Zeg WhatsApp adieu voor de zakelijke communicatie?

Messengerdienst WhatsApp verwerkt dagelijks miljoenen berichten, waaronder ook een hoop zakelijke communicatie. Een frisse invalshoek: moeten organisaties WhatsApp als zakelijk communicatiemiddel niet gewoon verbieden?

Er zijn verschillende argumenten te bedenken waarom WhatsApp niet geschikt is als zakelijk communicatiemiddel, zeker op apparaten die door de werkgever beschikbaar zijn gesteld. Om te beginnen is daar de privacy. Sinds de Algemene Verordening Gegevensbescherming (tools) in mei 2018 van toepassing is geworden, zijn de privacyproblemen die WhatsApp met zich meebrengt duidelijker geworden. Zo vraagt WhatsApp toestemming om het adresboek in te zien en te gebruiken. Daar staan ook de contactgegevens van andere medewerkers, klanten en zakelijke relaties in.

WhatsApp: geen inzicht en controle

Daarnaast heeft een organisatie weinig inzicht in wat er allemaal achter de schermen van WhatsApp gebeurt: (oud-)collega’s kunnen naar hartenlust chatgroepen aanmaken en over zakelijke onderwerpen communiceren. Dat wil niet zeggen dat alle medewerkers in Nederland massaal muiterij beramen, maar het geeft wel de controle uit handen. WhatsApp is van oorsprong een consumententool; zakelijk gebruik ervan vervaagt de grens tussen werk en privé des te meer.

(Bron: Rendement)

Faillissementswet heeft eindelijk een modern jasje

De Eerste Kamer heeft de Wet modernisering faillissementsprocedure afgehamerd. De huidige procedure was meer dan een eeuw oud en was hard aan een update toe. Met de nieuwe wet is informatie over besluiten van de rechter dankzij digitale hulpmiddelen straks sneller beschikbaar.

Door de wet moet de procedure rondom faillissementen efficiënter en transparanter worden. Het voorstel is onderdeel van het programma Herijking Faillissementsrecht en moet de procedure moderniseren. Het programma heeft drie pijlers: de bestrijding van faillissementsfraude, het bevorderen van het reorganiserend vermogen van ondernemingen en dus de modernisering van de faillissementsprocedure.

Informatievoorziening tussen curator en schuldeisers verbetert

Veel informatie wordt momenteel nog op papier verstrekt. Dat kost de curator veel tijd. Met behulp van digitale hulpmiddelen kan dat sneller en makkelijker. Het wordt mogelijk om via internet te vergaderen en goederen te verkopen. Verder moet door de wet de informatievoorziening aan schuldeisers en andere betrokkenen bij een faillissement verbeteren. Door accurate informatie over de voortgang van de procedure worden zij in staat gesteld om voor hun belangen op te komen. Ook zal het Centraal Insolventieregister, met gegevens over onder andere faillissementen en surseances worden verbeterd.

Maatwerk en gespecialiseerde rechters-commissarissen

Om ervoor te zorgen dat procedures sneller en efficiënter kunnen verlopen, krijgen de curator en rechter-commissaris de mogelijkheid om maatwerk te leveren. Dat is vooral bij complexere zaken van belang. Het is straks ook makkelijker om meerdere rechters-commissarissen in het faillissement te benoemen. Hierdoor kunnen rechters-commissarissen zich specialiseren in bepaalde typen faillissementen. Daarnaast wordt het mogelijk om deskundigen te benoemen die de rechter-commissaris ondersteunen.

(Bron: Rendement)

Uw ontbonden vennootschap toch niet opgehouden te bestaan?

Het is wettelijk geregeld dat een rechtspersoon blijft voortbestaan na ontbinding voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is. Indien de rechtspersoon op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer heeft, houdt zij vervolgens op te bestaan. Echter, de vennootschap kan herleven ingeval er nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of na ontbinding nog van het bestaan van een bate blijkt. Wat voor gevolgen brengt dit met zich mee?

Bij de ontbinding van een vennootschap dient een vereffenaar te worden aangewezen die zorg draagt voor het voldoen van lopende schulden van de vennootschap. Op het tijdstip waarop de vereffening eindigt, namelijk wanneer er volgens de vereffenaar geen bekende baten meer aanwezig zijn, houdt de vennootschap op te bestaan. Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond ten aanzien van de verjaring van rechtsvordering van of tegen de rechtspersoon. Om te voorkomen dat door verjaring de mogelijkheid om te verhalen verloren zou gaan, zal om deze reden de verjaringstermijn voortlopen totdat zes maanden zijn verstreken na herleving van de rechtspersoon.

