Herzienings-BTW ontstaat niet in de loop van het boekjaar bij overname onderneming

BV X maakte deel uit van een f.e. voor de BTW. Zij verkreeg op 12 december 2007 een gebouw van CV E, die het gebouw in 2003 had gekocht en de voorbelasting volledig in aftrek had gebracht. Met ingang van 1 januari 2007 verhuurde CV E een deel van het gebouw vrijgesteld van BTW. Met betrekking tot de levering van het gebouw was artikel 31 Wet OB (overgang van een algemeenheid van goederen) van toepassing. BV X gaf over het vierde kwartaal 2007 herzienings-BTW aan over de periode 12 tot en met 31 december 2007. De inspecteur was het niet eens met de tijdsgelange berekening van de herzienings-BTW en legde een naheffingsaanslag op. BV X ging in beroep. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam verklaarden het beroep van BV X ongegrond.

De Hoge Raad besliste op het beroep in cassatie van BV X dat op grond van artikel 31 Wet OB bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, geen levering plaatsvond en dat degene op wie de goederen overgingen, in de plaats trad van de ondernemer die de goederen overdroeg, tenzij bij ministeriële regeling anders was bepaald. Dit laatste was niet het geval. Het in de plaats treden betrof onder meer belasting die na de overdracht werd verschuldigd vanwege eventuele herrekening in de zin van artikel 12, lid 2, Uitvoeringsbeschikking OB (UBOB) of eventuele herziening in de zin van de artikelen 13 en 13a UBOB. Dat de overnemer in de plaats trad van de overdrager betekende volgens de Hoge Raad niet dat de overnemer de al door de overdrager verschuldigd geworden maar nog niet voldane BTW verschuldigd werd in de plaats van de overdrager. Artikel 13, lid 2, UBOB bepaalde dat de herziening met betrekking tot onroerende zaken plaatsvond telkens voor 1/10 gedeelte van de voorbelasting op basis van de voor het boekjaar geldende gegevens. De herziening moest volgens de Hoge Raad volgens deze bepaling plaatsvinden bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar. Dit betekende dat de wettelijke bepalingen ervan uitgingen dat wegens herziening met betrekking tot een bepaald boekjaar te betalen BTW in één keer, aan het eind van het boekjaar, verschuldigd werd. De Hoge Raad verwierp het betoog van BV X dat de verschuldigdheid van BTW wegens herziening gedurende de loop van een boekjaar ontstond omdat deze stelling geen steun vond in het recht. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Factuur voldoet als leverancier traceerbaar is

De Belastingdienst kan de aftrek van voorbelasting weigeren als de ondernemer niet beschikt over een correcte factuur van zijn leverancier. Een kleine onvolledigheid in de tenaamstelling maakt een factuur niet automatisch ongeschikt. Zo luidt het oordeel van de Hoge Raad.

In beginsel moet een factuur de volledige naam en het volledige adres van de ondernemer (de leverancier) en zijn afnemer bevatten (zie ook: ‘Nieuwe btw-regels voor facturering en administratie per 1 januari 2013’). De Hoge Raad benadrukt dat daarbij van belang is dat de fiscus de leverancier aan de hand van de factuurgegevens kan identificeren en traceren. In de zaak voor de Hoge Raad ging het om een factuur waarop de handelsnaam van de leverancier stond. Deze handelsnaam was niet identiek aan de naam waaronder de leverancier was ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. Het adres op de factuur kwam wel overeen met het adres in het register. De Hoge Raad concludeerde dat in deze zaak de leverancier van de belanghebbende misschien wel te identificeren en te traceren was. Omdat in de voorgaande fase het hof daar geen rekening mee had gehouden, verwees de Hoge Raad de zaak door naar een ander hof.

Update

Inmiddels heeft het hof waarnaar deze zaak is verwezen uitspraak gedaan. Het hof heeft geoordeeld dat de onvolledige naam geen ruimte overliet voor misverstanden. Daar zorgden de overige gegevens op de factuur wel voor. Ook had de belanghebbende de fiscus diverse keren verzocht het btw-nummer van de leverancier te verifiëren. Steeds had de Belastingdienst bevestigd dat het btw-nummer correspondeerde met de gegevens onder de geregistreerde naam en handelsnaam van de leverancier. Belanghebbende mocht er dus van uitgaan dat alles klopte en zijn beroep was dan ook gegrond.

