All posts in Kennisbank voor de eenmanszaak of vof, belastingen, investeren

Het kabinet stimuleert bedrijven om investeringen te doen met een nieuwe investeringskorting, de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Deze tijdelijke regeling zorgt ervoor dat bedrijven ook in deze roerige tijden blijven investeren in bijvoorbeeld nieuwe machines.  

De start van de aanvraagperiode is gepland vanaf 1 september 2021. Aanvragen kan maximaal 4 keer per jaar (1 x per kwartaal).

Na eerdere goedkeuring door de Tweede Kamer heeft ook de Eerste Kamer op 15 december 2020 goedkeuring verleend aan het Belastingplan 2021, waarin de BIK was opgenomen. Een volgende stap is groen licht van de Europese Commissie. Bij definitieve duidelijkheid over de vormgeving van de regeling gaat de RVO de BIK uitvoeren in samenwerking met de Belastingdienst.

Voor wie?

De BIK is bestemd voor bedrijven die vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting verschuldigd zijn en loonheffing voor personeel afdragen. Bedrijven moeten een BIK-verklaring aanvragen bij RVO. Zij kunnen de daarin opgenomen investeringskorting in de loonaangifte toepassen op de af te dragen loonheffing. De regeling is zo vormgegeven dat ook het mkb er gebruik van kan maken. Er is een staffel ingebouwd zodat kleinere investeringen een grotere tegemoetkoming krijgen dan grotere investeringen.

Budget

Het kabinet heeft voor de BIK een budget beschikbaar gesteld van in totaal € 4 miljard, voor de jaren 2021 en 2022. Eind 2021 wordt ingeschat in hoeverre het budget van € 2 miljard voor 2021 zal zijn benut.
Het gaat om investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen van meer dan € 1.500. Het totale bedrag aan investeringen bedraagt minimaal € 20.000 per aanvraag. Voor investeringen tot en met € 5 miljoen krijgt de onderneming per kalenderjaar een korting van 3,9% van het investeringsbedrag. Voor grotere investeringen is de korting 1,8% voor het deel boven de € 5 miljoen. Afhankelijk van het nog beschikbare budget kunnen de percentages per 2022 hoger of lager uitvallen.
Als de Europese Commissie goedkeuring geeft om als ‘fiscale eenheid’ gebruik te maken van de BIK, is dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021. Mocht deze goedkeuring om gebruik te maken van dit specifieke onderdeel niet komen, dan worden de percentages van de BIK met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 verhoogd. Bij grote investeringen in een jaar bedraagt de korting tot € 5 miljoen in dat geval 5%, daarboven 2,08%. Meer informatie vindt u in de Kamerbrief BIK in relatie tot investeringen in het buitenland.

Voorwaarden

De regeling geldt voor investeringen in 2021 of 2022. Om van de regeling te kunnen profiteren moet een bedrijf de investeringsbeslissing hebben genomen op of na 1 oktober 2020. De volledige betaling moet plaatsvinden in 2021 of 2022, daarnaast moet er sprake zijn van een nieuw bedrijfsmiddel dat binnen 6 maanden in gebruik wordt genomen. Zodra de regeling definitief vorm heeft gekregen leest u alle voorwaarden op onze website.

Combineren met andere steunregelingen

Bedrijven kunnen de BIK combineren met andere steunregelingen zoals de Energie Investeringsaftrek (EIA) of de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Dit maakt groene investeringen nog aantrekkelijker. Voor kleinere investeringen door het mkb kunnen de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en de BIK samengaan.

(Bron: RVO)

Als u investeert, komt u in bepaalde gevallen in aanmerking voor investeringsaftrek. De ontvangen aftrek moet u terugbetalen als u de betreffende bedrijfsmiddelen binnen een bepaalde termijn weer verkoopt. Dit is de zogenaamde desinvesteringsbijtelling. Hoe kunt u dit voorkomen?

Wat valt er onder de investeringsaftrek?

Het betreft aftrekmogelijkheden voor kleinschalige investeringen en die voor milieu- en energievriendelijke investeringen. De aftrekken zijn fors en bedragen maximaal 28%, 36% respectievelijk 58% van het bedrag aan investering.

