Brexit: de stand van zaken (onder andere voor de btw)

Het Verenigd Koninkrijk gaat de EU verlaten, zo bleek uit het op 23 juni 2016 gehouden referendum. De voorziene datum waarop het Verenigd Koninkrijk de EU gaat verlaten is vrijdag 29 maart 2019.

De vraag blijft wat de exacte gevolgen zullen zijn van de Brexit. Omdat het Verenigd Koninkrijk een belangrijk exportland is voor Nederland zullen de gevolgen in de transport- en logistieke sector groot zijn. De Brexit gaat in ieder geval gevolgen hebben voor de invoerrechten, vergunningen en de btw. Maar er kan ook gedacht worden aan mogelijke vervoerbeperkingen in het Verenigd Koninkrijk.

Invoerrechten

Als goederen worden geïmporteerd vanuit landen buiten de EU zijn invoerrechten verschuldigd. Vraag is of dit straks ook gaat gelden voor import van goederen vanuit het Verenigd Koninkrijk. Andersom is ook de vraag hoe het Verenigd Koninkrijk omgaat met inkomende goederen vanuit Nederland. Mogelijk komt er een handelsverdrag of iets dergelijks als gevolg waarvan er geen invoerrechten verschuldigd zijn. De exacte invulling is nog niet bekend, in ieder geval zullen de procedures wijzigen.

Vergunningen

Naar verwachting zal bij handel met het Verenigd Koninkrijk na de Brexit vaker een vergunning en andere documentatie nodig zijn. Daarbij kan gedacht worden aan in- of uitvoervergunningen of het EUR1-Certificaat, een speciaal type oorsprongsverklaring waarmee een verlaging of vrijstelling van invoerrechten bij import kan worden verkregen.

Btw transporteurs

Nederland kent een 0% btw-tarief voor vervoer dat de EU uitgaat en voor het vervoer dat daarop aansluit of daaraan voorafgaat. Op het moment dat het Verenigd Koninkrijk na de Brexit niet meer tot de lidstaten van de EU behoort kan het 0%-tarief derhalve van toepassing zijn op de transportdienst. Daarbij is van belang dat bewijsstukken van de uitvoer in de administratie aanwezig zijn. Daarbij kan gedacht worden aan kopieën van vrachtbrieven, uitvoeraangiften, correspondentie met een buitenlandse afnemer en kopiefacturen waaruit blijkt dat de goederen werkelijk zijn uitgevoerd.

Afhankelijk van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk gaan bovengenoemde gevolgen zich waarschijnlijk voor doen. In ieder geval staat vast dat de Brexit voor de importeur en exporteur voor extra administratieve lasten en formaliteiten zal leiden, waarbij sowieso ook een taak voor de transporteur zal zijn weggelegd.

Is de btw op aanschaf zonnepanelen tijdig aangevraagd?

Heeft u in het verleden zonnepanelen aangeschaft, maar geen btw teruggevraagd? Dan biedt een recente uitspraak van de Hoge Raad mogelijk uitkomst.

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad beslist dat het tijdig verzoeken om uitreiking van een btw-aangifte alleen verplicht is als btw moet worden betaald. Dit verzoek moet uiterlijk worden gedaan binnen één maand na afloop van de aangifteperiode (maand of kwartaal) waarover de btw is verschuldigd. Volgt uit de aangifte echter een teruggave, dan geldt die termijn van een maand niet, en kan ook later nog worden verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet. Als de aangifte vervolgens binnen de door de inspecteur gestelde termijn wordt ingediend, is het verzoek om teruggave op tijd gedaan.

Het arrest van de Hoge Raad is van belang voor alle startende ondernemers die te laat hebben verzocht om uitreiking van een aangifte omzetbelasting waaruit een teruggave zou volgen. Zij kunnen alsnog een verzoek om teruggave van btw doen. Dit geldt ook voor particulieren die de omzetbelasting op hun zonnepanelen nog niet hebben teruggevraagd. De Belastingdienst heeft voor deze groep een apart aanvraagformulier ter beschikking gesteld.

In geval van een verzoek om teruggave, is er geen wettelijke termijn voor het verzoek om uitreiking van een aangifte, aldus de Hoge Raad. Toch geeft de Belastingdienst wel een termijn van vijf jaar mee aan het teruggaveverzoek. Heeft u de zonnepanelen in 2013 aangeschaft, dan moet u dat verzoek (volgens de Belastingdienst) uiterlijk in 2018 doen.