(Bron: Taxence)

Besluit over margeregeling omzetbelasting geactualiseerd

De staatssecretaris heeft het besluit van 4 juli 2007 over de margeregeling in de BTW geactualiseerd. Dit is de regeling voor gebruikte goederen en kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (kav-goederen). Het besluit is op 26 juli 2014 in werking getreden en bevat onder meer de volgende (beleidsmatige) wijzigingen:

  • De verhoging van het algemene BTW-tarief van 19% naar 21% is verwerkt
  • De herziening van de keuze om al dan niet de margeregeling toe te passen is onder voorwaarden versoepeld
  • Ter verduidelijking is een nieuwe paragraaf opgenomen over de samenloop van de autodemontageregeling en de margeregeling
  • De onderdelen over intracommunautaire transacties met kav-goederen zijn verduidelijkt. Ten onrechte afgetrokken BTW staat de toepassing van de kav-vergunning niet in de weg
  • De grens voor afgifte van een inkoopverklaring is verhoogd naar € 500.
  • De wederverkoper die de margeregeling toepast, moet op de factuur een bepaalde aanduiding opnemen in verband met nieuwe factureringsregels per 1 januari 2013

 

(Bron: FUTD)

Fiscale eenheid btw tussen bv en stichting door betrokken dga

Een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen stichtingen en bv’s is wat moeilijker aan te tonen dan zo’n fiscale eenheid tussen bv’s binnen hetzelfde concern. Toch is een fiscale eenheid tussen bv en stichting wel mogelijk, bijvoorbeeld als de dga van de bv ook de enige bestuurder en vertegenwoordiger van de stichting is.

Ook voor Rechtbank Den Haag wist een bv aannemelijk te maken dat zij een fiscale eenheid voor de btw kon vormen met een stichting. De bv had een echtpaar in dienst. De man was een BIG-geregistreerd anesthesioloog en de dga van de moedermaatschappij van de bv. De vrouw verrichtte administratieve werkzaamheden in de bv. De man en de vrouw vormden ook het bestuur van een stichting die zij hadden opgericht. Deze stichting exploiteerde een medisch behandelcentrum zonder winstoogmerk en nam onder meer diensten af van de bv. De vereiste economische verwevenheid stond niet ter discussie. De rechtbank vond dat de dga voldoende zeggenschap had over de stichting om de financiële verhoudingen tussen hem en de stichting te bepalen. De dga was namelijk de enige die de bv namens derden vertegenwoordigde en hij bepaalde de prijzen die de bv in rekening bracht aan de stichting. Ook beschikte de man over de bankrekeningen van beide lichamen. Hierdoor was sprake van financiële verwevenheid. Verder vormde het echtpaar de gezamenlijk, overkoepelende leiding van zowel de stichting als de bv. De man was de indirecte enige bestuurder van de bv en samen met zijn echtgenote werkzaam in de bv. Daarmee was ook sprake van organisatorische verwevenheid tussen de bv en de stichting. De bv mocht dus een fiscale eenheid voor de btw vormen met de stichting.

(Bron: Taxence)

Goed vastleggen van optie voor belaste verhuur

Onder voorwaarden kunt u ervoor kiezen om de verhuur van een onroerende zaak te belasten met BTW. Het is daarbij belangrijk om de keuze goed vast te leggen. Blijkt achteraf dat u niet aan de voorwaarden voldoet, dan kunt u net als bij een recente zaak van rechtbank Gelderland een naheffingsaanslag verwachten.

De verhuur van een onroerende zaak is in principe vrijgesteld van BTW. U kunt echter verzoeken om de verhuur met BTW te belasten. U kunt dit doen door een apart verzoek bij de Belastingdienst in te dienen of de BTW-belaste verhuur op te nemen in de huurovereenkomst. De verhuur moet dan wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga), die een onroerende zaak verhuurde aan zijn bv. De dga nam de optie voor BTW-belaste verhuur op in de huurovereenkomst, maar deze huurovereenkomst werd niet geëffectueerd. De bv kreeg echter wel de beschikking tot het pand. Door het ontbreken van een overeenkomst en een verzoek aan de fiscus, was deze verhuur vrijgesteld van BTW. De Belastingdienst legde daarom naheffingsaanslagen op om de BTW te herzien.

