All posts in Nieuws voor de Zelfstandige zonder personeel (ZZP), pensioen, pensioen

Zzp-organisatie Zelfstandigen Bouw is teleurgesteld dat zelfstandige schilders verplicht blijven pensioen op te bouwen bij pensioenfonds BPF Schilders. Het gerechtshof in Den Haag wees dinsdag de eis van de organisatie af om zzp-schilders net als andere zzp’ers de vrijheid te geven zelf te bepalen hoe zij pensioen opbouwen.

Zelfstandige schilders zijn verplicht aangesloten bij het pensioenfonds van hun bedrijfstak. Zelfstandigen Bouw voert hiertegen al jaren tevergeefs een juridische strijd. Eerder betoogde de organisatie al bij de rechtbank in Den Haag dat door de verplichting eigenlijk sprake zou zijn van kartelvorming. Maar de rechter ging daar toen niet in mee.

“Uitermate teleurstellend”, zegt voorzitter Charles Verhoef van Zelfstandigen Bouw over het nieuwe oordeel van het hof. “De meeste zzp-schilders willen van die verplichting af. Die is hen opgelegd zonder enige vorm van overleg.” Verhoef vindt de uitspraak nog teleurstellender omdat vorig jaar in het Pensioenakkoord ervoor is gekozen zzp’ers geen pensioenplicht op te leggen maar hen de vrije keuze te laten. Zelfstandigen Bouw gaat het vonnis bestuderen en bepaalt daarna of er gronden zijn om in cassatie te gaan.

(Bron: Taxlive)

De verdeling van pensioenen voor partners die gaan scheiden wordt gemoderniseerd. Minister Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en minister Dekker (Rechtsbescherming) hebben het wetsvoorstel ‘verdeling van pensioen bij scheidingen 2021’ 16 september naar de Tweede Kamer gestuurd.

Na inwerkingtreding krijgen beide ex-partners een zelfstandig recht op een deel van het pensioen dat ze tijdens het huwelijk hebben opgebouwd. Dit geeft ex-partners meer inzicht in wat hun financiële situatie na pensionering wordt. Ex-partners zijn niet meer afhankelijk van elkaars pensioendatum. Ook heeft het overlijden van een van beide ex-partners geen invloed meer op de pensioenuitkering van de ander. Deze wetswijziging verbreekt daarom de levenslange afhankelijkheid tussen ex-partners op pensioengebied.

Beiden ex-partners krijgen in de toekomst standaard de helft van het tijdens het huwelijk door de ander opgebouwde pensioen. Ex-partners kunnen ook aangeven dat zij het pensioen niet willen verdelen of dat zij andere afspraken over de verdeling maken. De 50/50-verdeling van het pensioen staat los van de hoogte van beide pensioenen. Het is dan ook geen verdeling van de meestverdienende partner naar de minstverdienende partner.

Verdelen

Na inwerkingtreding verdelen pensioenuitvoerders de pensioenen automatisch zodra ze vanuit de Basisregistratie Personen (BRP) een melding van een scheiding krijgen. Dit is een verbetering ten opzichte van het huidige systeem. Stellen die nu uit elkaar gaan, moeten zelf binnen twee jaar na hun scheiding bij de pensioenuitvoerder aangeven welke afspraken zij hebben gemaakt als zij de uitbetaling door de pensioenuitvoerder geregeld willen hebben. Doen stellen dit niet, dan wordt het pensioen niet op twee rekeningnummers gestort door de pensioenuitvoerder. In dat geval moet je, vaak jaren later, alsnog bij je ex-partner aankloppen en uitbetaling bij hem of haar regelen. In de praktijk vergeet ruim een derde van de scheidende stellen hun keuze door te geven.

Voor pensioenuitvoerders betekent deze wijziging dat zij meer pensioenen moeten verdelen dan nu, en dat zij het pensioen op een andere manier moeten verdelen. Dit leidt tot bijbehorende ICT-investeringen. Minister Koolmees is daarom reeds gesprek met vertegenwoordigers van de pensioensector over de uitvoering van de nieuwe wet.

