Waar goed op letten bij vooringevulde aangifte 2018?

De vooringevulde aangifte inkomstenbelasting 2018 staat vanaf 1 maart weer klaar om gecheckt en aangevuld te worden. Deze moet dan vóór 1 mei bij de Belastingdienst weer binnen zijn. Belastingplichtigen die de aangifte al vóór 1 april indienen, krijgen gegarandeerd bericht van de fiscus vóór 1 juli 2019. Doen zij aangifte na 1 april, maar wel vóór 1 mei, dan zal de fiscus proberen om vóór 1 juli een bericht te sturen. Als er een bericht vóór 1 juli wordt ontvangen, komt er in ieder geval geen belastingrente (tool) om de hoek kijken.

Veranderingen ten opzichte van 2017

Er zijn in de aangifte weer een aantal veranderingen ten opzichte van 2017 doorgevoerd. De belangrijkste veranderingen zijn:

  • Het tarief voor de aftrekbare kosten ten aanzien van uw eigen woning (tool) is weer aangepast als u in de hoogste schijf valt. Voor 2018 is dit percentage 49,5%.
  • De forfaitaire percentages in box 3 (tool) zijn weer aangepast (naar beneden):
  1. Vermogen van nul tot € 70.800: 2/3 deel belast tegen 0,36% en 1/3 deel tegen 5,38%.
  2. Vermogen van € 70.800 tot € 978.000:  21% belast tegen 0,36% en 79% tegen 5,38%.
  3. Vermogen boven de 978.000: 100% tegen 5,38%.

De 30%-heffing is wel gebleven. Het heffingsvrije vermogen is wel omhoog gegaan naar € 30.000. 

Aandacht voor de fiscale partner

Is er een fiscale partner aanwezig, dan is het belangrijk om daar bij het indienen van de aangifte extra aandacht aan te besteden. In de aangifte mogen beide partners bepaalde inkomsten en aftrekposten namelijk onderling verdelen. Dit kan een fiscaal voordeel opleveren. De volgende inkomsten en aftrekposten zijn onder andere te verdelen tussen de partners:

  • het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning;
  • het voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2);
  • de gezamenlijke grondslag voor sparen en beleggen (box 3);
  • uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Iedere verdeling is mogelijk, maar in totaal moet natuurlijk wel 100% van de inkomsten en aftrekposten meegenomen worden.

Uitstel aanvragen

Gaat het niet lukken om de aangifte op tijd (voor 1 mei 2019) te doen? Vraag dan uitstel aan. Dat kan door middel van een telefoontje naar 0800-0543 of schriftelijk. Met het doorgeven van  het burgerservicenummer, wordt al snel uitstel tot 1 september 2019 verleend.

(Bron: Rendement)

Fictieve afkoop kapitaalverzekering met lijfrenteclausule vormt geen loon

A-G Niessen concludeert dat er bij een fictieve afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule geen sprake is van loon waarop de verzekeraar loonheffing moet inhouden.

De zaak verloopt als volgt. Een man sluit in 1989 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Op deze lijfrenteverzekering zijn de fiscale regels van vóór 1 januari 1992 van toepassing (oud regime). Het lijfrentekapitaal bedraagt op de expiratiedatum 29 december 2012 € 65.345. Als gevolg van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op 31 december 2013 is er sprake van een fictieve afkoop.

De verzekeraar keert in 2015 een bedrag van € 32.936 uit aan de man en houdt € 33.979 in als loonheffing, maar draagt dit niet af aan de Belastingdienst. De inspecteur corrigeert de aangifte over 2013 en rekent de (fictieve) afkoopsom tot het inkomen. De man is van mening dat de door de verzekeraar in 2015 ingehouden loonheffing ter grootte van € 33.979 verrekend dient te worden bij de aanslag inkomstenbelasting over 2013.

Advocaat-generaal Niessen is van mening dat alleen ‘echte’ afkoopsommen van lijfrenten oud regime onderworpen zijn aan de heffing van loonbelasting. Omdat er in het onderhavige geval sprake is van een fictieve afkoop is er geen sprake van loon en hoeft de inspecteur geen rekening te houden met de door de verzekeraar (onterecht) ingehouden loonheffing. Het is wachten op het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad.

