De toerekening van fiscale missers aan de rechtspersoon

Het strafrecht heeft een toenemende invloed op de reikwijdte van het fiscale boeterecht. Die ontwikkeling gaat niet zo ver dat de strafrechtelijke regels en beginselen onverkort van toepassing zijn op een fiscale (vergrijp)boete. Wel zoekt de Belastingkamer van de Hoge Raad aansluiting bij het strafrecht voor de uitleg van het punitieve bestuursrecht. Het streven naar rechtseenheid is recentelijk benadrukt in een uitspraak van de Hoge Raad over de fiscaal boeterechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Daaruit volgt dat fiscale fouten van een medewerker in beginsel aan de belastingplichtige rechtspersoon worden toegerekend, maar dat dit niet zonder meer opgaat voor het bij die medewerker aanwezige opzet of grove schuld. De zorgplicht van de rechtspersoon speelt in dat kader een belangrijke rol.

Bij fiscale vergrijpboetes gold voorheen als uitgangspunt dat de opzet of grove schuld van een adviseur aan de belastingplichtige werd toegerekend, tenzij de belastingplichtige aantoonde dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de adviezen of mededelingen van de adviseur. Een vergelijkbare rechtsregel was van toepassing op fiscale onjuistheden van een werknemer. Door de toerekening van opzet of grove schuld lag het bewijsrisico in voorkomend geval bij de belastingplichtige: als er opzet of grove schuld aannemelijk was gemaakt bij een derde, dan diende de belastingplichtige aan te tonen dat hij erop mocht vertrouwen dat die derde zijn fiscale belangen op correcte wijze behartigde.

 

In 2006 is de Hoge Raad op deze rechtsregel teruggekomen: in overeenstemming met het strafrecht heeft hij in het fiscale boeterecht een einde gemaakt aan de toerekening van opzet of grove schuld van een adviseur of werknemer aan de belastingplichtige. Nadrukkelijk heeft de Hoge Raad daarbij aangetekend dat de zorgplicht van de belastingplichtige een belangrijke rol speelt bij de beantwoording van de vraag of de belastingplichtige zelfstandig een verwijt kan worden gemaakt.

 

Toerekening verboden gedraging versus verwijtbaarheid

De onmogelijkheid van toerekening aan de belastingplichtige van opzet of grove schuld van een ander ligt genuanceerder als de belastingplichtige een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan immers naar zijn aard enkel door middel van natuurlijke personen optreden, zodat het in beginsel redelijk is om gedragingen van een medewerker voor rekening en risico van de rechtspersoon te laten komen. In het strafrecht kan een rechtspersoon daarom worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit als de desbetreffende gedraging of nalatigheid redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.

 

Wanneer in redelijkheid een gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Van belang daarbij is onder meer of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden en/of de rechtspersoon de vereiste zorg heeft betracht ter voorkoming van de verboden gedraging. Los van deze beoordeling komt bij een misdrijf de vraag aan de orde of de rechtspersoon opzet of grove schuld valt te verwijten. Anders gezegd: de omstandigheid dat een verboden gedraging van een medewerker in redelijkheid aan de rechtspersoon wordt toegerekend, betekent op zichzelf niet dat het bij die medewerker aanwezige opzet ook aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

 

De zorgplicht van de rechtspersoon

De Belastingkamer van de Hoge Raad heeft in een uitspraak van 29 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1360) geoordeeld dat bovengenoemd onderscheid ook in het fiscale boeterecht van toepassing is. Het antwoord op de vraag of een belastingplichtige rechtspersoon opzet of grove schuld valt te verwijten, hangt aldus af van verschillende factoren, waaronder de interne organisatie en de taak en verantwoordelijkheid die aan de medewerker zijn toebedeeld. Algemeen gesteld zal van verwijtbaarheid eerder sprake zijn bij een bestuurder dan wanneer het opzettelijk of grof schuldig handelen door een ‘ondergeschikte medewerker’ heeft plaatsgevonden.

 

In de zaak waar de Hoge Raad zich over boog, had een administratief medewerker van de belastingplichtige rechtspersoon grof schuldig onjuiste aangifte loonheffingen namens de rechtspersoon gedaan. Hoewel de verboden gedraging van de medewerker – het feit dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven – werd aangemerkt als gedraging van de rechtspersoon, kon de grove schuld van die medewerker volgens de Hoge Raad niet aan de rechtspersoon worden toegerekend. In dat verband achtte hij van belang de zorg die de rechtspersoon had betracht bij het opdragen van de werkzaamheden aan de medewerker, het ontbreken van redelijke gronden voor twijfel aan een behoorlijke taakvervulling door die medewerker en de periodieke controle van de loonadministratie van de rechtspersoon door een externe accountant. De aan de belastingplichtige rechtspersoon opgelegde fiscale vergrijpboete werd daarom vernietigd.

