Btw-gevolgen modelovereenkomsten Wet DBA

De Belastingdienst heeft modelovereenkomsten op haar site geplaatst voor de situatie waarin de opdrachtgever zeker wil weten dat hij geen loonheffingen hoeft in te houden en af te dragen. De voorbeeldovereenkomsten van de Belastingdienst zeggen niets over de aanwezigheid van btw-ondernemerschap en of er een vrijstelling kan worden toegepast.

De modelovereenkomsten zijn geen werkgeversgezag; meestal is sprake van opdrachtverstrekking. De opdrachtnemer stuurt een factuur waarbij hij/zij per tijdseenheid of afgerond project wordt betaald. In deze situatie zal al gauw sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar dit moet per geval afzonderlijk worden beoordeeld.

Btw-vrijstelling

Bij een aantal overeenkomsten is een btw-vrijstelling van toepassing, bijvoorbeeld omdat er medische prestaties worden verricht waarbij een BIG-registratie vereist is. Bij toepassing van de voorbeeldovereenkomst voor muziekonderwijzer, is de leeftijd van de leerling van belang voor vaststelling van de btw-heffing. Is de leerling jonger dan 21 jaar, dan is er een vrijstelling voor de btw. Is de leerling ouder dan 21 jaar, dan is er 21% btw over de muzieklessen verschuldigd. Bij toepassing van de overeenkomsten dient per geval beoordeeld te worden of er sprake is van btw-ondernemerschap. Dit is afhankelijk van de feitelijke situatie. Over het algemeen zal snel sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar kunnen specifieke vrijstellingen van toepassing zijn waardoor er geen btw hoeft te worden vermeld op de factuur.

(Bron: HLB)

Ongewenst neveneffect van Wet DBA voor BTW

Bij gebruik van de nieuwe DBA-modelovereenkomsten van de Belastingdienst kunnen btw-vrijstellingen in gevaar komen, aldus Carola van Vilsteren in Tax Talks.

Bij het uitlenen van personeel is btw een belangrijk punt, omdat de btw een kostenverhogend effect heeft. Het uitlenen van personeel is volgens een besluit in beginsel een belaste prestatie ter zake waarvan btw in rekening dient te worden gebracht, al kan de heffing in een aantal situaties toch achterwege blijven.

Opdrachtverstrekking en btw

Vanuit btw-perspectief lijken de nieuwe DBA-modelovereenkomsten van de Belastingdienst ook tot nieuwe problemen te kunnen leiden. Om een dienstbetrekking te voorkomen, streeft men naar een opdrachtverstrekking. Een opdrachtverstrekking is normaal gesproken belast met btw, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Kijkend naar de modellen voor bijvoorbeeld medici, dan is er geen btw-probleem als het om een BIG-er gaat die een medische dienst verricht omdat hij onder een vrijstelling valt. Als het gaat om een gastdocent die wordt ingezet voor het verzorgen van wettelijk geregeld onderwijs, wordt het een ander verhaal. Er kunnen in dat geval wel goedkeuringen gelden, maar juist de school moet dan de lead hebben. Dat wringt met de arbeidsrelatie en dat gaat voor de btw niet goed, aldus Carola van Vilsteren in de aflevering van Tax Talks van 19 januari 2016.

Werken met personeel zonder btw-heffing?

Een oplossing voor gezamenlijk werken met personeel zonder btw is bijvoorbeeld via een overeenkomst ‘kosten voor gemene rekening’. Het nadeel hierbij is echter dat ieder een deel van de kosten volgens een vooraf vastgestelde verdeelsleutel voor zijn rekening moet nemen, en deze verdeelsleutel kan niet meer gewijzigd worden. Partijen kunnen bijvoorbeeld ook een zogenaamde ‘pot-overeenkomst’ aangaan. Het gezamenlijke personeelslid wordt dan van een gemeenschappelijke bankrekening betaald en er zit geen vaste verdeelsleutel in.