Voorts kan een ontbonden vennootschap bestuurder zijn van een andere vennootschap, failliet worden verklaard of strafrechtelijk worden vervolgd, ingeval de strafvervolging is aangevangen voor het tijdstip van ontbinding. Daarnaast kunnen reeds lopende procedures, ongeacht de hoedanigheid van de vennootschap in de procedure, na ontbinding worden voortgezet. De Hoge Raad heeft hierover bepaald dat het niet meer bestaan van de vennootschap niet in de weg staat aan de voortzetting van een procedure jegens haar, mits de procedure is aangevangen voor het tijdstip van ontbinding van de vennootschap.

Het herleven van de vennootschap is uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Hiervoor is niet vereist dat de rechtspersoon opnieuw wordt ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Is de teruggevorderde of opgekomen bate uitgekeerd, dan houdt de vennootschap wederom op te bestaan.

(Bron: WVDB)

Volledig overzicht afdoende bij inzage van persoonsgegevens

Alle partijen en organisaties die over persoonsgegevens beschikken, kunnen te maken krijgen met een verzoek om ook inzage in deze persoonsgegevens te geven. Volgens de wet heeft een persoon over wie de gegevens gaan het recht om zijn gegevens in te zien. Een organisatie mag als gegevensverantwoordelijke echter weigeren om mee te gaan in aanvullende verzoeken.

Volgens artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) heeft de degene wiens persoonsgegevens verwerkt worden het recht om aan de verwerker van zijn persoonsgegevens het verzoek tot inzage van zijn persoonsgegevens te doen. Ook onder de Algemene verordening persoonsgegevens (AVG) die vanaf 25 mei 2018 in Nederland de Wbp vervangt, blijft dit recht bestaan (art. 15 AVG). Toch hangt het af van de omstandigheden of inzage moet worden verleend in (een afschrift van) het stuk waarin een persoonsgegeven is opgenomen. Dat bleek in een zaak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Recht op inzage van persoonsgegevens

In deze zaak had een persoon een zakelijke relatie met een bank. De bank kwam erachter dat de persoon banden had in het criminele circuit en wekelijks contante geldstortingen deed via de bankrekening. De bank besloot daarom om de relatie te beëindigen. De persoon maakte gebruik van zijn recht op inzage en verzocht de bank een overzicht en afschrift te verschaffen van al zijn verwerkte persoonsgegevens. Ook vroeg de persoon om een overzicht van iedereen die zijn persoonsgegevens had ontvangen en de herkomst van deze gegevens.

Volledig overzicht verplicht, kopieën van stukken niet

De bank in kwestie verstrekte het wettelijk verplichte ‘volledige overzicht’. Volgens de Wbp (en de AVG) moet een gegevensverantwoordelijke minimaal ‘een volledig overzicht verstrekken’ waarmee een persoon kan controleren of zijn persoonsgegevens verwerkt zijn en of de verwerkte gegevens juist zijn. Het inzien van stukken waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen, valt niet onder het recht van inzage en is dus niet verplicht voor een organisatie. De AVG stelt straks geen eisen aan de manier waarop een organisatie inzage moet gegeven. De verordening schrijft wel voor dat de verantwoordelijke organisatie de verzoeker een kopie verstrekt van de persoonsgegevens zélf die worden verwerkt. Een organisatie mag het overzicht ook elektronisch delen.

Organisatie mag verzoek tot verdere inzage weigeren

De persoon vond de aangeleverde informatie niet voldoende. Hij wilde dat de bank hem naast het overzicht ook kopieën zou verstrekken van alle stukken die persoonsgegevens van hem bevatten, inclusief e-mails. Bovendien wilde hij de gegevens ontvangen waaruit de link met het criminele milieu bleek. De bank weigerde het verzoek, zij was van mening dat zij alle gegevens had aangeleverd die zij volgens de wet moest aanleveren. Het hof gaf de bank gelijk.

