Welke btw is voor een holding aftrekbaar? En welke niet?

Het is niet ongebruikelijk dat een holding kosten maakt die (mede) worden gebruikt voor de activiteiten van dochterondernemingen. Maar wat nu als een holding, die kwalificeert als btw-ondernemer, diensten van derden afneemt en deze inbrengt in het kapitaal van een dochteronderneming? Heeft deze holding dan recht op btw-aftrek voor deze kosten? Het Hof van Justitie (hierna: HvJ) heeft recent in de zaak W-GmbH geoordeeld dat een holding geen recht heeft op btw-aftrek voor diensten die zijn afgenomen van derden en door de holding zijn ingebracht in het kapitaal van dochterondernemingen. Wij hebben u eerder geïnformeerd over de conclusie van de Advocaat-Generaal van het HvJ in deze procedure. Wij verwachten dat de Belastingdienst na deze uitspraak extra alert gaat zijn op situaties waarin holdings kosten maken voor activiteiten van dochtervennootschappen. Wij raden aan om hierop te anticiperen en bij voorbaat actie te ondernemen.

Feiten

W-GmbH is een holding die aandelen houdt in twee commanditaire vennootschappen die zich voornamelijk bezighouden met de ontwikkeling van vastgoed. De dochterondernemingen verrichten voor het grootste gedeelte vrijgestelde prestaties voor de btw. Hierdoor hebben de dochterondernemingen niet of nauwelijks recht op aftrek van btw op aan hen in rekening gebrachte kosten. In verband met de projecten van de dochters wordt besloten kapitaal bijeen te brengen. Hiertoe brengt W-GmbH in beide vennootschapen diensten in ter waarde van 9,4 mln en 30,26 mln euro. Deze diensten heeft zij afgenomen van een derde partij. Op het moment waarop wordt besloten dat W-GmbH de diensten zal inbrengen, wordt ook een overeenkomst gesloten waarin wordt afgesproken dat W-GmbH administratieve en managementdiensten tegen vergoeding zal verrichten aan de dochterondernemingen waardoor W-GmbH kwalificeert als btw-ondernemer. Deze administratieve en managementdiensten zijn belast met btw, waardoor W-GmbH een recht op aftrek van btw heeft. W-GmbH brengt de btw op de ingekochte diensten die zij heeft ingebracht in de dochterondernemingen volledig in aftrek.

HvJ: geen gebruik door de holding, geen aftrek

Het HvJ oordeelt in lijn met de conclusie van de A-G, dat W-GmbH geen recht heeft op btw-aftrek. Het daadwerkelijk gebruik van de ingekochte diensten is namelijk bepalend. De kosten worden noch gebruikt voor de managementdiensten van W-GmbH, noch voor de economische activiteiten van W-GmbH in het algemeen. Er bestaat daarom geen enkel rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kosten en de activiteiten van W-GmbH. De kosten worden daarentegen wel gebruikt voor de grotendeels vrijgestelde activiteiten van de dochterondernemingen. De inbreng in natura zelf levert ook geen recht op btw-aftrek op. Deze inbreng is volgens het HvJ vergelijkbaar met het enkel en alleen houden van aandelen dat geen economische activiteit is voor de btw.

Gevolgen voor uw situatie?

Naar aanleiding van de zaak W-GmbH verwachten wij dat de Belastingdienst extra alert gaat zijn op situaties waarin holdings kosten maken die (mede) thuishoren bij een deelneming. Wij hebben u eerder de volgende tips gegeven waarmee u rekening kunt houden.