(Bron: Taxence)

Geen BTW-aftrek op appartementen omdat deze behoorden tot privévermogen

X en zijn echtgenote Y kochten in 2006 vijf appartementsrechten in een appartementencomplex. Voor de levering van de appartementsrechten op 10 oktober 2007 was op 16 mei 2007 € 93.004 aan BTW in rekening gebracht die X pas in het tweede kwartaal 2008 in aftrek bracht als voorbelasting. X had de appartementsrechten in 2007 in gebruik genomen. Hij gebruikte het woonappartement ook voor werkzaamheden ten behoeve van zijn onderneming, vooral voor het voeren van de administratie daarvan. De teruggaaf was aan hem verleend. De inspecteur stelde later dat X de appartementsrechten tot zijn privévermogen had gerekend zodat hij geen recht had op aftrek van voorbelasting. X ging in beroep tegen de opgelegde naheffingsaanslag BTW. Hij stelde dat hij al in 2007 de appartementsrechten als ondernemingsvermogen had geëtiketteerd en dat het hem niet kon worden tegengeworpen dat de in rekening gebrachte BTW door een omissie pas in een later tijdvak in aftrek was gebracht. Hof Den Bosch verwees naar een arrest van 8 oktober 2010 waarin de Hoge Raad had beslist dat een aftrek waarop direct aanspraak bestond, maar die in eerste instantie ten onrechte niet was gerealiseerd, niet alsnog via herziening kon worden teruggevraagd. Als laatste tijdstip waarop de keuze om een goed al dan niet als ondernemingsvermogen aan te merken, gold het tijdstip waarop het goed in gebruik was genomen. Het tijdstip van ingebruikname was volgens het Hof het laatste tijdstip waarop X de appartementsrechten tot zijn ondernemingsvermogen kon rekenen. Uiterlijk op dat moment moest X uitdrukking geven aan zijn keuze. Het stond volgens het Hof niet precies vast wanneer de ingebruikname had plaatsgevonden, maar het stond wel vast dat dit in 2007 had plaatsgehad. Het Hof besliste dat X er niet voor had gekozen om de appartementsrechten in 2007 tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen omdat hij de in rekening gebrachte BTW niet uiterlijk in de aangifte BTW over het vierde kwartaal 2007 als voorbelasting in aftrek had gebracht. De beslissing dat X de appartementsrechten niet tot zijn ondernemingsvermogen had gerekend, bleek volgens het Hof ook uit het feit dat X in de jaren 2007 tot en met 2010 geen BTW wegens een fictieve dienst in zin van artikel 4, lid 2, onderdeel a, Wet OB had aangegeven.

(Bron: FUTD)

Zorggroepen vrijgesteld van btw-heffing

Zorggroepen, gezondheidscentra en geboortezorgcentra in de eerste lijn betalen vanaf komend jaar geen 21 procent btw meer over de vergoeding voor de overheadkosten die zij maken. Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer stemde woensdagmiddag in met een amendement op het Belastingplan 2016 van de parlementariërs Neppérus (VVD) en Groot (PvdA), dat deze btw-vrijstelling per 1 januari 2016 moet regelen. Het Belastingplan van staatssecretaris Wiebes moet overigens nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer, waar de coalitie van PvdA en VVD geen vanzelfsprekende meerderheid heeft.

In het amendement stellen beide coalitiegenoten voor om de verbruiksbelasting op onder meer frisdrank, limonade en vruchtensap (frisdrankaccijns) te verhogen. Het geld dat deze fiscale maatregel de schatkist oplevert, zo’n 30 miljoen euro per jaar, moet worden ingezet om een btw-vrijstelling te kunnen bekostigen voor zorggroepen. Staatssecretaris Wiebes (VVD, Financiën) kan aan de wens van de Kamer tegemoetkomen door het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting uit 1968 aan te passen. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. Wiebes deed vorige week in een debat over het Belastingplan al de toezegging dat hij de btw-vrijstelling voor zorggroepen per 1 januari volgend jaar zou regelen, mits het amendement door een meerderheid van de Kamer gesteund zou worden.

