Besluit over margeregeling omzetbelasting geactualiseerd

De staatssecretaris heeft het besluit van 4 juli 2007 over de margeregeling in de BTW geactualiseerd. Dit is de regeling voor gebruikte goederen en kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (kav-goederen). Het besluit is op 26 juli 2014 in werking getreden en bevat onder meer de volgende (beleidsmatige) wijzigingen:

  • De verhoging van het algemene BTW-tarief van 19% naar 21% is verwerkt
  • De herziening van de keuze om al dan niet de margeregeling toe te passen is onder voorwaarden versoepeld
  • Ter verduidelijking is een nieuwe paragraaf opgenomen over de samenloop van de autodemontageregeling en de margeregeling
  • De onderdelen over intracommunautaire transacties met kav-goederen zijn verduidelijkt. Ten onrechte afgetrokken BTW staat de toepassing van de kav-vergunning niet in de weg
  • De grens voor afgifte van een inkoopverklaring is verhoogd naar € 500.
  • De wederverkoper die de margeregeling toepast, moet op de factuur een bepaalde aanduiding opnemen in verband met nieuwe factureringsregels per 1 januari 2013

 

(Bron: FUTD)

Goed vastleggen van optie voor belaste verhuur

Onder voorwaarden kunt u ervoor kiezen om de verhuur van een onroerende zaak te belasten met BTW. Het is daarbij belangrijk om de keuze goed vast te leggen. Blijkt achteraf dat u niet aan de voorwaarden voldoet, dan kunt u net als bij een recente zaak van rechtbank Gelderland een naheffingsaanslag verwachten.

De verhuur van een onroerende zaak is in principe vrijgesteld van BTW. U kunt echter verzoeken om de verhuur met BTW te belasten. U kunt dit doen door een apart verzoek bij de Belastingdienst in te dienen of de BTW-belaste verhuur op te nemen in de huurovereenkomst. De verhuur moet dan wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga), die een onroerende zaak verhuurde aan zijn bv. De dga nam de optie voor BTW-belaste verhuur op in de huurovereenkomst, maar deze huurovereenkomst werd niet geëffectueerd. De bv kreeg echter wel de beschikking tot het pand. Door het ontbreken van een overeenkomst en een verzoek aan de fiscus, was deze verhuur vrijgesteld van BTW. De Belastingdienst legde daarom naheffingsaanslagen op om de BTW te herzien.

Voorwaarden BTW-belaste verhuur

De dga vond de naheffingsaanslagen niet terecht en ging naar de rechter. De rechtbank stelde dat de dga ook nooit aan de voorwaarden voldeed voor de BTW-belaste verhuur. De onroerende zaak werd namelijk niet voor ten minste 90% of meer gebruikt voor belaste prestaties. Daarnaast moest de fiscus rekening houden met het huwelijksgoederenregime van de dga. De dga was daardoor met zijn partner ieder voor 50% eigenaar van het pand. De aftrek van BTW hoorde in dat geval beperkt te worden tot het aandeel van de dga in de onroerende zaak. Bij de herziening van de BTW had de inspecteur hier rekening mee moeten houden. De fiscus mocht dus naheffingsaanslagen opleggen, maar moest die wel verminderen vanwege het huwelijksgoederenregime.

(Bron: Fiscaal Rendement)

Doorberekende kosten geen kosten voor gemene rekening

Ondernemers zijn in beginsel verplicht om omzetbelasting te berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen. Bij het doorberekenen van kosten voor gemene rekening hoeft geen omzetbelasting in rekening te worden gebracht. Kosten voor gemene rekening zijn kosten die ten behoeve van verschillende ondernemers worden gemaakt en in eerste instantie door één van hen worden betaald. Deze kosten worden volgens een vaste verdeelsleutel doorbelast aan de andere ondernemers. Het risico van die kosten gaat alle ondernemers volgens de overeengekomen verdeelsleutel aan.