  • Zorg ervoor dat de holding ondernemer voor de btw is. Dat is het geval indien de holding duurzaam tegen vergoeding diensten verleend aan haar deelnemingen. De soort dienstverlening is niet van belang. Let op dat ten aanzien van elke deelneming diensten moeten worden verricht. Is dat bij een deelneming niet het geval dan is in zoverre geen sprake van btw-ondernemerschap en bestaat dus ook geen recht op aftrek.
  • Zorg ervoor dat indien u btw op gemaakte kosten in aftrek brengt er een voldoende relatie is tussen de gemaakte kosten en de activiteit van de holding die bestaat uit het verwerven, houden en verkopen van aandelen en het verrichten van de hiervoor genoemde diensten en zorg ervoor dat u die relatie kunt bewijzen aan de hand van uw boekhouding en/of andere documenten.
  • Omschrijf zowel in de statuten als in de overeenkomsten met dochtervennootschappen nauwkeurig welke activiteiten de holding verricht (ten behoeve van de dochtervennootschappen). Blijf ook monitoren of de activiteiten van de holding overeenkomen met hetgeen in de statuten en/of de overeenkomsten is opgenomen. Pas zo nodig de statuten of overeenkomsten aan. Begeleidt u als holding een aandelenverkoop door een van uw dochterondernemingen zorg er dan voor dat u ook hiervoor een opdracht heeft van uw dochteronderneming.
  • Zorg er in geval van kostendoorbelastingen voor dat er aan deze kostendoorbelasting een overeenkomst ten grondslag ligt op basis waarvan de holding bepaalde goederen of diensten inkoopt ten behoeve van de dochteronderneming.

Gaat het om kosten die niet bij de holding terecht horen, maar bij een dochteronderneming, breng de btw dan niet in aftrek, maar zorg voor een factuur op naam van de partij voor wie de kosten zijn, zodat die – op basis van zijn of haar eigen aftrekrecht – de btw in aftrek kan brengen. Let op: het is dan wel van belang dat die andere partij ook als afnemer van de prestatie kan worden aangemerkt. Bij diensten is de afnemer degene met wie de dienstverrichter een overeenkomst heeft. Zorg er dus voor dat de overeenkomst tussen dienstverrichter en de partij voor wie de kosten bestemd zijn, bestaat. Het ontmoet overigens geen bezwaar dat de holding een dergelijke factuur betaalt of dat de factuur naar het adres van de holding wordt gestuurd. Als de tenaamstelling en de partij in de overeenkomst maar de partij betreft voor wie de ingekochte goederen en diensten zijn bestemd.

Ook kan er een overeenkomst van opdracht worden gesloten met de holding zodat zij als tussenschakel fungeert tussen de leverancier en de uiteindelijke afnemer.

(Bron: BDO)

Aanpassing bekostigingsbedragen 2023 na prijsbijstelling van 11,7%

De bekostiging van het primair onderwijs kent een tweetal indexaties. Een indexatie van de loongevoelige bekostiging en een indexatie van de prijsgevoelige bekostiging. De indexatie van de prijsgevoelige bekostiging, op basis van de wettelijk verplichte jaarlijkse prijsbijstelling, is voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 11,7%. Hierin is ook de (verwachte) ontwikkeling van energielasten meegenomen.

De indexatie van de loongevoelige bekostiging (op basis van de referentiesystematiek) werd tot en met 2022 toegepast op de personele bekostiging. De indexatie van de prijsgevoelige bekostiging werd tot en met 2022 gehanteerd voor het indexeren van de materiële bekostiging. Met de vereenvoudiging van de bekostiging worden de bedragen voor personele bekostiging en materiële bekostiging samengevoegd. Maar voor het bijstellen van de bekostiging wordt nog steeds uitgegaan van deze twee verschillende indexeringen. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende verdeling, die gebaseerd is op de uitgekeerde OCW bekostiging in 2022:

  • Loongevoelig (L): 89,15%
  • Prijsgevoelig (P): 10,85%

Dit betekent dat de bekostigingsbedragen van de 1e regeling bekostiging 2023 die begin september door de PO-Raad zijn gepubliceerd, worden opgehoogd met 1,27% (11,7% * 10,85%). Deze verhoogde bekostigingsbedragen vind je in de tool vereenvoudigde bekostiging. Op korte termijn worden ook de begrotingsmodellen aangepast met de nieuwe bedragen. OCW verwerkt de nieuwe bedragen in de eerste regeling bekostiging 2023, die in december wordt gepubliceerd. De tweede en definitieve regeling bekostiging 2023 wordt na de zomer 2023 gepubliceerd. Dan worden de bekostigingsbedragen ook aangepast aan de hand van de indexatie van het loongevoelige deel van de bekostiging, op basis van de referentiesystematiek 2023.