Definitie, algemeen verzoek, misbruik bevoegdheid

Op basis van de Europese richtlijn 95 /46/EG uit 1995, vond de rechter dat niet elk digitaal gegeven of bestand waarin persoonsgegevens voorkomen gekwalificeerd kan worden als ‘persoonsgegeven’. Verder verweet de rechter de persoon dat hij een te algemeen verzoek (‘fishing expedition’) had gedaan. Ook vond de rechter dat de persoon misbruik van zijn bevoegdheid had gemaakt omdat zijn opmerkingen over de aangeleverde informatie  niet voldoende concreet waren. De persoon mocht niet verwachten dat zij alle documenten zou ophoesten, omdat dit te omvangrijk en te kostbaar zou worden.

(Bron: Rendement)

Wetsvoorstel modernisering faillissementsprocedure aangenomen

De Tweede Kamer heeft op 22 februari 2018 een wetsvoorstel aangenomen dat de faillissementsprocedure moet moderniseren, om daarmee de afwikkeling van een faillissement transparanter en efficiënter te maken.

Het wetsvoorstel bevat vier maatregelen. Allereerst voorziet het in enkele wijzigingen van de Faillissementswet om binnen de faillissementsprocedure beter gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden om digitaal te werken. Daarnaast krijgt de curator meer mogelijkheden om de faillissementsboedel efficiënt te beheren en te vereffenen. Verder krijgen de curator en de rechter de ruimte om meer maatwerk te leveren in de faillissementsprocedure, doordat zij de bestaande voorzieningen van de faillissementswet flexibeler in kunnen gaan zetten. Tot slot draagt het wetsvoorstel bij aan de verdere specialisatie van de insolventierechter en biedt het ondersteuning voor verdere ontwikkelingen in de uitvoering van wetgeving. Het is de bedoeling dat het voorstel bijdraagt aan het verhogen van de opbrengsten van een faillissementsprocedure voor de schuldeisers. Verder moet het de uit een faillissement voortvloeiende maatschappelijke kosten beperken. De voorgestelde bepalingen treden in werking op een nader te bepalen tijdstip.

(Bron: Taxlive)

Wel of geen reclamebelasting betalen?

Gemeentes hebben de mogelijkheid reclamebelasting in te voeren. Dit mag ten aanzien van openbare aankondigingen die te zien zijn vanaf de openbare weg. Daarbij mag een gemeente niet positief discrimineren en bepaalde vormen van reclame, bijvoorbeeld culturele reclame-uitingen, willekeurig van belastingheffing uitsluiten.

Culturele reclame onbelast

In een zaak die onlangs speelde voor het gerechtshof in Amsterdam, kwam de vraag aan de orde of culturele reclame-uitingen zonder nadere redengeving kunnen worden uitgesloten van de belastingheffing. De rechters vonden van niet, omdat er geen ‘objectieve en redelijke rechtvaardiging’ is voor het gemaakte onderscheid ten opzichte van andere reclame-uitingen.

Let op! Als een gemeente bepaalde reclame-uitingen niet in de heffing wil betrekken, moet dit via een vrijstelling in de verordening worden geregeld. Dan moet er hiervoor wel een objectieve en redelijke rechtvaardiging zijn.

Geen reclamebelasting betalen

Nu culturele reclame-uitingen in deze zaak niet in de verordening waren vrijgesteld, was er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarom hoefde ook een ondernemer die reclame maakte voor niet-culturele producten, de reclamebelasting niet te betalen.

Maatschappelijke wenselijkheid?

De gemeente stelde nog dat het uitsluiten van culturele reclame-uitingen gebaseerd was op de maatschappelijke wenselijkheid ervan, maar volgens de rechters kon dit niet als objectieve en redelijke rechtvaardiging worden gezien.

(Bron: HLB)

Hoe banken stelselmatig beloftes verbreken

Banken blijven beloftes maken die ze niet nakomen, schrijft Mirjam Bink (ONL). ‘Ondernemers die ik spreek zijn bang dat hun bank van de een op de andere dag de financiering opzegt, de voorwaarden verandert of een giftig product door hun strot duwt.’

Het leek zo mooi in juli 2016. Banken gingen akkoord met het herstelkader rentederivaten en daarmee zouden ondernemers voor zo’n 1,5 miljard gecompenseerd worden. Al ons harde werk op de voor- en achtergrond had echt zin gehad. De stem van ondernemers werd gehoord!

Naïef wellicht van mij, te denken dat als een bank ergens mee akkoord gaat ze het dan ook gaan doen. Banken hebben inmiddels wel laten zien dat afspraken tijdig nakomen niet hun sterkste punt is. Hetzelfde zie je bij de woekerpolissen, bijzonder beheer, de te veel betaalde boete rente en ga zo maar door.