(Bron: RB)

Btw op vooruitbetalingsfactuur en fraude?

erricht een ondernemer een vooruitbetaling aan een leverancier? En handelt de leverancier frauduleus en is het onzeker of de vooruitbetaalde goederen worden geleverd? Dan is het in overeenstemming met de btw-richtlijn dat de ondernemer recht op btw-aftrek heeft volgens A-G Wahl. Met een reactie van mr. Carola van Vilsteren.

In twee gevoegde procedures voor het Hof van Justitie EU (HvJ) was sprake van ondernemers die een blokverwarmingscentrale bestelden en van de leverancier een vooruitbetalingsfactuur ontvingen. Zij betaalden de leverancier en vroegen de omzetbelasting terug. Wanneer de blokverwarmingscentrale geleverd zou worden, was niet bekend. Uiteindelijk leverde de leverancier de blokverwarmingscentrale niet. De leverancier werd strafrechtelijk veroordeeld. De Duitse belastingdienst accepteerde de gevraagde teruggave vanwege de betaalde facturen voor de blokverwarmingscentrale niet. De hoogste federale rechter in belastingzaken in Duitsland heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. De eerste vraag was de vraag hoe dat in het kader van de btw-richtlijn moet worden bepaald of een ondernemer recht heeft de in rekening gebrachte btw in aftrek te brengen in een geval waarin onzeker is of vooruitbetaalde goederen worden geleverd. Advocaat-Generaal (A-G) N. Wahl heeft het HvJ geadviseerd als volgt te beslissen. Als een ondernemer een vooruitbetaling heeft gedaan voor goederen of diensten die uiteindelijk niet worden geleverd, de ondernemer recht heeft op aftrek als hij onwetend was dat de leverancier niet de bedoeling had om de overeenkomst na te leven.

 

Herziening aftrek afhankelijk van terugbetaling vooruitbetaalde factuur

De tweede prejudiciële vraag betrof de vraag of een nationale wettelijke regeling die een herziening van de aftrek vereist en deze afhankelijk stelt van de terugbetaling van de vooruitbetaling in strijd is met de richtlijn. De A-G heeft het HvJ geadviseerd te beslissen dat dit niet het geval is. Een nationale regeling mag herziening van de aftrek van voorbelasting afhankelijk stellen van een door de leverancier aan de afnemer betaalde vergoeding.

 

Reactie mr. Carola van Vilsteren

Taxence vroeg Carola van Vilsteren, fiscalist bij Van Vilsteren BTW advies B.V. om een reactie:

‘Zoals inmiddels vaker staat het recht op aftrek van btw in een kwestie die riekt naar fraude in de spotlights van het Europese Hof. De btw op vooruitbetalingsfacturen die niet gestoeld zijn op een overeenkomst tot het verrichten van een prestatie is niet aftrekbaar, zoveel is wel duidelijk. In het grijze gebied waarin wel sprake is van een overeenkomst maar de prestatie uiteindelijk niet geleverd wordt neemt de Advocaat Generaal de ter goeder trouw handelende afnemer terecht in bescherming. Er van uitgaande dat het Hof de conclusie volgt is er een praktisch arrest beschikbaar wat gebruikt kan worden bij een eventuele discussie over recht op aftrek van btw bij vooruitbetalingen.’

(Bron: Taxlive)

BTW-feest zonnepanelen! Claim de maximale BTW-teruggave, ook over de investering in het dak, en vraag die tijdig terug!

De aanleiding van het BTW-feest ligt in een uitspraak van het Hof en een arrest van de Hoge Raad van eind 2017. De mogelijkheden voor BTW-aftrek zijn groter dan u denkt. Toets aan de hand van een voorbeeld uit de praktijk of een hogere BTW-aftrek verdedigbaar is.

Volgens het Hof ook aftrek van BTW op dak

Volgens een uitspraak van het Hof van 27 november 2017 bestaat voor het deel van het dak waarop de zonnepanelen zijn geplaatst, deels recht op BTW-aftrek. Het deel van het dak waarop de zonnepanelen zijn bevestigd telt dan mee als nuttige zakelijke ruimte en verhoogt het zakelijk gebruik van de woning. Dit zijn de ruimtes in de woning, maar ook onderdelen van de woning die dienstig zijn aan de nuttige ruimtes (bijvoorbeeld de muren, de fundering en het dak). De muren, fundering en het dak worden naar evenredigheid aan de nuttige ruimtes toegerekend en zijn daarom van belang bij de berekening van de verhouding privégebruik/zakelijk gebruik. Het gedeelte van het dak waarop de zonnepanelen zijn geplaatst, wordt gezien als zakelijke nuttige ruimte en verhoogt het zakelijk gebruik van de woning. De ondernemer die de woning tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend kan daardoor nog een BTW-voordeel behalen.