 

Uitleg Hoge Raad

De zorgplicht lijkt in de uitleg van de Belastingkamer van de Hoge Raad derhalve een belangrijke rol te spelen bij de invulling van de opzet of grove schuld van de rechtspersoon en niet zozeer bij de toerekening van de verboden gedraging of nalatigheid. In de context van de boeterechtelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon, waarbij gebruik wordt gemaakt van een toerekeningsconstructie, had het echter meer voor de hand gelegen om toerekening van de verboden gedraging aan de belastingplichtige rechtspersoon uit te sluiten, als de rechtspersoon de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd ter voorkoming van die gedraging. Eisen wat in redelijkheid niet gevergd kan worden komt immers per definitie neer op een onredelijke toerekening.

(Bron: Taxence)

Met aankondiging van correctie was voldaan aan kenbaarheidseis 30%-fictie

X was eigenares van een bedrijfspand dat zij verhuurde aan de BV waarvan haar echtgenoot alle aandelen in handen had. In haar aangiften IB 2008 en 2009 nam zij dit pand op in box III, maar naar aanleiding van een boekenonderzoek bij de BV stelde de inspecteur dat het bedrijfspand in box I viel en dat hij haar aangiften zou corrigeren. De aanslagen werden echter geautomatiseerd en conform de aangiften opgelegd. De behandelende ambtenaren hadden nagelaten de aangiften over 2008 en 2009 te blokkeren in het traject van geautomatiseerde afdoening en verwerking van de aangiften. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat ofschoon de te weinig geheven belasting meer bedroeg dan 30% van de verschuldigde belasting, de inspecteur niet kon navorderen. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en wees de zaak terug om de vraag te beantwoorden of sprake was van een fout die voor X redelijkerwijs kenbaar was. Het Hof besliste dat X bij de ontvangst van de aanslag voor 2008, waarbij de aangifte met betrekking tot de allocatie van het pand was gevolgd, moest hebben begrepen dat een fout was gemaakt en dat de aanslag op dit punt afweek van wat de inspecteur had willen regelen. Dit gold volgens het Hof ook voor de aanslag voor 2009. Voor die aanslag kwam daar nog bij dat de inspecteur uitdrukkelijk had laten weten dat hij van plan was van de aangifte af te wijken en de opbrengst verminderd met de kosten in de heffing te betrekken als inkomsten door het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen. Na ontvangst van die brief kon X bij de ontvangst van de aanslag voor 2009 niet anders dan zien dat bij de aanslagregeling een fout was gemaakt. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

(Bron: FUTD)

Betalingen van inlener aan Belastingdienst verminderen aansprakelijkstelling niet

Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat de betalingen die aan de Belastingdienst zijn verricht onder de vermelding van “bet.reg” (betalingsregeling) en het fiscale nummer van de inlener terecht zijn afgeboekt op de oudste openstaande aanslagen.

Belanghebbende, X bv, exploiteert een onderhoudsbedrijf en maakt gebruik van personeel van een schildersbedrijf. Dit bedrijf heeft over mei 2010 tot en met januari 2011 wel LB-aangiften ingediend, maar niks afgedragen. Voor juli en augustus 2010 zijn wel btw-aangiften ingediend, maar er is niks afgedragen. De vervolgens opgelegde naheffingsaanslagen zijn ook niet betaald. In 2011 gaat het schildersbedrijf failliet. In geschil is of X bv terecht aansprakelijk is gesteld voor de naheffingen. X bv stelt dat de aansprakelijkstelling moet worden verminderd vanwege de betalingen die zij namens het schildersbedrijf aan de Belastingdienst heeft gedaan. Volgens Rechtbank Den Haag zien de betalingen echter op andere tijdvakken dan waarvoor X bv aansprakelijk is gesteld, zodat deze terecht niet afgeboekt op de aansprakelijkstelling. X bv gaat in hoger beroep. Hof Den Haag oordeelt dat de betalingen die zijn verricht onder de vermelding van “bet.reg” (betalingsregeling) en het fiscale nummer van het schildersbedrijf terecht zijn afgeboekt op de oudste openstaande aanslagen. Dit is conform art. 7 Inv. 1990 en de Leidraad Invordering 2008. Het standpunt van X bv dat de ontvanger de betalingen had moeten afboeken op de naheffingsaanslagen voor de niet-betaling waarvoor X bv aansprakelijk is gesteld, vindt geen steun in het recht. Het beroep van X bv is ook voor het overige ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Terechte informatiebeschikking vanwege gebrekkige boekhouding financieel dienstverlener