Banken blijven beloftes maken die ze vervolgens niet nakomen en komen daar keer op keer mee weg. Moet ik als ondernemer eens proberen bij mijn opdrachtgevers, dan houdt mijn bestaansrecht snel op. Als je met 3 grote banken een coöperatieve oligopolie in stand kunt houden maakt het blijkbaar niet uit hoe je met je klanten omgaat.

19.000 ondernemers gedupeerd

Ruim 19.000 ondernemers hebben onder druk of valse voorwendselen van bankmedewerkers rentederivaten gekocht. Dit zijn ingewikkelde financiële producten, totaal ongeschikt voor de meeste ondernemers. Maar banken konden er blijkbaar veel aan verdienen en dus stuurden ze sales-mensen met targets op pad om iedere ondernemer een derivaat te verkopen. Het resultaat: miljarden euro’s schade en een grote angst voor banken.

Vele ondernemers hebben wij met ONL inmiddels gesproken. Velen schamen zich ervoor dat ze zo “blind” op het advies van hun banken vertrouwden.

Ondernemers die voor de kredietcrisis op zoek gingen naar (her)financiering kregen van hun bank te horen dat ze echt een rentederivaat moesten kopen. Bij andere ondernemers werd de aankoop van het rentederivaat stilletjes in het contract opgenomen.

Rentederivaten zouden bescherming bieden tegen stijgende rentes en dat was precies wat ondernemers nodig zouden hebben, aldus de banken. Accountants en twijfelende ondernemers werden door ingevlogen mensen van Treasury overtuigd. ‘Een rentederivaat is precies wat je als mkb’er nodig hebt!’ Not.

Geen zorgen

Toen de kredietcrisis in omvang toenam, daalde de rente waardoor de negatieve waarden van de derivaten bleef stijgen. Ondernemers ontvingen geautomatiseerde e-mails vanuit het banksysteem, waarin stond dat hun negatieve waarden te groot waren. Ondernemers die navraag deden, kregen van hun accountmanagers te horen dat ze zich geen zorgen hoefden te maken: ‘welnee, ik begrijp de mail ook niet helemaal, verwijder ze maar, ik zal zorgen dat je geen verdere e-mails krijgt’. Verder bleef het stil.

Ineens kregen ondernemers te horen dat ze meer rente moesten gaan betalen. De opslagpercentages werden eenzijdig door de banken verhoogd. Overstappen naar een andere bank was niet mogelijk. Niemand wilde in de crisis nog financieringen verstrekken. Geld lenen van de enkeling die dit nog aanbood, werd onmogelijk gemaakt door de torenhoge negatieve waarde van de derivaten. Ondernemers zaten in de val en moesten alles doen wat banken eisten om hun onderneming niet kwijt te raken.

Bang voor banken

Ondernemers zijn in grote mate afhankelijk van ‘hun’ bank. Onze goede ideeën, plannen en groeiambities moeten gefinancierd worden. Als ondernemers geld zoeken dan zijn banken van oudsher de aangewezen instanties. Het spaargeld en vermogen dat ze beheren willen ze investeren en daar hebben ze ondernemers nodig. Banken leveren het kapitaal en ondernemers maken er meer geld van, dat is het idee.

Oudere ondernemers kunnen zich wellicht nog herinneren dat banken en ondernemers vroeger nauw samenwerkten. De bankier was een betrouwbare adviseur en sparring partner. Samen werden mogelijkheden bekeken, kansen benut en werd er geld verdiend. Die tijd lijkt voorbij. De ondernemers die ik spreek zijn bang dat hun bank van de een op de andere dag de financiering opzegt, de voorwaarden verandert of een giftig product door hun strot duwt.

Terecht

Dat is een terechte angst, banken zijn oppermachtig en ondernemers hebben geen enkele bescherming. Ik ken veel ondernemers met derivaten, maar niemand durft met naam en toenaam in de media te vertellen wat ‘hun’ bank geflikt heeft. Ze zijn als de dood om hun (toekomstige) financiering te verliezen, van de een op de andere dag meer zekerheden te moeten geven, of zomaar meer rente te moeten betalen. Al deze narigheid kan een bank zonder enige waarschuwing of reden over een ondernemer uitstorten.

Tijd voor herstel

Recent blijkt dat ondernemers die een procedure durven te starten tegen hun bank steeds vaker door de rechter in het gelijk worden gesteld. Maar de meeste ondernemer durven vaak geen procedure te beginnen tegen “hun” bank. De bank heeft gewoonweg te veel macht.