Voorwaarden BTW-belaste verhuur

De dga vond de naheffingsaanslagen niet terecht en ging naar de rechter. De rechtbank stelde dat de dga ook nooit aan de voorwaarden voldeed voor de BTW-belaste verhuur. De onroerende zaak werd namelijk niet voor ten minste 90% of meer gebruikt voor belaste prestaties. Daarnaast moest de fiscus rekening houden met het huwelijksgoederenregime van de dga. De dga was daardoor met zijn partner ieder voor 50% eigenaar van het pand. De aftrek van BTW hoorde in dat geval beperkt te worden tot het aandeel van de dga in de onroerende zaak. Bij de herziening van de BTW had de inspecteur hier rekening mee moeten houden. De fiscus mocht dus naheffingsaanslagen opleggen, maar moest die wel verminderen vanwege het huwelijksgoederenregime.

(Bron: Fiscaal Rendement)

Doorberekende kosten geen kosten voor gemene rekening

Ondernemers zijn in beginsel verplicht om omzetbelasting te berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen. Bij het doorberekenen van kosten voor gemene rekening hoeft geen omzetbelasting in rekening te worden gebracht. Kosten voor gemene rekening zijn kosten die ten behoeve van verschillende ondernemers worden gemaakt en in eerste instantie door één van hen worden betaald. Deze kosten worden volgens een vaste verdeelsleutel doorbelast aan de andere ondernemers. Het risico van die kosten gaat alle ondernemers volgens de overeengekomen verdeelsleutel aan.

Een ondernemer die de administratie van een aantal onderwijsinstellingen verzorgde deed een beroep op de regeling voor doorbelasten van kosten voor gemene rekening. Hof Amsterdam vond niet aannemelijk dat het om kosten voor gemene rekening ging. Volgens het hof was het risico niet volgens een vaste verdeelsleutel verdeeld over de betrokkenen. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Volgens de Hoge Raad berust het oordeel van het hof niet op een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep in cassatie was daarom ongegrond.

(Bron: Schuiteman)

Ingrijpende btw-wijzigingen voor digitale B2C-diensten

Verleent u telecommunicatiediensten, omroepdiensten of elektronische diensten aan buitenlandse consumenten in de Europese Unie die niet btw-plichtig zijn? Dan krijgt u per 1 januari 2015 met nieuwe btw-regels te maken. Regels die grote impact op uw onderneming hebben en een tijdige voorbereiding vragen. Wacht daarom niet langer en onderneem actie. Mazars helpt u graag!

Wat verandert er?

Vanaf 2015 bent u als ondernemer die digitale diensten verleend aan buitenlandse particuliere afnemers (B2C) btw verschuldigd in meerdere landen. U bent dan namelijk btw-plichtig in het land waar uw particuliere afnemer woont. Heeft u afnemers in meerdere Europese lidstaten? Dan zult u in deze lidstaten btw-plichtig zijn. De nieuwe regeling brengt een administratieve last met zich mee. De btw-tarieven verschillen veelal per land en als uw afnemers in meerdere landen wonen, zult u al deze tarieven toe moeten passen. Dit gaat u veel hoofdbrekens kosten.

plichtig   zijn?Dan wordt het voor u tijd om actie te ondernemen!Voorkom te late registratie en onderneem actie!

Wilt u voorkomen dat u tegen een boete aanloopt? Of dat u zich te laat registreert? Begin dan tijdig met het voorbereiden van uw administratie. Dit betekent dat u moet nagaan:

In welke EU-lidstaten uw consumenten wonen   Welke btw-tarieven deze landen hanteren   Of leveringscondities gewijzigd moeten worden   Hoe u uw IT systemen aan de verschillende btw-tarieven en -aangiften kunt   aanpassen   Hoe u zich voor kunt bereiden op een mogelijke buitenlandse belastingplicht.

De impact van de gewijzigde regelgeving op uw onderneming mag niet onderschat worden.  Denk bijvoorbeeld aan het structureren van uw financiële administratie: uw software zal aangepast moeten worden. Hoe zorgt u ervoor dat de buitenlandse consument een prijs met het juiste btw-tarief ontvangt voor uw diensten? Wat betekent dit voor uw prijsstelling?

Btw registratie

Moet u zich nu in elk land waar uw afnemers wonen afzonderlijk voor de btw registreren? Nee, zeker niet. De Mini One Stop Shop (MOSS) is geïntroduceerd om dit te voorkomen. Het MOSS-systeem biedt u de mogelijkheid om de verschuldigde btw voor digitale diensten via een webportal aan te geven in de lidstaat waar de ondernemer voor de btw geregistreerd is of wil zijn. Vervolgens worden de aangiften, samen met de betaalde btw, door het land van registratie doorgezonden naar de lidstaten waar uw klanten wonen. Per 1 oktober 2014 kunt u zich voor het MOSS-systeem registreren. Binnenkort informeren wij u hier verder over.

