Waarom zou u een testament laten opstellen?

Waarschijnlijk wilt u er liever niet bij stilstaan dat u er straks niet meer bent. Toch is het fijn als op dat moment alles goed is geregeld. Vanuit mijn expertise ‘estate planning’ geef ik u de komende maanden een aantal handvatten omtrent uw testament. Laten we starten bij het begin.

Waarom zou u een testament laten opstellen?

Met een testament regelt u de overgang van uw vermogen na overlijden. Ook worden vaak andere zaken geregeld in een testament, zoals voogdij en bewind. Hieronder geef ik acht motieven voor het opstellen van een testament.

  1. Heeft u geen testament op het moment van uw overlijden, dan bepaalt de wet wie uw vermogen erft. Mogelijk wenst u het vermogen toe aan andere verkrijgers, bijvoorbeeld een familielid waarmee u een bijzondere band heeft of een goed doel.
  2. Heeft u minderjarige kinderen? Dan kunt u via een testament de voogdij regelen over de kinderen. U bepaalt dan zelf wie de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich neemt als de kinderen beide ouders hebben verloren.
  3. In een testament kunt u een bewindvoerder aanwijzen die het vermogen voor uw kinderen tot een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 23 jaar) beheert als beide ouders zijn overleden.
  4. In een testament kunt u bepalen dat de verkrijging bij een erfgenaam (veelal de kinderen) niet in een huwelijksgemeenschap valt. Die erfgenaam hoeft dan bij echtscheiding de erfenis niet te delen met de partner.
  5. Het wettelijk erfrecht is (uiteraard) niet altijd fiscaal het meest voordelig. Wenst u de belastingheffing bij overlijden te minimaliseren, dan kan een testament gewenst zijn.
  6. Bij een testament kunt u een executeur benoemen die de nalatenschap afwikkelt.
  7. U kunt ook bepaalde personen (direct of indirect) uitsluiten van de vererving, zoals kinderen waarmee u een slechte band heeft. Het kan ook zijn dat u niet wilt dat na overlijden van een kind het resterende deel van uw erfenis naar uw schoonzoon of schoondochter vererft.
  8. Heeft u een bedrijf en een beoogde bedrijfsopvolger, dan kan het verstandig zijn om in uw testament een regeling voor de bedrijfsopvolger op te nemen.

Tot zover enige motieven voor een testament. Eigenlijk kan in iedere fase van uw leven een testament van belang zijn. Het is dan ook goed om periodiek te (laten) bekijken of uw testament aanpassing verdient.

 

(Bron: Schipper Groep)

Gehuwde ondernemers opgelet: wederhelft kan rechtshandeling vernietigen op grond van ontbreken toestemming

De Nederlandse wet bevat een limitatieve opsomming van bepaalde financieel risicovolle handelingen waarbij een gehuwde vóór het verrichten van de handeling de toestemming nodig heeft van diens wederhelft.

Zo heeft een gehuwde bijvoorbeeld toestemming nodig als hij/zij in privé een hypotheek wil afsluiten.

De gedachte van de wetgever is dat echtgenoten tegen elkaar en tegen zichzelf moeten worden beschermd. Mocht het overleg met het thuisfront uitblijven en er wordt een hypotheekrecht aan de bank verstrekt, dan kan de andere echtgeno(o)t(e) de overeenkomst met de bank vernietigen op grond van het ontbreken van toestemming.

uitzondering

De wet maakt ook een uitzondering op dit toestemmingsvereiste, namelijk als:

  1. De hypothecaire geldlening niet wordt aangegaan ten behoeve van de privésfeer, maar voor “de normale uitoefening van het bedrijf”
  2. De vennootschap in kwestie een B.V. of N.V. is
  3. De echtgeno(o)t(e) alleen of samen met medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt

normale uitvoering van het bedrijf

Wanneer echter sprake is van een “normale uitoefening van het bedrijf”, is niet altijd eenduidig. Een verrichte handeling door de vennootschap, die niet direct als vreemd kan worden bestempeld, maakt nog niet dat het onder de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap valt.

De Hoge Raad oordeelde vorig jaar nog dat een borgstelling voor een overbruggingskrediet, dat enkel werd gebruikt om een faillissement van het bedrijf te voorkomen, niet kon worden aangemerkt als een handeling die behoorde tot de normale uitoefening van het bedrijf.

Dit criterium brengt dan ook nog steeds de nodige rechtspraak met zich mee. Zo oordeelde een rechter van de rechtbank Gelderland recentelijk juist het tegenovergestelde. De casus luidde als volgt:

Twee gezamenlijke directeuren, beiden gehuwd, waren hoofdelijk een hypothecaire geldlening aangegaan ter financiering van de aankoop van een bedrijfswoning. Vijf jaar later ging het bedrijf failliet. De bank ging over tot executie van het pand, ten gevolge waarvan de echtgenoten overgingen tot vernietiging van de onderliggende overeenkomst. De bank was hier uiteraard niet blij mee en betoogde dat er geen toestemming was vereist, omdat de aangegane hoofdelijke aansprakelijkheid onder de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap viel.