Een ondernemer die de administratie van een aantal onderwijsinstellingen verzorgde deed een beroep op de regeling voor doorbelasten van kosten voor gemene rekening. Hof Amsterdam vond niet aannemelijk dat het om kosten voor gemene rekening ging. Volgens het hof was het risico niet volgens een vaste verdeelsleutel verdeeld over de betrokkenen. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Volgens de Hoge Raad berust het oordeel van het hof niet op een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep in cassatie was daarom ongegrond.

(Bron: Schuiteman)

Geen laag btw-tarief voor producten die alleen lichaam verzorgen

Rechtbank Noord-Holland overweegt dat van een geneesmiddel wetenschappelijk moet zijn vastgesteld dat het fysiologische functies kan herstellen, verbeteren of wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect, of een medische diagnose kan stellen. Een zonnebrandmiddel kwalificeert niet als geneesmiddel.

X levert zonnebrandmiddelen, fluoridehoudende tandpasta’s, alsmede jeukstillende middelen bij insectenbeten en antimuggenmiddelen. Volgens X vallen deze producten onder het lage tw-tarief van 6%. Het zouden namelijk geneesmiddelen zijn als bedoeld in art. 1-1-b Geneesmiddelenwet en dus onder Tabel I post a6 Wet OB 1968 vallen.

Rechtbank Noord-Holland overweegt dat van een geneesmiddel wetenschappelijk moet zijn vastgesteld dat het fysiologische functies kan herstellen, verbeteren of wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect, of een medische diagnose kan stellen. Een product is een geneesmiddel op grond van zijn aandiening (aandienings- of presentatiecriterium) of op grond van zijn werking (toedieningscriterium). X beroept zich met betrekking tot de zonnebrandmiddelen en de fluoridehoudende tandpasta’s ten onrechte op het aandieningscriterium. De aanprijzingen die X namelijk gebruikt, hebben veeleer de vorm van het benadrukken van het in stand houden van een goede gezondheid. Van medische claims, zoals het voorkomen van brandwonden, kanker of cariës, is geen sprake. X maakt ook niet aannemelijk dat de in geschil zijnde producten voldoen aan het toedieningscriterium. De producten vormen slechts een beschermend laagje op de huid of op de tanden. X beroept zich ook vergeefs op het mentholpoeder arrest (zie HR 18 april 2001, nr. 36.444, V-N 2001/24.26). Mentholpoeder is namelijk niet vergelijkbaar met de onderhavige producten. Het beroep van X is ongegrond.

 

(Bron: Taxlive)

Ingrijpende btw-wijzigingen voor digitale B2C-diensten

Verleent u telecommunicatiediensten, omroepdiensten of elektronische diensten aan buitenlandse consumenten in de Europese Unie die niet btw-plichtig zijn? Dan krijgt u per 1 januari 2015 met nieuwe btw-regels te maken. Regels die grote impact op uw onderneming hebben en een tijdige voorbereiding vragen. Wacht daarom niet langer en onderneem actie. Mazars helpt u graag!

Wat verandert er?

Vanaf 2015 bent u als ondernemer die digitale diensten verleend aan buitenlandse particuliere afnemers (B2C) btw verschuldigd in meerdere landen. U bent dan namelijk btw-plichtig in het land waar uw particuliere afnemer woont. Heeft u afnemers in meerdere Europese lidstaten? Dan zult u in deze lidstaten btw-plichtig zijn. De nieuwe regeling brengt een administratieve last met zich mee. De btw-tarieven verschillen veelal per land en als uw afnemers in meerdere landen wonen, zult u al deze tarieven toe moeten passen. Dit gaat u veel hoofdbrekens kosten.

plichtig   zijn?Dan wordt het voor u tijd om actie te ondernemen!Voorkom te late registratie en onderneem actie!