Ik zou ook niet zomaar naar de rechter gaan als ik weet dat de bank uit wraak mijn krediet kan korten of zelfs helemaal opschorten. Lange dure procedures tegen een onuitputtelijk leger Zuidas-advocaten is voor de meeste ondernemers ook niet aantrekkelijk. Daarom was het onder maatschappelijke druk tot stand gekomen Herstelkader voor velen een opluchting.

Vaart maken

Dit uniforme herstelkader rentederivaten is tot stand gekomen samen met banken, onder leiding van een onafhankelijke derivatencommissie waar ook wij de stem van de ondernemer hebben laten horen. Bij de vaststelling van dit herstelkader (juli 2016!) is benadrukt dat de banken vaart moeten maken bij het compenseren van de schade. Vervolgens hebben banken herhaaldelijk beloofd voor juni 2017 iedereen te compenseren conform het herstelkader.

Ik ken weinig mensen die in de Tweede Kamer gedane beloften durven te breken, maar banken hebben er geen enkele moeite mee. Op 27 september 2016 beloofden de voorzitters van de NVB, de Rabobank en de ABN AMRO in de Kamer dat alle ondernemers met rentederivaten voor de zomer van 2017 volledig gecompenseerd zouden zijn. Ik weet niet wat ik erger vind, dat ze nog niet eens een fractie gecompenseerd hebben of dat het niemand uitmaakt dat de belofte van een bankier geen waarde meer heeft.

Bankensmoesjes

Inmiddels is duidelijk dat banken slechts 390 van de 19.000 gedupeerde ondernemers een aanbod voor compensatie hebben gedaan. Een schrikbarend laag aantal. Falende IT-systemen, gebrekkige administratie en moeite met externe beoordelaars, dit zijn de bankensmoesjes die het gebrek aan voortgang moeten verklaren.

De Rabobank framet het zelfs als een fabriek. We zouden toch bijna medelijden krijgen met de banken dat ze dit ingewikkelde dossier moeten oplossen. Dat banken als geen ander zouden moeten weten wat ze verkocht hebben dat lijken ze even te vergeten.

Het begint nu pijnlijk duidelijk te worden hoe machteloos ondernemers zijn tegenover hun banken. Herhaaldelijk is hun schadevergoeding beloofd, maar die beloftes worden steeds gebroken. Niemand kan de banken dwingen om de afgesproken schadevergoeding uit te betalen. De minister, Tweede Kamerleden en de AFM kunnen allemaal doen wat ze willen, het lijkt niets uit te halen. De meeste ondernemers hebben nog geen cent ontvangen.

Oplossing en bescherming zijn nodig

Banken moeten gedwongen worden om zo snel mogelijk schadevergoedingen uit te betalen. Onder politieke en maatschappelijke druk moeten we harde deadlines met sancties vaststellen. Ik vind dat banken 7% rente per dag moeten betalen over alle schadevergoedingen die pas na 1 juni 2017 uitbetaald zijn. Misschien dat het dan ineens wat minder ingewikkeld wordt allemaal.

Tot slot moeten we nu zorgen dat banken die ondernemers iets verkopen dat niet in het belang is van die ondernemer aangepakt kunnen worden. Dit betekent bescherming voor ondernemers én een toezichthouder met tanden die kan ingrijpen bij misstanden. Het is nu tijd om te voorkomen dat we in de toekomst weer machteloos staan.

(Bron: Sprout.nl)

Sterfhuisconstructies, (turbo-)liquidaties en bestuurders- aansprakelijkheid

Bij verlieslijdende ondernemingen moet soms toch de pijnlijke keuze gemaakt worden om de onderneming te staken. Soms bevat de betreffende onderneming nog wel bepaalde waardevolle activa en rendabele activiteiten. Deze onderdelen wil de ondernemer niet kwijtraken. Een sterfhuisconstructie, mits goed georganiseerd, zou een oplossing kunnen zijn. Wat zijn de mogelijkheden?

Wat is een sterfhuisconstructie?

Bij een sterfhuisconstructie worden de ‘gezonde’ delen van de onderneming overgedragen, waardoor de verlieslijdende onderdelen in de onderneming achterblijven. Zo kunnen de rendabele onderdelen benut blijven worden en gaan ze niet teniet in een liquidatie of faillissement. De ‘gezonde’ delen worden overgedragen door bijvoorbeeld een activatransactie. Ook kan er voor worden gekozen om de B.V. te splitsen, waarbij de ene B.V. de verlieslijdende onderdelen op zich neemt en de andere B.V. de rendabele onderdelen.

