Projectontwikkelaar mocht niet afwijken van pro-rata BTW

BV X was projectontwikkelaar. Met ingang van juni 2008 werden de aandelen in BV X gehouden door BV A, BV B en BV C. Alle aandelen in BV A werden gehouden door D. A hield op zijn beurt alle aandelen in BV B, en BV E (waarvan B enig aandeelhouder was) hield alle aandelen in BV C. BV X had zelf geen personeel in dienst. Zij maakte gebruik van de diensten van A en B en betaalde daarom managementvergoedingen aan BV E en BV B. Uit een boekenonderzoek bleek dat BV X alle BTW had afgetrokken op goederen en diensten die door haar gemengd werden gebruikt (dit betrof alle niet aan projecten gerelateerde uitgaven). De inspecteur vond dat de aftrek van deze BTW moest worden bepaald op basis van de verhouding tussen BTW-belaste omzet en BTW-vrijgestelde omzet (de pro-rata methode) en dat daarom in 2009 85% en in 2010 86% van de betreffende voorbelasting niet aftrekbaar was. Hij legde een naheffingsaanslag BTW op over de jaren 2009 tot en met 2011 van € 89.552 met een boete van 25%. BV X ging in beroep en stelde dat de BTW op de algemene kosten moest worden gesplitst op basis van de tijdsbesteding van de directeuren A en B en niet op basis van de pro-rata methode. A en B hadden volgens BV X in 2009 13,58% en in 2010 8,02% van hun tijd besteed aan het vrijgestelde project Z. De inspecteur stelde dat de door BV X opgestelde urenoverzichten niet voldoende nauwkeurig waren omdat ze achteraf waren opgemaakt en gedeeltelijk op aannames berustten over het totale aantal gewerkte uren en over het aantal uren per in de agenda’s genoteerde afspraak. Ook werden volgens de inspecteur algemene werkzaamheden, zoals een bezoek aan de accountant, bij de bepaling van het percentage tot de belaste prestaties gerekend evenals projecten die niet doorgingen, terwijl niet duidelijk was of die projecten tot belaste omzet zouden hebben geleid als ze wel waren doorgegaan. Rechtbank Gelderland besliste dat de bewijslast van het werkelijke gebruik lag bij degene die van de pro-rata methode wilde afwijken en dat daarbij de vaststelling van het werkelijke gebruik moest berusten op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Uit het arrest BLC Baumarkt van het EU-Hof volgde volgens de Rechtbank dat van de pro-rata mocht worden afgeweken, mits was gewaarborgd dat de daarvoor in plaats komende berekeningsmethode de aftrekbare voorbelasting nauwkeuriger bepaalde dan de omzetverhouding. Degene die wilde afwijken van de pro-rata moest annemelijk maken dat met zijn berekeningswijze de aftrekbare BTW nauwkeuriger kon worden vastgesteld. De Rechtbank was het met de inspecteur eens dat BV X met de urenoverzichten niet aan de op haar rustende bewijslast had voldaan en besliste dat deze niet voldoende nauwkeurig waren om af te wijken van de hoofdregel van de pro-rata methode. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond.

(Bron: FUTD)

Te weinig btw betaald in 2016? Corrigeer vóór 1 april!

Heeft u over 2016 te weinig btw aangegeven, doe dit dan alsnog met een suppletieformulier omzetbelasting. Doet u dat vóór 1 april 2017, dan betaalt u geen belastingrente. Een correctie van € 1.000 of minder kunt u ook in uw eerstvolgende aangifte verwerken.

Heeft u in een btw-aangifte over 2016 te weinig btw aangegeven, dan moet u dit corrigeren middels een suppletie. Wacht daar niet te lang mee. U bent namelijk geen belastingrente verschuldigd als u de verschuldigde btw alsnog aangeeft en betaalt vóór 1 april 2017. Ook kunt u zo een boete voorkomen, maar dan mag het alsnog te betalen btw-bedrag niet hoger zijn dan € 20.000 of niet meer zijn dan 10% van de betaalde btw over 2016.

Tip! Corrigeren kan met een suppletie omzetbelasting. Neem hiervoor contact op met uw adviseur.

Na het indienen van de suppletie ontvangt u van de Belastingdienst een naheffingsaanslag.