In deze situatie was de woning aangekocht om als bedrijfswoning dienst te doen. De bestemming van de woning was dan ook met medewerking van de gemeente gewijzigd. Ook waren er vijf vaste werknemers van het bedrijf in de woning gevestigd.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel bleek bovendien dat het aankopen en beheren van onroerend goed tot de activiteiten van het bedrijf behoorden. Andere onroerende goederen waren reeds eerder aangekocht met hetzelfde doel. De rechtbank oordeelde dat de aankoop van de woning onder deze omstandigheden paste binnen de gangbare, gebruikelijke activiteiten van het bedrijf.

De handtekeningen van de echtgenoten voor het sluiten van de overeenkomst met de bank waren dus niet vereist, waardoor zij geen beroep konden doen op vernietiging. Voor de bestuurders had dit als gevolg dat zij de restschuld bij de bank hoofdelijk dienden te vergoeden.

conclusie

De vraag of een persoonlijke zekerheidsstelling is aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening kan dus grote gevolgen met zich meebrengen.

Bij een ontkennende beantwoording van deze vraag heeft de andere echtgeno(o)t(e) veel in de melk te brokkelen.

Maar wanneer de handelende echtgeno(o)t(e) een hypotheek bij nader inzien ook liever kwijt is dan rijk, kan het ontbreken van de toestemming juist voordelig uitpakken: de niet handelende gehuwde vernietigt de overeenkomst en de situatie wordt weer teruggedraaid naar hoe die was. Maar als er sprake is van een gebruikelijke bedrijfsactiviteit, zal deze uitvlucht waarschijnlijk geen optie zijn…

(Bron: DVAN)

Betaal minder belasting met je BV: verbreek je fiscale eenheid

Is het zo simpel als de kop van dit stuk doet vermoeden? Dat hangt er vanaf. Maar laten we simpel beginnen.

Vennootschappen worden voor winsten tot € 200.000 belast tegen een tarief van 20%, terwijl het meerdere wordt belast tegen een tarief van 25%. Dit “opstaptarief” kan een reden zijn om de eerder gevormde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting tussen vennootschappen weer te verbreken.

Voorbeeld
Laten we eens kijken dit voorbeeld van de eenvoudige situatie van een moedervennootschap en een dochtervennootschap met beide een fiscaal resultaat van € 200.000. Wanneer deze vennootschappen een fiscale eenheid vormen, worden moeder en dochter gezien als één belastingplichtige met een belastbaar resultaat van € 400.000. De totaal verschuldigde belasting bedraagt dan € 90.000.

Door de fiscale eenheid te verbreken, worden ‘moeder en dochter’ niet meer gezien als één belastingplichtige. Dit betekent dat zowel ‘moeder’ als dochter € 40.000 belasting betalen over de winst, in plaats van de gezamenlijke € 90.000. Een jaarlijkse belastingbesparing van € 10.000.

Verbreken ook voor jou voordelig?
Begin met het in kaart brengen van de fiscale winstverwachting per vennootschap voor de komende jaren. Dan kun je beoordelen of er in de toekomst een tariefsvoordeel mogelijk is door het verbreken van de fiscale eenheid.

Houdt er rekening mee dat op Prinsjesdag 2016 is aangekondigd dat de winst waarvoor het opstaptarief van 20% geldt, de komende jaren stapsgewijs wordt verhoogd naar € 350.000 (in 2021). In het voorbeeld van zojuist, is de belastingbesparing in 2021 dan nog slechts € 2.500 per jaar.

De fiscale eenheid kun je op eigen verzoek verbreken. Dit verzoek werkt echter niet terug in de tijd. Als je de verbreking tegelijk met de start van een nieuwe boekjaar wilt laten lopen – zodat de verbreking geen extra administratieve lasten met zich meebrengt – moet je dit het verzoek dan ook vóór die datum indienen bij de Belastingdienst.

Denk goed na
Fiscale kansen lonken, maar denk goed na voordat je overgaat tot de verbreking van je fiscale eenheid. Ga na met welke reden de fiscale eenheid ooit gevormd is. Was dit bijvoorbeeld om belastingvrij een pand aan je dochtervennootschap over te dragen? Dan is het verstandig om na te gaan of er sindsdien voldoende tijd verstreken is. Bij voortijdige verbreking van de fiscale eenheid moet je namelijk alsnog belasting betalen over die eerdere overdracht.

Of misschien heb je plannen om te herstructureren, waarbij de mogelijkheid die de bestaande fiscale eenheid biedt om dit belastingvrij te doen goed van pas komt.

Maak je gebruik van de fiscaal voordelige innovatiebox? Vergeet dan niet om te kijken of je de innovatiebox nog kunt toepassen na het verbreken van de fiscale eenheid.