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de Belastingdienst terecht een informatiebeschikking heeft opgelegd vanwege de gebrekkige boekhouding van financiële dienstverlener X.

X houdt zich bezig met financiële dienstverlening (aangiften en toeslagen) en vertaalwerk. In geschil is of de inspecteur X terecht een informatiebeschikking heeft opgelegd wegens strijd met de administratieplicht.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de Belastingdienst terecht een informatiebeschikking heeft opgelegd vanwege de gebrekkige boekhouding van financiële dienstverlener X. Voor een onderneming zoals die van X is het cruciaal dat alle gegevens betreffende de werkzaamheden van werknemers, de aantallen gewerkte uren, de aantallen gedeclareerde uren en de aan werknemers gedane betalingen nauwkeurig en regelmatig worden vastgelegd op een wijze die voor de Belastingdienst te allen tijde controleerbaar en duidelijk is. Dat X met prijsafspraken werkt, ontslaat haar niet van de verplichting om aan haar administratieplicht te voldoen. Nu X geen volledig beeld van de door haar en haar personeel gewerkte uren heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de urenadministratie van X niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden.

(Bron: Taxlive)

Kasadministratie stichting X niet controleerbaar en niet sluitend zodat informatiebeschikking blijft

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat Stichting X geen controleerbare en sluitende kasadministratie heeft gevoerd en niet heeft voldaan aan de op haar rustende administratieplicht, die zodanig ernstig is dat de inspecteur rechtsgelding  de informatiebeschikking heeft vastgesteld.

Belanghebbende, stichting X, exploiteert een winkel en webwinkel waarin schaalmodellen van onder andere vrachtauto’s worden verkocht. Bestuurders zijn A en zijn echtgenote B. Bij een boekenonderzoek stelt de inspecteur vast dat een groot deel van de kopen en verkopen contant wordt betaald en dat via een privé-bankrekening ook ontvangsten binnen komen, bestemd voor de stichting. De inspecteur concludeert dat X niet aan haar administratieve verplichtingen voldoet en legt X een informatiebeschikking op over de jaren 2007-20111, die X bestrijdt.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat stichting X een rechtspersoon is en derhalve een administratief lichaam in de zin van de AWR, ten name waarvan een informatiebeschikking kan worden opgesteld. Het hof oordeelt dat X geen controleerbare en sluitende kasadministratie heeft gevoerd en niet heeft voldaan aan de op haar rustende administratieplicht, die zodanig ernstig is dat het de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt en een informatiebeschikking evenzo. Het hoger beroep van X is ongegrond. Het hof stelt geen nieuwe termijn vast omdat de schending van de administratieve plicht zich niet leent voor herstel. Dit omdat een adequate kascontrole niet meer mogelijk is.

(Bron: Taxlive)

Vermindering wegens oninbaarheid niet bij ten onrechte vermelde BTW

Houdstermaatschappij BV X verkocht in 2011 een deel van haar aandelen in BV Y. Zij reikte in verband daarmee aan BV Y een factuur van € 25.000 plus € 4.750 aan BTW uit. BV Y bracht de BTW in haar aangifte als voorbelasting in aftrek, maar betaalde de factuur niet. De inspecteur legde aan BV X een naheffingsaanslag BTW op met een boete van 50%. BV X stond niet geregistreerd als ondernemer voor de BTW en had ook geen aangiftebiljetten ontvangen of BTW voldaan. BV X had volgens de inspecteur geen prestaties tegen vergoeding verricht en was geen ondernemer voor de BTW. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste op het beroep van BV X tegen de naheffingsaanslag dat BV X niet aannemelijk had gemaakt dat zij enige prestaties tegen vergoeding had verricht en dus ten onrechte BTW op de factuur had vermeld. De BTW was op grond van artikel 37 Wet OB terecht nageheven. Hieraan deed niet af dat BV X ook een creditfactuur had uitgereikt, omdat zij het gevaar voor verlies van belastinginkomsten niet tijdig en volledig had uitgeschakeld. BV Y had de voorbelasting immers afgetrokken. Een vermindering van de verschuldigde belasting wegens oninbaarheid was volgens de Rechtbank ook niet aan de orde. BTW die uitsluitend was verschuldigd wegens onterechte vermelding op een factuur, kwam niet in aanmerking voor teruggaaf wegens oninbaarheid. De Rechtbank vond ook de boete passend en geboden, maar verminderde die wel met 5% omdat de redelijke termijn was overschreden.