Tip! Heeft u teveel btw aangegeven, dan kunt u dit ook met een suppletieformulier corrigeren. U ontvangt dan binnen enkele weken een teruggaafbeschikking van de Belastingdienst.

Kleine correcties

Voor kleine correcties hoeft u geen suppletie in te dienen. Het gaat dan om een bedrag van € 1.000 of minder aan te veel of te weinig opgegeven btw. Deze btw mag u verwerken in uw eerstvolgende btw-aangifte. U krijgt dan van de Belastingdienst geen teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag.

I

Heeft u over 2016 te weinig btw aangegeven, doe dit dan alsnog met een suppletieformulier omzetbelasting. Doet u dat vóór 1 april 2017, dan betaalt u geen belastingrente. Een correctie van € 1.000 of minder kunt u ook in uw eerstvolgende aangifte verwerken.

Heeft u in een btw-aangifte over 2016 te weinig btw aangegeven, dan moet u dit corrigeren middels een suppletie. Wacht daar niet te lang mee. U bent namelijk geen belastingrente verschuldigd als u de verschuldigde btw alsnog aangeeft en betaalt vóór 1 april 2017. Ook kunt u zo een boete voorkomen, maar dan mag het alsnog te betalen btw-bedrag niet hoger zijn dan € 20.000 of niet meer zijn dan 10% van de betaalde btw over 2016.

Tip! Corrigeren kan met een suppletie omzetbelasting. Neem hiervoor contact op met uw adviseur.

Na het indienen van de suppletie ontvangt u van de Belastingdienst een naheffingsaanslag.

Tip! Heeft u teveel btw aangegeven, dan kunt u dit ook met een suppletieformulier corrigeren. U ontvangt dan binnen enkele weken een teruggaafbeschikking van de Belastingdienst.

Kleine correcties

Voor kleine correcties hoeft u geen suppletie in te dienen. Het gaat dan om een bedrag van € 1.000 of minder aan te veel of te weinig opgegeven btw. Deze btw mag u verwerken in uw eerstvolgende btw-aangifte. U krijgt dan van de Belastingdienst geen teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag.

(Bron: Schipper Groep)

Terechte btw-naheffing bij verhuurder van garageboxen

De Hoge Raad oordeelt dat de verhuur niet is vrijgesteld, aangezien de garageboxen naar hun aard zijn bestemd om te worden gebruikt als parkeerruimte voor een voertuig.

Vof X is eigenaar van elf garageboxen in een woonwijk. De garageboxen worden afzonderlijk aan particulieren verhuurd. Vof X brengt deze huurders geen btw in rekening. In geschil is de btw-naheffingsaanslag over 2010. Volgens de inspecteur is de verhuur namelijk niet vrijgesteld. Volgens vof X zijn de garageboxen in gebruik als bergruimte en is geen sprake van verhuur van parkeerruimte voor voertuigen in de zin van art. 11-1-b sub 3 Wet OB 1968. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof ‘s-Hertogenbosch valt aan ervaringsregels in het maatschappelijke verkeer de wetenschap te ontlenen dat garageboxen veelal plegen te worden aangewend voor andere doeleinden dan voor het stallen van voertuigen. Het gebruik als bergruimte is contractueel ook niet uitgesloten. X vof beroept zich daarom terecht op het Besluit van 14 juli 2009, nr CPPP2008/137M, V-N 2009/39.23, waarin is bepaald dat verhuur van multifunctionele ruimten is vrijgesteld. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de verhuur niet is vrijgesteld, aangezien de garageboxen naar hun aard zijn bestemd om te worden gebruikt als parkeerruimte voor een voertuig. Het feitelijke gebruik van een ruimte kan niet als onderscheidend criterium worden gebruikt voor het bepalen van het karakter van die ruimte. Niet is gesteld noch is gebleken dat de garageboxen over voorzieningen beschikken die deze in het bijzonder geschikt maken voor andere doeleinden dan het parkeren van een voertuig. Het beroep van de Staatssecretaris is gegrond. Volgt bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

(bron: Taxlive)

Wijziging teruggaaf BTW bij oninbare vorderingen

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier waarop de betaalde BTW kan worden teruggevraagd. Daarnaast geldt een aanpassing voor het terugbetalen van afgetrokken voorbelasting door het niet betalen van de vordering.