Registreren voor het MOSS-systeem is niet verplicht. U mag er ook voor kiezen om in ieder land afzonderlijk aangifte te doen.

(Bron: Mazars)

Rechter maakt ‘dode’ btw-letter springlevend

Nederlandse (tussen)houdstermaatschappijen die voor de btw niet kwalificeren als ondernemer zijn wel verlegde btw verschuldigd over adviesdiensten die zij inkopen van non-EU ondernemers. Met deze recente uitspraak maakt hof Amsterdam een wellicht door de praktijk ervaren dode bepaling in de Wet OB 1968 in één klap springlevend. Wie met het uit 2009 stammende HvJ EU-arrest Athesia Druck in de hand er van uit is gegaan dat adviesdiensten zonder btw mogen worden ingekocht van buiten de EU, zou weleens bedrogen kunnen uitkomen als de Hoge Raad zich aansluit bij de uitspraak van hof Amsterdam.

Uitspraak hof Amsterdam

In de zaak voor hof Amsterdam draait het om een in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij die geen prestaties verricht als btw-ondernemer. In 2006 maakt deze tussenhoudster voor de aankoop en financiering van een in Canada gevestigde deelneming gebruik van adviesdiensten van diverse buiten de EU gevestigde advocaten. De tussenhoudstermaatschappij is van mening dat zij geen btw verschuldigd is over de adviesdiensten en dat een bepaling in de Wet OB 1968 op dat punt in strijd is met de destijds geldende Zesde richtlijn. Een en ander zou ook blijken uit een uitspraak van het HvJ EU uit 2009 (arrest Athesia Druck). Uit dit arrest zou volgen dat de betreffende bepaling alleen toepassing kan vinden op adviesdiensten van buiten de EU aan binnen de EU gevestigde btw-ondernemers.

Korte metten

Hof Amsterdam heeft in zijn uitspraak vooralsnog korte metten gemaakt met een wellicht door de praktijk positieve interpretatie van het arrest Athesia Druck. Volgens het hof is de bepaling in de Wet OB 1968 niet in strijd met de Btw-richtlijn. De betreffende bepaling in de Wet OB 1968 schrijft voor dat de verleggingsregeling van toepassing is op het moment dat het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie van de van non-EU ondernemers  ingekochte adviesdiensten plaatsvindt in Nederland. Kortgezegd is volgens hof Amsterdam de Nederlandse houdster “gewoon” verlegde btw verschuldigd.

Tegen deze uitspraak is inmiddels cassatie ingesteld. Het is nu aan de Hoge Raad om een eindoordeel over deze kwestie te vellen.

Van ‘dode’ naar ‘springlevende’ letter

“Het HvJ EU en daaropvolgend de Nederlandse rechters hebben gezorgd voor een hoop onduidelijkheid voor wat betreft de btw-behandeling van adviesdiensten van non-EU ondernemers aan onder andere Nederlandse houdstermaatschappijen”, zo legt Roderick Knipsael, btw-specialist bij Baker Tilly Berk uit. “Daar waar het in de procedures voornamelijk gaat om een interpretatieverschil van richtlijnbepalingen en wetsartikelen, gaat het in de praktijk om de btw-positie van Nederlandse houdstermaatschappijen. De uitspraak van het hof zou kunnen betekenen dat niet btw-plichtige houdstermaatschappijen toch verlegde btw op buiten de EU ingekochte adviesdiensten moeten aangeven in Nederland. Deze houdstermaatschappijen hebben geen recht op aftrek van voorbelasting waardoor deze btw direct een kostenpost vormt. Het kan zijn dat de Nederlandse houdster-praktijk hierop gaat anticiperen, bijvoorbeeld door middel van het btw-belast doorberekenen van de gemaakte advieskosten aan een vennootschap binnen het concern. Het kan ook zijn dat het concern ervoor kiest een andere vennootschap binnen het concern (of een nieuw op te richten vennootschap) de adviesdiensten te “laten” afnemen. Of dit definitief tot een aftrekrecht leidt valt nog te bezien.”