Wanneer moet u de investeringsaftrek terugbetalen?

Alleen als u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin u investeert verkoopt, krijgt u te maken met de desinvesteringsbijtelling. U moet het percentage aan aftrek dat u destijds gekregen heeft berekenen over de verkoopprijs die u ontvangt. Dit bedrag telt u op bij de winst en hierover betaalt u belasting. Verkoopt u na vijf jaar, vervalt de desinvesteringsbijtelling.

Voorbeeld: U investeerde op 4 maart 2012 voor €20.000 in een professionele filmcamera, en ontving hiervoor 28% investeringsaftrek, ofwel €5.600. Verkoopt u deze filmcamera in 2016 voor €10.000, dan moet u 28% x €10.000 ofwel €2.800 bij de winst optellen. Verkoopt u de camera in 2017, dus vijf jaar na aanschaf, heeft u geen desinvesteringsbijtelling.

Let op! U hoeft de investeringsaftrek alleen terug te betalen als u in één jaar voor meer dan €2.300 aan bedrijfsmiddelen verkoopt.

Voorbeeld: U investeerde op 4 maart 2013 in een fotocamera van €10.000 en ontving hiervoor 28% investeringsaftrek te weten €2.800. U verkocht deze een paar jaar later, eind 2016, weer voor €2.000. Dit is het enige product dat u in 2016 verkoopt. Dan blijft u met €2.000 onder het drempelbedrag van €2.300 en hoeft u niets bij uw winst op te tellen.

Tip: Vroeg in het jaar investeren beperkt dus de termijn van terugbetalen van de investeringsaftrekken.

Bedrijfsmiddel verhuren?

U kunt het terugbetalen van de investeringsaftrek voor milieu- en energievriendelijke investeringen ook voorkomen door uw bedrijfsmiddel te verhuren als u het zelf niet meer nodig heeft. Deze optie bestaat niet voor het ontgaan van de desinvesteringsbijtelling voor kleinschalige investeringen, zoals de filmcamera. Die moet u ook terugbetalen bij verhuur van het bedrijfsmiddel.

(Bron: Koenenenco)

 

Een bedrijf starten kost geld. Of je nu een bestaande onderneming overneemt of een startup vanaf de grond wilt opbouwen: als ondernemer zul je – zeker in het begin – in jouw bedrijf moeten investeren. Gelukkig heeft de overheid hiervoor een aantal goede regelingen in het leven geroepen: 5 investeringsregelingen voor ondernemers.

1. Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek maakt deel uit van de overkoepelende investeringsaftrek. Van deze investeringsregeling kun je als startende ondernemer relatief snel gebruik maken omdat het hierbij gaat om het investeren in bedrijfsmiddelen. De belangrijkste voorwaarde is dat een bedrijfsmiddel minimaal 450 euro kost en daarnaast in aanmerking komt voor investeringsaftrek. Heb jij bijvoorbeeld een speciale zaagmachine aangeschaft of een computer gekocht voor het bijhouden van jouw administratie? Dan mag je gebruikmaken van de KIA-regeling.

Let op: het bedrag dat je uiteindelijk van de winst mag aftrekken, hangt altijd samen met het totaalbedrag dat je dat boekjaar in het bedrijf hebt geïnvesteerd. Daarnaast speelt de rechtsvorm een rol. Als je met anderen een bedrijf hebt, zoals een vennootschap onder firma (VOF) of een maatschap, moet je de aftrek berekenen door een percentage te nemen van de totale investering van het samenwerkingsverband (en dus niet kijken naar iedere afzonderlijke investering).