Praktijkvoorbeeld uitspraak Hof

Stel dat in 2018 een woning wordt gebouwd met een totale woonoppervlakte van 237m2  waarvan zakelijk 53m2, dan is 22% (53/237) van de BTW op de bouwkosten aftrekbaar. Indien de oppervlakte van het zakelijk deel van het schuindakvlak 66m2 bedraagt, waarvan 11m2 in gebruik voor de zonnepanelen dan is het percentage zakelijk gebruik 26% (53 m2 + 11 m2)/(237m2 + 11m2). Uitgaande van bouwkosten van € 400.000 plus € 84.000 BTW kan dan € 3.360 (4% van € 84.000) meer BTW in aftrek worden gebracht.

In welke situaties bestaat recht op extra BTW-aftrek?

Dit extra recht op BTW-aftrek doet zich voor bij de bouw van een woning waarbij op het dak direct zonnepanelen worden gelegd, maar deels ook indien de zonnepanelen worden geplaatst binnen 9 jaar na afloop van het jaar waarin de woning in gebruik is genomen. Stel dat de zonnepanelen in voorgaand voorbeeld pas op 31 december 2020 worden geplaatst, dan kan in de jaren 2021 t/m 2027 elk jaar € 336 BTW teruggevraagd worden.

Ook voor particulieren

Voor particulieren met zonnepanelen op het dak kan de uitspraak van het Hof aanleiding zijn bij onderhoud of vervanging van het dak een deel van de BTW terug te vragen.

Volgens de Hoge Raad ook teruggave van BTW op zonnepanelen uit 2013

Door een arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017 is het mogelijk om alsnog BTW over de aankoop van zonnepanelen voorafgaande aan het Fuchs-arrest van 20 juni 2013 terug te vragen. Voor investeringen in het jaar 2013 kan tot 31 december 2018 BTW teruggevraagd worden.

Conclusie

Ondernemers en particulieren met zonnepanelen raden wij aan eens kritisch te kijken of nog extra BTW teruggevraagd kan worden. Een verzoek om teruggave van BTW over het jaar 2013 moet voor 31 december 2018 ingediend zijn. Van belang hierbij is nog wel dat nog de Hoge Raad zich nog moet buigen over de BTW op het dak.

(Bron: fiscaalconsult(

Eerder sprake van een”nieuw” gebouw voor de btw na verbouwing

Op 16 november 2017 heeft het Europese Hof van Justitie beslist in een zaak (Kozuba, nr. C-308/16) over onder meer de reikwijdte van het begrip eerste ingebruikneming na een verbouwing. Dit is van belang voor de vaststelling of door een verbouwing voor btw-doeleinden een “nieuw” gebouw is ontstaan. Is een “nieuw” gebouw ontstaan dan begint bij ingebruikneming na de verbouwing een tweejaarsperiode te lopen, waarbinnen de levering van het gebouw belast is met btw. Is door de verbouwing geen ‘nieuw’ gebouw ontstaan, dan is de levering vrijgesteld van btw.

De Nederlandse Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak aangegeven dat na verbouwing slechts sprake is van een “nieuw” gebouw als sprake is van “in wezen nieuwbouw”. Hierbij achtte de Hoge Raad niet van belang of het gebouw een functiewijziging onderging (bijvoorbeeld van kantoor naar woning). Uit het arrest van het Europese Hof kan echter worden afgeleid dat het Hof bij de beoordeling of een verbouwing ingrijpend genoeg is om tot een “nieuw” gebouw te komen, wél de functiewijziging laat meewegen.

In voorkomende gevallen is het met een beroep op dit arrest dan ook pleitbaar dat bij een verbouwing waarbij een functiewijziging speelt, sneller sprake is van een “nieuw” gebouw. Wij verwachten niet dat de belastingdienst deze ruimere zienswijze zal volgen, zodat wellicht een procedure nodig is om het geschil te beslechten.