Alhoewel deze constructie is toegestaan, kleven er wel risico’s aan, gelet op de fraudegevoeligheid. Men gaat rustig door met ondernemen in de nieuwe vennootschap, maar de schuldeisers kunnen zich nergens meer op verhalen. De bestuurder van de vennootschap zou mogelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden door een schuldeiser, of door de curator in een faillissement.

Recent, op 13 september 2017, heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat een bestuurder van een uitzendbureau onrechtmatig heeft gehandeld door de activa te verkopen en de bedrijfsactiviteiten over te dragen, waardoor schuldeisers geen verhaalsmogelijkheden meer hadden.

In een zaak uit 2014 heeft de Hoge Raad als maatstaf gegeven dat de bestuurder aansprakelijk is indien hij wist of behoorde te begrijpen dat zijn handelen er toe zou leiden dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de schuldeisers. In deze zaak hadden de curatoren van een inmiddels gefailleerde schuldeiser de bestuurder van de debiteur aansprakelijk gesteld. Deze schuldeiser was 10 jaar daarvoor een procedure begonnen tegen de nu failliete debiteur. Nadat de procedure was begonnen, werden geleidelijk de activa en de bedrijfsactiviteiten overgedragen aan de zustermaatschappijen binnen het concern. De schuldeiser kon na het winnen van de procedure geen verhaal meer halen bij de vennootschap. Sterfhuisconstructies zijn toegestaan, zolang het maar niet ten koste gaat van de schuldeisers, aldus de Hoge Raad.

Wat te doen?

Van belang bij een dergelijke sterfhuisconstructie zijn een goede administratie en boekhouding. Zo moeten transacties die plaatsvinden met de moeder- en zustervennootschappen verplicht schriftelijk en duidelijk vastgelegd worden. Doet de bestuurder dit niet, dan kan de transactie vernietigd (en dus teruggedraaid) worden of kan de bestuurder aansprakelijk gesteld worden. Zo werd in 2016 een bestuurder van een failliete vennootschap in Almelo met succes aansprakelijk gesteld omdat hij een sterfhuisconstructie had opgezet, zonder de intercompany transacties vast te leggen, waardoor de curator van de failliete onderneming met een lege vennootschap en zonder informatie zat.

Indien activa wordt overgedragen, dient daar op zijn minst een redelijke prijs voor worden betaald. Zo behoudt de vennootschap (liquide) middelen waarmee de schuldeisers toch betaald kunnen worden. Worden de activa voor een te laag bedrag overgedragen, dan kan dat een grond voor aansprakelijkheid zijn. Zo werd bijvoorbeeld in 2013 een bestuurder aansprakelijk gehouden omdat een sterfhuisconstructie was opgezet waarbij de activa werd overgedragen aan een zustermaatschappij, terwijl daar geen enkele vergoeding tegenover stond.

De bestuurder is daarnaast verplicht om bij (potentiële) claims in de jaarrekening een voorziening op te nemen. De voorziening wordt als last op de winst- en verliesrekening opgenomen en als vreemd vermogen op de balans. Als de claim nog niet vast staat (omdat er nog een procedure loopt) kan van een bestuurder gevergd worden dat hij een voorziening opneemt. Dit is in overeenstemming met eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad.

(Turbo-)liquidatie of faillissement?

Na de transactie rijst de vraag wat er gedaan moet worden met de vennootschap. Liquideren of het faillissement aanvragen? Zoals eerder gezegd, kan een sterfhuisconstructie aansprakelijkheidsrisico’s met zich mee brengen. Het is dus de vraag of een faillissement interessant is, omdat er een nieuwe speler intreedt: de curator. Wellicht acht de curator het handelen van de bestuurder onrechtmatig en stelt hij hem aansprakelijk.

Is liquidatie dan een optie? Dat is geheel afhankelijk van de omstandigheden. Een liquidatie – of ontbinding – vindt plaats bij wijze van aandeelhoudersbesluit. Er dient dan een vereffenaar te worden aangewezen, meestal de bestuurder(s). De vereffenaar dient met de aanwezige baten de schuldeisers te betalen. Zolang de schuldeiser bij liquidatie betaald kunnen worden, is er uiteraard geen probleem. Maar wat als er meer schulden dan baten zijn? Dan moet de vereffenaar alsnog het faillissement aanvragen.