(Bron: Bentaccera)

Dga van BV toch aansprakelijk ondanks bijstortingen

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) komt niet onder de bestuurdersaansprakelijkheid voor belastingschulden van zijn bv uit door een paar ontoereikende bijstortingen te doen. Dit ondervond een dga onlangs voor Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

In deze zaak was de dga van een failliete bv door de fiscus aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven BTW. De inspecteur stelde dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur. De dga bestreed dit: toen de bv in zwaar weer verkeerde, zou hij verschillende bijstortingen hebben gedaan om de bv boven water te houden. Volgens de dga toonde dit aan dat hij alles wat in zijn macht was had gedaan om zijn bv te redden. Het was dan ook onredelijk om de belastingschuld op hem te verhalen wegens onbehoorlijk bestuur

Ervaren bestuurder had beter moeten weten

De inspecteur toonde voor de rechter echter aan dat het helemaal niet om bijstortingen van de dga ging. De dga had weliswaar geld gestort op de rekening van zijn bv, maar het ging feitelijk om een verrekening van een schuld die de dga nog had bij zijn bv. Ook kwamen andere stortingen niet van de dga zelf, maar eigenlijk van derden. Daar kwam nog bij dat de dga bewust te weinig BTW (tools) had aangegeven en betaald. Een beroep op softwareproblemen hielp hem niet. Als bestuurder was de dga ervaren genoeg om te kunnen weten dat zijn bv te weinig BTW had betaald. Het verwijt van onbehoorlijk bestuur was dus terecht.

(Bron: Rendement.nl)

Mag de werkgever een werknemer verplichten vakantiedagen op te nemen?

Zo tegen de Kerst wordt het bij sommige bedrijven wat rustiger. Mag een werkgever een werknemer dan verpIichten vakantiedagen op te nemen? Over het algemeen kunnen we stellen dat de werknemer zelf bepaalt of en wanneer vakantie wordt genomen. Alleen bij schriftelijke overeenkomst of in de cao kan de werkgever verplichte vakantiedagen vaststellen.

Het recht op vakantie is wettelijk geregeld. De werkgever is verplicht de werknemer ieder jaar in de gelegenheid te stellen de vakantie op te nemen waarop de werknemer ten minste aanspraak heeft (vier weken bij een fulltime dienstverband). Vakantie is bedoeld om de werknemer enige tijd uit te laten rusten van de werkzaamheden. Het is niet de plicht van de werkgever om een werknemer op vakantie te sturen.

Gewichtige bedrijfsbelangen

De werknemer is zelf verantwoordelijk voor het opnemen van vakantie. De werkgever moet akkoord gaan met de gewenste vakantie, tenzij gewichtige bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten. Hiervan is sprake als het verlenen van vakantie tot een ernstige verstoring van de bedrijfsvoering leidt.

Collectieve sluiting

In een schriftelijke overeenkomst of cao kan in de vaststelling van vakantiedagen door de werkgever worden voorzien. Zo kan een werkgever bijvoorbeeld op voorhand vakantiedagen vaststellen bij een collectieve sluiting van het bedrijf tijdens de zomervakantie. De vaststelling van vakantie dient dan wel zo tijdig plaats te vinden dat de werknemer voldoende gelegenheid heeft om zich op de vakantie voor te kunnen bereiden. Soms gelden er collectieve vakanties voor een hele sector, zoals de bouw en het onderwijs.

(Bron: HLB)

Wanneer moet u een investeringsaftrek terugbetalen?

Als u investeert, komt u in bepaalde gevallen in aanmerking voor investeringsaftrek. De ontvangen aftrek moet u terugbetalen als u de betreffende bedrijfsmiddelen binnen een bepaalde termijn weer verkoopt. Dit is de zogenaamde desinvesteringsbijtelling. Hoe kunt u dit voorkomen?

Wat valt er onder de investeringsaftrek?

Het betreft aftrekmogelijkheden voor kleinschalige investeringen en die voor milieu- en energievriendelijke investeringen. De aftrekken zijn fors en bedragen maximaal 28%, 36% respectievelijk 58% van het bedrag aan investering.

Wanneer moet u de investeringsaftrek terugbetalen?

Alleen als u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin u investeert verkoopt, krijgt u te maken met de desinvesteringsbijtelling. U moet het percentage aan aftrek dat u destijds gekregen heeft berekenen over de verkoopprijs die u ontvangt. Dit bedrag telt u op bij de winst en hierover betaalt u belasting. Verkoopt u na vijf jaar, vervalt de desinvesteringsbijtelling.

Voorbeeld: U investeerde op 4 maart 2012 voor €20.000 in een professionele filmcamera, en ontving hiervoor 28% investeringsaftrek, ofwel €5.600. Verkoopt u deze filmcamera in 2016 voor €10.000, dan moet u 28% x €10.000 ofwel €2.800 bij de winst optellen. Verkoopt u de camera in 2017, dus vijf jaar na aanschaf, heeft u geen desinvesteringsbijtelling.

Let op! U hoeft de investeringsaftrek alleen terug te betalen als u in één jaar voor meer dan €2.300 aan bedrijfsmiddelen verkoopt.

Voorbeeld: U investeerde op 4 maart 2013 in een fotocamera van €10.000 en ontving hiervoor 28% investeringsaftrek te weten €2.800. U verkocht deze een paar jaar later, eind 2016, weer voor €2.000. Dit is het enige product dat u in 2016 verkoopt. Dan blijft u met €2.000 onder het drempelbedrag van €2.300 en hoeft u niets bij uw winst op te tellen.