Sinds 2014 zijn de voorwaarden aangescherpt. Zo is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek op zuinige personenauto’s niet langer van kracht. Verder komen de volgende investeringen ook niet (meer) in aanmerking voor investeringsaftrek:

  • Investeringen in bepaalde bedrijfsmiddelen, zoals woonhuizen, grond, dieren, personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer, vaartuigen voor representatieve doeleinden, effecten, vorderingen, goodwill en publiekrechtelijke vergunningen.
  • Bedrijfsmiddelen die zijn bestemd voor verhuur of voor gebruik in het buitenland.
  • Bedrijfsmiddelen die minder dan 450 euro per stuk kosten
  • Transacties tussen een lichaam en personen of rechtspersonen (bijvoorbeeld bv’s en nv’s), die voor ten minste een derde deel een belang hebben in dat lichaam. Als je bijvoorbeeld aandeelhouder bent van een bv en je verkoopt een bedrijfsmiddel aan de bv, dan heeft de bv geen recht op investeringsaftrek.

2. Energie-investeringsaftrek (EIA)

Ook de Energie-investeringsaftrek (EIA) valt onder de investeringsaftrek en is dus een fiscale aftrekregeling. Ondernemers die zich actief bezighouden met het investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie doen er verstandig aan om de mogelijkheden op dit gebied te bekijken.

Behalve de afschrijving kun je van de investering (aanschaf- en voortbrengingskosten) in deze bedrijfsmiddelen namelijk 41,5 procent extra aftrekken van de winst. Controleer om teleurstellingen te voorkomen van tevoren wel goed of je echt aan alle voorwaarden hebt voldaan:

  • Het bedrag aan energie-investeringen bedraagt minimaal 2.500 euro.
  • Het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt.
  • Het bedrijfsmiddel staat op de energielijst van RVO.nl.
  • Je kunt voor hetzelfde bedrijfsmiddel geen energie-investeringsaftrek én milieu-investeringsaftrek tegelijk krijgen. Je moet dus een keuze maken tussen beide regelingen.
  • Bedrijfsmiddelen die niet op de energielijst van RVO staan, maar wel energie of fossiele brandstoffen besparen en een algemene besparingsnorm halen.
  • De kosten van een energieadvies (onder bepaalde voorwaarden)

Meer weten over hoe je als ondernemer gebruik kunt maken van de EIA-regeling? Lees er alles over op de website van de Belastingdienst.

3 + 4. Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL)

De Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) zijn subsidies voor ondernemers op het gebied van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Kort samengevat kun je met de MIA-regeling jouw fiscale winst verder verlagen. Het is mogelijk om tot 36 procent van het investeringsbedrag in mindering te brengen op de gemaakte winst. Of jij straks daadwerkelijk dit maximale percentage mag toepassen, is afhankelijk van de milieu-effecten en de gangbaarheid van het bedrijfsmiddel in kwestie.

De VAMIL is een methode om een investering op ieder gewenst moment te kunnen afschrijven, zodat jouw totale fiscale winst uiteindelijk lager uitvalt en je over dat jaar dus minder belasting hoeft te betalen. Let op: de bovengrens van deze willekeurige afschrijving is sinds 2011 vastgesteld op 75 procent. Veel ondernemers kiezen er echter voor om de MIA en VAMIL te combineren. Dit is toegestaan, mits je aan alle gestelde voorwaarden voldoet:

  • Het bedrijfsmiddel staat op de milieulijst van RVO.
  • Het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt.
  • De investering moet betrekking hebben op aanschaf- en voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel.
  • Voor de MIA moet het bedrag aan milieu-investeringen minimaal 2.500 euro zijn.

5. Desinvesteringsbijtelling

De desinvesteringsbijtelling is een vreemde eend in de bijt. Het is namelijk geen investeringsregeling waar je als ondernemer voordeel uit kunt halen, maar is wel een consequentie waar jij (of jouw boekhouder/accountant) op termijn rekening mee moet houden.

