanszaak gebruikt met de toevoeging bv i.o. De contracten in deze fase zijn namens de eenmanszaak. De bv kan een contract later alleen overnemen als de andere partij hiermee akkoord gaat. Als de bv i.o. actief is als onderneming, is inschrijving in het Handelsregister verplicht. Een notaris moet hierbij verklaren de oprichting te verzorgen.

 

Vergoeding voor handelingen in voorperiode

Als een oprichter in de voorperiode handelingen verricht voor de bv i.o., kan hij daarvoor een vergoeding vragen. Deze vergoeding kan hij ontvangen via de rekening-courantverhouding met de bv, zoals het geval was in een zaak voor Hof Arnhem-Leeuwarden. In deze zaak had de oprichter dit voordeel niet opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting. Het hof oordeelde echter dat hij dit voordeel had genoten als resultaat uit overige werkzaamheden. De Belastingdienst mocht daarom inkomstenbelasting navorderen over dit voordeel.

 

Aansprakelijkheid

Voor rechtshandelingen namens een op te richten vennootschap (bv i.o.) is degene, die de rechtshandelingen verricht namens de bv i.o., hoofdelijk aansprakelijk totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling(en) heeft bekrachtigd. Als diegene tijdens het verrichten van die rechtshandeling wist dat de vennootschap haar verplichtingen uit de bekrachtigde rechtshandeling niet zou kunnen nakomen, is hij hiervoor aansprakelijk. De aansprakelijkheid is dan gegrond op een onrechtmatige daad.

(Bron: Taxence)

Betalingsonmacht ondanks positief saldo op bankrekening stichting

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aanwezigheid van enig positief saldo op de bankrekening van de stichting niet wegneemt dat er sprake is van betalingsonmacht.

Belanghebbende, X, is bestuurder van een stichting. In geschil is of de ontvanger hem terecht aansprakelijk heeft gesteld voor een groot aantal naheffingsaanslagen loonheffing.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aanwezigheid van enig positief saldo op de bankrekening van de stichting niet wegneemt dat er sprake is van betalingsonmacht. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat tot 25 september 2009 voldoende positief saldo op deze rekening heeft gestaan om aan alle financiële verplichtingen te kunnen voldoen. De stichting beschikte slechts over één bankrekening waarop in november 2008 al een negatief saldo zou zijn ontstaan, indien de verschuldigde belasting, zoals uiteindelijk vastgesteld na bezwaar, wel zou zijn voldaan. Ter zitting van het hof is bovendien naar voren gekomen dat de bankvoorwaarden geen negatief saldo op de bankrekening toestonden tot de voor de betaling van de desbetreffende belastingaanslagen benodigde bedragen. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat tijdig melding is gedaan van de betalingsonmacht. Het hof acht de ziekte van X geen excuus voor het niet melden van de betalingsonmacht. Het hof merkt op dat X ondanks zijn ziekte wel doorlopend de betalingen van de stichting is blijven verzorgen.

(Bron: Taxlive)

Uitgeschreven door de Kamer van Koophandel

 

Het zal je maar gebeuren. Er ligt een brief van de Kamer van Koophandel (KvK) op de mat waarin wordt aangekondigd dat zij voornemens is je onderneming te ontbinden en vervolgens uit te schrijven uit het Handelsregister. De KvK heeft dit recht en deze plicht op grond van de wet. Wat nu?
In de wet staat dat een rechtspersoon (o.a. de naamloze vennootschap (nv) en besloten vennootschap (bv)) door de KvK zal worden ontbonden indien de KvK constateert dat ten minste twee van de hiernavolgende omstandigheden zich voordoen:
  • Wanneer er ten minste een jaar geen bijdrage is betaald aan de KvK (geldt sinds 1 januari 2014 alleen nog voor de vereniging en stichting);
  • Wanneer er minstens een jaar geen bestuurder is ingeschreven, de bestuurder niet bereikbaar is of wanneer een bestuurder is overleden;
  • Wanneer de rechtspersoon ten minste een jaar geen financiële stukken heeft gedeponeerd (geldt niet voor de vereniging en stichting);
  • Wanneer de rechtspersoon ten minste een jaar geen aangifte vennootschapsbelasting heeft ingediend (geldt niet voor de vereniging en stichting).