Berekening hoogte baten begroting 2023

Met deze nieuwe bedragen hebben schoolorganisaties alle bekostigingsinformatie voorhanden voor hun begroting 2023. Maar let op: de huidige cao loopt tot en met 30 april 2023, en anticipeert op de indexatie van de bekostiging in 2023 die pas in de loop van volgend jaar wordt gepubliceerd en uitgekeerd. Om een reëel beeld van de begroting te krijgen, zullen schoolorganisaties in hun begroting aan de lastenkant veelal uitgaan van deze meest recente cao. Omdat voor deze cao ook een deel van de ruimte voor 2023 is gebruikt, zal ook aan de batenkant van de begroting rekening moeten worden gehouden met deze cao.

Voor deze cao wordt gerekend met een indexatie van 1,6% voor 2023. Daarom wordt geadviseerd om ook de batenkant te verhogen. De bekostiging kent echter per 1 januari 2023 geen onderscheid meer tussen personeel en materieel. Vandaar dat ook hier wordt uitgegaan van de verdeling loongevoelig en prijsgevoelig van 89,15% staat tot 10,85%. Dit zou betekenen dat in de begroting uitgegaan kan worden van het opplussen van de bekostigingsbedragen 2023 met ca. 1,4% (1,6% * 89,15%)

(Bron: PO-Raad)

Vereenvoudiging bekostiging Primair Onderwijs en vordering OCW

Op 27 oktober 2021 is de kennisgroep Financiën van de PO Raad gehouden. In deze digitale bijeenkomst werd uitleg gegeven over de vereenvoudiging van de bekostiging in het primair onderwijs per 1 januari 2023. Er waren vanuit de aanwezige schoolbesturen veel vragen over de vordering OCW en de bekostiging voor het jaar 2022.

Wat gebeurt in 2022 in aanloop naar de vereenvoudiging van de bekostiging in 2023?

Voor het schooljaar 2021-2022 wordt voor de laatste maal schooljaarbekostiging verstrekt. Deze bekostiging is net als in andere jaren toegekend, wat betekent dat in de jaarrekening 2021 5/12e van deze beschikking als baten worden verwerkt en in de jaarrekening 2022 7/12e. Het betaalritme loopt voor een aantal onderdelen van de bekostiging niet gelijk aan deze toerekening aan periodes, in de eerste 5 maanden wordt namelijk minder betaald door het Ministerie (ca. 34,55%) dan de genoemde 5/12e van de beschikking (41,67%). Dit geldt voor de reguliere personele bekostiging, voor de bekostiging onderwijsachterstanden en voor de bekostiging zware ondersteuning personeel. Maar het geldt bijvoorbeeld niet voor de bekostiging personeels- en arbeidsmarktbeleid, de uitbetaling hiervan vindt wel in 12 gelijke maandelijkse termijnen plaats.

Door het betaalritmeverschil op de personele bekostiging hebben schoolbesturen op balansdatum (31 december) een vordering op het Ministerie van OCW. Deze vordering (en dus het betaalritmeverschil) bedraagt ca. 7% van de schooljaarbekostiging. In de periode januari tot en met juli 2022 wordt dit verschil ingelopen. Dan is de maandelijkse uitbetaling namelijk hoger dan 7/12e van de beschikking. Hierdoor loopt de vordering OCW in de maanden januari tot en met juli 2022 langzaam terug naar nul. Per 1 augustus 2022 is de vordering OCW hierdoor nul. Tot zover niks nieuws, dit is dezelfde systematiek die sinds de invoering van de lumpsum wordt gehanteerd.

In de laatste 5 maanden van 2022 ontstaat een nieuw situatie, omdat vanaf 1 januari 2023 de kalenderjaarbekostiging in gaat. Het Ministerie van OCW maakt voor de periode augustus tot en met december 2022 een aparte beschikking. Deze beschikking is qua systematiek gelijk aan de uitbetaling die in deze periode normaal gesproken plaatsvindt. Deze is dus gebaseerd op de uitgaande geldstroom bij het Ministerie van OCW, die in de laatste 5 maanden zo’n 7% procent lager is dan wat werd beschikt. Omdat de beschikking voor die laatste 5 maanden dus ook lager wordt vastgesteld, is er geen verschil meer tussen beschikking en betaling door OCW. Hierdoor wordt in de laatste 5 maanden van 2022 geen vordering OCW meer opgebouwd. Het betekent ook dat de reguliere personele bekostiging in 2022 zo’n 7% lager is in vergelijking met voorgaande jaren (zonder rekening te houden met bijstellingen en wijzigingen in leerlingaantallen). Dit heeft dus direct effect op de Rijksbijdragen die in 2022 in de jaarrekening terecht komen, deze is dus eenmalig lager dan voorgaande jaren.