Werkelijk gebruik blijft onduidelijk

De huidige werkelijk-gebruikbepaling staat in artikel 6j van de Wet OB 1968. Dit artikel is alleen van toepassing wanneer ‘het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie’ van de diensten in Nederland plaatsvinden. “Een ander net zo belangrijk punt is wat nu precies bedoeld wordt met het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie” aldus Knipsael. “Helaas is dat tot op de dag van vandaag niet duidelijk. Voor bepaalde diensten is het werkelijke gebruik makkelijk te bepalen maar bij management- en adviesdiensten binnen een internationaal concernverband is dit heel wat lastiger. Voornamelijk bij moederbedrijven gevestigd buiten de EU is het niet duidelijk of zij advocaten, accountants en adviseurs inschakelen ten behoeve van (een werkelijk gebruik en exploitatie van) hun dochtermaatschappijen in de EU, of voor henzelf. Kan naar mijn mening beide kanten opgaan.”

Eenzijdige heffing

Knipsael betreurt het ook dat de Nederlandse wetgever destijds heeft besloten om de werkelijk-gebruikbepalingen uit de btw-richtlijn slechts gedeeltelijk te implementeren. “Doel van de richtlijnbepalingen is het voorkomen van niet-heffing dan wel het voorkomen van dubbele heffing. De wetgever heeft alleen gekozen om de niet-heffing te implementeren in artikel 6j van de Wet op de omzetbelasting. Dat terwijl artikel 59 bis onderdeel a van de Btw-richtlijn lidstaten de mogelijkheid biedt om diensten niet te belasten met Nederlandse btw ingeval van dubbele heffing en concurrentievervalsing. Jammer, want elk land buiten de EU heeft wel een consumptiebelasting, die vergelijkbaar is met de btw. In het licht van de groeiende continent-overschrijdende samenwerking, bijvoorbeeld met Amerika, kan dit leiden tot concurrentieverstoring.”

(Bron: Taxlive)

Splitsingsregels btw-aftrek bij gemengd gebruik

Voor goederen en diensten die zowel voor btw-belaste als voor btw-vrijgestelde handelingen worden gebruikt, moet de btw-aftrek worden bepaald op basis van de omzetverhoudingen of op basis van werkelijk gebruik. Een combinatie van beide splitsingsregels is niet mogelijk.

Gemengd gebruik

Ondernemers die goederen en diensten gemengd gebruiken voor btw-belaste en btw-vrijgestelde prestaties moeten met dit gebruik rekening houden bij het bepalen van het recht op btw-aftrek. De ondernemer moet nagaan of de goederen en diensten volledig worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Alleen in dat geval heeft hij immers recht op btw-aftrek. Als de goederen of diensten voor vrijgestelde prestaties worden gebruikt, bestaat er geen recht op btw-aftrek. Hij zal dus een splitsing moeten maken.

 

Toerekening

Maar hoe vindt deze splitsing plaats? Als hoofdregel geldt dat de kosten zo veel mogelijk moeten kunnen worden toegerekend aan bepaalde prestaties. Kosten die volledig betrekking hebben op de btw-belaste prestaties, kan de ondernemer volledig in aftrek brengen. Hij moet daarbij vooral kijken of een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat tussen de kosten en de prestatie. De kosten moeten in feite een bestanddeel van de prijs van de prestatie vormen.

 

Gemengde kosten

Naast direct toerekenbare kosten zal de ondernemer ook gemengde kosten hebben. Deze kosten kunnen niet direct worden toegerekend aan btw-belaste prestaties óf btw-vrijgestelde prestaties. Zij hebben betrekking op beide prestaties. De gemengde kosten (en de btw) moeten in dat geval worden toegerekend op basis van omzetverhoudingen of het werkelijk gebruik.

 

Pro rata

De toerekening moet in eerste instantie plaatsvinden op basis van omzetverhoudingen exclusief btw (pro rata). Deze methode wordt bepaald door een breuk, waarbij de teller bestaat uit de btw-belaste omzet en de noemer uit de totale omzet. De uitkomst van de breuk is het aftrekbare gedeelte. De omzet van het afstoten van gebruikte bedrijfsmiddelen mag niet als omzet worden meegenomen in de breuk. Ook ontvangen subsidies die niet de vergoeding voor een prestatie vormen, blijven buiten beschouwing. Het gaat in de breuk alleen om de omzet uit exploitatie.