Als jij namens jouw onderneming bijvoorbeeld ooit bedrijfsmiddelen hebt vervreemd (verkocht, geschonken etc.) en daarvoor in eerdere jaren gebruik hebt gemaakt van de investeringsaftrek, kan het namelijk zijn dat je later een deel van die aftrek zult moeten terugbetalen aan de fiscus. Dit is in ieder geval zo wanneer:

  • Je de betreffende bedrijfsmiddelen binnen vijf jaar verkoopt of schenkt na het begin van het kalenderjaar waarin je de investering hebt gedaan.
  • De waarde van deze bedrijfsmiddelen bij elkaar opgeteld hoger is dan 2.300 euro. [Bron: Belastingdienst]

Het goede nieuws is dat deze uiteindelijke bijtelling nooit hoger zal uitvallen dan het bedrag dat je eerder hebt kunnen aftrekken. Dat maakt het toepassen van de eerder genoemde investeringsregelingen dus nog steeds de moeite waard. Tip: voorkom een misrekening en neem voor het bedrag dat je moet bijtellen hetzelfde percentage dat je bij de eerdere investeringsaftrek hebt toegepast. Zo weet je zeker dat je niet te veel of te weinig terugbetaalt.

(Bron: Ikgastarten)

 

De vermogensetikettering binnen de inkomstenbelasting geeft in de praktijk veel problemen. Investeringen in (kapitaal)goederen welke uitsluitend voor de zaak gebruikt worden, is verplicht ondernemingsvermogen. Investeringen welke u uitsluitend privé gaat gebruiken, is verplicht privévermogen. U heeft als ondernemer geen keuzerecht. Maar wat als u die investering zowel voor privé als voor de zaak gaat gebruiken? Deze laatste categorie behoort dan tot het keuzevermogen. U mag nu als ondernemer kiezen: of op de zaak of in privé. De wetgever heeft er bewust voor gekozen vermogensetikettering niet binnen de wet IB 2001 op te nemen.

17792911_sDat deze keus belangrijk is, zal duidelijk zijn. Bij de keuze van ondernemingsvermogen zijn de kosten aftrekbaar van de winst en eventuele verkoopwinsten belast in box 1. Bij de keuze van privévermogen zijn de kosten niet aftrekbaar en zijn eventuele verkoopwinsten onbelast. Wel krijgt u bij privévermogen eventueel te maken met de vermogensrendementsheffing binnen box 3.

Met een juiste etiketteringskeuze binnen de inkomstenbelasting kunt u fiscaal veel besparen.

Binnen de vennootschapsbelasting speelt vermogensetikettering minder, omdat daar geacht wordt, dat het gehele vermogen ondernemingsvermogen is.

 

Zoals uit mijn inleiding blijkt, zijn er drie soorten vermogensetikettering:

  1. Verplicht ondernemingsvermogen. Vermogensbestanddelen welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (90% of meer) in het bedrijf gebruikt worden. Voorbeelden zijn een bedrijfsgebouw, de machines, een heftruck, debiteuren, liquide middelen (nodig voor de normale bedrijfsuitoefening) en crediteuren. Deze posten moeten geactiveerd of gepassiveerd worden op de balans. Is een vermogensbestanddeel gefinancierd met vreemd vermogen, dan volgt deze schuld het bezit.
  2. Verplicht privévermogen. Vermogensbestanddelen welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (90% of meer) voor privé gebruikt worden. Voorbeelden zijn de inboedel van het woonhuis, de caravan voor op vakantie, een privéspaarrekening. Deze posten zien we niet terug op de balans van het bedrijf.
  3. Keuzevermogen. Als u als ondernemer de zaken of goederen zowel zakelijk als privé gaat gebruiken, dan is er een wisselend of gemengd gebruik. De wil van de ondernemer is doorslaggevend. Als u als ondernemer kiest voor zakelijke etikettering, dan blijkt dit door opname van de zaak op de balans. Binnen de inkomstenbelasting kunt u nog terugkomen op deze beslissing, zolang de aanslag inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk is. Een aanslag is onherroepelijk, als de definitieve aanslag is opgelegd en de termijn van bezwaar is verstreken. Voorbeelden zijn een auto voor zowel zakelijk als privégebruik en een woon-werkpand. Bij de meeste vermogensbestanddelen wordt naar de (nagenoeg) uitsluitend grens van 10% – 90 % gekeken. Bij de auto is wel aparte wetgeving van toepassing. De grens ligt hier bij 500 km op jaarbasis. Bij minder dan 500 km privé geldt verplicht ondernemingsvermogen. Bij minder dan 500 km zakelijk geldt verplicht privévermogen. In alle andere gevallen geldt nu keuzevermogen.