Is er sprake van een stelselwijziging met betrekking tot de vordering OCW?

Nee, er is geen sprake van een stelselwijziging. Dit komt omdat de wijze van het vaststellen van de Rijksbijdragen op basis van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving niet wijzigt. De Rijksbijdragen worden in de jaarrekening opgenomen op basis van de toegekende beschikkingen. Dit gebeurt ook in 2022. Het enige verschil in 2022 is dat er per saldo minder gelden worden beschikt, waardoor de baten dus lager zijn.

Is er sprake van een afboeking van de vordering OCW en hoe zou deze dan verwerkt moeten worden?

Er is geen sprake van een afboeking van de vordering OCW. De vordering OCW die op 31 december 2021 in de jaarrekening staat wordt daadwerkelijk ontvangen in de eerste zeven maanden van 2022. Daarmee loopt de vordering dus op een reguliere manier af, door gelden die ontvangen worden vanuit het Ministerie van OCW. Omdat er geen sprake is van een afboeking van de vordering is ook geen sprake van verwerking via het eigen vermogen of een buitengewone last.  

Hoe ziet de jaarrekening 2022 er dan uit?

In de jaarrekening 2022 is per 31 december geen sprake meer van een vordering OCW, simpelweg omdat alle beschikte middelen over 2022 ook in dat jaar worden ontvangen. De Rijksbijdragen OCW in de baten zijn in 2022 lager dan het schoolbestuur gewend is. Het bedrag waarmee deze baten lager zijn, is in hoogte ongeveer gelijk aan de op 31 december 2021 opgenomen vordering OCW. Dit zal dus leiden tot een fors lager resultaat in 2022 in vergelijking met 2021. Door de resultaatbestemming leidt dit lagere resultaat ook tot een lager eigen vermogen per 31 december 2022. 

Voorbeeld voor een middelgroot schoolbestuur:

 20212022 (uitgaande van dezelfde cijfers als in 2021)
Rijksbijdragen excl. Bijdragen SWV€ 24.000.000€ 22.850.000
Vordering OCW per 31 december€ 1.150.000€ 0
Verhouding vordering OCW t.o.v. totale Rijksbijdragen4,8% 
Effect op het jaarresultaat€ 0€ – 1.150.000

Wat is het effect op het eigen vermogen?

Door de lagere baten in 2022 zal het resultaat ook lager uitvallen, dit leidt dus ook tot een lager eigen vermogen in vergelijking met de situatie dat er geen wijziging zou plaatsvinden in de bekostiging. Hierdoor wordt een eventueel bovenmatig eigen vermogen verlaagd. Mocht een schoolbestuur door dit effect onder signaleringswaarden voor continuïteitstoezicht komen dan is de inspectie in de jaren 2022 tot en met 2026 coulant in haar toezicht.

(Bron: Wijs Accountants)

Een B.V. met vastgoed, of een vastgoed-BV? Een toetsingskader voor de overdrachtsbelasting.

Vastgoedbeleggers worden sinds 1 januari 2022 met een overdrachtsbelastingtarief van 8% geconfronteerd.  In de Voorjaarsnota is voor 2023 zelfs een tarief van 10,1% voorgesteld; dinsdag 20 september 2022 is het Prinsjesdag en wordt het definitieve voorstel voor 2023 bekend. Deze heffing is niet alleen van toepassing op de verkrijging van vastgoed (“stenen”), maar kan ook de verkrijging van aandelen in een B.V. raken. Dat is alleen het geval als de B.V. kwalificeert als “onroerendezaakrechtspersoon” voor de overdrachtsbelasting. Een kritische beoordeling is cruciaal om de totale kosten van een aandelentransactie vooraf goed te kunnen inschatten. In deze bijdrage schetst BDO een toetsingskader op basis van recente jurisprudentie.