Tip: Vroeg in het jaar investeren beperkt dus de termijn van terugbetalen van de investeringsaftrekken.

Bedrijfsmiddel verhuren?

U kunt het terugbetalen van de investeringsaftrek voor milieu- en energievriendelijke investeringen ook voorkomen door uw bedrijfsmiddel te verhuren als u het zelf niet meer nodig heeft. Deze optie bestaat niet voor het ontgaan van de desinvesteringsbijtelling voor kleinschalige investeringen, zoals de filmcamera. Die moet u ook terugbetalen bij verhuur van het bedrijfsmiddel.

(Bron: Koenenenco)

Certificeren van aandelen

waarom certificeren?

Een aandeelhouder in een B.V. heeft twee soorten rechten:

  • het recht op zeggenschap in de algemene vergadering van aandeelhouders (stemrecht);
  • het recht op een deel van de winst, in de vorm van uitkering van dividend.

De algemene vergadering van aandeelhouders is het hoogste orgaan van een B.V.. De algemene vergadering beslist onder meer over benoeming van bestuurders, stelt de jaarrekening vast (en daarmee hoeveel dividend wordt uitgekeerd) en is als enige bevoegd ingrijpende besluiten zoals tot statutenwijziging of fusie te nemen. Het bestuur van de vennootschap voert het beleid uit dat door de algemene vergadering wordt bepaald.
Zolang er niet veel aandeelhouders zijn, en zolang iedere aandeelhouders nauw bij de onderneming van de B.V. betrokken is, zal het geen probleem zijn dat het recht op zeggenschap en het recht op dividenduitkering samenvallen. Soms is het echter minder gewenst. Enkele voorbeelden:

  • een familiebedrijf waarin enkele leden van de familie wél en een groot aantal – meestal in een volgende generatie – niet actief bij de bedrijfsvoering betrokken zijn;
  • de eigenaar/grootaandeelhouder wil langzamerhand terugtreden, maar toch nog toezicht of macht uitoefenen;
  • er zijn zoveel aandeelhouders, dat het moeilijk wordt om in de algemene vergadering tot overeenstemming te komen;
  • de belangen van de aandeelhouders lopen uiteen: de een wil meer dividend uitkeren, terwijl de ander het bedrijf wil uitbouwen.

wat houdt certificering in?

Certificering van aandelen biedt de mogelijkheid het stemrecht op aandelen bij een beperkte groep te concentreren, namelijk het bestuur van de Stichting Administratiekantoor. Deze Stichting wordt dan enig aandeelhouder. Het bestuur van de Stichting is stemgerechtigd in de algemene vergadering en beslist dan ook hoe in de algemene vergadering wordt gestemd. Het bestuur moet handelen enerzijds in het belang van de certificaathouder en anderzijds in het belang van de onderneming. Het kan soms lastig zijn de beide belangen met elkaar te verzoenen. In de praktijk is het zo, dat het belang van de onderneming vaak de doorslag geeft. Dit is bijvoorbeeld vaak zo bij de dividendpolitiek.

In het algemeen wordt door certificering de slagvaardigheid bevorderd bij het nemen van beleidsbeslissingen, die door de algemene vergadering van aandeelhouders moeten worden genomen. Uiteraard gaat dit voordeel alleen op als alle of althans zoveel mogelijk aandelen ter certificering worden aangeboden. Daarover zal men het wel eens moeten zijn, want aandeelhouders kunnen niet worden verplicht aan certificering mede te werken.

Certificering houdt in:

  • de aandeelhouder draagt zijn aandelen over aan de Stichting Administratiekantoor;
  • de Stichting Administratiekantoor draagt certificaten van aandelen over aan de (dan ex-) aandeelhouder; deze certificaten corresponderen met de aandelen.

de stichting administratiekantoor

In de statuten van de stichting wordt geregeld hoeveel bestuursleden er zijn, hun bevoegdheden, de wijze waarop zij voor de eerste maal benoemd worden, de wijze waarop bij het ontstaan van vacatures opvolging plaats vindt, enzovoorts.

Desgewenst kunnen nadere regelingen in een huishoudelijk reglement opgenomen worden. Er zijn geen bijzondere wettelijke bepalingen omtrent deze nadere (bevoegdheids)regelingen, zodat een vorm kan worden gekozen die zo goed mogelijk past bij de individuele situatie.

rechten van de certificaathouder

Een certificaathouder behoudt, vermogensrechtelijk gezien, hetzelfde belang in het vermogen van de vennootschap als waartoe hij als aandeelhouder gerechtigd was: recht op uitkering van dividend of van het saldo bij liquidatie. De Stichting Administratiekantoor treedt slechts op als kassier/sluis: uitkeringen op de aandelen die de Stichting Administratiekantoor ontvangt, worden doorgegeven aan de certificaathouder.