Eerste brief

In de eerste brief kondigt de KvK aan dat zij het voornemen heeft om de onderneming te ontbinden, omdat twee van de hierboven genoemde gronden zich voordoen. De rechtspersoon is daardoor niet meer als actief te beschouwen. In zo’n geval is het belangrijk meteen contact op te nemen met de KvK en ervoor te zorgen dat de genoemde gronden zich niet meer voordoen. Er geldt een termijn van acht weken om te reageren.

Tweede brief

Neem je geen actie, dan volgt de tweede brief vanuit de KvK waarin zij aangeeft dat de rechtspersoon is ontbonden en de registratie in het Handelsregister hiermee is beëindigd. Naast het schrijven van brieven aan de rechtspersoon moet de KvK in een landelijke krant de ontbinding aankondigen. Je krijgt dan de mogelijkheid binnen zes weken schriftelijk bezwaar te maken. In dat geval is het belangrijk dat je met bewijsstukken aan kunt tonen dat de rechtspersoon wel degelijk een ‘levende’ rechtspersoon is. Uitstel van de bezwaartermijn is doorgaans niet mogelijk.

Beroep

Mocht het bezwaar uiteindelijk door de KvK worden afgewezen dan is het nog mogelijk om in beroep te gaan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in Den Haag.
Wil je het niet zo ver laten komen? Neem dan contact op met een juridisch adviesbureau.
(Bron: Kamer van Koophandel)

 

Aansprakelijk voor loonschulden dochtermaatschappij?

Is een moedermaatschappij aansprakelijk voor de (loon)schulden van een dochteronderneming? Dat hangt vooral af van de mate waarin de moeder beslist over die dochter. Het recht om te bepalen, brengt ook plichten met zich mee.

zie ook

  • Inhuur personeel: voorkom boetes en aansprakelijkheid
  • Schadeclaims in faillissementen meestal geschikt (FD)
  • Top failliet Econcern en PwC aansprakelijk gesteld
  • Te laat publiceren jaarrekening onbelangrijk verzuim?
  • 403 in een kleine groep – meestal niet…
  • Toezichthoudende bestuurder sneller aansprakelijk

Een rechtspersoon is in beginsel alleen aansprakelijk voor zijn eigen schulden en niet ook voor de schulden van de verbonden vennootschappen. Onder omstandigheden wordt deze beperking van aansprakelijkheid echter doorbroken en kan de rechtspersoon worden aangesproken voor schulden van bijvoorbeeld de dochtervennootschap, zoals loonschulden.

Om werknemers van de dochtermaatschappij tegemoet te komen, heeft de rechtspraak diverse criteria ontwikkeld. In het juli-augustusnummer van Accountant belicht advocaat Carolin Vethanayagam de juridische finesses aan de hand van enkele rechterlijke uitspraken.

Algemene conclusie is dat als directieleden en vertegenwoordigers van een moedermaatschappij willen voorkomen dat deze tegenover de werknemers van de dochtermaatschappij aansprakelijk wordt voor loonverplichtingen en dergelijke, zij zich terughoudend dienen op te stellen bij het bepalen van het beleid van die dochter.

Bij het beoordelen van deze aansprakelijkheid zijn de volgende vragen van belang:

  1. Is er sprake van een zeer hecht concernverband?
  2. Is er sprake van intensieve en indringende bemoeienis van moedermaatschappij met het beleid van de dochtermaatschappij?
  3. Is er sprake van feitelijke en beslissende zeggenschap van de moedermaatschappij in de dochtermaatschappij?
  4. Is er sprake van een vergaande financiële verwevenheid binnen het concern waartoe de dochtermaatschappij behoort?
  5. Valt de moedermaatschappij een ernstig verwijt te maken, doordat zij bijvoorbeeld nalaat bepaalde werknemers te betalen terwijl andere werknemers en/of crediteuren wel worden betaald?
  6. Heeft de moedermaatschappij toezeggingen gedaan aan de werknemers en/of verwachtingen gewekt die zij niet nakomt?