Wat is een “onroerendezaakrechtspersoon”?

Een B.V. kwalificeert als “onroerendezaakrechtspersoon” als ten tijde van de aandelentransactie – of op enig moment gedurende het voorafgaande jaar – aan de volgende drie voorwaarden wordt c.q. werd voldaan:

a) de bezittingen bestaan voor meer dan 50% uit onroerende zaken; én

b) de bezittingen bestaan voor meer dan 30% uit in Nederland gelegen onroerende zaken; én

c) de onroerende zaken zijn voor 70% of meer dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken (“doeleis”).

De laatste voorwaarde is subjectief van aard en levert in de praktijk de meeste discussie op. We beperken ons in deze bijdrage daarom tot de “doeleis”. Of daadwerkelijk overdrachtsbelasting verschuldigd is, hangt overigens ook af van de omvang van het verkregen aandelenbelang en het eventueel kunnen toepassen van een vrijstelling. Op die aspecten gaan we in deze bijdrage niet in.

Toetsingskader o.b.v. jurisprudentie

Een B.V. kan alleen als “onroerendezaakrechtspersoon” (hierna ook: “vastgoed-BV”) voor de overdrachtsbelasting kwalificeren als wordt voldaan aan de “doeleis”. Als het vastgoed bestemd is voor de handel of exploitatie (verhuur) wordt in beginsel voldaan aan de doeleis. Aan de doeleis wordt niet voldaan als het vastgoed wordt gebruikt binnen een eigen onderneming die niet is gericht op het handelen in of exploiteren van vastgoed.

In de praktijk is vaak niet geheel duidelijk of aan de doeleis wordt voldaan. Deze vraagt wordt dan ook regelmatig aan de Belastingdienst en – uiteindelijk – de belastingrechter voorgelegd. Uit recente jurisprudentie volgt het volgende toetsingskader.

  • Op 19 december 2008 oordeelde de Hoge Raad dat een B.V. die een camping exploiteerde niet voldeed aan de doeleis, omdat de campingplaatsen kortdurend verhuurd werden aan recreanten en er bijkomende recreatieve voorzieningen aanwezig waren. De onderneming was dus gericht op de exploitatie van een recreatiebedrijf – en niet op de verhuur van accommodaties sec. Een B.V. met vastgoed, maar dus geen vastgoed-BV voor de overdrachtsbelasting.
  • Op 10 oktober 2014 oordeelde de Hoge Raad dat een B.V. die datacenters exploiteerde niet voldeed aan de doeleis. De onderneming was gericht op het aanbieden van een omgeving waarin de werking van de servers zoveel mogelijk werd geoptimaliseerd. Zo werd er energie, koeling, beveiliging en een snelle internetverbinding met de buitenwereld geleverd. Dit dienstenpakket voerde de boventoon; dat een fysieke serverruimte werd aangeboden, was daaraan ondergeschikt. Dus wederom een B.V. met vastgoed die niet kwalificeerde als vastgoed-BV voor de overdrachtsbelasting.
  • Op 15 december 2020 oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat een B.V. die een camping exploiteerde wel voldeed aan de doeleis, omdat er geen recreatieve voorzieningen aanwezig waren. Bovendien werden de accommodaties in de praktijk jaren aaneensluitend aan dezelfde gebruiker verhuurd en verrichte de B.V. weinig tot geen aanvullende diensten. De verhuur van accommodaties voerde de boventoon – en dus was er sprake van een vastgoed-BV voor de overdrachtsbelasting.
  • Op 16 april 2021 moest de Hoge Raad beoordelen of een B.V. die opslagruimtes (“selfstorage”) verhuurde, voldeed aan de doeleis. De Hoge Raad overwoog dat “niet aan de doeleis is voldaan als de terbeschikkingstelling van (delen van) onroerende zaken ondergeschikt is in het geheel van prestaties dat aan afnemers wordt verricht, wat moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de klanten”. Met andere woorden: neemt de klant een dienst af waarvoor nu eenmaal een locatie/ruimte vereist is, of zijn de (bijkomende) diensten in de ogen van de klant van ondergeschikt belang? De Hoge Raad verwees de zaak van het selfstorage-bedrijf naar Hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling.
  • Op 12 april 2022 oordeelde Hof Amsterdam dat het selfstorage-bedrijf wel voldeed aan de doeleis. De B.V. bood naast de opslagruimtes weliswaar verschillende gratis en betaalde diensten aan, maar het Hof oordeelde dat het de klanten van het selfstorage-bedrijf in de basis te doen is om een opslagruimte om hun spullen in op te slaan. Bijkomende gratis of betaalde diensten – zoals het afsluiten van een verzekering of het gebruik van een aanhangwagen – neemt de klant alleen af als dat bijdraagt aan optimaal gebruik van de opslagruimte, aldus het Hof. En dus is er sprake van een vastgoed-BV voor de overdrachtsbelasting.