Wilt u voorkomen dat u tegen een boete aanloopt? Of dat u zich te laat registreert? Begin dan tijdig met het voorbereiden van uw administratie. Dit betekent dat u moet nagaan:

In welke EU-lidstaten uw consumenten wonen   Welke btw-tarieven deze landen hanteren   Of leveringscondities gewijzigd moeten worden   Hoe u uw IT systemen aan de verschillende btw-tarieven en -aangiften kunt   aanpassen   Hoe u zich voor kunt bereiden op een mogelijke buitenlandse belastingplicht.

De impact van de gewijzigde regelgeving op uw onderneming mag niet onderschat worden.  Denk bijvoorbeeld aan het structureren van uw financiële administratie: uw software zal aangepast moeten worden. Hoe zorgt u ervoor dat de buitenlandse consument een prijs met het juiste btw-tarief ontvangt voor uw diensten? Wat betekent dit voor uw prijsstelling?

Btw registratie

Moet u zich nu in elk land waar uw afnemers wonen afzonderlijk voor de btw registreren? Nee, zeker niet. De Mini One Stop Shop (MOSS) is geïntroduceerd om dit te voorkomen. Het MOSS-systeem biedt u de mogelijkheid om de verschuldigde btw voor digitale diensten via een webportal aan te geven in de lidstaat waar de ondernemer voor de btw geregistreerd is of wil zijn. Vervolgens worden de aangiften, samen met de betaalde btw, door het land van registratie doorgezonden naar de lidstaten waar uw klanten wonen. Per 1 oktober 2014 kunt u zich voor het MOSS-systeem registreren. Binnenkort informeren wij u hier verder over.

Registreren voor het MOSS-systeem is niet verplicht. U mag er ook voor kiezen om in ieder land afzonderlijk aangifte te doen.

(Bron: Mazars)

Aftrek voorbelasting voor zakelijk geëtiketteerde woning

Hof Den Haag oordeelt dat X recht heeft op teruggaaf van btw ter zake van de kosten die hij heeft gemaakt voor zijn zakelijk geëtiketteerde woning. Het hof wijst hierbij op het Charles en Charles-Tijmens-arrest van het HvJ EU.

X rekent een door hem gebouwde woning voor de btw-heffing tot zijn bedrijfsvermogen. Over het tijdvak december 2010 verzoekt X om teruggaaf van € 4246 aan btw. De inspecteur wijst het verzoek af. Hij legt vervolgens een btw-naheffingsaanslag van € 41.277 over het jaar 2010 op.

Hof Den Haag oordeelt dat X recht heeft op teruggaaf van btw ter zake van de kosten die hij heeft gemaakt voor zijn zakelijk geëtiketteerde woning. Het hof wijst hierbij op het Charles en Charles-Tijmens-arrest van het HvJ EU (14 juli 2005, nr. C-434/03, BNB 2005/284). Het hof vernietigt de naheffingsaanslag. Partijen hebben voor dat geval afgesproken dat bij de jaarlijkse aangifte wegens privégebruik van de woning het zakelijke gebruik van de woning gesteld moet worden op 25%.

(Bron: Taxlive)

Splitsingsregels btw-aftrek bij gemengd gebruik

Voor goederen en diensten die zowel voor btw-belaste als voor btw-vrijgestelde handelingen worden gebruikt, moet de btw-aftrek worden bepaald op basis van de omzetverhoudingen of op basis van werkelijk gebruik. Een combinatie van beide splitsingsregels is niet mogelijk.

Gemengd gebruik

Ondernemers die goederen en diensten gemengd gebruiken voor btw-belaste en btw-vrijgestelde prestaties moeten met dit gebruik rekening houden bij het bepalen van het recht op btw-aftrek. De ondernemer moet nagaan of de goederen en diensten volledig worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Alleen in dat geval heeft hij immers recht op btw-aftrek. Als de goederen of diensten voor vrijgestelde prestaties worden gebruikt, bestaat er geen recht op btw-aftrek. Hij zal dus een splitsing moeten maken.