certificaten van aandelen

Bij certificering is het mogelijk om tegenover één aandeel van bijvoorbeeld € 1,- één certificaat van € 1,- uit te geven. Maar het is ook mogelijk om in plaats daarvan bijvoorbeeld tien certificaten van € 0,10 uit te geven. Met certificaten van kleinere coupures kan flexibeler worden omgegaan. In bijvoorbeeld geval van vererving kan het bezit van (certificaten van) aandelen toch vrij eenvoudig gelijkelijk over meerdere erfgenamen worden verdeeld. Ook in andere gevallen, zoals verkoop, zal overdracht van kleinere pakketten mogelijk zijn, waarmee dan niet direct zulke grote bedragen gemoeid zijn.

soorten certificaten

Er zijn twee soorten certificaten: royeerbare certificaten en niet-royeerbare certificaten. “Royeerbaar” wil zeggen dat de certificaten op wens van de certificaathouder, of onder bepaalde omstandigheden, weer omgewisseld kunnen worden in aandelen. Bij “niet-royeerbare certificaten” vindt de omwisseling alleen plaats als het bestuur van de Stichting Administratiekantoor daartoe besluit.

In de meeste gevallen wordt gekozen voor niet-royeerbare certificaten. Wil een certificaathouder van zijn certificaten af, dan wordt gewoonlijk bepaald dat deze zijn certificaten eerst moet aanbieden aan de overige certificaathouders overeenkomstig de blokkeringsregeling, die in de statuten van de B.V. staat. Hebben de overige certificaathouders en ook de aandeelhouders geen belangstelling, dan kan vrij verkocht worden, maar dat is meer een theoretische dan een praktische mogelijkheid. De verkoopbaarheid van een kleine hoeveelheden aandelen in een klein bedrijf is immers vrij moeilijk. Dit geldt evenzeer voor kleine pakketten aandelen. De positie van een certificaathouder is daardoor niet nadeliger dan die van een aandeelhouder.

administratie- of certificeringsvoorwaarden

De aandelen die worden gecertificeerd, worden door een stichting gehouden. Dit geschiedt onder een aantal voorwaarden. Deze heten administratievoorwaarden of ook wel certificeringsvoorwaarden. Hierin zijn uitgebreid de rechten en plichten van de stichting en de certificaathouder ten opzichte van elkaar beschreven.
Over de inrichting van de administatievoorwaarden bestaat grote vrijheid. Het belangrijkste punt is welke rechten de vergadering van certificaathouders heeft.

Hoe vindt certificering plaats?

Certificering van aandelen kent de volgende stappen:

  1. de oprichting van de stichting: Stichting Administratiekantoor (met meestal toevoeging van de naam van de B.V., zonder de letters B.V.);
  2. benoeming van het eerste bestuur en vaststelling van de certificeringsvoorwaarden;
    c. tenslotte leveren de aandeelhouders hun aandelen in en krijgen daarvoor certificaten (van aandelen) terug.

rechten van de certificaathouders

Hoewel er in de wet weinig geregeld is over certificering van aandelen, hebben certificaathouders de volgende rechten, indien de certificering met medewerking van de vennootschap geschiedt:

  1. De certificaathouders moeten voor de algemene vergadering van aandeelhouders worden opgeroepen.
  2. Zij kunnen de algemene vergadering van aandeelhouders na machtiging van de rechter bijeenroepen (mits ze tezamen minimaal tien procent van het geplaatst kapitaal in de vorm van certificaten houden).
  3. Voor de certificaathouder moet de agenda ook worden vermeld bij de oproeping, casu quo ten kantore van de vennootschap worden neergelegd.
  4. De certificaathouder mag zelf de algemene vergadering van aandeelhouders bijwonen en daar het woord voeren. Hij mag zich ook met een schriftelijke volmacht doen vertegenwoordigen.
  5. Bij voorstellen tot statutenwijziging moet dit in de oproeping worden vermeld.
  6. De certificaathouder(s) (mits ze tezamen minimaal tien procent van het geplaatst kapitaal in de vorm van certificaten houden) kan na toestemming van de rechter de boeken en bescheiden van de ontbonden rechtspersoon inzien.
  7. De certificaathouder kan de jaarstukken inzien ten kantore van de vennootschap.
  8. De certificaathouder kan de algemene vergadering van aandeelhouders bijeenroepen teneinde de jaarstukken in de algemene vergadering van aandeelhouders te doen vaststellen/goedkeuren.
  9. De certificaathouder(s) (mits ze tezamen minimaal tien procent van het geplaatst kapitaal in de vorm van certificaten houden) kan/kunnen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam een verzoek doen tot het instellen van een enquête.
  10. De certificaathouder is bevoegd een voorstel tot fusie neergelegd ten kantore van de vennootschap in te zien.

Van “medewerking van de vennootschap” kan bijvoorbeeld al sprake zijn, als de vennootschap de kosten van de certificering betaalt.

(Bron: Smit Boeser van Grafhorst notarissen)

Lagere kostprijs met andere sectorindeling voor uw uitzendbureau?