Belang voor de praktijk

Het overdrachtsbelastingtarief voor beleggers is op dit moment 8%, maar naar verwachting stijgt het tarief met ingang van 2023 nog verder. Op dinsdag 20 september a.s. is het Prinsjesdag en wordt het definitieve voorstel voor 2023 bekend. Gezien de potentiële financiële impact wordt het nog belangrijker om vooraf goed te beoordelen of sprake is van een B.V. met vastgoed, of een vastgoed-BV (“onroerendezaakrechtspersoon”): komen de klanten af op de aangeboden dienst(en), of is het ze te doen om het ter beschikking gestelde vastgoed?

Dit vraagstuk blijft de komende jaren onverminderd relevant voor de vastgoedmarkt. Niet in de laatste plaats met het oog op nieuwe concepten die in de markt worden ontwikkeld. Neem bijvoorbeeld de mogelijkheid om per dag een “full service” werkplek te huren: komt de klant af op de ter beschikking gestelde receptioniste, printservice, (digitale) vergaderfaciliteiten en koffievoorziening, of is het de klant te doen om de ter beschikking gestelde fysieke werkplek? Ongetwijfeld volgt op dit punt de komende jaren nog meer jurisprudentie.

(Bron: BDO)

Uitspraak rechter verrekening uitkeringskosten primair onderwijs

Op 14 oktober jl heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verrekening van uitkeringskosten in het primair onderwijs. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verrekenen van uitkeringskosten met de bekostiging, zonder nader onderzoek naar de juistheid van de opgave over de uitkeringskosten door het Participatiefonds, in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht.

Wat is er gebeurd?

DUO heeft bij een schoolbestuur in meerdere schooljaren uitkeringen in mindering gebracht op de bekostiging. Dit betreft de uitkeringen in het kader van de Werkloosheidswet (WW) en de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen (BW) van één of meerdere ex-werknemers. In normale gevallen betaalt het Participatiefonds de uitkeringskosten aan ontslagen werknemers. Als echter door het Participatiefonds is besloten dat de ontslagprocedure niet voldoet aan het reglement, of wanneer stukken te laat worden ingeleverd, brengt DUO de betreffende uitkeringskosten in rekening bij het schoolbestuur. 

Schoolbesturen hebben niet direct inzicht in de opbouw van het bedrag dat wordt ingehouden. Daarnaast komt het wel eens voor dat er onterecht uitkeringskosten worden toegerekend aan een schoolbestuur. In dit geval heeft het schoolbestuur bezwaar ingediend tegen de inhouding van de bekostiging. Dit bezwaar heeft uiteindelijk geleid tot een rechtszaak. Daarin kwam naar voren dat DUO zonder meer uitgaat van de juistheid van de door het Participatiefonds geleverde gegevens. DUO controleert dus niet welke beslissingen het UWV heeft genomen over het recht op uitkering en of deze juist zijn. Daarnaast wordt niet gecontroleerd of de bedragen correct zijn. 

Wat betekent deze uitspraak?

De rechtbank heeft nu aangegeven dat DUO onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn onderzoeksplicht. Hierdoor worden de door DUO afgegeven beschikkingen vernietigd. DUO wordt door de rechtbank wel in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen, of andere besluiten te nemen. Hiervoor heeft DUO 8 weken de tijd, tenzij verlenging wordt aangevraagd.

Moet ieder schoolbestuur nu actie ondernemen?