De leverancier kan zijn op aangifte betaalde BTW terugvragen zodra het zeker is dat zijn vordering (gedeeltelijk) oninbaar is. Nieuw is dat de vordering in ieder geval 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, als oninbaar wordt aangemerkt. Daarnaast hoeft voor de teruggaaf geen apart verzoek meer te worden ingediend. De teruggaaf kan worden verwerkt in de BTW-aangifte.

Terugbetalen van afgetrokken voorbelasting

De afnemer moet zijn op aangifte afgetrokken voorbelasting terugbetalen als hij het factuurbedrag (deels) heeft teruggekregen of op het moment dat duidelijk is dat hij de factuur niet (helemaal) gaat betalen. Nieuw is dat de afnemer de BTW uiterlijk 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, moet terugbetalen.

Bron: Belastingdienst

Fiscus kan teruggegeven btw niet navorderen na Van der Steen-arrest

Van 26 april 2002 tot 18 oktober 2007 merkte de Belastingdienst de dga vaak ten onrechte aan als btw-ondernemer. De over die periode in aftrek gebrachte voorbelasting kan de Belastingdienst niet meer naheffen, aldus de Hoge Raad.

De Belastingdienst had in 2007 een dga samen met zijn B.V. aangemerkt als fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De man had een pand laten bouwen in 2007. De dga vroeg de bij de bouw in rekening gebrachte omzetbelasting terug op basis van het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2002. In 2008 legde de inspecteur een naheffingsaanslag op aan de dga op basis van het besluit van 21 december 2007, dat vanwege het Van der Steen-arrest was uitgebracht. De dga meende op basis van het Van der Steen-arrest echter dat hij nooit ondernemer was geweest en dat de inspecteur daarom de aan hem verleende teruggave btw niet kon naheffen.

 

In tegenstelling tot Rechtbank Den Haag en Gerechtshof Den Haag oordeelde de Hoge Raad dat de dga niet kwalificeerde als ondernemer. Voor ondernemerschap is namelijk vereist dat de dga zelfstandig en tegen vergoeding een werkruimte ter beschikking stelt. De inspecteur diende dit te bewijzen, maar stelde alleen dat de dga in zijn verzoek fiscale eenheid omzetbelasting en in zijn bezwaarschrift had verklaard dat hij ondernemer was. Voor het overige had de inspecteur geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit zou blijken dat de dga daadwerkelijk buiten de dienstbetrekking om zelfstandig tegen vergoeding werkruimte ter beschikking stelde. De Hoge Raad oordeelde daarom dat niet was aangetoond dat de dga kwalificeerde als ondernemer en vernietigde daarom de naheffingsaanslag btw.

(Bron: Taxence)

 

Tips over de btw en wijzigingen in 2017

De dagen worden kort en koud, wat betekent dat het einde van het jaar nadert! Een uitstekend moment om bij een warm, knisperend haardvuur onder het genot van een goed glas wijn vooruit te blikken op de veranderingen op btw-gebied voor het jaar 2017! Hieronder een aantal tips die voor jou relevant kunnen zijn.

Nieuwe regelgeving oninbare vorderingen
Vanaf 2017 wordt het terugvragen van afgedragen btw die niet (meer) kan worden geïnd, eenvoudiger. De btw kan namelijk in ieder geval worden teruggevraagd indien de betreffende factuur één jaar nadat deze opeisbaar is geworden nog niet is betaald. Het oninbare btw-bedrag kan gewoon in de reguliere aangifte worden opgenomen. De nieuwe termijn van één jaar gaat lopen met ingang van 1 januari 2017. Is bijvoorbeeld een vordering opeisbaar op 1 oktober 2016 niet betaald, dan kan de afgedragen btw pas worden teruggevraagd op 1 januari 2018 (en niet 1 oktober 2017). Als een oninbare vordering later alsnog (deels) wordt betaald, dan moet de teruggevraagde btw weer worden terugbetaald aan de Belastingdienst. Staat overigens al voor de éénjaarstermijn vast dat er geen betaling zal worden ontvangen, dan bestaat op dat moment al recht op teruggaaf van btw.