(Bron: WVDB)

Hostels BTW verschuldigd over doorberekende toeristenbelasting bij all-inprijs

BV X exploiteerde hostels in diverse gemeenten in Nederland. De gemeenten brachten in verband daarmee toeristenbelasting in rekening aan BV X. BV X berekende de toeristenbelasting door aan haar gasten via een all-in kamerprijs. Op de afrekening vermeldde BV X de kamerprijs en de vergoedingen voor de overige diensten die zij aan de gast had verleend. De toeristenbelasting werd daarbij niet vermeld. De inspecteur stelde dat BTW moest worden voldaan over de bedragen aan toeristenbelasting. BV X ging in beroep tegen de naheffingsaanslagen BTW. Zij stelde dat de toeristenbelasting een uitschot van belastingen was als bedoeld in artikel 4, lid 1, onderdeel c, Wet OB. Rechtbank Noord-Holland besliste dat de specificatie van het in rekening gebrachte bedrag als zijnde “toeristenbelasting” noodzakelijk was om de toeristenbelasting te kunnen rekenen tot de uitschotten van belasting. BV X had de door haar verschuldigde toeristenbelasting per overnachting echter ongespecificeerd doorberekend aan de gasten; op de afrekeningen werd de toeristenbelasting niet als zodanig vermeld. Het slechts op de afrekening of facturen vermelden van het bedrag van de toeristenbelasting met de toevoeging BTW 0% kon volgens de Rechtbank niet worden aangemerkt als het afzonderlijk in rekening brengen van die belasting. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Uitgereikt ‘bescheid’ voordat overeengekomen prestatie is verricht aangemerkt als factuur

Hof ‘s-Hertogenbosch beslist dat het ‘bescheid’ dat aan X door de aannemer is uitgereikt aangemerkt kan worden als een factuur. Dit leidt tot aftrek van voorbelasting ondanks dat de overeengekomen prestatie nog niet is verricht. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

In oktober 2008 bereiken belanghebbende, maatschap X (hierna: X), en aannemer H overeenstemming over een nieuw te bouwen bedrijfspand. Daarop heeft H met dagtekening 20 oktober 2008 aan X een bescheid uitgereikt waarop de totale overeengekomen aanneemsom met btw is vermeld. X betaalt de factuur niet, maar vraagt de omzetbelasting wél terug in het vierde kwartaal 2008. De bouwwerkzaamheden starten in december 2008. Oplevering vindt in mei 2009 plaats. In de periode januari 2009 tot en met juni 2009 zijn door H aan X termijnfacturen uitgereikt ter grootte van het overeengekomen aannemingsbedrag. X heeft deze termijnbedragen voldaan. De door H in rekening gebrachte omzetbelasting is in 2009 niet in aftrek gebracht. De inspecteur legt de in geschil zijnde naheffingsaanslag omzetbelasting over het vierde kwartaal 2008 op met een vergrijpboete van (na bezwaar) € 2500. X komt uiteindelijk in cassatie tegen de uitspraak van het hof betreffende deze naheffingsaanslag. Volgens het hof is in het vierde kwartaal van 2008 geen omzetbelasting verschuldigd geworden vanwege een door H aan X verrichte prestatie of vanwege een of meer vooruitbetalingen. De Hoge Raad overweegt dat de Wet OB 1968 geen voorschrift bevat wat betreft het eerste tijdstip waarop met betrekking tot een bepaalde overeengekomen prestatie een factuur kan worden uitgereikt. Dit betekent dat een factuur ook kan worden uitgereikt voordat de overeengekomen prestatie is verricht en dat dit dan de gevolgen heeft die de Wet OB 1968 aan het uitreiken van een factuur verbindt. Het cassatieberoep is gegrond. Volgt verwijzing naar Hof ‘s-Hertogenbosch. Dit hof moet onderzoeken of het bescheid van 20 december 2008 als een factuur in de zin van de Wet OB 1968 kan worden aangemerkt.