(Bron: Accountant.nl)

Betaling van belastingschulden uitstellen was geen onbehoorlijk bestuur bij een BV

De ontvanger stelde X aansprakelijk voor de belastingschulden van autorijschool BV A. De betalingsonmacht was weliswaar tijdig gemeld, maar volgens de ontvanger was sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat X de fiscus structureel had benadeeld ten opzichte van concurrente crediteuren, zoals de leasemaatschappij en de brandstofleverancier. Hof Den Haag besliste dat alleen van kennelijk onbehoorlijk bestuur kon worden gesproken bij in het oog springende onbehoorlijkheid van de taakvervulling. In een situatie van liquiditeitskrapte moest een redelijk handelend bestuurder rekening houden met de belangen van alle bij de onderneming betrokken derden, zoals werknemers, schuldeisers – waaronder de ontvanger -, clientèle en anderen. Een redelijk handelend bestuurder zou volgens het Hof, zolang hij redelijkerwijs kon en mocht menen dat de perspectieven voor de onderneming rooskleurig waren, beslissingen nemen en maatregelen treffen die erop waren gericht om de continuïteit van de onderneming zo lang mogelijk te waarborgen. Een redelijk handelend ondernemer kon er in dat geval voor kiezen om schuldeisers later te betalen dan strikt genomen was toegestaan. Uit de door X overgelegde stukken bleek volgens het Hof dat de optimistische verwachtingen over de vooruitzichten van de autorijschool niet van realiteitszin waren ontbloot. De ontvanger had niet aannemelijk gemaakt dat X wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat door zijn handelwijze belastingschulden van BV A onbetaald zouden blijven. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van X was geen sprake.

(Bron: FUTD)

Uitvinding geheimhouden?

Heeft u een uitvinding gedaan waarbij niet te achterhalen is hoe het werkt? Dan is geheimhouding mogelijk een goed alternatief voor een octrooi.

Stelt u zich de volgende vraag: Is mijn uitgevonden techniek makkelijk te reproduceren of juist heel moeilijk?

Niet geheim te houden!

Bij een makkelijk te reproduceren product, is door een ander duidelijk te achterhalen hoe de uitvinding werkt. Makkelijk na te bouwen uitvindingen kunt u niet geheim houden bij toepassing ervan. Een nieuw koffiezetapparaat of een nieuwe verbrandingsmotor is misschien eenvoudig uit elkaar te halen. In dit geval is geheimhouding onvoldoende en is een octrooi verstandig.

Wanneer werkt geheimhouding wél?

Is ‘reverse engineering’ niet mogelijk en kunt u uw uitvinding geheim houden? Dan is octrooibescherming in veel gevallen niet wenselijk. Door publicatie van de octrooiaanvraag kan iedereen uw uitvinding nalezen. Bovendien eindigt de octrooibescherming na 20 jaar. Als u de uitvinding geheim houdt, kan niemand erachter komen en is de beschermingsduur dus niet beperkt. Voor fabricagemethoden of recepten is geheimhouding vaak de manier van bescherming.

Bedrijfsgeheimen in de praktijk

Een bedrijfsgeheim is informatie die geheim is en handelswaarde bezit. Deze informatie kan vaak een voorsprong op de concurrenten opleveren. Daarom houden bedrijven de informatie geheim.

Een bedrijfsgeheim geheim houden, betekent dat de informatie niet in de openbaarheid mag komen. Het is niet zo dat maar één iemand er vanaf mag weten. Maar de informatie mag niet algemeen bekend zijn. De informatie mag dus ook niet makkelijk toegankelijk zijn. Het mag niet ergens in een kantoor rondslingeren waar iedereen bij kan komen.
Het kan wel nodig zijn dat meer mensen van de informatie af moeten weten. Bijvoorbeeld omdat de informatie dan pas van nut is voor de onderneming. Een werknemer bijvoorbeeld moet van de geheime informatie afweten voor het productieproces. Een ander heeft bijvoorbeeld de geheime informatie nodig voor het produceren van een halfproduct. Belangrijk is dan dat ook deze mensen het geheim bewaren en niet aan anderen doorgeven.