Vermogensetikettering binnen de inkomstenbelasting is duidelijk een vak apart. Verkeerde keuzes kunnen fiscaal behoorlijk in de papieren lopen. Bij zakelijke etikettering worden waardemutaties van het vermogensbestanddeel als kosten e/o opbrengsten meegenomen in de winstbepaling. Bij privévermogen geldt eventueel alleen de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3. (Na aftrek van het heffingsvrije vermogen).

Ook niet onbelangrijk bij een keuze is de vorming van de oudedagsreserve. Deze FOR  is afhankelijk van de hoogte van het ondernemingsvermogen.

Als voorbeeld de verkoop van een pand.

Bij een verkoop met winst is deze winst onbelast bij de keuze privévermogen. Deze winst is  belast bij de keuze ondernemingsvermogen. Bij een verkoop met verlies is dit verlies niet verrekenbaar binnen het privévermogen. Dit verlies is wel aftrekbaar op de jaarwinst bij de  keuze ondernemingsvermogen.

In een volgend blog over vermogensetikettering komt o.a. heretikettering, verbouwingen en panden in gemengd gebruik aan de orde.

(Bron: Multiraedt /Bert Elfferich RB )

Toepassing Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) bij samenwerkingsverbanden

Categories: Kennisbank, Kennisbank voor de eenmanszaak of vof, Kennisbank voor de eenmanszaak of vof, belastingen, investeren
Reacties uitgeschakeld voor Toepassing Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) bij samenwerkingsverbanden

 

Drijft een ondernemer zijn onderneming in een samenwerkingsverband en past hij de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) toe, dan moet voor de bepaling van het aftrekpercentage de investeringen van het samenwerkingsverband bij elkaar worden opgeteld. Maar hoe bepaalt men de hoogte van de investeringsaftrek per firmant?

De ondernemer die verplichtingen voor de aanschaf of verbetering van een bedrijfsmiddel of het maken van voortbrengingskosten voor een bedrijfsmiddel is aangegaan, kan in zijn aangifte verzoeken om toepassing van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). In dat geval kan de ondernemer naast de afschrijvingen ook een deel van het investeringsbedrag ten laste van de winst brengen. Zie ook het bericht ‘Investeringsaftrekregelingen’.

 

Aftrekpercentage

De KIA wordt berekend aan de hand van een vast percentage maar kent wel een maximum. Als het totaalbedrag van de investeringen boven een bepaald bedrag uitkomt, daalt de KIA geleidelijk om uiteindelijk op nihil te eindigen. Voor 2015 betekent dit dat de KIA:

  • gelijk is aan nihil als het totaalbedrag van de investeringen niet meer is dan € 2.300;
  • is te stellen op een vast percentage van 28% van de totale kwalificerende investeringen als deze investeringen op jaarbasis tussen € 2.300 en € 55.745 liggen;
  • is te stellen op een vast bedrag van € 15.609 bij investeringen op jaarbasis tussen € 55.746 en € 103.231;
  • bij een totaalbedrag aan investeringen tussen de € 103.231 en de € 309.693 moet worden berekend door het vaste bedrag van € 15.470 te verminderen met 7,56% van het investeringsbedrag dat de € 103.231 overschrijdt;
  • gelijk is aan nihil als de totale investeringen € 309.693 bedragen of meer.

 

Samenwerkingsverbanden

De KIA is vooral bedoeld om kleine investeerders te stimuleren. Bij samenwerkingsverbanden, zoals een vennootschap onder firma of maatschap, moet men uitgaan van het totaalbedrag van de investeringen van het gehele samenwerkingsverband. Maar hoe berekent men de hoogte van de investeringsaftrek per firmant? In de wet is geregeld dat door elke deelnemer in principe is geïnvesteerd naar rato van zijn gerechtigdheid tot de (over)winst.