(Bron: FUTD)

Werkzaamheden advocaat buiten BV om vormen winst en geen voordeel uit aanmerkelijk belang

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X zijn werkzaamheden als advocaat/juridisch adviseur zelfstandig en voor eigen rekening heeft verricht en daarbij ondernemersrisico heeft gelopen.  

Belanghebbende, X, is directeur en enig aandeelhouder van E bv. Naar aanleiding van een onderzoek van de FIOD heeft de inspecteur diverse correcties aangebracht op de aangiften IB/PVV van X over de jaren 2007 t/m 2009.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X zijn werkzaamheden als advocaat/juridisch adviseur zelfstandig en voor eigen rekening heeft verricht en daarbij ondernemersrisico heeft gelopen. Dat betekent dat X in 2008 en 2009 winst uit onderneming heeft genoten. Aan de primaire stelling van de inspecteur dat er sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang omdat de werkzaamheden via E bv zouden zijn verricht, komt het hof niet toe. Het hof oordeelt verder dat de inspecteur ter zake van een door de koper schuldig gebleven koopsom van een pand, de rente terecht heeft verhoogd naar 7% (2007), 7,5% (2008) en 5% (2009). Er is sprake van een schuldig gebleven koopsom waarvoor geen geldleningsovereenkomst is opgemaakt, geen zekerheden zijn gesteld en geen aflossing is overeengekomen. Het hof volgt het standpunt van X dat in verband met een verplichting tot betaling van kinderalimentatie de box-3-grondslag voor 2009 verminderd moet worden naar nihil. De inspecteur heeft verder ten onrechte fictief loon van X vanuit E bv in aanmerking genomen. Voor het jaar 2007 beroept de inspecteur zich terecht op omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep van X deels gegrond.

(Bron: Taxlive)

Informatie van Belastingtelefoon schept geen vertrouwen

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat mevrouw X aan de uitlatingen van de Belastingtelefoon geen vertrouwen kan ontlenen dat zij na de invoering van de nieuwe regelgeving nog bezwaar kon indienen tegen de aanslag.

Belanghebbende, mevrouw X, krijgt op in augustus 2011 een schenking van haar moeder van € 18.000. In 2011 gold voor kinderen die de leeftijd van 35 jaar nog niet hebben bereikt de eenmalig verhoogde vrijstelling van € 24.144. Op het moment van schenking was X al 35 jaar. In maart 2012 is de aangifte schenkbelasting gedaan. Eind oktober 2012 is aan X een aanslag schenkbelasting opgelegd van € 1297 ((€ 18.000 -/- de algemene vrijstelling van € 5.030) x 10%). In de media nam X kennis van een op handen zijnde verruiming van de eenmalige verhoogde vrijstelling aan kinderen tot de leeftijd van 40 jaar. X meende hiervoor alsnog in aanmerking te kunnen komen. X belt daarom met een medewerker van de Belastingtelefoon. Deze raadt X aan om de nieuwe regelgeving af te wachten. Pas na ontvangst van de aanmaning tekent X bezwaar aan tegen de aanslag. In geschil is of dat bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Rechtbank Gelderland stelt de inspecteur in het gelijk. X gaat in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X aan de uitlatingen van de Belastingtelefoon geen vertrouwen kan ontlenen dat zij na de invoering van de nieuwe regelgeving nog bezwaar kon indienen tegen de aanslag. X heeft namelijk geen vragen gesteld over het maken van bezwaar. Het doet er dus niet toe dat X wel binnen de wettelijke bezwaartermijn contact heeft opgenomen met de Belastingtelefoon. Het beroep van X is ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Bepaalde thema’s krijgen extra aandacht fiscus

Bij de controle van uw aangifte inkomstenbelasting zal de Belastingdienst bepaalde onderwerpen meer aandacht geven. Recent heeft de fiscus de controlethema’s voor uw aangifte over 2014 gepubliceerd. Zo zal de post ‘levensonderhoud van kinderen onder de 21 jaar’ extra aandacht krijgen bij de controle van de aangifte.