‘Het ei is gelegd’, zegt Theo Bisschops, fiscaal jurist en directeur van zorggroep RCH Midden-Brabant. ‘Waarschijnlijk regelt de staatssecretaris via een beleidsbesluit nu dat zorggroepen en gezondheidscentra voortaan erkend worden als sociale en culturele instellingen. Volgens Europese regels zijn zij vrijgesteld van het betalen van btw. Deze weg is onlangs ook in de wijkverpleging bewandeld. Hiermee erkent de politiek dat als de zorg onderdeel is van een geheel, zoals bij ketenzorg het geval is, de belastingdienst niet zomaar een knip kan maken.’

Al enkele jaren komen zorggroepen en gezondheidscentra in het geweer tegen de btw-heffing op de vergoeding voor de administratieve kosten die zij maken om de kwaliteit van en de samenwerking in de zorg te handhaven en te verbeteren. De fiscus oordeelde tot op heden dat bij het maken van overheadkosten door zorggroepen er geen directe zorgrelatie is met de patiënt en dat er daarom geen sprake kan zijn van btw-vrijgestelde medische zorgverlening. Een standpunt dat in het voorjaar van 2014 nog door het Amsterdamse Hof werd bevestigd in een zaak die was aangespannen door zorggroep Zaanstreek-Waterland.

Al stelde Christel van Vugt, accountmanager bij brancheorganisatie InEen, onlangs in een artikel in Medisch Contact dat de fiscus in de afgelopen jaren niet één lijn heeft getrokken bij het aanslaan van de zorggroepen. ‘Sommige zorggroepen hebben (..) nooit btw betaald. Sommige hebben een vrijstelling, andere weer niet. Weer andere hebben, na de uitspraak van het Amsterdamse Hof in 2014, een forse aanslag met terugwerkende kracht opgelegd gekregen. ’

Een interessante vraag is nu of de fiscus besluit om met terugwerkende kracht de btw-aanslagen voor zorggroepen kwijt te schelden. Nika Stegeman, belastingadviseur, reageert terughoudend. ‘Het grootste struikelblok is dat de btw-vrijstelling gekoppeld is aan de verhoging van de verbruiksbelasting op frisdrank. Er is dus pas per 1 januari 2016 budgettaire dekking voor het schrappen van de btw-heffing op zorggroepen. Aan de andere kant merk je ook dat de Kamer vindt dat deze vrijstelling echt nodig is. De Kamer kan de staatssecretaris dan ook opdragen om zorggroepen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 vrij te stellen van het betalen van btw. Een regeling waarbij zorggroepen ook een btw-vrijstelling krijgen voor de jaren tot 2015, is uitvoeringstechnisch lastig. Je hebt het hier dan namelijk over gesloten boekjaren.’

Bisschops: ‘Met deze uitspraak van de Kamer in de hand heeft de belastingdienst het recht om tot 1 januari 2016 btw te heffen op de overheadkosten van zorggroepen. In theorie zou de fiscus na dit aangenomen amendement dus zelfs extra werk kunnen gaan maken van het met terugwerkende kracht aanslaan van zorggroepen. Onder de belastinginspecteurs zitten hele eigengereide personen en de wettelijke naheffingstermijn is vastgesteld op vijf jaar. Daarna ben je pas veilig. Aan de andere kant kan staatssecretaris Wiebes ook besluiten om de btw-aanslagen op zorggroepen over de afgelopen vijf jaar juist terug te draaien. Dit is ook in de wijkverpleging gebeurd. Het is allemaal heel verwarrend. De champagne kan nog niet open.’

Zelf probeert Bisschops de heffing van ongeveer een half miljoen euro (inclusief naheffing) die zijn zorggroep RCH Midden-Brabant kreeg opgelegd ongedaan te maken via een bodemprocedure bij de rechtbank Zeeland/West-Brabant. ‘Ondanks dit besluit van de Kamer gaan wij onze procedure gewoon doorzetten. Of de fiscus moet ineens een draai make. Voor mij is dit een principekwestie.’

(Bron: Medisch-contact)

Zakelijk gebruikt pand is nog geen pand van maatschap voor de omzetbelasting

Het feit dat een maatschap gebruik maakt van een werkkamer in een pand van de maten, betekent niet automatisch dat die maatschap het pand mag rekenen tot haar ondernemingsvermogen. De Hoge Raad heeft dit onlangs bevestigd.