Actief beschermen

De eigenaar van een bedrijfsgeheim moet zijn bedrijfsgeheimen actief beschermen. Hij moet zoveel mogelijk in overeenkomsten opnemen. Zo weet de ondertekenaar wat hij wel en niet mag met de verkregen informatie.

Fysieke maatregelen

Verder moet de eigenaar fysieke maatregelen nemen. Bijvoorbeeld:

  • het beperken van de toegang tot de bedrijfsgeheimen (bijvoorbeeld opbergen in een kluis)
  • documenten bestempelen als ‘vertrouwelijk’
  • het versleutelen van elektronische documenten
  • papier met daarop gevoelige informatie op een juiste manier vernietigen, etc.

Europese regelgeving

De Europese Commissie heeft eind 2013 nieuwe regels voorgesteld voor de bescherming van geheime knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen). De nieuwe regels zijn voor het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen tegen te gaan.

(Bron:

Wat is een octrooi? Hoe kan ik mijn uitvinding beschermen?

Een octrooi, ook wel patent genoemd, is het exclusieve eigendomsrecht op je uitvinding. Dat voorkomt dat anderen jouw uitvinding, proces of product gaan
maken, gebruiken, doorverkopen, verhuren of leveren.

Als je een octrooi hebt op een vinding, kun je anderen verbieden om deze vinding na te maken of te verkopen. Zelfs als die ander de vinding geheel onafhankelijk
zelf bedacht en uitgevoerd heeft. Een octrooi geldt voor een bepaald land of een aantal landen en geldt maximaal 20 jaar, daarna is je vinding vrij te gebruiken
door iedereen. Als er nog wel een patent op je idee zit, kun je anderen wel toestemming geven om jouw uitvinding te maken, verkopen of beheren. Dat doe je
met een octrooilicentie

Wanneer kan ik een octrooi aanvragen?

Als je een octrooi wilt aanvragen, moet je vinding aan bepaalde eisen voldoen.

Nieuwheid: Je product of proces moet nieuw zijn. Dit betekent dat je idee vóór de datum van
indiening nergens ter wereld openbaar bekend mag zijn, ook niet als je daar zelf de oorzaak van bent door bijvoorbeeld een brochure of een presentatie.
Inventiviteit: De vinding moet ‘inventief’ zijn. Dit houdt in dat het voor de vakman niet voor de hand mag liggen.
Industriële toepasbaarheid: De vinding moet gaan over een product of productieproces, en je moet kunnen aantonen dat dit technisch kan functioneren. Zo kunnen diensten, ideeën zonder concrete uitwerking, natuurwetenschappelijke theorieën, rekenmethoden en esthetische vormgeving niet beschermd worden door een patent. Hier zijn weer
andere beschermingsvormen voor zoals het auteursrecht, het tekeningen- en modellenrecht of het merkenrecht.

Wanneer vraag ik een octrooi aan?

Het is raadzaam om een goede afweging te maken wanneer je octrooi wilt aanvragen, omdat het niet gratis is. Denk je dat een concurrent op het punt
staat om dezelfde vinding te doen als jij dan kun je maar beter zo snel mogelijk een patent aanvragen. Jij bent dan de enige die het octrooi krijgt en dus geld
met je vinding kan verdienen. Als je denkt dat een ander niet zo gauw op hetzelfde idee zal komen, is er minder haast geboden bij het aanvragen van een
octrooi. Je kunt dan beter eerst de markt goed onderzoeken op commerciële haalbaarheid en het product of proces (in het geheim) uitproberen en verbeteren.
Want als je eenmaal een octrooiaanvraag hebt gedaan, kost het ook geld om dat octrooi te onderhouden.

Hoeveel kost het om een octrooi aan te vragen?

Je krijgt bij het aanvragen van een octrooi te maken met verschillende kosten. Denk bijvoorbeeld aan aanvraagkosten. Doe je dat op papier in Nederland, dan
kost je dat 120 euro, doe je dat online dan kost een octrooiaanvraag je 80 euro. Na je aanvraag voert het Octrooicentrum Nederland een verplicht onderzoek uit
naar de stand van de techniek. De stand van de techniek is alles wat vóór de indiening van de octrooiaanvraag schriftelijk of mondeling openbaar toegankelijk
is gemaakt. Het doel van dit onderzoek is de status ervan te achterhalen. De kosten zijn 100 euro (nationaal) en 794 euro (internationaal).