Belang voor de praktijk

In geval van overschrijding van de wettelijke beslistermijn dient de uitvoerder in de maand januari volgend op het jaar waarin de fictieve afkoop plaatsvindt een renseigneringsopgave te doen aan de Belastingdienst. De rechthebbende dient de waarde in het belastingjaar van de fictieve afkoop op te nemen in de aangifte inkomstenbelasting. Dit betekent dat in box 1 belasting verschuldigd is over de waarde op de datum van fictieve afkoop (minus een eventueel onbelast saldo) zonder dat sprake is geweest van een daadwerkelijk uitkering. Op het moment dat de wettelijke termijn is overschreden, verhuist de lijfrente van box 1 naar box 3. Na overschrijding van de wettelijke termijn zijn er twee mogelijkheden:

  • de rechthebbende wil het kapitaal alsnog in contanten laten uitbetalen
  • de rechthebbende wil het kapitaal alsnog gebruiken voor een al dan niet uitgesteld lijfrenterecht bij een bank of verzekeraar.

De rechthebbende wil het kapitaal alsnog in contanten laten uitbetalen

De uitkering kan zonder inhouding loonheffing worden overgemaakt omdat er sprake is van een uitkering uit een box 3 lijfrente. De uitvoerder is niet aansprakelijk voor de over 2013 verschuldigde inkomstenbelasting en mag ervan uitgaan dat de rechthebbende het lijfrentekapitaal in het jaar van overschrijding bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting heeft opgegeven.

Voor lijfrenten waarop de fiscale regels van de Wet IB 2001 van toepassing zijn is de bank of verzekeraar bij een fictieve afkoop wel aansprakelijk voor de verschuldigde inkomstenbelasting en revisierente. Dientengevolge zal de bank of verzekeraar dan ook een bedrag reserveren dat overeenkomt met de verschuldigde belasting. Dit bedrag wordt uitbetaald als aangetoond wordt dat aan alle fiscale verplichtingen in verband met de fictieve afkoop is voldaan. Als sprake is van een echte afkoop van een box 1-lijfrente moet de uitvoerder loonheffing inhouden en afdragen. Aansprakelijkheid voor verschuldigde inkomstenbelasting en/of revisierente is in dat geval niet aan de orde.

De rechthebbende wil alsnog een lijfrenteverzekering sluiten of lijfrenterekening openen

Na overschrijding van de wettelijke beslistermijn zal een uitvoerder slechts meewerken aan het alsnog realiseren van een direct ingaande of uitgestelde lijfrente nadat de Belastingdienst goedkeuring heeft verleend.

(Bron: Taxlive)

Controle zelfstandigenaftrek bij kleine omzet

Ondernemers die zowel in 2017 als 2018 een omzet hadden van minder dan € 5.000 en die in 2017 zelfstandigenaftrek hebben geclaimd in hun aangifte inkomstenbelasting, ontvangen binnenkort een brief van de Belastingdienst.

In deze brief waarschuwt de Belastingdienst de ondernemer dat een dergelijke kleine omzet kan betekenen dat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden van de zelfstandigenaftrek omdat hij minder tijd heeft besteed aan zijn onderneming of omdat hij werk ernaast heeft gekregen. Het is daarom van belang dat de ondernemer zijn aangifte IB 2018 goed controleert of hij wel voldoet aan de voorwaarden voor zelfstandigenaftrek. Hiermee voorkomt hij dat hij onterecht aftrek opgeeft en dat hij het belastingvoordeel later moet terugbetalen.

Een ondernemer komt in aanmerking voor zelfstandigenaftrek als hij voldoet aan de volgende twee voorwaarden:

  1. Hij is ondernemer voor de inkomstenbelasting.
  2. Hij heeft in 2018 minimaal 1.225 uur besteed aan z’n bedrijf (het urencriterium).

(Bron: taxlive)

Passieve dga geeft pensioen niet prijs

De Hoge Raad oordeelt dat een directeur-grootaandeelhouder die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen actie onderneemt om pensioentermijnen te ontvangen, zijn pensioenaanspraak daarmee nog niet heeft prijsgegeven.

De zaak verloopt als volgt. Een directeur-grootaandeelhouder (dga) bouwt pensioen op bij zijn eigen bv. Hij bereikt op 1 mei 2013 de pensioengerechtigde leeftijd. De bv keert in 2013 echter geen pensioentermijnen aan de dga uit. In zijn aangifte inkomstenbelasting geeft de dga al evenmin pensioen aan. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting neemt de inspecteur een pensioeninkomen van € 38.218 mee. Dat is het totaalbedrag van de pensioenuitkeringen waarop hij in 2013 recht heeft. De dga is het hier niet mee eens.

Hof Amsterdam heeft in hoger beroep geoordeeld dat deze stilzittende dga zijn pensioenaanspraak heeft prijsgegeven. In de procedure voor de Hoge Raad komt de advocaat-generaal tot eenzelfde conclusie. Bij een dergelijk prijsgeven wordt de waarde van de pensioenaanspraak in de heffing betrokken. De dga heeft zogezegd dus eigenlijk geluk dat de inspecteur alleen de pensioentermijnen waar de dga in 2013 recht op heeft in de heffing betrokken.