Wij adviseren om, in het geval dat uitkeringen in mindering worden gebracht op de bekostiging, op basis van het Overzicht Financiële Beschikkingen (OFB) en de onderliggende gegevens, die met behulp van de inlog in DUO zakelijk kunnen worden achterhaald, te controleren op welke ex-werknemer(s) de inhoudingen betrekking hebben. Daarnaast kunt u informatie opvragen bij het UWV en WWplus voor de reden van het niet vergoeden van de uitkering door het participatiefonds. Bent u het niet eens met de inhouding, dien dan tijdig bezwaar in op de beschikking. Let hierbij op de bezwaartermijn van zes weken.

(Bron: Wijs Accountants)

Versoepelingen betalingsregeling corona-belastingschuld

Heeft u eerder corona-uitstel van betaling gekregen voor uw belastingschulden, dan moet u deze vanaf 1 oktober 2022 in 60 maanden terugbetalen. In een Kamerbrief van 8 september 2022 heeft Staatssecretaris Van Rij van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst de vormgeving van versoepelingen van de betalingsregeling van de corona-belastingschuld bekendgemaakt.

Verlenging van vijf naar zeven jaar

Is uw bedrijf verder financieel gezond, maar heeft u alleen te maken met tijdelijke liquiditeitsproblemen, dan kunt u onder voorwaarden een verlenging krijgen van de betalingsregeling van vijf naar zeven jaar.

De voorwaarden worden nog verder uitgewerkt in een beleidsbesluit, maar de verlening geldt in ieder geval niet voor:

  • Bedrijven die gebruik hebben gemaakt van het belastinguitstel, maar er financieel niet slecht voorstaan.
  • Bedrijven die een corona-belastingschuld hebben opgebouwd, maar de jaren voor corona niet of nauwelijks winst hebben gemaakt.
  • Bedrijven met een openstaande corona-belastingschuld lager dan € 10.000.

Als u in aanmerking komt voor een verlenging, dan kunt u een gemotiveerde aanvraag met een liquiditeitsprognose indienen bij de Belastingdienst gedurende de hele looptijd van de betalingsregeling. De schriftelijke onderbouwing wordt zwaarder bij een belastingschuld hoger dan € 50.000.

Flexibilisering

Alle bedrijven en ondernemers, ook die met een belastingschuld lager dan € 10.000, komen in aanmerking voor kwartaalaflossing en een eenmalige betaalpauze van maximaal 3 maanden. Het toekennen van een betaalpauze leidt niet tot een verlenging van de duur van de betalingsregeling. De resterende termijnen worden dan dus hoger. Verzoeken voor een betaalpauze of kwartaalbetaling worden tijdens de betalingsregeling eenmalig ingewilligd.

TIP U moet invorderingsrente betalen als u een belastingaanslag niet op tijd betaalt. Dat geldt ook voor de openstaande belastingschuld die onder de betalingsregeling valt. De invorderingsrente is in verband met de coronacrisis tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Máár die invorderingsrente gaat nu wel stapsgewijs terug naar het oude niveau. Op 1 juli 2022 is de rente al verhoogd naar 1%. Op 1 januari 2023 vindt een verdere verhoging plaats naar 2%, om vervolgens in 2 stappen uit te komen op 4% op 1 januari 2024.
U hoeft niet vast te houden aan de terugbetaling van de belastingschuld in 60 maanden. Heeft u de mogelijkheid om versneld de schuld af te lossen, dan kan het met het oog op de stijgende invorderingsrente juist voordelig zijn om dat ook te doen.

(Bron: Flynth)

Wijzigingen in het onderwijsaccountantsprotocol 2022

Op 11 juli is het concept onderwijsaccountantsprotocol (OAP) voor de jaarrekeningen van boekjaar 2022 gepubliceerd. U vindt het op de website van de Onderwijsinspectie. Wij praten u bij over de belangrijkste wijzigingen:

Primair Onderwijs

  • De grootste wijziging voor het PO is de verwerking van de gevolgen van de vereenvoudiging van de bekostiging. Door de vereenvoudiging is het GGL-onderzoek vervallen. U gaat daarom vanaf 2022 geen assurance-rapport meer bij de bekostigingsgegevens ontvangen.
  • Sinds 1 april 2022 is de wetgeving met betrekking tot de eigen wachtgelders al vervallen. U hoeft daarom sinds deze datum geen vacatures meer aan te bieden aan ex-personeelsleden. Onze werkzaamheden op dit punt voeren we ook alleen over het eerste kwartaal 2022 uit.