Daarnaast heb je instandhoudingskosten die je betaalt vanaf het derde jaar nadat je de aanvraag hebt ingediend. Dat begint bij 40 euro per jaar, maar loopt
langzaam op tot 1400 euro. Als je de instandhoudingstaks jaarlijks betaalt, blijft je octrooi maximaal 20 jaar geldig.

Houd ook rekening met kosten voor handhaving van je octrooi. Hoeveel geld je daarvoor moet reserveren, hangt af van het risico van inbreuk en de juridische
kosten. Volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland worden er jaarlijks zo’n 25 patentzaken voor de rechter uitgevochten, tegenover ongeveer 140.000
patenten die van kracht zijn voor ons land. Het is niet precies bekend hoeveel octrooien met inbreuk te maken krijgen. De tarieven voor regionale (Europese) en internationale octrooien liggen anders, kijk daarvoor op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl).

Waar kan ik een octrooi aanvragen?

Je vraagt een octrooi aan bij het Octrooicentrum Nederland. Dat is onderdeel van de Rjiksdienst voor Ondernemend Nederland (octrooicentrum.nl).

Kan ik een octrooi zelf aanvragen?

In principe kun je zelf een aanvraag indienen bij het Octrooicentrum Nederland, maar een octrooi is een technisch en juridisch document, waardoor het loont om
hulp in te schakelen. Een octrooi, geschreven door een octrooigemachtigde, heeft meer kans van slagen in een gerechtelijke procedure. Het tarief daarvoor is
afhankelijk van de complexiteit van je uitvinding en de tarieven van de gemachtigde die je inschakelt. Een Nederlandse aanvraag kost in totaal tussen de
2.000 en 10.000 euro. Je kunt de kosten wel enigszins drukken door veel uitzoekwerk vooraf zelf te doen (zie kader), zodat de gemachtigde zich vooral
kan concentreren op het beschrijven van je vinding.

Voor welke landen vraag ik octrooi aan?

Het is veel te duur om in alle landen van de wereld octrooi aan te vragen, daarom is het verstandig je af te vragen in welke landen het voor jou en jouw
vinding loont om patent aan te vragen. Handel je bijvoorbeeld in vitaminenmixen die alleen door Nederlandse voedselproducenten worden toegepast? Dan is een
Nederlands octrooi voor jou afdoende. Als je gebruikmaakt van een verpakking die voor veel landen geschikt is, kan een octrooi voor meerdere landen verstandig
zijn. Maar ook dan geldt dat het raadzaam is verstandige grenzen te trekken. Zoek als vitamineleverancier naar de landen waar veel gebruik wordt gemaakt van
vitaminetoevoegingen in voedsel. Realiseer je dat een land dat nu nog niet interessant is, dat in de toekomst wel kan worden.

Checklist aanvragen octrooi

  •         Kan mijn vinding door een octrooi worden beschermd?
  •         Bestaat mijn idee nog nergens ter wereld?
  •         Wat kost een octrooi?
  •         Is er een markt voor mijn product?
  •         Kan ik hulp krijgen bij het aanvragen van een octrooi?
  •         Voor welke landen vraag ik octrooi aan?

(Bron: MKB Servicedesk)

Duitse GmbH, een goed idee?

Ondernemen in Duitsland staat bij veel Nederlandse ondernemers hoog op de
verlanglijst. Denkt u erover uw activiteiten uit te breiden naar Duitsland? Dan
is het goed om te weten dat u met een Duitse vestiging deuren kunt openen.
Duitse afnemers doen immers het liefst zaken met een Duits bedrijf.

Onderzoek van de overkoepelende Kamer van Koophandel in Duitsland toont aan dat
ongeveer 30% van de Duitse bedrijven uit vrees voor rechtsonzekerheid geen zaken
doet met het buitenland. Daarom kan het oprichten van een GmbH om verschillende
redenen een goede keuze zijn. Zorg daarbij wel voor een goede juridische en
fiscale voorbereiding.