Levering bouwterrein in 2016 of 2017?
De levering van een bouwterrein is belast met btw. Door toepassing van de samenloopregeling is dan geen overdrachtsbelasting verschuldigd. De Europese rechter geeft echter een ruimere uitleg aan het begrip bouwterrein dan onze eigen wetgever. We kunnen daarom op dit moment nog “kiezen” voor de ruime of de enge definitie en daarmee inspelen op de verschillende fiscale uitwerkingen. Vanaf 1 januari 2017 is deze “keuze” niet meer mogelijk, aangezien de wettekst dan aansluit op de rechtspraak. Het kan dus aantrekkelijk zijn om de levering van een bouwterrein nog in 2016 te laten plaatsvinden.

Pas de KOR toe!
Indien er op jaarbasis maximaal € 1.883 aan btw (na aftrek van voorbelasting) is verschuldigd, dan komt een natuurlijk persoon of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen (zoals een maatschap of een VOF) in aanmerking voor de kleineondernemersregeling (KOR). In dat geval hoef je een deel van de btw niet te voldoen. Er geldt zelfs een vermindering van 100% indien op jaarbasis niet meer dan € 1.345 aan btw is verschuldigd. Ga daarom na of jij in jouw situatie de KOR kan toepassen!

Meld een verbreking of wijziging fiscale eenheid btw
Ondernemers die zijn opgenomen in een fiscale eenheid voor de btw zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de btw-schulden van de fiscale eenheid. Indien er niet langer aan de voorwaarden van een fiscale eenheid btw wordt voldaan, is het raadzaam om de inspecteur hiervan op de hoogte te stellen en de fiscale eenheid te verbreken of te wijzigen. Hierdoor eindigt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uittredende ondernemer(s).

Aandachtspunten laatste btw-aangifte 2016
Suppletie btw
Onjuistheden of onvolledigheden in eerder ingediende btw-aangiften kunnen worden gecorrigeerd door middel van het indienen van een suppletieaangifte. Als deze onjuistheden of onvolledigheden niet worden gecorrigeerd riskeer je een boete voor het niet tijdig of niet juist doen van de aangifte. De grens voor het verplicht indienen van een suppletieaangifte ligt bij € 1.000. Als de correctie lager is, is het indienen van een suppletieaangifte niet verplicht. In dat geval kun je de correctie meenemen in de lopende btw-aangifte.

Correctie privégebruik auto
Wanneer een ondernemer zijn auto van de zaak privé gebruikt, dan dient hij aan het einde van het jaar btw voor het privégebruik (op basis van het werkelijk aantal privé gereden kilometers of op basis van een forfaitaire correctie) te betalen. Vergeet deze correctie privégebruik auto niet!

Herziening
Het recht op aftrek van btw is afhankelijk van het gebruik van de ingekochte goederen en diensten. Op het moment van inkoop moet een ondernemer op basis van het verwachte gebruik de btw-aftrek bepalen. Wanneer het gebruik achteraf toch anders blijkt te zijn (bijvoorbeeld meer gebruik voor vrijgestelde prestaties dan ingeschat), dan moet de afgetrokken btw worden ‘herzien’. Het is belangrijk om deze herzieningsberekening eind 2016 te maken zodat de eventueel te weinig teruggevraagde btw kan worden teruggevraagd of te weinig afgedragen btw alsnog kan worden voldaan.

(Bron: Bentacera)

Btw terugbetalen voor openstaande schulden vanaf 1 januari 2017?

De btw op ontvangen facturen in aftrek gebracht maar de factuur nog niet betaald? U bent de btw na één jaar weer aan de Belastingdienst verschuldigd. Deze voorgestelde nieuwe regeling leidt ertoe dat u de btw op deze openstaande facturen moet betalen op 1 januari 2017 en moet voldoen op uw btw-aangifte. Wij adviseren u na te gaan welke facturen op 1 januari 2017 een jaar openstaan. Door tijdig een akkoord te sluiten met uw crediteur kunt u terugbetaling van de btw voorkomen.

Voordeel terugbetalen btw

Heeft u een factuur uitgereikt met daarop btw, dan kunt u de btw weer terugvragen zodra de factuur een jaar openstaat. De btw op facturen die op 1 januari 2017 openstaan, kunt u terugvragen over het eerste tijdvak van 2018. De nieuwe regeling werkt dus niet terug in uw voordeel.