(Bron: Taxence)

Betaalt u premies voor uw lijfrenteproduct (zoals vaste premies op een lijfrenteverzekering en/of vrije stortingen op een lijfrente (bank)spaarrekening)? Dan bestaat de kans dat u deze inleg niet volledig in box 1 heeft kunnen aftrekken ten laste van uw inkomen, vanwege een beperkte jaarruimte en/of reserveringsruimte. Indien u later uitkeringen ontvangt uit uw lijfrenteproduct kan er sprake zijn van dubbele heffing, vanwege het feit dat de uitkeringen in beginsel wel volledig belast zijn in box 1. Enerzijds ontvangt u een uitkering die belast is, terwijl u geen volledige aftrek hebt gehad. Om dit te voorkomen zijn er twee mogelijke oplossingen.

Betaalt u premies voor uw lijfrenteproduct (zoals vaste premies op een lijfrenteverzekering en/of vrije stortingen op een lijfrente (bank)spaarrekening)? Dan bestaat de kans dat u deze inleg niet volledig in box 1 heeft kunnen aftrekken ten laste van uw inkomen, vanwege een beperkte jaarruimte en/of reserveringsruimte. Indien u later uitkeringen ontvangt uit uw lijfrenteproduct kan er sprake zijn van dubbele heffing, vanwege het feit dat de uitkeringen in beginsel wel volledig belast zijn in box 1. Enerzijds ontvangt u een uitkering die belast is, terwijl u geen volledige aftrek hebt gehad. Om dit te voorkomen zijn er twee mogelijke oplossingen.

Verklaring fiscaal geruisloze terugstorting

Vanaf 1 januari 2018 bestond er géén mogelijkheid meer om de niet-aftrekbare lijfrentepremies die meer bedragen dan €2.269 belastingvrij terug te laten storten. Hier heeft de Staatssecretaris verandering in gebracht bij besluit van 16 mei 2019. U kunt namelijk een verklaring bij de Belastingdienst aanvragen, om te veel betaalde premie of te hoge inleg belastingvrij terug te laten storten.
Hier zijn de volgende voorwaarden aan verbonden:

  • U doet een schriftelijk verzoek bij de inspecteur
  • De goedkeuring geldt alleen voor betalingen gedaan in het kalenderjaar én de vijf daaraan voorafgaande jaren (tot en met 31 december 2019 kunt u dus nog verzoeken om terugstorting over het jaar 2014)
  • De goedkeuring geldt niet voor premies waar uw aftrek niet is verwerkt waar het wel mogelijk is. Voor zover u aftrekmogelijkheden heeft, moeten deze worden toegepast
  • Het fiscaal geruisloos terug te storten bedrag wordt, met terugwerkende kracht, in uw box 3 grondslag opgenomen 

Voorbeeld

U heeft een geblokkeerde lijfrenterekening afgesloten bij een bank. Uw inleg in 2019 bedraagt €10.000, maar er is slechts €4.000 aftrekbaar ten laste van uw box 1 inkomen. Dit resulteert in een niet-aftrekbaar bedrag van €6.000. Regelt u niets, dan zal uw inleg volledig belast worden bij uitkering van de lijfrenterekening. Met een saldoverklaring kan maximaal €2.269 per jaar belastingvrij uitgekeerd worden. Echter dit volstaat niet voor het volledige niet-aftrekbaar bedrag van €6.000 en zou te maken kunnen krijgen met belastingheffing over een bedrag waarvoor u geen belastingaftrek heeft gehad, namelijk:
€10.000 -/- €4.000 -/- €2.269 = €3.731.
In dit geval is een verklaring geruisloze terugstorting de oplossing om het niet-aftrekbaar bedrag van €6.000 terug te krijgen. Wel dient u deze €6.000 dan in box 3 aan te geven indien de terugstorting na 1 januari 2020 plaatsvindt.

Géén samenloop mogelijk

Een samenloop tussen de twee regelingen is helaas niet mogelijk. Indien reeds een saldoverklaring is afgegeven, wordt deze bij het verzoek tot het afgeven van een verklaring geruisloze terugstorting weer ingetrokken. Onbelaste uitkeringen die reeds hebben plaatsgevonden door middel van de saldoverklaring worden in mindering gebracht op het belastingvrij terug te storten bedrag.

Komt uw lijfrenteproduct binnenkort tot uitkering of heeft u te veel gestort op uw lijfrenterekening? Trek dan aan de bel! Onze belasting -en pensioenadviseurs kunnen dan voor u bekijken of u in het verleden alle premies hebt kunnen aftrekken. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan kunnen wij u van een op maat gesneden advies voorzien om een saldoverklaring, dan wel verklaring geruisloze terugstorting aan te vragen.