Drie natuurlijke personen, onder wie een echtpaar, dreven binnen maatschapsverband een champignonkwekerij. Het echtpaar had een pand laten bouwen dat zij na oplevering voor een deel als woning ging gebruiken. De rest van het pand werd ter beschikking gesteld aan de maatschap zonder dat het echtpaar een vergoeding vroeg. Het echtpaar had het pand niet ingebracht in het vermogen van de maatschap. De vraag was of de maatschap het pand voor de btw volledig mocht rekenen tot haar ondernemingsvermogen en daarmee de btw op dat pand kon aftrekken. Zowel Hof Amsterdam als de Hoge Raad meende van niet. De Hoge Raad wees erop dat twee maten het pand hadden gekocht. Dat de maatschap een deel van dit pand gebruikte voor bedrijfsdoeleinden betekende niet dat het pand behoorde tot het bedrijf van de maatschap. De maatschap mocht daarom de btw op dit pand niet aftrekken.

(Bron: Taxence)

Aansprakelijkheid belastingschuld fiscale eenheid btw

Tussen ondernemers kan voor de btw een fiscale eenheid btw bestaan. Er is dan sprake van één ondernemer. Eén van de gevolgen van een fiscale eenheid btw is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de totale omzetbelastingschuld. Die aansprakelijkheid blijft bestaan tot het moment waarop de inspecteur op de hoogte is gebracht van het feit dat de fiscale eenheid btw niet langer bestaat.

 

Het voorbeeld betreft een bv die deel uitmaakte van een fiscale eenheid btw. Begin 2012 gingen drie andere bv’s van de fiscale eenheid failliet. De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen btw op aan de bv. De bv bestreed de aansprakelijkheidstelling voor de btw-schuld van de fiscale eenheid omdat deze in strijd zou zijn met de btw-richtlijn en het EU-recht.

 

Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank. De kern is dat aansprakelijkheidsstelling nodig is om de btw-schulden van de fiscale eenheid te kunnen innen. De reden hiervoor is dat de fiscale eenheid civielrechtelijk niet bestaat, alleen fiscaal. Het verhalen van de btw-schuld bij de fiscale eenheid is daardoor niet mogelijk. Ook kan een fiscale eenheid btw geen eigenaar zijn van goederen. Er kan dus geen beslag worden gelegd om de openstaande belastingschulden te innen.

 

Tip

Houdt u rekening met een hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling voor de btw-schuld als een fiscale eenheid btw bij beschikking door de Belastingdienst is vastgesteld. Bestaat de fiscale eenheid btw niet langer? Breng de Belastingdienst hier dan tijdig van op de hoogte.

(Bron: Abab)

Snellere btw registratieplicht bij internetverkopen

Ondernemers moeten zich voor hun internetverkopen van goederen sneller dan voorheen voor btw-doeleinden registreren in Frankrijk, als zij goederen leveren aan in Frankrijk woonachtige vrijgestelde ondernemers of particulieren. Het drempelbedrag wordt vanaf 2016 verlaagd van € 100.000 naar €  35.000 en is dan even hoog als in België. Het drempelbedrag voor Duitsland bedraagt € 100.000. Blijft btw registratie ten onrechte achterwege? Dan loopt u het risico op een btw naheffingsaanslag en een fikse boete.

 

Regeling voor afstandsverkopen

De regeling voor afstandsverkopen geldt voor verkopen op afstand. Dit zijn verkopen vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke levering aan een btw-ondernemer leidt normaal gesproken tot een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending.

 

De levering aan de volgende afnemers leidt echter niet tot een verwerving:

  • Particulieren (= niet-btw-ondernemers).
  • Landbouwregelaars (= toepassing landbouwregeling).
  • Btw-ondernemers die uitsluitend btw-vrijgestelde prestaties verrichten.
  • Niet-btw-plichtige rechtspersonen, die uit de lidstaat minder afnemen dan

o    € 10.000 (lidstaat van verwerving: Nederland)

o    € 11.200 (lidstaat van verwerving: België)

o    € 12.500 (lidstaat van verwerving: Duitsland)

o    € 10.000 (lidstaat van verwerving: Frankrijk).