 

Toerekening

Maar hoe vindt deze splitsing plaats? Als hoofdregel geldt dat de kosten zo veel mogelijk moeten kunnen worden toegerekend aan bepaalde prestaties. Kosten die volledig betrekking hebben op de btw-belaste prestaties, kan de ondernemer volledig in aftrek brengen. Hij moet daarbij vooral kijken of een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat tussen de kosten en de prestatie. De kosten moeten in feite een bestanddeel van de prijs van de prestatie vormen.

 

Gemengde kosten

Naast direct toerekenbare kosten zal de ondernemer ook gemengde kosten hebben. Deze kosten kunnen niet direct worden toegerekend aan btw-belaste prestaties óf btw-vrijgestelde prestaties. Zij hebben betrekking op beide prestaties. De gemengde kosten (en de btw) moeten in dat geval worden toegerekend op basis van omzetverhoudingen of het werkelijk gebruik.

 

Pro rata

De toerekening moet in eerste instantie plaatsvinden op basis van omzetverhoudingen exclusief btw (pro rata). Deze methode wordt bepaald door een breuk, waarbij de teller bestaat uit de btw-belaste omzet en de noemer uit de totale omzet. De uitkomst van de breuk is het aftrekbare gedeelte. De omzet van het afstoten van gebruikte bedrijfsmiddelen mag niet als omzet worden meegenomen in de breuk. Ook ontvangen subsidies die niet de vergoeding voor een prestatie vormen, blijven buiten beschouwing. Het gaat in de breuk alleen om de omzet uit exploitatie.

 

Werkelijk gebruik

Het kan gebeuren dat de omzetverhoudingen een afwijkend beeld geven van de werkelijkheid. Om de werkelijkheid te toetsen kan men kijken naar oppervlakte-, inhoudsverhoudingen of tijdbesteding. Toerekening van de btw op kosten naar werkelijk gebruik is dus alleen mogelijk voor kosten waarvan objectief en nauwkeurig kan worden bepaald in welke mate ze op elke ruimte betrekking hebben. Als uitgangspunt geldt dat de partij (belastingplichtige of belastinginspecteur) die het werkelijk gebruik wil toepassen, dit werkelijk gebruik aannemelijk moet maken.

 

Combinatie niet mogelijk

De rechter moet zich regelmatig uitspreken over de vraag op welke basis gemengde kosten moeten worden verdeeld: op omzetverhouding of op werkelijk gebruik. Dit was ook de vraag in een zaak die een fiscale eenheid aanspande. Het ging om een holding die het kantoorgedeelte van haar pand verhuurde aan twee dochter-bv’s. De ene bv exploiteerde een makelaarskantoor (btw-belaste prestatie) en de andere bv een assurantiebemiddelingskantoor (vrijgestelde prestatie). Een aantal ruimten werd gebruikt voor uitsluitend belaste óf vrijgestelde prestaties en de overige ruimten werden gemengd gebruikt. De holding ging voor de ruimten die niet gemengd werden gebruikt uit van het werkelijk gebruik op basis van objectieve en nauwkeurige gegevens (vierkante meters) en voor de gemengd gebruikte ruimten van de omzetverhouding. De Hoge Raad besliste dat de holding de pro ratamethode óf het werkelijk gebruik als maatstaf voor toerekening van de btw-aftrek moest nemen. Een combinatie van beide methoden is niet mogelijk. Voor het toepassen van het ‘werkelijk gebruik’ als maatstaf moet namelijk het werkelijk gebruik van het goed als geheel in aanmerking worden genomen. Nu de holding het werkelijk gebruik van de gemengd gebruikte ruimten niet kon aantonen, moest zij de btw-aftrek berekenen op basis van de omzetverhoudingen (pro ratamethode).

Afnemen adviesdienst uit derdeland belast in Nederland

Als een Nederlands lichaam bepaalde diensten, bijvoorbeeld advisering, afneemt van een ondernemer die buiten de EU is gevestigd, kan het zijn dat het lichaam de btw moet opgeven. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze regeling is toegestaan onder het Europees recht.