De Hoge Raad oordeelt echter anders. Dat de dga geen actie heeft ondernomen, betekent niet dat hij de hele pensioenaanspraak heeft prijsgegeven. Het oordeel van het hof is volgens de Hoge Raad dus onjuist. De dga schiet daar echter niets mee op. De Hoge Raad vindt namelijk dat de inspecteur terecht de niet-uitgekeerde pensioentermijnen belast. De vervallen termijnen zijn namelijk vorderbaar en inbaar.

Belang voor de praktijk

De fiscale sanctie bij prijsgeven van pensioen liegt er niet om. De waarde van de aanspraak wordt in dat geval progressief belast. Daarbovenop is 20% revisierente verschuldigd. Deze sanctie geldt echter alleen bij het prijsgeven van pensioen in eigen beheer. Dezelfde sanctie geldt overigens als het pensioen in eigen beheer is omgezet in een oudedagsverplichting (ODV) en deze ODV wordt prijsgegeven. Ook bij het prijsgeven van een lijfrente in eigen beheer is de fiscale sanctie materieel hetzelfde. Alleen als het gaat om een oud artikel 19- of artikel 44j-stamrecht is er bij prijsgeven geen fiscale sanctie. Wel wordt in dat geval de vrijgevallen verplichting als winst van de vennootschap belast (= vennootschapsbelasting). Zie hierover ook de uitspraak van Hoge Raad 18 februari 1998, nr. 32055, BNB 1998/177. Gaat het om een goudenhanddrukstamrecht in eigen beheer, dan wordt bij het prijsgeven de waarde van de aanspraak bij de gerechtigde belast, maar in dat geval is er geen revisierente verschuldigd.

Het enkele stilzitten van de dga is onvoldoende om aan te nemen dat hij de pensioenaanspraak heeft prijsgegeven, aldus de Hoge Raad. Daar is dus meer voor nodig. Maar hoeveel meer? Die vraag wordt door de Hoge Raad in dit arrest niet beantwoord.

(Bron: Taxlive)

Compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid

De uitvoeringsregeling van de wet compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid is gepubliceerd. Hieruit blijkt dat u uw verzoek tot compensatie van de uitbetaalde transitievergoeding aan langdurige arbeidsongeschikte werknemers vanaf 1 april 2020 bij het UWV in kunt dienen. Let wel: als u voor 1 april 2020 een transitievergoeding hebt betaald dan moet u uiterlijk op 30 september 2020 uw aanvraag voor compensatie bij het UWV ingediend hebben. Na die datum wordt een verzoek tot compensatie afgewezen.

 Aan het eind van 2018 werd de wet compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid al aangenomen. Als u een transitievergoeding heeft uitbetaald aan een werknemer in verband met een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, dan komt deze transitievergoeding voor compensatie door het UWV in aanmerking. Dit geldt dus ook voor transitievergoedingen die zijn uitbetaald voor inwerkingtreding van de compensatieregeling.

 De compensatie door het UWV bedraagt maximaal de verschuldigde transitievergoeding bij 104 weken ziekte. Op het moment dat het dienstverband slapend voort blijft duren, bouwt de werknemer nog transitievergoeding op. Dit deel van de transitievergoeding komt niet voor compensatie in aanmerking. Het is daarom ook verstandig zo snel mogelijk de slapende dienstverbanden te beëindigen.

 Het beëindigen van het dienstverband met de werknemer kan ook door middel van een vaststellingsovereenkomst. Wel dient de formulering van de vaststellingsovereenkomst en de beëindigingsreden zorgvuldig te gebeuren. Dit om te voorkomen dat u achter het net vist bij de compensatieregeling.

(Bron: Damsté)

Nieuwe aandachtspunten aangifte IB 2018

De Belastingdienst heeft het tweede deel van de aandachtspunten voor de aangifte inkomstenbelasting 2018 gepubliceerd.

In de tweede handreiking gaat het om de volgende onderwerpen:

– Resultaat overige werkzaamheden (ROW)
– Afkoop lijfrente
– Onjuiste verdeling – fiscaal partnerschap
– Ervenrekening
– Cryptovaluta