 

Doordat in de lidstaat van aankomst geen heffing btw plaatsvindt, bepaalt de lidstaat van verzending het btw-tarief. De leveranciers doen er dus goed aan om zich in de lidstaat te vestigen met het laagste btw-tarief. Zij zorgen ervoor, dat het voor de afnemers niet uitmaakt vanwaar de goederen worden verzonden. Dit bereiken de leveranciers door zorg te dragen voor de verzending van de goederen.

 

Concurrentie voorkomen

De regeling voor afstandsverkopen moet voorkomen, dat er concurrentie optreedt tussen lidstaten. Boven een bepaalde omzetdrempel bepaalt de lidstaat van aankomst het btw-tarief. Er moet dan btw worden voldaan in de lidstaat van aankomst van de verzending. De leverancier is deze btw verschuldigd.

 

Btw-registratie in ander EU-lidstaat

Bij overschrijding van de drempelwaarde (of het jaar ervoor) bent u verplicht tot btw-registratie in de andere EU-lidstaat. Doet u dit niet? Dan riskeert u een naheffingsaanslag en een fikse boete van de buitenlandse Belastingdienst. De kans op een dergelijke buitenlandse naheffing wordt namelijk steeds groter.

 

Tip

Levert u goederen aan vrijgestelde ondernemers of particulieren in andere lidstaten? Ga dan na of u uw onderneming moet registreren in de andere lidstaat.

(Bron: ABAB)

Aansprakelijkheid BV voor BTW-schuld f.e. niet strijdig met EU-recht

BV X en BV Y maakten deel uit van een f.e. voor de BTW. Nadat enkele andere BV’s uit die f.e. failliet waren gegaan, stelde de ontvanger BV X en BV Y aansprakelijk voor twee onbetaald gebleven naheffingsaanslagen BTW die aan de f.e. waren opgelegd (€ 349.481 en € 107.192). Zij gingen daartegen in beroep en stelden dat de aansprakelijkstelling in strijd was met de BTW-Richtlijn en de EU-rechtelijke beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Rechtbank Noord-Nederland besliste dat artikel 43, lid 1, IW de aansprakelijkheid regelde voor de gehele BTW-schuld van een f.e van natuurlijke personen en lichamen. Geen enkele bepaling in de BTW-Richtlijn regelde dit punt. Volgens vaste rechtspraak was een aangelegenheid bij ontbreken van een EU-regeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat. Van strijd met de BTW-Richtlijn was volgens de Rechtbank dus geen sprake. De nationale wetgever was met artikel 43, lid 1, IW volgens de Rechtbank ook gebleven binnen de grenzen van de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaakten van de rechtsorde van de EU. Hierbij was van belang dat een f.e. alleen fiscaal bestond en niet civielrechtelijk, waardoor het niet mogelijk was om belastingschulden bij een f.e. te innen. Artikel 43, lid 1, IW was een noodzakelijke maatregel voor de inning van de belastingschulden van de f.e. De Rechtbank handhaafde de aansprakelijkstelling van BV X en BV Y. Hof Amsterdam verenigde zich in het door BV X en BV Y ingestelde hoger beroep met de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV Y toch nog gegrond omdat in het bedrag van de aansprakelijkstelling een boete van € 2.161 was begrepen en de ontvanger niet had gesteld dat het belopen van deze boete was te wijten aan BV Y.

(Bron: FUTD)

Door cliënten betaalde bedragen niet van belang bij BUA correctie

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het BUA terecht en correct heeft toegepast. Volgens de Hoge Raad kunnen bij de BUA-correctie de bijdragen voor privégebruik en de aan cliënten doorbelaste bedragen niet in mindering worden gebracht.