Wilt u een lagere kostprijs?
Precies een jaar geleden schreef ik mijn artikel ‘Indeling in vaksector serieus alternatief voor sector 52?’. De conclusie was dat het al snel een forse besparing op de loonsom oplevert, mits je bereid bent je aan een aantal spelregels te houden.
Sindsdien is er echter veel veranderd in de samenstelling van de werkgeverspremies en de vraag die regelmatig wordt gesteld, is of het nog steeds lonend is. Die vraag kan ik zeker met ‘ja’ beantwoorden. De percentages die bespaard kunnen worden, zijn over de hele linie wel iets lager geworden, maar liggen nog steeds tussen de 2 en meer dan 6 procent. In dit artikel laat ik dat met enkele rekenvoorbeelden zien.

Wat is sectorverloning ook alweer?
Sectorverloning betekent dat de intermediair niet meer alle flexkrachten verloont in sector 52, Uitzendbedrijven, maar waar mogelijk in een vaksector. Daarvoor gelden een aantal spelregels. De belangrijkste daarvan is dat het uitzendbeding niet meer mag worden gebruikt. Een andere is dat de intermediair het alleen mag toepassen op kandidaten die nu nog in fase A, 1 of 2 zitten.

Is het een schijnconstructie?
Sectorverloning is géén schijnconstructie. Het gaat uit van de gedachte dat uitzendkrachten die een bepaald vak verrichten, hetzelfde risico lopen als ‘gewone’ werknemers die dat soort werkzaamheden uitvoeren. Een logische gedachte.
Dat sectorverloning soms toch op één hoop wordt geveegd met schijnconstructies, heeft te maken met het feit dat sommige intermediairs het combineren met week- of zelfs dagcontracten. Maar dat doen diezelfde partijen ook in sector 52. En daar heb ik al eerder stelling tegen genomen.

Wel of niet in een nieuwe BV?
Vaak wordt gedacht en ook geadviseerd dat het opzetten van een nieuwe BV de beste/enige oplossing is om sectorverloning toe te passen. Ook bij de Belastingdienst is dat nog een gebruikelijke reactie. Maar een nieuwe BV betekent veel extra kosten die ook nog eens steeds terugkeren, zoals certificeringen, accountantsverklaringen en jaarrekeningen.
Een nieuwe BV betekent ook een veel grotere kans dat niet de uitzendcao en StiPP gebruikt mogen worden, maar dat een bedrijfstakcao en vooral een bedrijfstakpensioenfonds van toepassing worden verklaard. En dat is meestal niet gewenst. Om dat risico uit te sluiten, wordt vaak maar één vaksector geadviseerd: Zakelijke Dienstverlening.

Hoewel dat vaak ook al tot een behoorlijke besparing leidt, werd mij enkele jaren geleden gevraagd of er nog meer mogelijkheden zouden kunnen zijn. En die bleken er te zijn.
Vanuit de praktijk heb ik een methodiek ontwikkeld die binnen de bestaande BV wél de mogelijkheden biedt voor sectorverloning én het risico op verplichtstelling van andere cao’s en pensioenfondsen uitsluit. Voor veel intermediairs en inleners is dat het beste van twee werelden: de vrijheid van de uitzendcao én een lagere kostprijs.

Wel of niet voor eigenrisicodragers?
Sinds dit jaar is de premie Ziektewet (ZW) onderdeel van de Werkhervattingskas (Whk) en niet meer van de premie Sectorfonds. Het vreemde – wellicht onbedoelde gevolg – is, dat daarmee het onderscheid in premie ZW voor overeenkomsten met en zonder uitzendbeding is verdwenen. Die is voor alle soorten overeenkomsten hetzelfde geworden.
Bij overeenkomsten zonder uitzendbeding komt de loondoorbetaling bij ziekte daar dus bovenop. Er wordt als het ware twee keer betaald voor de zieke uitzendkracht. Dat geldt ook in de vaksector, alleen is het aandeel premie ZW in de Whk daar vaak nog geen 10% van de premie in sector 52.

Dat laatste zorgt ervoor dat het voordeel van sectorverloning in het algemeen groter is voor intermediairs die voor de ZW in het publieke stelsel zitten dan voor intermediairs die eigenrisicodrager zijn. En door de manier waarop de uitvoerders daarvan de premie berekenen, maakt het vaak ook nog uit of de intermediair al in 2013 eigenrisicodrager was of het in 2014 pas is geworden.

Wat levert het op?
De mogelijke besparingen zijn te definiëren als het verschil tussen de huidige premie sectorfonds plus de huidige premie werkhervattingskas en dezelfde premies die horen bij de beoogde vaksector.
In onderstaande voorbeelden gaan we uit van drie verschillende intermediairs in het publieke stelsel. Eén kleine werkgever (Flexiklein, loonsom € 300.000,-) en twee grote (loonsom € 4.000.000,-). De ene grote (Flexigoed) had in 2012 zijn verzuimbeleid perfect op orde en betaalt de minimale premie Whk. De andere grote (Flexipech) had in 2012 heel veel pech met zijn uitzendkrachten (of besteedde toen nog te weinig aandacht aan verzuimbegeleiding) en betaalt daarom de maximale premie Whk. Alle drie de intermediairs hebben alleen uitzendkrachten in fase A met uitzendbeding.