De Belastingdienst maakt elk jaar een lijst met de controle- en servicethema’s voor dat jaar. Deze thema’s krijgen bij de controle van de aangifte inkomstenbelasting extra aandacht. Dit jaar zal de Belastingdienst in de aangifte inkomstenbelasting 2014 de volgende onderwerpen extra controleren:

  • aftrek van specifieke zorgkosten zoals dieetkosten, gezinshulp en medicijnen;
  • aftrek onderhoudskosten voor een Rijksmonumentenpand;
  • levensonderhoud van kinderen onder de 21 jaar (al dan niet bij echtscheiding);
  • buitenlandse pensioenen uit België en Duitsland;
  • buitenlands vermogen;
  • meerdere jaren een negatief bedrag bij ‘inkomsten uit overig werk’.

De bovenstaande onderwerpen komen in grote lijnen overeen met de controlethema’s van die van de aangifte over 2013. Bij ondernemers in de inkomstenbelasting zal de fiscus ook extra gaan letten op de zakelijkheid van de kosten. Verder houdt de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting in de gaten bij BTW-ondernemers.

Belastingdienst informeert u schriftelijk

Heeft u te maken met één van deze controlethema’s, dan is de kans groot dat de Belastingdienst u schriftelijk informeert over de werking van dat onderdeel in uw aangifte inkomstenbelasting. De fiscus stuurt de komende tijd namelijk een half miljoen brieven over de controlethema’s. Dit moet fouten bij het invullen van de aangifte voorkomen.

(Bron: Fiscaal Rendement)

Naheffing BTW en boeten omdat 0%-tarief ten onrechte was toegepast

V.o.f. X exploiteerde in 2008 en 2009 een handelsbedrijf in onder meer koffie. De vennoten waren Y en zijn echtgenote Z. Y exploiteerde in Duitsland ook nog een eenmanszaak. X verwierf de koffie nagenoeg geheel van de eenmanszaak van Y en verkocht deze koffie door aan onder meer afnemers in ander EU-landen, waaronder de Franse vennootschappen D en E. X paste op de verkopen het 0% BTW-tarief toe en gaf deze als intracommunautaire leveringen aan. Na een controle legde de inspecteur naheffingsaanslagen BTW met 10% vergrijpboeten op omdat X ten onrechte het 0%-tarief had toegepast. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde voorop dat het ging om afhaaltransacties. De koffie die X bij de eenmanszaak van Y in Duitsland bestelde, werd intracommunautair aan X geleverd, naar Nederland vervoerd en afgeleverd bij logistieke dienstverleners. De eenmanszaak van Y vroeg voor de uitvoer naar Nederland Duitse BTW terug en kreeg die ook. X had voor verkopen aan de Franse afnemers facturen opgemaakt. De koffie was opgehaald door diverse vervoerders en vervolgens direct naar afnemers in Duitsland vervoerd. De Rechtbank besliste dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat bij de onderhavige transacties sprake was geweest van valse bewijzen en belastingfraude. De Rechtbank nam daarbij in aanmerking dat uit de overgelegde setjes documenten viel op te maken dat de schijn werd gewekt dat de goederen naar Frankrijk werden vervoerd. In die setjes bevonden zich onder andere aan D gerichte en door deze voor ontvangst in Frankrijk getekende CMR-vrachtbrieven, terwijl het aannemelijk was dat een substantieel deel van de goederen in werkelijkheid direct naar Duitsland was vervoerd. Verder waren voor de verkopen aan E vrachtbrieven opgemaakt die waren gericht aan D. De Rechtbank vond het aannemelijk dat de door X achteraf overgelegde en opgemaakte afhaalverklaringen niet de werkelijke gang van zaken weergaven en daarom valselijk waren opgemaakt. De Rechtbank besliste dat X niet aannemelijk had gemaakt dat zij er alles aan had gedaan om betrokkenheid te voorkomen. De Rechtbank besliste dat sprake was van grove schuld en dat een boete van 5% van de nageheven BTW passend en geboden was. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn matigde de Rechtbank de boete met 20% tot € 7.355 voor 2008 en € 4.449 voor 2009. De naheffingsaanslagen BTW verminderde de Rechtbank naar € 184.902 voor 2008 en € 112.053 voor 2009.

(Bron: FUTD)