(Bron: Koenenco)

Op 4 juni 2019 zijn de eerste contouren van het (concept) pensioenakkoord bekendgemaakt. De onderhandelingen in november 2018 liepen vast op de stijging van de AOW-leeftijd. De regering is met een handreiking gekomen door de stijging van de AOW voor twee jaar te bevriezen en de koppeling aan de levensverwachting te temperen. De vakbond FNV kan nog roet in het eten gooien. Er zit namelijk een groot gat tussen wat zij als AOW- eis op tafel hadden gelegd en wat in het huidige onderhandelaarsresultaat is opgenomen. Op 14 juni kunnen alle FNV leden hierover stemmen.

Pensioenopbouw via werkgever nog onduidelijk

De invulling van de plannen voor de tweede pijler, pensioenopbouw via de werkgever, blijven nog onduidelijk. Centrale vragen zijn:

  • Hoe wordt het persoonlijk pensioen in de toekomst opgebouwd?
  • Hoe pakt dit uit voor de verschillende generaties?
  • Wie wordt op welke wijze gecompenseerd vanwege een lagere pensioenopbouw?

Afspraken pensioenakkoord die al duidelijk zijn

  • De AOW-leeftijd wordt vanaf 2020 voor twee jaar bevroren. De leeftijd gaat daarna omhoog naar 67 in 2024, in plaats van in 2021 zoals nu het geval is. De eis van de bonden was vijf jaar bevriezing. Voor de jaren na 2024 is een gedempte koppeling met de levensverwachting afgesproken: voor elk extra jaar levensverwachting stijgt de AOW-leeftijd met acht maanden. Dit kost het kabinet structureel €4 miljard per jaar. De bonden hadden ingezet op zes maanden.
  • Mensen met een zwaar beroep kunnen drie jaar eerder stoppen met werken. Voor bruto inkomens tot €19.000 per jaar hoeven werkgevers niet langer de zogeheten rvu-boete te betalen.
  • Zzp’ers moeten verplicht een arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten, tenzij ze kunnen aantonen voldoende vermogen te hebben om ziekte en arbeidsongeschiktheid op te vangen. Een verplicht pensioen voor hen komt er niet.
  • Voor het nieuwe contract komen er twee varianten, waaruit pensioenfondsen kunnen kiezen:  de collectieve variant zonder buffers en de premieregeling. De doorsnee-systematiek wordt vervangen door degressieve opbouw.
  • Het wordt mogelijk om op de pensioeningangsdatum een bedrag van maximaal 10% van de opgebouwde waarde in een keer op te nemen (lumpsum) ter vrije besteding.

(Bron: ABAB)

In de toekomst wordt het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen bij echtscheiding automatisch verdeeld. Zo krijgen beide ex-partners meer regie over hun eigen financiële planning. Ook ontstaat zo een beter overzicht van hoeveel pensioen men uiteindelijk kan verwachten.

Echtscheiding en pensioen

Wanneer u gaat scheiden hebben u en uw ex-partner kort gezegd beiden recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is opgebouwd. Die verdeling gebeurt standaard via verevening. Op het moment dat uw ex-partner met pensioen gaat, betaalt de pensioenuitvoerder dan uw deel van het ouderdomspensioen aan u uit. Om dit te kunnen doen moet de pensioenuitvoerder wel op de hoogte zijn van uw scheiding. Binnen twee jaar na de scheiding moet u daarom met een speciaal formulier een vereveningsverzoek doen bij de pensioenuitvoerder. Doet u dit niet of bent u te laat dan moeten u en uw ex-partner zelf de uitbetaling van het te verdelen ouderdomspensioen regelen.

Pensioenverevening is niet verplicht. U kunt samen met uw ex-partner afwijkende afspraken maken over de verdeling van het ouderdomspensioen of zelfs van verdeling afzien. Ook kunt u kiezen voor conversie van het ouderdomspensioen. Op het moment van scheiding wordt dan het deel van het ouderdomspensioen waar u recht op heeft, omgezet in een eigen pensioenaanspraak.

Automatische verdeling

Pensioenverevening is nu nog de standaardmethode, maar als het aan het kabinet ligt wordt conversie de standaard, oftewel: een automatische verdeling van het ouderdomspensioen bij scheiding, zodat beiden ex-partners ieder een eigen pensioenaanspraak krijgen. Ex-partners die deze automatische verdeling niet willen, kunnen dit aangeven bij de pensioenuitvoerder.