Maar wat als er helemaal geen baten zijn en alleen maar schulden? Turbo-liquidatie is dan een optie. Wordt bij een aandeelhoudersbesluit besloten tot ontbinding en zijn er geen baten, dan houdt de vennootschap meteen op te bestaan. De turbo-liquidatie wordt dan nog gemeld bij de Kamer van Koophandel. Maar ook deze constructie staat bekend als fraudegevoelig. Blijken er toch baten te zijn, dan kan de vereffenaar aansprakelijk zijn, aldus de Rechtbank Amsterdam in 2014.

Complex

De aansprakelijkheidsvraag bij een sterfhuisconstructie blijft moeilijk en is van veel factoren afhankelijk. Zo moet de schuldeiser of curator niet alleen kunnen aantonen dat de bestuurder onjuist heeft gehandeld, maar er moet ook aangetoond worden dat dóór dat handelen de schuldeisers in een nadeliger positie terecht zijn gekomen. Het ging immers al slecht met de onderneming, dus misschien konden de schuldeisers hoe dan ook niet betaald worden. Dit is iets dat onderzocht moet worden en veel tijd kan vergen. Zo moet in een nog lopende procedure de benadeelde schuldeiser bewijzen dat door de activatransactie het faillissement van de debiteur is ontstaan. Dit is lastig, omdat het bedrijf al afstevende op een faillissement.

In 2015 kon een verhuurder bijvoorbeeld niet bewijzen dat door de splitsing van een vennootschap (waardoor de verplichting tot huurbetaling in een lege vennootschap zat en de activa in een andere vennootschap) de verhuurder als schuldeiser benadeeld was. De verhuurder kon namelijk niet aantonen dat vóór de splitsing al wel aan de verplichting tot huurbetaling kon worden voldaan, want het ging al heel slecht met de huurder.

Conclusie

Al met al kan gezegd worden dat de sterfhuisconstructie een reële optie kan bieden voor verlieslijdende ondernemingen met rendabele onderdelen. Maar het goed opzetten van een dergelijke constructie vereist wel finesse, want een aansprakelijkstelling kan op de loer liggen.
Het is daarom verstandig om vooraf advies in te winnen over de vraag of een sterfhuisconstructie mogelijk is. Laat u daarnaast in het proces begeleiden door een professional.

(Bron: Damsté)

Pensioenbescherming dga bij faillissement

De Hoge Raad oordeelt dat een curator in het faillissement van een man diens pensioenverzekering niet mag afkopen, omdat de opgebouwde oudedagsvoorziening binnen de fiscale kaders blijft.

Het gaat om de volgende zaak (6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2564, RvdW 2017/1059). Een man sluit in 1978 een pensioenverzekering. Hij gaat in 2012 failliet. De curator in het faillissement wil de pensioenverzekering afkopen. De rechter-commissaris geeft daar toestemming voor. De man is het hier niet mee eens. De Rechtbank Gelderland beperkt de toestemming. Vanaf zijn AOW-leeftijd moet de man een pensioenuitkering van € 800 per maand overhouden. Alleen voor het meerdere staat de rechtbank de afkoop toe. De man en de curator gaan tegen deze uitspraak in cassatieberoep bij de Hoge Raad.
De man beroept zich op artikel 7:986 lid 4 BW. Hierin staat dat een contractueel afkoopverbod ook geldt voor de curator. Dat geldt voor zover de premies in aanmerking konden worden genomen in box 1. Lijfrentepremies voldoen aan deze eis, maar pensioenpremies in beginsel niet. De werkgever betaalt immers de pensioenpremies, niet de man zelf. Maar volgens de man gaat het er niet om of hij de premies zelf heeft afgetrokken, maar of hij ze kón aftrekken.
Volgens de Hoge Raad gaat het erom dat de opbouw van een oudedagsvoorziening binnen de fiscale kaders blijft. Als daar sprake van is, mag de curator de pensioenverzekering niet afkopen.