 

Nadeel terugbetalen btw

De nieuwe regeling werkt wél terug in uw nadeel. Heeft u de btw  op facturen nog niet betaald maar wel (deels) teruggevraagd? Dan bent u die btw weer verschuldigd als de factuur na een jaar nog openstaat. Dit geldt dus ook voor facturen die op 1 januari 2017 een jaar openstaan. De btw op deze oude facturen van vóór 1 januari 2016 bent u op 1 januari 2017 verschuldigd.

Maak een overzicht van facturen die u nog moet betalen.  Staan deze facturen op 1 januari 2017 al een jaar open? Dan bent u de btw die u heeft teruggevraagd, weer verschuldigd. De btw verwerkt u op de btw-aangifte over het eerste tijdvak in 2017. Een akkoord met de crediteur kan voorkomen dat u de btw weer verschuldigd bent. Het akkoord moet ertoe leiden dat de koopschuld wordt omgezet in een leenschuld.

(Bron: ABAB)

Ook bij < 10% belast gebruik is btw aftrekbaar

Op grond van de Btw-richtlijn mag een ondernemer in beginsel de btw aftrekken op afgenomen goederen en diensten voor zover deze worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Deze bepaling biedt geen ruimte voor een regeling die de btw-aftrek volledig weigert als de ondernemer het aangeschafte goed voor minder dan 10% gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Aftrekbare btw

In beginsel mogen ondernemers btw aftrekken als voorbelasting in hun aangifte omzetbelasting als deze btw gedurende het aangiftetijdvak:

  • is gefactureerd door andere ondernemers vanwege de prestaties die aan de ondernemer zijn verricht. De facturen moeten aan bepaalde eisen voldoen;
  • door de ondernemer verschuldigd is geworden omdat hij een intracommunautaire verwerving heeft verricht. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde voor het recht op aftrek dat de ondernemer moet beschikken over een correcte factuur; of
  • verschuldigd is geworden als gevolg van invoer van goederen, verlegging, het verrichten van prestaties binnen het eigen bedrijf die zijn aangewezen als btw-belaste diensten om concurrentieverstoring te voorkomen of vanwege de levering van een nieuw vervoermiddel door een particulier of wederverkoper.

 

Het recht op aftrek van voorbelasting is gekoppeld aan het gebruik voor btw-belaste prestaties. Bij bepaalde vormen van gebruik van de afgenomen prestaties in het buitenland kan ook recht op aftrek van voorbelasting bestaan. Bijvoorbeeld als de ondernemer volgens de nationale wet recht op aftrek van voorbelasting zou hebben gehad als het gebruik in Nederland had plaatsgevonden.

 

Uitzonderingen op recht op aftrek

In bepaalde gevallen is het recht op aftrek van voorbelasting uitgesloten. Als iemand ten behoeve van de onderneming een korte tijd verblijft in een horecabedrijf, is de btw in de kosten van eten en drinken niet aftrekbaar. Daarnaast kent het Besluit Uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) nog enkele situaties waarin de aftrek van btw als voorbelasting is beperkt of zelfs geheel is uitgesloten. Daarbij valt te denken aan de btw op standsuitgaven of op loon in natura met uitzondering van de auto voor de zaak (de auto van de zaak valt onder een aparte regeling).

 

Uitsluitend gebruik voor (andere dan) belaste prestaties

De situatie is eenvoudig als de ondernemer prestaties afneemt die hij uitsluitend gebruikt voor btw-belaste prestaties. In beginsel kan hij dan gewoon alle btw aftrekken. Gebruikt de ondernemer de afgenomen prestaties uitsluitend ten behoeve van activiteiten die zijn vrijgesteld van btw, dan is de zaak eveneens simpel. Hij heeft dan geen recht op aftrek van voorbelasting.

 

Gemengd gebruik niet-investeringsgoederen en diensten

Als de ondernemer een afgenomen goed of dienst zowel voor btw-belaste prestaties als voor andere doeleinden (btw-vrijgestelde prestaties of privédoeleinden) gebruikt, mag hij een deel van de voorbelasting aftrekken. Voor diensten en goederen waarop doorgaans niet wordt afgeschreven – de zogeheten niet-investeringsgoederen – geldt dat men het recht op aftrek in eerste instantie moet bepalen op het moment van inkoop. Als de ondernemer het goed nog niet in gebruik heeft genomen, zal hij een schatting moeten maken. Wanneer hij daadwerkelijk het niet-investeringsgoed gaat gebruiken, moet hij de verhouding in het geschatte gebruik vergelijken met de verhouding in het werkelijke gebruik. Als de werkelijke verhouding afwijkt van de geschatte verhouding, moet een btw-correctie plaatsvinden. In beginsel baseert de ondernemer de verdeling op basis van omzetverhoudingen tenzij het werkelijk gebruik een betere verdeelsleutel vormt.