Let op! De automatische verdeling van het ouderdomspensioen bij scheiding heeft nog al wat voeten in de aarde. De plannen worden daarom nu eerst samen met de pensioensector verder uitgewerkt. In 2019 volgt hiervoor dan een wetsvoorstel.

(Bron: DRV)

Een vrouw heeft recht op partnerpensioen na overlijden van de man met wie zij ongehuwd samenwoonde, ondanks dat zij niet is aangemeld als partner bij het pensioenfonds. Dat oordeelt Rechtbank Gelderland.

De zaak (6 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5566, PJ 2017/168) verloopt als volgt. Een man en een vrouw wonen ongehuwd samen met een notarieel samenlevingscontract. De man neemt deel aan de pensioenregeling van zijn werkgever. De regeling wordt uitgevoerd door een pensioenfonds. Nadat de man is overleden, meldt de vrouw zich bij het pensioenfonds voor partnerpensioen. Het pensioenfonds weigert partnerpensioen uit te keren, omdat zij door de man of zijn werkgever niet is aangemeld bij het pensioenfonds.
 
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de vrouw tóch recht heeft op partnerpensioen. Het pensioenreglement bepaalt namelijk niet uitdrukkelijk dat een partner moet worden aangemeld.

Belang voor de praktijk

Volgens het pensioenfonds had de man uit het jaarlijkse pensioenoverzicht moeten begrijpen dat hij zijn partner moet aanmelden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Alléén een officiële toelichting op het reglement kan een rol spelen bij de uitleg ervan. Brieven en pensioenoverzichten behoren daar niet toe. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2013.
 
Bij een huwelijk hoeft een aanmelding van de partner niet altijd plaats te vinden. Het is verstandig goed te controleren of er al dan niet een aanmelding moet plaatsvinden.
 
De aanmelding van een partner voor de pensioenregeling gebeurt normaal gesproken via de werkgever. In dit geval wist de werkgever niet dat de werknemer een partner had. De rechtbank oordeelt dat de werkgever ook niet verplicht is om op actieve wijze informatie in te winnen bij zijn werknemers. De werkgever valt hier dus niets te verwijten.
 
Uit een uitspraak van Hof Amsterdam van 18 juli 2017 (PJ 2017/141) blijkt dat het ook anders kan lopen. Bij ontbreken van een notarieel vastgelegd samenlevingscontract én een aanmelding kan, gelet op de daartoe gestelde voorwaarden, een feitelijk samenwonende niet worden aangemerkt als partner in de zin van het pensioenreglement.
 

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Tot voor kort was de ZZP-er of ondernemer verplicht zijn lijfrentepotje aan te spreken alvorens hij een beroep kon doen op een bijstandsuitkering. Voor mensen met een werknemerspensioen was dat anders, hun pensioen was beschermd en hoefde niet aangesproken te worden bij een beroep op de bijstand.

Dit jaar heeft staatssecretaris Jetta Klijnsma een wetsvoorstel ingediend om dat verschil op te heffen. Op 17 november 2015 is de wet door de eerste kamer aangenomen.

Voor alle duidelijkheid wijs ik er nog eens op dat het ZZP-pensioen in feite een lijfrente is.

Deze regeling geldt voor alle lijfrentes. De voorwaarden zijn als volgt:

  • Het maximale lijfrentekapitaal wat wordt beschermd is € 250.000,-;
  • Lijfrentepremies die zijn gestort in de periode van vijf jaren voordat men een beroep deed op de bijstand zijn alleen beschermd:
    • tot een maximum van € 6.000 per jaar en;
    • Indien in elk van de vijf jaren tenminste enige inleg in een lijfrente product is gedaan.

Deze eisen dienen als waarborg dat mensen geen grote sommen geld wegsluizen in het zicht van een bijstandsaanvraag.

Alle verschillende lijfrente producten worden samengenomen. Het is dus mogelijk dat een individueel product niet voldoet aan de voorwaarden maar dit lijfrentekapitaal toch wordt beschermd omdat een andere lijfrente werd opgebouwd en het totaal van de producten wel aan de voorwaarden voldoet.

Uiteraard geldt deze regeling niet alleen voor lijfrentekapitalen van ZZP-ers en IB-ondernemers maar ook voor lijfrentekapitalen van DGA’s en ‘normale’ werknemers.