 

Afspraken over verdeling

De staatssecretaris van Financiën heeft echter goedgekeurd dat voor het antwoord op de vraag in welke mate de vennoten hebben geïnvesteerd, bij het standpunt van de ondernemers kan worden aangesloten. Hieraan zijn wel de volgende voorwaarden verbonden:

  • alle vennoten hanteren hetzelfde verdelingscriterium (zie hierna);
  • de verdeling vindt plaats op redelijke basis (zie hierna);
  • de verdeling vindt toepassing op alle vormen van investeringsaftrek;
  • de verdeling vindt toepassing op alle vennootschappelijke investeringen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
  • bij de berekening van de desinvesteringsbijtelling mag niet van een andere verdeling worden uitgegaan dan destijds bij de investeringsaftrek is gehanteerd;
  • een gezamenlijk, ondertekend verzoek waarin de keuze van de verdeelsleutel is opgenomen en akkoord wordt gegaan met de voorwaarden, wordt ingediend voordat de aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen of de aanslag vennootschapsbelasting van een van de deelnemers aan het samenwerkingsverband onherroepelijk vaststaat.

 

Redelijke verdeling

De inspecteur toetst of sprake is van een redelijke verdeling. Hij aanvaardt in het algemeen de verdeling volgens bijvoorbeeld:

  • de kapitaalsverhouding;
  • de aandelen in de stille reserves;
  • de aandelen in de winst;
  • of gelijke delen.

Omdat de kapitaalsverhouding pas kenbaar is na een tussentijdse afsluiting van de boeken, mag de kapitaalsverhouding volgens de eindbalans van het laatst afgesloten boekjaar als uitgangspunt worden genomen. De verdeling moet uiteraard wel tot een redelijke uitkomst leiden. Zie in dit verband het bericht ‘Willekeurige verdeling investeringsaftrek niet toegestaan’.

 

Wanneer wordt de KIA toegepast?

De KIA komt in eerste instantie in mindering op de fiscale winst in het kalenderjaar dat het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen (ingebruiknamecriterium). Het tijdstip van ingebruikname valt samen met het moment waarop de ondernemer afschrijft. Dus ook als een bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen, kan toch KIA worden toegepast. Maar dan moet op grond van het betalingscriterium in het desbetreffende jaar al wel (gedeeltelijk) worden betaald. In dat geval geldt als maximaal in aanmerking te nemen KIA het bedrag van de al gedane betaling.

(Bron: Taxence)

 

Ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen hebben onder voorwaarden recht op kleinschaligheidsaftrek (KIA). Het totale investeringsbedrag moet in 2014 meer dan € 2.300, maar minder dan € 306.931 bedragen. De aftrek bedraagt 28% van het investeringsbedrag en kent een maximum van € 15.470. Vanaf een investeringsbedrag van € 102.311 daalt de investeringsaftrek met 7,56% van het meerdere. Voor samenwerkingsverbanden geldt het gezamenlijke investeringsbedrag als uitgangspunt voor de aftrek.

Tip! Optimaliseer uw recht op KIA door investeringen uit te stellen tot na 1 januari 2015 of door geplande investeringen naar voren te halen naar 2014.

Let op: Sinds 1 januari 2014 kwalificeren zeer zuinige personenauto’s (14%-bijtelling) niet meer voor de KIA. Milieu-investeringsaftrek (MIA) is nog wel mogelijk voor (semi-)elektrische auto’s. De vervroegde afschrijving voor milieu-investeringen (Vamil) kan per 1 januari 2014 niet meer worden toegepast op personenauto’s.

Bij vervreemding van bedrijfsmiddelen waarvoor u KIA hebt gehad binnen vijf jaar na het kalenderjaar van aanschaf, moet u een desinvesteringsbijtelling doen. De desinvesteringsbijtelling is alleen verschuldigd als u voor meer dan € 2.300 aan bedrijfsmiddelen vervreemdt in 2014.

Tip! Het kan zinvol zijn de verkoop van bedrijfsmiddelen uit te stellen tot na de jaarwisseling om een desinvesteringsbijtelling te vermijden.

(Bron: Schuiteman)