 

Gemengd gebruik investeringsgoederen

Voor investeringsgoederen gelden grotendeels dezelfde regels voor de berekening van de aftrek van voorbelasting voor de btw-aftrek als voor niet-investeringsgoederen. Een verschil is dat de ondernemer bij investeringsgoederen voor ieder goed afzonderlijk bepaalt of hij de btw splitst op basis van het werkelijk gebruik of op basis van de omzetverhoudingen. Bovendien moet de ondernemer gedurende de herzieningstermijn van vijf jaar (tien jaar bij onroerende investeringsgoederen) ieder jaar nagaan of de verhouding in het werkelijke gebruik met meer dan 10% afwijkt van de oorspronkelijke verhouding waarvan hij was uitgegaan. Overigens geldt deze 10%-marge in beginsel niet in het eerste jaar. Is sprake van een te grote afwijking, dan moet de ondernemer over 20% (10% als het gaat om onroerende zaken) een btw-correctie toepassen.

 

Nihilaftrek bij belast gebruik <10%

Voor het Hof van Justitie van de EU is de vraag gekomen of de fiscus het recht op aftrek van voorbelasting geheel mag weigeren als een afgenomen goed of dienst voor minder dan 10% voor economische activiteiten wordt gebruikt. Het district Potsdam-Mittelmark had namelijk enkele aangeschafte goederen voor 2,65% gebruikt voor btw-belaste prestaties. De belastingdienst van Brandenburg stond echter geen enkele aftrek toe nu het gebruik voor belaste prestaties minder dan 10% was. Maar deze beperking was niet toegestaan onder de Zesde Richtlijn. Ook de huidige richtlijn stelt dat een ondernemer recht heeft op aftrek van voorbelasting voor zover hij deze gebruikt voor belaste prestaties.

(Bron: Taxence)

Btw van gezamenlijke kosten in uw medische praktijk

Werkt u als medicus samen met andere collega’s of praktijken? Dan heeft u vaak gezamenlijke kosten. Denk aan het salaris van een gemeenschappelijke secretaresse of receptioniste in een praktijk van samenwerkende huisartsen die werkzaamheden verricht voor iedere aangesloten huisarts. Deze loonkosten zijn gemeenschappelijke kosten. Bij het verdelen van die kosten bestaan btw-risico’s.

De kostenmaatschap

In de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van een zogenaamde kostenmaatschap om de kosten te verdelen. Echter, als de maatschap alleen wordt gebruikt om kosten te verdelen is dat ‘oneigenlijk gebruik’. Een maatschap is namelijk een overeenkomst tussen twee of meer personen met het doel om het ontstane voordeel met elkaar te delen. De term ‘kostenmaatschap’ bestaat voor de btw niet en is in feite een verwarrend begrip.

Let op! Voor de Belastingdienst bestaat het begrip ‘kostenmaatschap’ niet.

Ook kan de Belastingdienst vinden dat het door belasten van de kosten aan de maten binnen de kostenmaatschap een prestatie tegen vergoeding vormt. De bedragen die de maten aan de kostenmaatschap betalen worden niet als een voor de btw onbelaste kapitaalstorting aangemerkt, maar als een vergoeding voor verrichte diensten waarover btw moet worden betaald.

Tip: U kunt hier mogelijk onder uitkomen met de kleine ondernemingsregeling (KOR). Als medici natuurlijke personen (geen BV of soortgelijke vennootschap)  zijn en de jaarlijks verschuldigde btw minder is dan € 1.345 kunt u op basis van KOR een verzoek indienen bij de Belastingdienst om af te zien van administratieve verplichtingen.