X bv stelt auto’s ter beschikking aan haar personeel. Het personeel is een eigen bijdrage verschuldigd. In 2008 en 2009 bedragen de uitgaven voor de auto’s ruim € 1,4 mln en ruim € 1,8 mln. De daarop drukkende btw van € 272.803 en € 345.740 brengt X bv volledig in aftrek, hierbij wordt geen rekening gehouden met de ontvangsten uit de eigen bijdragen. Verder brengt X bv aan haar cliënten een extra bedrag in rekening als een werknemer met een auto wordt ingeschakeld. Bij de correctie voor het privégebruik in haar aangiften maakt X bv gebruik van de forfaitaire regeling. Na toepassing van het BUA, verleent de inspecteur teruggaven van € 155.276 en € 187.912. X bv is het hier niet mee eens. Volgens X bv bieden de jurisprudentie van het HvJ EU en de btw-richtlijnen geen ruimte voor een correctie op grond van het BUA, omdat haar werknemers een meer dan symbolische vergoeding aan haar hebben betaald. Verder stelt X bv dat er rekening moet worden gehouden met de bijdragen die haar werknemers hebben betaald en de vergoedingen die door de cliënten zijn betaald. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur het BUA terecht en correct heeft toegepast. Volgens het hof leidt het feit dat de werknemers een eigen bijdrage hebben betaald er niet toe dat het BUA niet mag worden toegepast. Verder merkt het hof nog op dat geen rekening wordt gehouden met de door de werknemers en cliënten betaalde bijdragen. Volgens het hof mag namelijk slechts rekening worden gehouden met bijdragen voor ‘het gelegenheid geven tot privévervoer’. Daar is volgens het hof geen sprake van. Het gelijk is aan de inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het BUA correct heeft toegepast. De Hoge Raad overweegt hierbij onder andere dat X bv niet aannemelijk maakt in hoeverre zij recht heeft op aftrek van de in rekening gebrachte btw. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat er geen kilometeradministratie is bijgehouden, zodat niet kan worden uitgegaan van de werkelijke kosten van het privégebruik en aansluiting kan worden gezocht bij het percentage van 27. Verder merkt de Hoge Raad nog op dat X bv niet kan volstaan met de stelling dat zij recht heeft op volledige aftrek, omdat de eigen bijdragen ten minste gelijk zijn aan de door X bv gedragen kosten van het privégebruik door de werknemers. X bv dient dan namelijk aannemelijk te maken in hoeverre zij recht op aftrek heeft van de in rekening gebrachte btw voor het gebruik van de personenauto’s. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof.

(Bron: Taxlive)

Eindelijk duidelijkheid over btw-aftrekrecht van holding BV’s

Op 16 juli 2015 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat ‘moeiende’ holdings in de basis een volledig btw-aftrekrecht hebben. Een pre pro rata is niet van toepassing. Madeleine Merkx, knowledge manager indirect tax bij Deloitte en universitair docent aan de universiteit Leiden, is blij met deze conclusie. Niet alleen omdat hieruit blijkt dat de Nederlandse wetgever de juiste visie volgt, maar ook omdat er nu meer duidelijkheid is voor de ‘moeiende’ holding die ook deelnemingen houdt waarin niet tegen vergoeding wordt gemoeid.

Voer voor discussie

Al jarenlang is er – ook in het buitenland – discussie over het btw-aftrekrecht van met name ‘moeiende’ holdings. In de Nederlandse holdingresolutie neemt de Staatssecretaris van Financiën het standpunt in dat de actieve holding die naast het houden van aandelen ook belaste ondernemersactiviteiten (management-en advieswerkzaamheden) verricht voor haar deelnemingen een volledig recht op btw-aftrek heeft – ook indien daarnaast nog aandelen worden gehouden in een deelneming waarin niet actief wordt gemoeid. Desondanks hanteert de Belastingdienst in toenemende mate een afwijkend standpunt. Eerder dit jaar lichtte Pascal Schrijver – een collega van Merkx – de verwarring toe in een artikel voor TaxLive.