Hof ‘s-Hertogenbosch (MK I, 9 december 2016, 15/00840, V-N 2017/9.1.3) komt tot de conclusie dat het ‘bescheid’ als een factuur in de zin van de Wet OB 1968 kan worden aangemerkt. Dit gegeven het feit dat op het ‘bescheid’ de term ‘Factuur’ is vermeld, alsmede ‘Factuurnummer: ‘607′ en dat aan (vrijwel) alle voorwaarden die in art. 35a lid 1 Wet OB 1968 zijn gesteld aan een factuur, wordt voldaan. Het beroep dat de inspecteur nog doet op toepassing van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 wordt door het hof verworpen. Het hoger beroep van X is gegrond. De naheffingsaanslag wordt vernietigd.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

Te laat aangevraagd btw-nummer

Ontwikkelingsorganisatie X vroeg in december 2012 aan de inspecteur om als BTW-ondernemer te worden aangemerkt en haar aangiftebiljetten voor de jaren 2006 tot en met 2012 uit te reiken. In oktober 2013 ontving X de aangifteformulieren voor 2006 tot en met 2011 en diende deze in november 2013 in. Het aangifteformulier voor 2012 diende X in december 2013 in. De inleverdatum op de aangifteformulieren was steeds 1 februari van het volgend jaar. De inspecteur verklaarde de teruggaafverzoeken van X over 2006 tot en met 2012 niet ontvankelijk omdat zij buiten de wettelijke termijn waren ingediend. X ging in beroep en stelde dat zij als BTW-ondernemer moest worden aangemerkt. De inspecteur had haar ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om door het indienen van aangiften verzoeken om teruggaaf in te dienen. Rechtbank Gelderland besliste dat X in dit geval binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarop de teruggaaf betrekking had, had moeten verzoeken om teruggaaf van BTW. De driemaandentermijn volgde volgens de Rechtbank uit artikel 31, lid 2 en lid 5, Wet OB omdat moest worden aangenomen dat bij een eerste teruggaafverzoek, zonder dat sprake was van een uitnodiging tot het doen aangifte, geen aangifte moest worden gedaan op grond van artikel 14, lid 1, Wet OB. De Rechtbank besliste dat X in wezen had verzocht om aangiften over alle kalenderkwartalen van 2007 tot en met 2012. Uit artikel 10, lid 2, AWR kon volgens de Rechtbank worden afgeleid dat de inspecteur een termijn moest stellen van tenminste een maand na het einde van de betreffende kalenderkwartalen en hij had dit ook daadwerkelijk gedaan. maar niet bevoegd was de wettelijke aangiftetermijnen ten gunste van X te verlengen. Wel besliste de Rechtbank dat de inspecteur de teruggaafverzoeken over het derde en vierde kwartaal 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard omdat X al in haar brief van december 2012 (en dus voordat de driemaandentermijn voor die kwartalen was verstreken) om uitreiking van aangiftebiljetten had gevraagd. De Rechtbank was het echter niet met X eens dat zij voor de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden BTW-ondernemer was omdat tussen haar en het Ministerie van Buitenlandse Zaken een rechtsbetrekking bestond op grond waarvan zij van dit ministerie vergoedingen ontving voor diensten die zij aan dezelfde ministerie verleende. De Rechtbank besliste dat X haar activiteiten primair verrichtte ter verwezenlijking van haar eigen doelstellingen en was het met de inspecteur eens dat geen sprake was van verbruik als bedoeld in het Landboden Agrardienste-arrest van het EU-Hof. De Rechtbank besliste dat X geen diensten tegen vergoeding had verricht en dat zij geen ondernemer voor de BTW was.Ontwikkelingsorganisatie X vroeg in december 2012 aan de inspecteur om als BTW-ondernemer te worden aangemerkt en haar aangiftebiljetten voor de jaren 2006 tot en met 2012 uit te reiken. In oktober 2013 ontving X de aangifteformulieren voor 2006 tot en met 2011 en diende deze in november 2013 in. Het aangifteformulier voor 2012 diende X in december 2013 in. De inleverdatum op de aangifteformulieren was steeds 1 februari van het volgend jaar. De inspecteur verklaarde de teruggaafverzoeken van X over 2006 tot en met 2012 niet ontvankelijk omdat zij buiten de wettelijke termijn waren ingediend. X ging in beroep en stelde dat zij als BTW-ondernemer moest worden aangemerkt. De inspecteur had haar ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om door het indienen van aangiften verzoeken om teruggaaf in te dienen. Rechtbank Gelderland besliste dat X in dit geval binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarop de teruggaaf betrekking had, had moeten verzoeken om teruggaaf van BTW. De driemaandentermijn volgde volgens de Rechtbank uit artikel 31, lid 2 en lid 5, Wet OB omdat moest worden aangenomen dat bij een eerste teruggaafverzoek, zonder dat sprake was van een uitnodiging tot het doen aangifte, geen aangifte moest worden gedaan op grond van artikel 14, lid 1, Wet OB. De Rechtbank besliste dat X in wezen had verzocht om aangiften over alle kalenderkwartalen van 2007 tot en met 2012. Uit artikel 10, lid 2, AWR kon volgens de Rechtbank worden afgeleid dat de inspecteur een termijn moest stellen van tenminste een maand na het einde van de betreffende kalenderkwartalen en hij had dit ook daadwerkelijk gedaan. maar niet bevoegd was de wettelijke aangiftetermijnen ten gunste van X te verlengen. Wel besliste de Rechtbank dat de inspecteur de teruggaafverzoeken over het derde en vierde kwartaal 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard omdat X al in haar brief van december 2012 (en dus voordat de driemaandentermijn voor die kwartalen was verstreken) om uitreiking van aangiftebiljetten had gevraagd. De Rechtbank was het echter niet met X eens dat zij voor de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden BTW-ondernemer was omdat tussen haar en het Ministerie van Buitenlandse Zaken een rechtsbetrekking bestond op grond waarvan zij van dit ministerie vergoedingen ontving voor diensten die zij aan dezelfde ministerie verleende. De Rechtbank besliste dat X haar activiteiten primair verrichtte ter verwezenlijking van haar eigen doelstellingen en was het met de inspecteur eens dat geen sprake was van verbruik als bedoeld in het Landboden Agrardienste-arrest van het EU-Hof. De Rechtbank besliste dat X geen diensten tegen vergoeding had verricht en dat zij geen ondernemer voor de BTW was.