 

Werkelijk gebruik

Het kan gebeuren dat de omzetverhoudingen een afwijkend beeld geven van de werkelijkheid. Om de werkelijkheid te toetsen kan men kijken naar oppervlakte-, inhoudsverhoudingen of tijdbesteding. Toerekening van de btw op kosten naar werkelijk gebruik is dus alleen mogelijk voor kosten waarvan objectief en nauwkeurig kan worden bepaald in welke mate ze op elke ruimte betrekking hebben. Als uitgangspunt geldt dat de partij (belastingplichtige of belastinginspecteur) die het werkelijk gebruik wil toepassen, dit werkelijk gebruik aannemelijk moet maken.

 

Combinatie niet mogelijk

De rechter moet zich regelmatig uitspreken over de vraag op welke basis gemengde kosten moeten worden verdeeld: op omzetverhouding of op werkelijk gebruik. Dit was ook de vraag in een zaak die een fiscale eenheid aanspande. Het ging om een holding die het kantoorgedeelte van haar pand verhuurde aan twee dochter-bv’s. De ene bv exploiteerde een makelaarskantoor (btw-belaste prestatie) en de andere bv een assurantiebemiddelingskantoor (vrijgestelde prestatie). Een aantal ruimten werd gebruikt voor uitsluitend belaste óf vrijgestelde prestaties en de overige ruimten werden gemengd gebruikt. De holding ging voor de ruimten die niet gemengd werden gebruikt uit van het werkelijk gebruik op basis van objectieve en nauwkeurige gegevens (vierkante meters) en voor de gemengd gebruikte ruimten van de omzetverhouding. De Hoge Raad besliste dat de holding de pro ratamethode óf het werkelijk gebruik als maatstaf voor toerekening van de btw-aftrek moest nemen. Een combinatie van beide methoden is niet mogelijk. Voor het toepassen van het ‘werkelijk gebruik’ als maatstaf moet namelijk het werkelijk gebruik van het goed als geheel in aanmerking worden genomen. Nu de holding het werkelijk gebruik van de gemengd gebruikte ruimten niet kon aantonen, moest zij de btw-aftrek berekenen op basis van de omzetverhoudingen (pro ratamethode).

Aftrek voorbelasting voor gemengd gebruikt bedrijfspand op basis van omzetten

De Hoge Raad oordeelt dat wil er plaats zijn voor het bezigen van de maatstaf van het werkelijke gebruik, het werkelijke gebruik van het goed als geheel in aanmerking moet worden genomen. De hoogte van de toegestane aftrek moet dus worden bepaald met behulp van de pro rata-methode.

Belanghebbende, de fiscale eenheid X Holding bv cs (hierna X bv), verricht voor de btw zowel belaste makelaars- als vrijgestelde assurantieactiviteiten. De omzetverhouding is respectievelijk 58% en 42%. In 2004 is een nieuw bedrijfspand in gebruik genomen. In het pand werken negen mensen. Vijf van hen verrichten makelaarswerk in kamers met een totale oppervlakte van 147 m². Eén medewerker verricht assurantiewerk in een kamer van 16 m². De overige medewerkers verrichten algemeen ondersteunend werk. In geschil is of de aftrek van voorbelasting inzake het pand moet worden bepaald op basis van de omzetverhouding c.q. pro rata-methode (standpunt inspecteur) of op basis van het werkelijke gebruik (standpunt X bv). Rechtbank Arnhem stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof Arnhem mag X bv voor de werkkamers aansluiten bij het werkelijke gebruik en voor de overige m² bij de omzetverhouding. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat wil er plaats zijn voor het bezigen van de maatstaf van het werkelijke gebruik, het werkelijke gebruik van het goed als geheel in aanmerking moet worden genomen. Het hof is dus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Voor het hof heeft X bv met betrekking tot de gemengd gebruikte ruimten geen gegevens gesteld of aangeleverd op grond waarvan het werkelijke gebruik objectief en nauwkeurig kan worden bepaald. X bv voldoet dus niet aan de op haar rustende bewijslast. Met de vaststelling dat 147 m², dat als geheel 360 m² beslaat, wordt gebruikt voor belaste makelaarsactiviteiten, blijkt niet in hoeverre het gebruik van het kantoorgedeelte als geheel, in werkelijkheid afwijkt van het op basis van de pro rata-methode aangenomen gebruik. De hoogte van de toegestane aftrek moet dus worden bepaald met behulp van de pro rata-methode. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

(Bron: Taxlive)