Vanuit een analyse is gebleken dat bij alle drie de bureaus 25% van de loonsom is toe te wijzen aan Zakelijke Dienstverlening en 18% aan logistieke werkzaamheden. Van het restant van de loonsom valt de helft in premiegroep IA en de andere helft in IIA.

Deze uitgangspunten geven de volgende resultaten:

Flexiklein:
Huidige situatie: Alles wordt verloond in sector 52. Totale premie Sectorfonds en Whk is € 36.382,-
Nieuwe situatie: Inrichting vaksectoren in combinatie met sector 52. Totale premie Sectorfonds en Whk is € 26.042,-
Besparing: € 10.340,- dat is bijna 30% minder dan in de huidige situatie en 3,45% besparing op de totale loonsom.

Flexigoed:
Huidige situatie: Alles wordt verloond in sector 52. Totale premie Sectorfonds en Whk is € 265.260,-
Nieuwe situatie: Inrichting vaksectoren in combinatie met sector 52. Totale premie Sectorfonds en Whk is € 213.400,-
Besparing: € 51.860,- dat is bijna 20% minder dan in de huidige situatie en 1,30% besparing op de totale loonsom.

Flexipech:
Huidige situatie: Alles wordt verloond in sector 52. Totale premie Sectorfonds en Whk is € 769.660,-
Nieuwe situatie: Inrichting vaksectoren in combinatie met sector 52. Totale premie Sectorfonds en Whk is € 500.908,-
Besparing: € 268.752,- dat is bijna 35% minder dan in de huidige situatie en 6,72% besparing op de totale loonsom.

Er zijn wel twee belangrijke opmerkingen te maken. De eerste is een waarschuwing dat uit deze besparing wel de verzuimbegeleiding en loondoorbetaling bij ziekte moet worden betaald. Want omdat de intermediair het uitzendbeding niet mag gebruiken, is hij daar zelf voor verantwoordelijk. De tweede opmerking is dat de besparingen ook veel hoger uit kunnen vallen, omdat binnen de vaksector niet per se elke werknemer feitelijk in die vaksector werkzaam hoeft te zijn. De grenzen die de belastingdienst hieraan stelt zijn behoorlijk ruim. Wij weten exact hoe die grenzen zijn en hoe u deze mag benutten. Uiteraard staat voor ons een 100% juiste toepassing van alle regels wel voorop.

En nu?
Sectorverloning past niet bij iedere intermediair. Het niet meer mogen gebruiken van het uitzendbeding is de belangrijkste reden. Dat betekent dat de intermediair zelf verantwoordelijk wordt voor het verzuimbeleid en de begeleiding. Dat moet hij willen en kunnen. Gaat hij daar niet als ‘goed werkgever’ mee om, dan kunnen de besparingen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ook moeten de grenzen goed geborgd worden in de interne processen. En last but not least: in de praktijk blijken veel belastinginspecteurs deze toepassing van de wetgeving niet (goed) te kennen en zijn ze nog wel eens geneigd in eerste instantie een aanvraag af te wijzen. Om al deze redenen vraagt zowel de analyse, maar zeker een succesvolle implementatie van sectorverloning om goede begeleiding.

(Bron: Flexnieuws)

Welke contracten zijn er voor oproepkrachten?

Er zijn verschillende soorten oproepcontracten: een oproepcontract met voorovereenkomst, een nulurencontract en een min-maxcontract. U bent een oproepkracht als u met uw werkgever heeft afgesproken dat u pas komt werken als uw werkgever u oproept. Uw werkgever kan u oproepen voor een paar uur. Maar soms ook voor hele dagen. Als oproepkracht heeft u dus geen vast maandloon.

Oproepcontract met voorovereenkomst

Een oproepcontract met voorovereenkomst heeft de volgende kenmerken:

  • Als uw werkgever u oproept, beslist u zelf of u gaat werken.
  • Als u gehoor geeft aan de oproep, ontstaat een arbeidsovereenkomst waarbij de afspraken in de voorovereenkomst gelden. Voor elke periode waarin u werkt, krijgt u een nieuwe tijdelijke arbeidsovereenkomst.
  • De werkgever betaalt loon over de uren die u werkt.
  • Bij 3 opeenvolgende contracten ontstaat een vast dienstverband. Ook kan een vast dienstverband ontstaan als opeenvolgende tijdelijke contracten een periode van 2 jaar overschrijden. Dit heet de ketenbepaling.