Een GmbH geeft vertrouwen

Met een GmbH wordt het zakendoen in Duitsland eenvoudiger. Duitse zakenpartners
zijn vaak terughoudend om zaken te doen met een Nederlandse B.V. Bij een GmbH
weten ze precies welke rechten en plichten aan deze vennootschap verbonden zijn.
Het bedrijf is in het Duitse handelsregister ingeschreven en heeft een Duits
belastingnummer; dit zorgt voor vertrouwen. Vanuit een GmbH kunt u vaak
goedkoper inkopen bij Duitse leveranciers. Ook wordt het aannemen van Duits
personeel eenvoudiger: hierop is Duits recht van toepassing en dat kan een stuk
gunstiger zijn dan het Nederlands recht. Vergoedingen bij het einde van een
dienstverband zijn in Duitsland bijvoorbeeld lager dan in Nederland en het
ontslaan van medewerkers is eenvoudiger.

Een GmbH is vergelijkbaar met de Nederlandse B.V. Het is de meest voorkomende
rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid in Duitsland. Voor de oprichting van een
GmbH moet u eerst toetsen of u uw geplande activiteiten in Duitsland zonder meer
mag uitoefenen. Voor sommige bedrijfsactiviteiten is namelijk een vergunning
vereist. Daarnaast moeten de oprichters of de bestuurder over bepaalde
kwalificaties beschikken. Voor de oprichting van de GmbH is een Duits
binnenlands correspondentieadres vereist. Alleen een postbus is onvoldoende. De
statutaire zetel van de GmbH mag in een andere plaats liggen dan het
binnenlandse correspondentieadres. Het kapitaal van de GmbH moet bij oprichting
tenminste 25.000 euro bedragen.

In de oprichtingsakte van de GmbH wordt meestal ook de eerste bestuurder
(‘Geschäftsführer’) van de GmbH benoemd. De oprichter van een GmbH kan zowel een
natuurlijke als een rechtspersoon zijn, maar anders dan in Nederland moet de
leiding van een GmbH in handen van een natuurlijk persoon zijn en is het dus
niet mogelijk de directievoering van de GmbH aan een B.V. over te laten. De GmbH
geldt pas als opgericht, zodra de vennootschap in het Duitse handelsregister is
ingeschreven. Deze inschrijvingsprocedure bij het Amtsgericht (kantongerecht)
neemt gemiddeld twee tot drie weken in beslag. Instanties als de Duitse
belastingdienst en de bevoegde Kamer van Koophandel (IHK) ontvangen vervolgens
automatisch bericht dat de GmbH is opgericht.

GmbH is de ondernemer

Voor de verplichtingen van de vennootschap is de GmbH met haar hele vermogen –
dus niet alleen met het stamkapitaal – aansprakelijk. De vennoten zelf
daarentegen zijn in principe niet aansprakelijk. Hun aansprakelijkheid beperkt
zich tot het ingebrachte aandelenkapitaal. De GmbH wordt vertegenwoordigd door
de directeur wiens taken bij wet zijn geregeld en meer gedetailleerd in een
vennootschapscontract moeten worden geregeld. Een directeur kan in bepaalde
gevallen ook persoonlijk aansprakelijk zijn.

De belasting die een GmbH betaald, bestaat in Duitsland uit een federaal deel
(Körperschaftsteuer, Solidaritätszuschlag) en lokaal deel (Gewerbesteuer; elke
gemeente heeft zijn eigen heffingspercentage) zodat de belasting in totaal sinds
2008 effectief circa 32% bedraagt. (bron: Zentrum für Europäische
Wirtschaftsforschung). Ter vergelijking: in Nederland tot 200.000 euro winst 20%
en boven 200.000 euro winst 25%.

Contracten en algemene voorwaarden in Duitsland

Nadat de GmbH is opgericht zullen schriftelijke contracten volgens Duits recht
met klanten en leveranciers moeten worden gesloten. Let wel: vertaling van uw
Nederlandse contracten en Algemene Voorwaarden is dus niet voldoende en ook is
het aan te raden uw Nederlandse website niet alleen te laten vertalen maar in
z’n geheel op Duitse wijze op te zetten.