Bij expiratie van een pensioenpolis moet binnen een “redelijke termijn” een recht op een pensioenuitkering worden aangekocht. Wat onder een “redelijke termijn” termijn kan worden verstaan heeft de belastingdienst in (Vraag & Antwoord 10-001 d.d. 040510) aangeven dat hierbij een onderscheid gemaakt moet worden naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.

Voor een uitkering bij leven geldt een termijn van 6 maanden voor een uitkering bij overlijden geldt een termijn van 12 maanden.

De “redelijke termijn” is tijdelijk verlengd tot 31 december 2016 en geldt naast de regeling pensioenknip. Dat betekent dat bij thans expirerende pensioenpolissen uiterlijk ultimo 2016 een pensioen moet zijn aangekocht. Hierdoor kan ook nog gebruik worden gemaakt van het wetsvoorstel variabele pensioenuitkering, dat thans in voorbereiding is.

(Pensioenweblog)

Op 8 juli 2015 is de pensioenknip weer opengesteld voor pensioengerechtigden. Met de pensioenknip is het mogelijk eerst een tijdelijke pensioenuitkering aan te kopen en later een levenslange pensioenuitkering.

Veel pensioenproducten werken op basis van een pensioenkapitaal. Op de pensioendatum moet het pensioenkapitaal worden omgezet in een pensioenuitkering. Daartoe moet een nieuwe verzekering gesloten worden. De hoogte van de pensioenuitkering is afhankelijk van de verzekeringstarieven op de pensioendatum. De verzekeringstarieven zijn weer afhankelijk van de rente op de kapitaalmarkt. Is de rente laag, dan zal de uitkering ook laag zijn. Is de rente hoog, dan zal de uitkering hoger zijn.

De achtergrond van de pensioenknip is gelegen in de lage rekenrente bij de aankoop van een pensioenuitkering. Voor mensen die een pensioenkapitaal moeten omzetten in een pensioenuitkering, leidt die lage rekenrente tot een laag pensioen. Uitstellen van het aankoopmoment is vaak niet mogelijk waardoor mensen geconfronteerd worden met een teleurstellende pensioenuitkering.

Door de aankoop van de pensioenuitkering (deels) uit te stellen kan men inspelen op de verwachting dat de rekenrente stijgt. Daarnaast kan het resterende pensioenkapitaal langer worden belegd en kan er meer rendement worden behaald. Als de rekenrente op het tweede aankoopmoment hoger is, dan kan een hogere pensioenuitkering worden aangekocht, zo is de gedachte.

De oude pensioenknip heeft weinig voordeel gebracht voor de pensioengerechtigden. De rekenrente blijkt zich al langere tijd op een dieptepunt te bewegen en lijkt nog steeds te dalen. In plaats van een hogere uitkering, hebben de mensen die in het verleden hun pensioen hebben ‘geknipt’ vaak een lagere uitkering. Daarnaast was het onder de oude regeling niet mogelijk om de tweede uitkering bij een andere aanbieder onder te brengen. Men had niet de mogelijkheid te shoppen op het tweede aankoopmoment.

Voor de huidige regeling van de pensioenknip moet shoppen tussen de verschillende aanbieders wel mogelijk zijn. Staatssecretaris Jette Klijnsma schrijft in een brief aan de tweede kamer dat zij dit wil verankeren in wetgeving. Bron

Of het aantrekkelijk is de pensioenknip toe te passen hangt sterk af van uw persoonlijke situatie en toekomstverwachting. Zoals gezegd kan het positief uitpakken maar ook negatief. Het doorbeleggen van het pensioenvermogen lijkt aantrekkelijk maar u mag daar niet teveel van verwachten. Door de korte resterende looptijd van de beleggingen is het vaak niet verantwoord om risico te lopen in de beleggingen. Veelal komt men uit op beleggingen in obligatiefondsen. Een kenmerk van dergelijke fondsen is dat de waarde daarvan stijgt als de rente daalt en andersom.

De pensioenknip wordt toegepast indien men een stijgende rente verwacht. Dan kan immers een hogere pensioenuitkering worden gekocht voor het beschikbare kapitaal. Echter door te beleggen in obligaties wordt dit effect (deels) weer teniet gedaan. Bij een stijgende rente zal de waarde van de obligatiebelegging dalen.

De obligatiebelegging kent een vaste geldstroom die bestaat uit rente en aflossing op de einddatum. Als de marktrente stijgt, wordt die vaste geldstroom relatief minder aantrekkelijk ten opzichte van de markt en zal de waarde dus dalen. Bij langlopende obligaties is dit effect sterker dan bij kortlopende obligaties.