Voortgezet Onderwijs

  • De verblijfstermijn van nieuwkomers in Nederland hoeft u niet meer aan te tonen. Met ingang van 1 april 2022 hoeven onderwijsinstellingen daarom geen bewijsstukken meer aan de accountant te overleggen. De betreffende werkzaamheden in het OAP 2022 zijn daarom alleen nog van toepassing op de teldatum van 1 januari 2022. En niet meer voor de overige drie teldata.
  • De teldatum 1 oktober blijft wel van toepassing voor nieuwkomers met betrekking tot de gebruikelijke werkzaamheden per teldatum.

Middelbaar Beroeps Onderwijs

  • De overgangsregel voor de verantwoording van de voorschriften uit de ‘Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten’ is (voorlopig) vervallen. Dit betekent dat u vanaf het bestuursverslag 2022 niet meer gaat verantwoorden volgens de thema’s uit de Notitie Helderheid, maar volgens de voorschriften uit deze Beleidsregel. Over dit onderwerp worden momenteel nog 40 cases uitgewerkt voor OCW. Deze worden nog deze zomer gedeeld en besproken. Wij sluiten niet uit dat er nog wijzigingen in het OAP worden doorgevoerd naar aanleiding hiervan.
  • Vanaf het boekjaar 2022 is de nieuwe branchecode Goed bestuur in het MBO 2020 wettelijk verankerd. Het OAP is hierop aangepast en bevat de nieuwe voorgeschreven onderwerpen voor het bestuursverslag.

Hoger Onderwijs

  • De overgangsregel voor de verantwoording van de voorschriften uit de ‘Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten’ is (voorlopig) vervallen. Dit betekent dat u vanaf het bestuursverslag 2022 niet meer gaat verantwoorden volgens de thema’s uit de Notitie Helderheid. Maar volgens de voorschriften uit deze Beleidsregel. Over dit onderwerp worden momenteel nog 40 cases uitgewerkt voor OCW. Deze worden nog deze zomer gedeeld en besproken. Wij sluiten niet uit dat er nog wijzigingen in het OAP worden doorgevoerd naar aanleiding hiervan.
  • Bij Studielink is een nieuw proces ingericht. Waarbij digitale verificatie van de nationaliteit ook van de buitenlandse studenten plaatsvindt. Het OAP 2022 is hierop aangepast. Het is de bedoeling dat de accountant en de instelling kunnen steunen op de verificatie door Studielink. Het nieuwe proces gaat ook vallen onder de reikwijdte van de 3402, type 2 verklaring van Studielink.

Wijzigingen die wij in december 2022 verwachten

De vaststelling van het definitieve Onderwijsaccountantsprotocol is in december 2022. Het is mogelijk dat er nog wijzigingen in wet- en regelgeving komen. Met gevolgen voor het OAP 2022. Een aantal wijzigingen is al aangekondigd:

  • In het VO is in juni 2022 een online invulbaar format voor het assurance-rapport bekostiging beschikbaar gesteld. Er wordt onderzocht of een dergelijk format ook voor het MBO beschikbaar gesteld kan worden.
  • Voor PO en VO verwachten we in november nog een nieuwe brief met maatschappelijke thema’s. De vorige brief gold voor 2 jaar. Nu de bestuursverslagen 2021 zijn opgesteld vervallen deze oude brieven. Inhoudelijk verwachten wij overigens weinig veranderingen.
  • Naar aanleiding van de Beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap van 17 juni 2022 komt er nog een bestuursakkoord. Met naar verwachting aanvullende verantwoordingseisen voor het bestuursverslag. Deze wijzingen komen mogelijk in het bestuursverslag 2022.

Wij adviseren u om de relevantie van deze wijzigingen voor uw instelling te beoordelen. Neem tijdig maatregelen nemen voor uw verantwoordingsverslagen en het afsluitproces van het jaar 2022.

(Bron: Van Ree)