De zaak voor het hof was aangespannen door een Nederlandse bv die een naheffingsaanslag btw had ontvangen. Deze bv was een tussenhoudstermaatschappij die geen btw-ondernemer was. De bv had adviesdiensten afgenomen van ondernemers uit Canada en de Verenigde Staten. Volgens de Nederlandse wet worden deze diensten geacht in Nederland te zijn verleend als de dienstverlener buiten de EU woont of is gevestigd en de afnemer een Nederlands lichaam is. Daarnaast moet het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie plaatsvinden in Nederland. Overigens leidt zo’n situatie in beginsel tot verlegging naar de afnemer. De tussenhoudstermaatschappij stelde dat de bovenstaande regeling in strijd was met het Europees recht. Maar aan de hand van de wetsgeschiedenis en de Franse versie van de Zesde Richtlijn (de voorloper van de huidige BTW-richtlijn) oordeelde het hof dat de Nederlandse regel binnen de grenzen van het Europees recht bleef. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd.

3 nieuwe aandachtspunten btw en vastgoed

De staatssecretaris van Financiën heeft op 19 september 2013 een besluit geactualiseerd waarin hij de btw-gevolgen toelicht bij diverse vormen van levering en verhuur van vastgoed. Ook bevat dit besluit enkele verduidelijkingen naar aanleiding van rechtspraak. In deze verdieping komen enkele punten van het besluit aan de orde.

Gefaseerde ingebruikneming

Normaal gesproken is de levering en verhuur van onroerende zaken vrijgesteld van btw. Maar de levering van een gebouw vóór, op het moment van of binnen twee jaar na de eerste ingebruikneming is belast met btw. Als een gebouw bestaat uit een aantal zelfstandige delen, vindt de ingebruikneming gefaseerd plaats, namelijk per zelfstandig onderdeel. Volgens de staatssecretaris doet het feit dat alleen sprake kan zijn van één eerste ingebruikneming daaraan niets af. Hij ontleent dit standpunt uit een arrest van de Hoge Raad. Als sprake is van een ondeelbare onroerende zaak, vindt de eerste ingebruikneming plaats zodra het eerste deel van deze zaak conform de objectieve bestemming duurzaam in gebruik wordt genomen.

 

Goedkeuring optie belaste levering

Onder voorwaarden is het ook mogelijk te opteren voor een btw-belaste levering. Eén van de voorwaarden is dat de afnemer de onroerende zaak moet gebruiken binnen de zogeheten wettelijke referentieperiode. Dat betekent dat de ingebruikneming uiterlijk plaatsvindt in het boekjaar dat volgt op het boekjaar van levering. De afnemer kan soms niet aan deze voorwaarde voldoen als er nog werkzaamheden aan de onroerende zaak plaatsvinden. De staatssecretaris keurt goed dat in deze situatie toch een btw-belaste levering mogelijk is als:

  • de afnemer de onroerende zaak zowel in het jaar van feitelijke ingebruikneming en het daaropvolgende boekjaar voor minstens 90% gebruikt voor belaste prestaties;
  • de leverancier en de afnemer akkoord gaan dat wordt gehandeld alsof zij rechtsgeldig hebben gekozen voor een belaste levering. Daarbij aanvaarden zij de gevolgen die de wet- en regelgeving hieraan verbinden. Bijvoorbeeld het opnieuw gaan lopen van de herzieningstermijn bij de afnemer;
  • de afnemer zijn instemming laat blijken door middel van een gedateerde en door hem ondertekende verklaring. De afnemer moet deze verklaring binnen vier weken na overschrijding van de wettelijke referentieperiode hebben opgenomen in zijn boekhouding;
  • de leverancier ermee instemt dat de naheffingstermijn (waaronder de naheffing wegens niet voldoen aan de 90%-eis) en de termijn waarin de btw-aftrek in verband met de geleverde onroerende zaak wordt herzien pas ingaan in het boekjaar waarin de afnemer de onroerende zaak feitelijk gaat gebruiken om uitgaande prestaties te verrichten. Deze instemming moet blijken uit een gedateerde en door de leverancier ondertekende verklaring die hij binnen vier weken na overschrijding van de wettelijke referentieperiode heeft opgenomen in zijn boekhouding.