Belang voor de praktijk

Voor ‘gewone’ werknemers heeft deze uitspraak weinig belang. Hun pensioenaanspraken vallen onder de werkingssfeer van de Pensioenwet. De Pensioenwet kent een absoluut afkoopverbod. Een curator kan in die gevallen het pensioen helemaal niet afkopen. Anders ligt dat voor aanspraken van een directeur-grootaandeelhouder (dga). De pensioenaanspraak van de dga valt niet onder de Pensioenwet. Voor dga-pensioen is deze uitspraak daarmee van groot belang.
Artikel 22a Faillissementswet biedt ook bescherming, maar geen keiharde. Op grond van die bepaling valt het recht op het afkopen van een levensverzekering buiten de boedel voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door afkoop onredelijk benadeeld wordt. Bij de vraag of sprake is van een onredelijke benadeling moet zowel rekening worden gehouden met de belangen van de schuldeisers als met de belangen van de verzekeringnemer/begunstigde(n).

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Moet ik iedere pagina van een contract ondertekenen?

‘Hij die eist, bewijst’, vormt een van de hoofdregels van het Nederlandse bewijsrecht. Om uw standpunt achteraf te bewijzen, legt u mondelinge afspraken vaak schriftelijk vast. Immers, papier is geduldig. Maar is het ondertekenen van iedere pagina nodig?

Een schriftelijk stuk, oftewel een onderhandse akte, heeft dwingende bewijskracht indien deze door beide partijen is ondertekend. Een rechter moet dan uitgaan van de juistheid hiervan. Tegenbewijs door de andere partij is echter mogelijk. Slaagt hij niet in het tegenbewijs, dan krijgt de eisende partij alsnog gelijk.

Een recente uitspraak van het Hof Den Haag laat zien dat naast de schriftelijke vastlegging en de ondertekening van de overeenkomst op de laatste pagina, het paraferen van iedere pagina van de overeenkomst van essentieel belang is.

Waar mocht het Hof in hoger beroep over oordelen?

Egelinck B.V. stelt bij de Rechtbank dat zij met meneer X een overeenkomst voor een geldlening gesloten heeft ter waarde van 150.000 euro. Om dit aan te tonen overlegt Egelinck B.V een op de laatste pagina getekende overeenkomst. De overeenkomst beslaat twee pagina’s. De heer X erkent dat de geplaatste handtekeningen echt zijn, maar stelt dat die zijn gezet op een leeg handtekeningenblad die bij een andere overeenkomst hoort. Egelinck B.V. heeft, zo stelt de heer X, later de eerste bladzijde en de tekst op de tweede bladzijde toegevoegd.

Op Egelinck B.V., die terugbetaling van de uitgeleende 150.000 euro vordert, rust nu volgens de hoofdregel de bewijslast om aan te tonen dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan.

De Rechtbank vindt dat de heer X zijn stelling, dat Egelinck de boel bedonderd heeft, te weinig onderbouwt en gaat ervan uit dat de leningsovereenkomst bestaat. De Rechtbank wijst de vordering van Egelinck toe. De heer X moet dus 150.000 euro betalen.

Dwingende bewijskracht

De heer X is het er niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. Het Hof vindt, kortgezegd, dat dwingende bewijskracht alleen geldt voor hetgeen op dezelfde bladzijde boven de handtekening in de leningsovereenkomst staat. Het leidt te gemakkelijk tot misbruik wanneer bladzijden zonder paraaf of handtekening worden beschouwd als wel ondertekend door een handtekening op de laatste bladzijde. Het Hof vond ook dat de heer X voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de inhoud van de overeenkomst niet kende of dat tekst later toegevoegd is.

Het Hof is het dus met de heer X eens. Het gevolg hiervan is dat de overeenkomst geen dwingende bewijskracht heeft. En daarmee staat niet vast dat de overeenkomst van geldlening is gesloten.
Het Hof geeft Egelinck B.V. vervolgens de bewijsopdracht om aan te tonen dat de partijen een lening zijn aangegaan.

Het is maar de vraag of Egelinck B.V. hierin slaagt. Kan Egelinck B.V. het bestaan van de overeenkomst niet bewijzen, dan wordt haar vordering alsnog afgewezen en hoeft de heer X niet te betalen.

Tip

Om te voorkomen dat achteraf discussie ontstaan over wat nu wel of niet is afgesproken is het van belang om alle pagina’s van een overeenkomst te paraferen en/of te ondertekenen. Dit geldt al als de overeenkomst maar uit twee pagina’s bestaat, maar natuurlijk ook voor uitgebreide contracten.

Onderteken of parafeer ook de mogelijk bij de overeenkomst gevoegde bijlagen en vermeldt op de bijlage dat ze onderdeel uitmaken van de overeenkomst.

(Bron: GT)