Kosten voor gemene rekening

Een beter alternatief om de gemeenschappelijke kosten te verdelen is om één van de partijen de kosten te laten dragen en daarna een vaste verdeelsleutel overeen te komen. Deze is van tevoren vastgesteld en de verdeling gebeurt zonder winstopslag. Van belang is dat ook degene die de kosten omslaat een deel van de kosten zelf draagt. Als aan deze voorwaarden is voldaan is geen reden tot btw-heffing. Het principe van kosten voor gemene rekening kan zowel voor personeelskosten als voor overige (algemene) kosten toegepast worden.

Model  Afspraken over            Voordeel  Nadeel 
Overeenkomst tot verrekening van voor gemene rekening gemaakte personeelskosten/ algemene kosten. De verdeling van gezamenlijke personeelskosten/algemene kosten. Voorkomt btw- heffing bij de verdeling van gezamenlijke personeelskosten/ algemene kosten. Weinig flexibiliteit bij verdeling van de gezamenlijk personeelskosten/ algemene kosten.

POT-overeenkomst

Een derde mogelijkheid is het gebruik van de POT-overeenkomst. De medici sluiten dan gezamenlijk contracten met een langere looptijd. Ieder van de medici is dan dus contractpartij en moet zijn/ haar handtekening plaatsen onder het contract. Dit kan een arbeidscontract zijn maar bijvoorbeeld ook een leveringscontract voor gas, water en licht. Anders dan bij de kosten voor gemene rekening zijn aan de verdeelsleutel geen voorwaarden verbonden en bestaat er dus meer flexibiliteit.

Model Afspraken over Voordeel Nadeel
POT-overeenkomst De verdeling van gezamenlijke kosten met als basis een langdurig contract. Voorkomt btw- heffing bij de verdeling van gezamenlijke kosten.
Veel flexibiliteit.
Er moeten gezamenlijk contracten worden gesloten.

Tip: Medici die kosten willen delen zonder btw-heffing, kunnen het beste gebruik maken van kosten voor gemene rekening of de POT-overeenkomst.

(Bron: HLB)

Doorbelasten kosten aan dochter-BV’s onvoldoende voor ondernemerschap

BV X was een holdingvennootschap met een aantal dochtermaatschappijen, waaronder Holding BV Y die 12 dochter-BV’s had. Alle aandelen in BV X waren in handen van BV D, die de directie voerde voor de onderliggende vennootschappen. BV X berekende managementkosten met BTW door aan haar dochtermaatschappijen en BV Y berekende accountantskosten voor jaarrekeningen met BTW deels door aan haar dochter-BV’s. Na een boekenonderzoek legde de inspecteur naheffingsaanslagen BTW op aan BV X (2009-2011) en BV Y (2009-2012). Volgens de inspecteur waren zij geen ondernemer voor de BTW en hadden zij daarom ten onrechte voorbelasting in aftrek gebracht. Rechtbank Gelderland besliste op het beroep van BV X en BV Y dat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat rechtsbetrekkingen bestonden tussen hen en hun dochtermaatschappijen en dat zij voor hun dochtermaatschappijen geen prestaties hadden verricht. De enkele doorbelasting van aan BV X en BV Y gerichte facturen was zonder nadere toelichting niet voldoende. De aard en omvang van de verrichte dienstverlening en de daarvoor bedongen vergoedingen waren niet aannemelijk gemaakt. Bovendien hadden BV X en BV Y niet verklaard hoe de (mondelinge) managementovereenkomsten zich verhielden tot de managementdiensten die BV D voor het concern verrichtte. De Rechtbank verwierp ook de stelling van BV X en BV Y dat zij een f.e. voor de BTW vormden met respectievelijk BV Y en tien dochter-BV’s. Hun activiteiten strekten niet in hoofdzaak tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel en de activiteiten van de ene vennootschap werden ook niet in hoofdzaak voor een andere vennootschap uitgeoefend. De Rechtbank nam daarbij in aanmerking dat geen prestaties voor derden of onderlinge prestaties hadden plaatsgevonden. Er was geen sprake van economische verwevenheid, zodat BV X en BV Y geen deel konden uitmaken van een f.e. Tot slot besliste de Rechtbank dat BV X en BV Y ook geen beroep konden doen op de holdingresolutie van 18 februari 1991, omdat zij niet hadden verzocht om in een f.e. te worden opgenomen. Zij hadden dus niet voldaan aan alle voorwaarden van de resolutie.

(Bron: FUTD)