Volledig btw-aftrekrecht

Aan die discussie is nu wellicht een einde gekomen, met dank aan de Duitse zaken Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt. Op 26 maart 2015 concludeerde Advocaat-Generaal Mengozzi dat wanneer een ‘moeiende’ holding naast het houden van aandelen ook tegen betaling btw-belaste diensten verricht aan deze dochterondernemingen, er geen beperking is van het recht op btw-aftrek. Er hoeft geen tweedeling te worden gemaakt tussen niet-economische activiteiten (houden van aandelen) en economische activiteiten (moeien in het beheer van de deelnemingen). Deze conclusie is destijds uitgebreid becommentarieerd door Merkx op TaxLive.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en komt kort gezegd tot het eindoordeel dat er geen aftrekbeperking is voor de ‘moeiende’ holding voor zover deze tegen vergoeding diensten verricht aan de deelneming. Een dergelijke holding oefent een economische activiteit uit. Hierdoor maken bijvoorbeeld aankoopkosten om een deelneming te verwerven deel uit van de algemene kosten waarover btw volledig kan worden afgetrokken, tenzij de holding vrijgestelde prestaties verricht.

Duidelijkheid

Merkx geeft aan dat het HvJ EU hiermee de visie van de Nederlandse Belastingdienst  bevestigt. “Dat is positief nieuws, want zou er wel een splitsing moeten worden gemaakt (pre pro rata) tussen niet-economische en economische activiteiten – zoals de Duitse rechter wenste te vernemen – dan zouden héél wat holdingmaatschappijen alsnog te maken  krijgen met een beperking van de btw-aftrek. Nu is definitief duidelijk dat een ‘moeiende’ holding de btw op aankoopkosten van de deelneming, op kapitaalverwervingskosten en op kosten gemaakt gedurende de periode dat de aandelen worden gehouden in aftrek kan brengen.”

Toegift

Overigens is er wel een btw-aftrekbeperking wanneer de ‘moeiende’ holding ook deelnemingen houdt waarin niet tegen vergoeding wordt gemoeid. Daarin schept het HvJ EU nu ook duidelijkheid. Merkx is blij met deze ‘toegift’. “Het Hof geeft aan dat wanneer een ‘moeiende’ holding zowel  deelnemingen houdt waarvoor tegen vergoeding btw belaste diensten worden verricht als deelnemingen houdt  waarbij dat niet plaatsvindt (enkel aandelenbezit zonder bemoeienis), de aftrek van btw op kosten dan wel beperkt is. Aan de hand van verdeelcriteria moeten lidstaten voorzien in een berekeningsmethode om de btw op kosten toe te rekenen aan de economische activiteit van het houden van een actieve deelneming waaraan belastbare diensten worden verricht en de niet-economische activiteit van het louter houden van aandelen. Het Hof spreekt van een verdeelsleutel volgens het soort investering, hetzij een verdeelsleutel volgens het soort handeling, hetzij een andere passende verdeelsleutel. Ook hier zit de Nederlandse wetgever op één lijn met het Hof. In een aftrekbesluit van 25 november 2011 (BLKB 2011/641M) zijn in ieder geval enkele globale aanwijzingen voor een verdeelsleutel opgenomen.”

Aanpassing holdingresolutie

Nu er door de Duitse zaken Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt meer duidelijkheid is gekomen over het btw-aftrekrecht voor de ‘moeiende’ holding, verwacht Merkx dat Financiën op korte termijn de holdingresolutie zal aanpassen om het standpunt rondom btw-aftrekrecht te verduidelijken en mogelijk ook om aanwijzingen te geven voor de berekening van de te hanteren verdeelsleutel voor de holding die gedeeltelijk ook deelnemingen houdt zonder daarvoor belastbare prestaties te verrichten.  “Met een aanpassing van de holdingresolutie weet iedere holding weer waar die aan toe is. Dit zal wel een impact hebben op de gedeeltelijk ‘passieve’ holding die nu door tegenstrijdig beleid en jurisprudentie de volledige btw in aftrek brengt. De vraag die dan nog openstaat, is wanneer een dergelijke holding zich niet meer kan beroepen op de bestaande resolutie. Wellicht biedt ook hier een nieuw besluit uitkomst.”

(Bron: Taxlive)