Resultaat overige werkzaamheden

Uit voorgaande jaren blijkt dat het opgeven van ‘resultaat uit overige werkzaamheden (ROW)’ (te) vaak niet gebeurt. Sommige belastingplichtigen vergeten die inkomsten in te vullen. Anderen weten niet precies welk bedrag zij als inkomsten moeten aangeven en welke kosten ze mogen aftrekken. Men moet de ROW zelf aangeven in de aangifte IB.
Opdrachtgevers geven dergelijke betalingen voor werkzaamheden of diensten door aan de Belastingdienst. Dit is het geval als de opdrachtnemer niet in dienstbetrekking is bij de opdrachtgever, of de opdrachtnemer de werkzaamheden of diensten niet als ondernemer verricht. Deze gegevens staan echter niet in de vooraf ingevulde aangifte (VIA). Alle bedragen die de ondernemer voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen, moeten aangegeven worden als inkomsten uit overig werk. Dit gaat dus om inkomsten én onkostenvergoedingen. De kosten van de inkomsten uit overig werk die direct te maken hebben met deze inkomsten (zakelijke kosten) mogen afgetrokken worden. Voor een aantal van deze kosten is een vast bedrag aftrekbaar. Er zijn ook kosten die niet aftrekbaar zijn, of alleen als ze boven een bepaald drempelbedrag uitkomen.

Afkoop lijfrente

Wie een lijfrenteverzekering afkoopt, moet de afkoopsom in de aangifte vermelden. De afkoopsom is belast in box 1. Het valt de Belastingdienst op dat belastingplichtigen de in de VIA opgenomen afkoopsommen naar een onjuiste categorie in de aangifte verplaatsen of ze uit de aangifte verwijderen. Omdat de afkoop in de VIA al is ingevuld moet u de juistheid van het bedrag controleren aan de hand van de opgave van de bank of verzekeraar.

Over de afkoopsom moet men  meestal 20% revisierente betalen. Vaak geven belastingplichtigen de revisierente niet op in de aangifte. Als de lijfrenteverzekering is afgekocht binnen 10 jaar is sprake van de tegenbewijsregeling. In deze situaties is men waarschijnlijk minder revisierente verschuldigd. Op de internetsite van de Belastingdienst staat een rekentool.

Onjuiste verdeling – fiscale partners

Fiscale partners kunnen een aantal gemeenschappelijke inkomensbestanddelen onderling verdelen. Dit geldt voor bepaalde inkomensbestanddelen van box 1 en inkomen box 2 en box 3. Om deze onderlinge verdeling toe te passen, moeten de partners het hele jaar elkaars fiscale partner zijn. De verdeling van ‘inkomensbestanddelen box 1 eigen woning’ en de toedeling van ‘vermogensbestanddelen box 3’ blijkt niet altijd goed te gaan in aangiften van fiscale partners. Er ontstaat een onjuiste verdeling als fiscale partners:

  • meer of minder dan 100% van het te verdelen inkomensbestanddeel van de eigen woning aangeven en
  • minder dan 100% van de te verdelen vermogensbestanddelen aan elkaar toedelen

De belangrijkste elementen die fiscale partners onderling kunnen verdelen zijn:

  • het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning;
  • de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen (box 3);
  • het (restant) persoonsgebonden aftrek.

Fiscale partners kunnen de onderlinge verdeling wijzigen zolang de definitieve aanslagen van beide partners nog niet onherroepelijk zijn vastgesteld. Een definitieve aanslag is onherroepelijk als de termijn van 6 weken voor bezwaar, beroep, hoger beroep of cassatie is verstreken. 

Ervenrekening

De Belastingdienst ziet in de praktijk dat erfgenamen vaak ten onrechte vergeten een ervenrekening op te nemen in hun aangifte IB. De ervenrekening vormt een onderdeel van de totale (onverdeelde) nalatenschap. Erfgenamen moeten het saldo op de peildatum van een ervenrekening dan ook aangeven in box 3 van hun aangifte IB. In het jaar dat de nalatenschap is verdeeld tussen, en/of ter beschikking is gesteld aan, de erfgenamen, kunnen twee situaties ontstaan:

1. De erfgenamen heffen de rekening op: de ervenrekening hoeft niet meer opgenomen te worden in de aangifte IB.

2. De ervenrekening blijft bestaan: het erfdeel moet nog worden opgegegeven in de aangifte IB.

Cryptovaluta

Wie in het bezit is van cryptovaluta, behorend tot het privévermogen, geeft de waarde in het economisch verkeer aan op 1 januari (peildatum). Gebruik hierbij de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform.

Ondernemers voor de inkomstenbelasting die betalingen ontvangen in cryptovaluta voor diensten of leveringen moeten deze omrekenen naar euro’s. Het omgerekende bedrag rekent u tot zijn omzet. Mogelijk maakt de ondernemer winst of verlies bij het omwisselen. Dat komt tot uitdrukking in de winst-en-verliesrekening. Ook als de ondernemer is voor de omzetbelasting en voor zijn diensten of leveringen betalingen ontvangt in cryptovaluta, moeten deze omgerekend worden. Bij de btw-aangifte geeft men vervolgens het bedrag in euro’s op.

Belastingdienst, 15 februari 2019