Daarnaast dient u bij de pensioenknip rekening te houden met extra (advies) kosten. In plaats van één aankoop moment met advieskosten zijn er bij de pensioenknip twee aankoopmomenten met advieskosten.

De gedachte van de pensioenknip is op zich goed echter, in het huidige economische klimaat is het zeer de vraag of daadwerkelijk voordeel behaald kan worden met de pensioenknip.

Rechters zijn het (vooralsnog) niet eens of de verdeling van pensioenrechten wel of niet aan verjaring onderhevig zijn. De ene rechtbank zegt van wel, de andere van niet. De rechtbank in Middelburg vindt dat na 20 jaar nog steeds verdeling van pensioenrechten mogelijk is door de ex-echtgenote. De rechtbank in Leeuwarden vindt in een soorgelijke situatie dat de vordering op de verdeling verjaard is. Rechtbank Middelburg, 28 maart 2012, nr. 80131/ HA ZA 2011-364 X en Y zijn in 1965 in gemeenschap van goederen gehuwd. In 1990 scheiden ze en wordt de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld. X heeft gedurende het huwelijk pensioen opgebouwd. In 2008 bereikt X de pensioengerechtigde leeftijd. Y vordert op dat moment de verdeling van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van X. Gezien het jaar van echtscheiding valt de verdeling van pensioenrechten onder de regels van het Boon/Van Loon-arrest. Het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen valt in de huwelijksgemeenschap en moet bij echtscheiding verdeeld worden. X kan niet bewijzen dat het pensioen al verdeeld is. Het pensioen wordt daarom als ‘overgeslagen goed’ aangemerkt en dient verdeeld te worden. Het beroep van X op verjaring wordt door de rechter verworpen, omdat de vordering van Y te kwalificeren is als een vordering tot verdeling van een gemeenschapsgoed. Deze vordering kan niet verjaren. De rechter veroordeelt X tot betaling van de helft van het bedrag van de contante waarde van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Daarnaast zal X de ontstane achterstand (vanaf pensioengerechtigde leeftijd) aan Y moeten vergoeden. Rechtbank Leeuwarden, 24 oktober 2012, nr. 118087 / HA ZA 12-51 X en Y zijn in 1964 in gemeenschap van goederen gehuwd. In 1984 wordt het huwelijk ontbonden. Bij de ontbinding is afgesproken om de pensioenaanspraken van X onverdeeld te laten. Vanaf 2006 geniet X een pensioenuitkering. In 2011 vordert Y de helft van de tot aan de echtscheiding opgebouwde pensioenrechten van X. Hierop geeft X aan dat de vordering tot verdeling van de pensioenrechten is verjaard. Y is het hier niet mee eens, omdat de pensioenrechten onverdeeld zijn gebleven en zij te allen tijde vrij is om verdeling te vorderen. De rechter oordeelt dat een vordering om het onverdeelde goed alsnog te verdelen mogelijk is, maar dat een dergelijk recht aan verjaring onderhevig is. De vordering van Y wordt wegens verjaring afgewezen. Belang voor de praktijk Het is opmerkelijk te noemen dat in twee soortgelijke uitspraken de rechters toch tot een andere uitspraak komen. In beide situaties is het Boon/Van Loon-arrest van toepassing. De echtgenoten waren in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben in beide gevallen nagelaten om de pensioenrechten te verdelen bij echtscheiding. Beide ex-echtgenoten vorderen op een later tijdstip de helft van de door de echtgenoot opgebouwde pensioenrechten. In beginsel kan verdeling van een ‘overgeslagen goed’ op elk moment worden gevorderd. De vraag is of een dergelijke vordering onderhevig is aan verjaring. De algemene verjaringstermijn is 20 jaar. In de uitspraak van Rechtbank Leeuwarden wordt voorbijgegaan aan het feit dat een ‘overgeslagen goed’ niet aan verjaring onderhevig is. De uitspraak van Rechtbank Middelburg is gebaseerd op het feit dat verdeling van een ‘overgeslagen goed’ te allen tijde gevorderd kan worden. Hieruit kan worden opgemaakt dat je niet aan verjaring toekomt. Voor echtscheidingssituaties die onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen (Wet VPS, geldig vanaf 1 mei 1995), is verjaring niet aan de orde. In die gevallen heeft de ex-partner altijd een vereveningsaanspraak jegens de andere partner. [Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]