 

Verhuur van congresruimte

Bij de verhuur van onroerende zaken die dienen als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimten is meestal sprake van kortdurende verhuur. Bovendien gaat het vaak ook om veel en telkens wisselende huurders die in verschillende mate recht hebben op btw-aftrek. Voor de verhuurder kan het in deze situatie lastig zijn om te controleren of hij voldoet aan de voorwaarden voor belaste verhuur. Hij mag van de staatsecretaris echter belast verhuren zonder dat hij daarvoor samen met de huurder opteert. De verhuurder hoeft evenmin na te gaan in welke mate de huurders recht hebben op btw-aftrek. Aan deze goedkeuring zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • de huurder huurt de congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte voor maximaal één maand. Deze voorwaarde geldt per afzonderlijke locatie.
  • de huurder gebruikt de gehuurde ruimte uitsluitend als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte.
  • de verhuurder laat de huurder duidelijk weten dat de verhuur van de ruimte belast plaatsvindt. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door een duidelijke vermelding op de prijslijst of met een duidelijke bepaling in de huurovereenkomst.

Deze goedkeuring geldt ook voor andere onroerende zaken, zoals ruimten in een hotel-, café- en restaurantbedrijf, voor zover die in het kader van de betreffende verhuur uitsluitend worden gebruikt als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte.

(Bron: Taxence)

Naheffing herzienings-BTW bij afnemer in strijd met Zesde BTW-Richtlijn

Pactor Vastgoed BV kreeg in januari 2000 een pand geleverd met toepassing van de optie voor BTW-belaste levering. De leverancier (A) had het pand zelf ook verkregen met de optie voor BTW-belaste levering. Vanaf 5 april 2000 ging Pactor het pand BTW-vrijgesteld verhuren en op 4 juli 2000 leverde zij het pand vrijgesteld van BTW aan een derde. Hierdoor verviel de optie voor BTW-heffing ter zake van de levering van A aan Pactor. A had de BTW op de aankoop van het pand ten onrechte in aftrek gebracht en deze BTW moest op grond van de herzieningsregeling worden gecorrigeerd. Op grond van artikel 12a Wet OB werd Pactor als de afnemer van A aangewezen als degene die de herzienings-BTW moest voldoen. Hof Den Haag was het met Pactor eens dat de herzienings-BTW van de leverancier niet op grond van artikel 12a Wet OB kon worden nageheven van de koper. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besloot een prejudiciële vraag aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen. Het EU-Hof besliste dat de Zesde BTW-Richtlijn geen uitdrukkelijke aanwijzing bevatte ten aanzien van welke belastingplichtige belastingschulden als gevolg van de herziening van een BTW-aftrek moest voldoen, maar daaruit kon niet worden afgeleid dat lidstaten vrij konden bepalen welke belastingplichtige de BTW in een dergelijke context moest voldoen. De aanvankelijke BTW-aftrek werd op grond van artikel 20, lid 1, onderdeel a, van de Zesde BTW-Richtlijn herzien wanneer deze hoger of lager was dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen. Deze bepaling moest volgens het EU-Hof zo worden uitgelegd dat wanneer de door een belastingplichtige in aftrek gebrachte BTW werd herzien, de als gevolg daarvan verschuldigde bedragen door die belastingplichtige moesten worden voldaan. Het was in strijd met de Zesde BTW-Richtlijn om de bedragen verschuldigd na een herziening van een BTW-aftrek in te vorderen bij een andere belastingplichtige dan degene die de aftrek had toegepast.

(Bron: FUTD)