Om succesvol te ondernemen in Duitsland is meer nodig dan het oprichten van een
GmbH. Neem de verschillen op het gebied van taal, cultuur en regelgeving in
acht. De Duitser eist kwaliteit, de prijs is ondergeschikt. Onze losse manier
van zakendoen past niet bij Duitsers, bereid je goed voor en kom je afspraken
altijd op tijd na. Om u als ondernemer te begeleiden bij het zakendoen in en met
onze oosterburen is een multidisciplinair adviesteam geformeerd: de Flynth
Duitsland Desk. Flynth Duitsland Desk is een kerngroep van een tiental
specialisten die locatieonafhankelijk Duitse en Nederlandse ondernemers
adviseren op administratief gebied, fiscale zaken en loon- en
personeelsadministratie.

(Bron: Flynth)

Koopcontracten en beleggingspanden

Geldt de “drie dagen bedenktijd” ook bij aankoop van een  woning als dat een beleggingspand is ? Volgens lid 2 van artikel 2  van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek (BW) heeft de koper drie dagen bedenktijd  na de ondertekening van het koopcontract.

Binnen die periode kan de koper zich dus terugtrekken zonder opgaaf van reden  en zonder schadeplichtig te zijn.

Maar dan moet het verkochte object wel een woning zijn en de koper een  natuurlijk persoon zijn die niet een beroep of bedrijf uitoefent. Hiervoor is  aangegeven dat de aankoop van een woning als belegging gezien wordt als  uitoefening van een beroep of bedrijf. Oftwel: bij de aankoop van een woning  (zoals een studentenpand) als belegging geldt de drie dagen bedenktijd  niet voor de koper.

Probleem is echter dat als de koper claimt de woning voor eigen gebruik te  hebben gekocht, hij of zij wel de bescherming geniet van de drie dagen  bedenktijd.

Het is daarom aan te raden, als een woning als beleggingspand wordt  aangeboden, direct aan geinteresseerden te vragen of zij zelf in het pand willen  gaan wonen of dat zij dit als belegging aankopen.

(Bron: NTRS.nl)

BV aansprakelijk voor belastingschuld van voormalige dochter-BV

BV X bezat 100% van de aandelen BV Y. In maart 2007 verkocht BV Y een pand en  realiseerde daarmee een boekwinst van bijna € 1 mln. BV X nam daarna € 743.048  in rekening-courant op bij BV Y. Op 31 juli 2007 verkocht BV X haar aandelen BV  Y aan BV Z, die de koopsom grotendeels voldeed door middel van de overname van  de schuld in rekening-courant van BV X. Daarna kocht BV Y, eveneens op 31 juli  2007, een aantal onroerende zaken van BV Q voor een totaalbedrag van € 2,5 mln.  BV Q had de onroerende zaken op diezelfde dag van BV Z voor € 750.000 gekocht.  De onroerende zaken waren belast met verschillende hypotheekrechten voor  bedragen van in totaal € 3,4 mln. Ook lagen er twee executoriale beslagen op de  onroerende zaken ten behoeve van de ontvanger voor in totaal € 200.000. In de  eerste helft van 2008 werden de onroerende zaken door de hypotheekhouder  executoriaal verkocht. De opbrengst bedroeg € 907.400. BV Y liet vervolgens de  ambtshalve opgelegde aanslag Vpb 2007 onbetaald, waarna de ontvanger BV X op  grond van artikel 40 IW aansprakelijk stelde voor een deel van de aanslag. BV X  ging in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat het vermogen van BV Y was  verminderd anders dan door de normale bedrijfsvoering. De aankoop van de  onroerende zaken was geen handelen in het kader van de normale  bedrijfsuitoefening geweest. De onroerende zaken waren tot een (potentieel)  hoger bedrag bezwaard met hypotheken en beslagen dan de verschuldigde koopsom,  terwijl het niet gebruikelijk was om onroerende zaken te kopen waarop nog  hypotheken of beslagen voor schulden van een derde rusten. BV X was terecht  aansprakelijk gesteld en had ook niet aannemelijk gemaakt dat het niet aan haar  was te wijten dat het vermogen van BV Y ontoereikend was voor het voldoen van de  aanslag. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)