(Bron: FUTD)

Conceptwetsvoorstel aanscherping definitie geneesmiddelen voor BTW

De staatssecretaris heeft het conceptwetsvoorstel van de voorgenomen aanscherping van de definitie voor geneesmiddelen voor toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor internetconsultatie aangeboden. De toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor geneesmiddelen wordt afhankelijk gesteld van de afgifte van een (parallel)handelsvergunning of expliciete vrijstelling daarvan, zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet. Producten zullen daarom vanaf 1 januari 2018 alleen onder het verlaagde BTW-tarief vallen als voor deze producten een (parallel)handelsvergunning is afgegeven of als deze producten daar expliciet van zijn vrijgesteld. Door de koppeling met de (parallel)handelsvergunning, of expliciete vrijstelling daarvan zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet, zullen cosmetische, reinigende en verzorgende producten en andere farmaceutische producten die verhandeld worden met een vergunning als medische hulpmiddelen niet (meer) kwalificeren als geneesmiddel voor de BTW.

(Bron: FUTD)

Langere termijn teruggave btw op zonnepanelen

Volgens Hof Den Bosch kan het Europese Fuchs-arrest met terugwerkende kracht worden toegepast en kunnen ondernemers die voor de datum van het arrest in zonnepanelen hebben geïnvesteerd de voorbelasting op hun factuur terugkrijgen.

Een particulier heeft op 27 maart 2013 een factuur ontvangen voor de plaatsing van zonnepanelen op zijn woning. Naar aanleiding van het Fuchs-arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2013, waarin is geoordeeld dat een particulier die zonnepanelen op zijn huis plaatst en energie aan het net terug levert als btw-ondernemer kan worden aangemerkt, heeft hij zich op 27 juni 2013 aangemeld als ondernemer voor de omzetbelasting en verzocht om jaaraangifte te mogen doen. De particulier wordt door de inspecteur als ondernemer aangemerkt en hij reikt een aangiftebiljet uit voor de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013. De particulier verzoekt in het aangiftebiljet om een teruggave van de omzetbelasting op de factuur van maart 2013. De inspecteur is echter van mening dat het verzoek te laat is ingediend omdat de particulier zich niet binnen een maand na afloop van het kwartaal waarin de factuurdatum valt heeft aangemeld als ondernemer.

In tegenstelling tot de inspecteur is het hof van mening dat het Fuchs-arrest met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof volgt dat de rechter een uitleg van het Europese Hof kan en moet toepassen op zaken die zijn ontstaan en tot stand gekomen voor het arrest waarin om uitleg van het betreffende voorschrift is beslist. Alleen het Europese Hof kan beslissen dat voor de uitleg een beperking in tijd geldt. De rechter moet de rechten van een belastingplichtige, die aan het Unierecht worden ontleend, waarborgen.

(Bron: PKF)