ABRvS wil conclusie van A-G over termijn herziening kinderopvangtoeslag

In de Awir zijn geen uiterste, bindende termijnen opgenomen, waarbinnen voorschotten kinderopvangtoeslag kunnen worden herzien. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in zes zaken over kinderopvangtoeslagen een conclusie gevraagd aan A-G Keus. In alle zaken heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitbetaalde voorschotten voor kinderopvangtoeslag meer dan vijf jaar na het verstrekken ervan in het nadeel van de aanvragers herzien of de toeslag definitief lager vastgesteld. De ABRvS wil van de A-G weten of, net als in het belastingrecht, een uiterste termijn is verbonden aan zo’n herziening en definitieve vaststelling. Hem is ook gevraagd om aandacht te besteden aan de verjaringstermijnen en andere vergelijkbare bindende termijnen binnen het algemeen bestuursrecht en het civiele recht. Verder attendeert de ABRvS erop dat de termijn waarbinnen de kinderopvangtoeslag definitief moet zijn vastgesteld, slechts termijnen van orde zijn. De ABRvS vindt uit een oogpunt van rechtszekerheid dat een aanvrager binnen een bepaalde termijn duidelijkheid moet krijgen over zijn aanspraak op een toeslag. De ABRvS zal de zaken op 14 december 2015 op een rechtszitting behandelen. De A-G brengt zijn conclusie uiterlijk zes weken na deze zitting uit. Daarna zal de ABRvS uitspraak doen in deze zaken, die speelden bij de rechtbanken van Den Haag, Rotterdam, Gelderland en Noord-Holland en waarin verschillend werd beslist.

(Bron: FUTD)

Minimumwaarderingsregel bij afkoop lijfrente niet van toepassing

De staatssecretaris heeft vooruitlopend op een wetswijziging goedgekeurd dat de minimumwaarderingsregel (art. 3.137, lid 1, Wet IB 2001) niet van toepassing is bij afkoop van een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen. Door de recente economische ontwikkelingen zijn belastingplichtigen eerder genoodzaakt om lijfrenteovereenkomsten af te kopen. De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij (geheel of gedeeltelijke) afkoop van een aanspraak op lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Dit doet zich met name voor bij lijfrenteovereenkomsten waarbij de waarde van de aanspraak op lijfrente door beleggingsverliezen aanzienlijk lager ligt dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. Het besluit is op 12 september 2015 in werking getreden.

(Bron: FUTD)

Aandelenpakket vormt ab omdat geen aandelen voor ex worden gehouden

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat niet hij maar H het economische belang bij het pakket van 350.000 aandelen had. X heeft bijgevolg een ab.

Belanghebbende, X, is CEO van het Nederlandse beursgenoteerde, vastgoedfonds I nv. Begin 2002 bezit X een belang van 4,8% in I nv. Door het uitoefenen van koopopties, en de uitkering van stockdividend, heeft X per 18 april 2002 een belang van meer dan 5% in I nv. In oktober 2002 draagt X zijn aandelen I nv voor € 44,9 mln over aan een groep kopers. In december 2002 maakt X CAD 250.000 over op de bankrekening van zijn ex-echtgenote, H. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een IB-navorderingsaanslag op aan X. Volgens de inspecteur heeft X namelijk inkomen uit ab genoten. X stelt dat hij slechts een belang van 4,857% in I nv had, omdat hij 350.000 aandelen voor H hield.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat niet hij maar H het economische belang bij het pakket van 350.000 aandelen had. Het hof overweegt daarbij dat H in haar Canadese IB-aangifte geen voordeel ter zake van de aandelentransactie heeft aangegeven. Verder overweegt het hof dat er geen bewijs is dat X het voornemen om aandelen voor H te kopen ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De inspecteur heeft dan ook terecht een voordeel uit ab in aanmerking genomen.

(Bron: Taxlive)

Wetsvoorstel aanpassingen jaarrekeninggrenzen nu ook door Eerste Kamer aangenomen

Opnieuw een hamerstuk. De controlegrenzen voor de jaarrekening gaan nu definitief omhoog, nu ook de Eerste Kamer een klap heeft gegeven op het wetsvoorstel. Wat nu nog wacht is de ondertekening door  de koning en de aankondiging in het Staatsblad.

 

Dit wetsvoorstel implementeert EU-richtlijn 2013/34/EU  over de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De richtlijn maakt deel uit van het beleid van de Europese Commissie om de regelgeving en de toegang tot financiering voor het mkb te vereenvoudigen.  Eerder nam de Tweede Kamer deze wijziging ook al aan.

De richtlijn moderniseert en vereenvoudigt het jaarrekeningenrecht. Daarnaast bevat de richtlijn een nieuwe regeling voor de verslaglegging van betalingen aan overheden door ondernemingen die actief zijn in de winningsindustrie en houtkap van oerbossen. In de praktijk komt het er op neer dat de grenzen voor het verplicht door een accountant laten controleren van de jaarcijfers nu definitief omhoog gaan en dat zgn. micro-entiteiten – kleinere MKB-ondernemingen – veel minder gegevens hoeven te deponeren bij de KvK.

Het wetsvoorstel brengt ook de uiterste opmaaktermijn voor jaarrekeningen terug van 11 naar 10 maanden. Hierdoor wordt ook de publicatietermijn teruggebracht van 13 naar 12 maanden. De nieuwe regels zijn van toepassing op de boekjaren die op of na 1 januari 2016 aanvangen. Toepassing over boekjaar 2015 is wel mogelijk, mits àlle bepalingen worden toegepast.

(Bron: Accountancyvanmorgen)