Nulurencontract

Een nulurencontract heeft de volgende kenmerken:

  • U gaat aan het werk als uw werkgever u oproept.
  • U heeft een contract voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd. Maar u heeft geen afspraak gemaakt over het aantal uren dat u werkt.
  • De werkgever betaalt u alleen loon over de uren die u werkt. Deze afspraak moet op papier staan. Deze afspraak geldt alleen voor de eerste 6 maanden van de arbeidsrelatie. Na die 6 maanden moet de werkgever loon doorbetalen als u bent opgeroepen en er door een reden die voor risico van de werkgever komt toch niet wordt gewerkt. Of als er werk is, maar u niet wordt opgeroepen. In een cao kan staan dat de periode van 6 maanden wordt verlengd. Dit kan alleen als het om werkzaamheden gaat die incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang kennen. In dat geval betaalt de werkgever nog steeds alleen de uren die u werkt. Zijn uw werktijden niet van tevoren bepaald? En wordt u opgeroepen om te werken (waarbij u ook daadwerkelijk aan het werk gaat)? Dan moet uw werkgever u in ieder geval voor 3 uur loon betalen.

Min-maxcontract

Een min-maxcontract heeft de volgende kenmerken:

  • U heeft een contract voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd voor een minimumaantal uren per week, maand of jaar. Dit zijnde garantie-uren.
  • U heeft een afspraak voor hoeveel uur u maximaal oproepbaar bent.
  • Voor de garantie-uren krijgt u altijd betaald, of u nu wel of niet heeft gewerkt door een reden die voor risico van de werkgever komt.
  • U moet werken tot het afgesproken maximum aantal oproepbare uren.
  • Uw werkgever betaalt loon voor het totaal aantal uren dat u werkt.
    De afspraak dat u voor de uren boven de garantie-uren alleen krijgt uitbetaald als u werkt, geldt alleen voor de eerste 6 maanden van de arbeidsrelatie. Na die 6 maanden moet de werkgever loon doorbetalen als u bent opgeroepen en er door een reden die voor risico van de werkgever komt toch niet wordt gewerkt of als er werk is, maar u niet wordt opgeroepen. In een cao kan staan dat de periode van 6 maanden wordt verlengd. Dit kan alleen als het om werkzaamheden gaat die incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang kennen. In dat geval betaalt de werkgever nog steeds alleen de uren die u werkt.  Is een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week afgesproken en zijn uw werktijden niet van tevoren bepaald? En wordt u opgeroepen om te werken (waarbij u ook daadwerkelijk aan het werk gaat)? Dan moet uw werkgever u in ieder geval voor 3 uur loon betalen.

Oproepkrachten en de cao

Het is belangrijk om te weten of het bedrijf waar u werkt onder een cao valt. In een cao kunnen afwijkende afspraken staan die voor u gelden. Hierin kan bijvoorbeeld voor werkzaamheden die incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang kennen de plicht tot loondoorbetaling voor een langere periode dan 6 maanden worden uitgesloten.

Loondoorbetaling bij ziekte

Wordt u als oproepkracht ziek? Dan houdt u soms recht op doorbetaling van loon. Soms krijgt u een Ziektewetuitkering van uitkeringsinstantie UWV. Dat hangt af van het soort oproepcontract dat u heeft.

(Bron: Overheid)

WBSO 2017: Maakt u al gebruik van deze interessante regeling?

Het is weer mogelijk een aanvraag in te dienen binnen de WBSO-regeling (Wet Bevordering Speur- & Ontwikkelingswerk) voor 2017. Wilt u uw financiële lasten van research and development (R&D) projecten verlagen en voert u de R&D werkzaamheden zelf als onderneming uit? Dan is de WBSO-regeling interessant voor u.

 

Deze fiscale stimuleringsregeling voor speur- & ontwikkelingswerk geldt voor iedere ondernemer in Nederland  ongeacht hoe groot uw bedrijf is en in welke bedrijfstak u actief bent. De projecten moeten betrekking hebben op onderzoek naar of ontwikkeling van technisch nieuwe (onderdelen van) producten, processen of programmatuur.

 

Uw fiscaal voordeel met WBSO

Als loonbelastingplichtige draagt u minder loonbelasting af terwijl u als zelfstandige een vaste aftrek krijgt voor S&O-uren. Het WBSO loonbelasting voordeel wordt berekend over het totaal aan S&O-loonkosten plus de overige kosten en uitgaven (of het forfaitaire bedrag voor kosten en uitgaven).

 

Als loonbelastingplichtigen drukt dit zich uit in een vermindering van de af te dragen loonbelasting van 32% (40% voor starters) over de eerste €350.000 van het totaal aan kosten en uitgaven in 2016. Over het merendeel bedraagt de vermindering 16%.

 

De aftrek die voor zelfstandig ondernemers geldt vanaf 2017 wordt pas in december definitief bekend gemaakt. In 2016 kon het voordeel voor zelfstandig ondernemers oplopen tot wel €18.729. Wij gaan ervan uit dat in 2017 soortgelijke voordelen te behalen zijn voor starters. U krijgt een vaste aftrek van €12.484 en voor startende zelfstandigen is er nog een extra aftrek van €6.245 mits u als zelfstandige ondernemer minstens 500 S&O uren maakt.

Aanvragen subsidie

Het aanvraagregime voor de WBSO is flexibel zodat doorlopend aanvragen kunnen worden ingediend. In totaal kan maximaal 3 keer per kalenderjaar WBSO worden aangevraagd voor een periode van 3 tot 12 maanden.

(Bron: Subsidienieuws)