Gevolgen flex-bv voor pensioen in eigen beheer

De Wet vereenvoudiging en flexibilisering van het bv-recht (Wet flex-bv) breidt de aansprakelijkheid van bestuurders uit. Dit heeft gevolgen voor dga’s die een pensioen in eigen beheer hebben.

Voor pensioen in eigen beheer geldt dat deze op de balans wordt gewaardeerd. Dit gebeurt in de regel op grond van de fiscale waarderingsregels. De werkelijke waarde van de verplichting – de kostprijs bij afstorting naar een verzekeraar – is altijd hoger, vaak zelfs veel hoger. Een verschil tussen fiscale en commerciële waarde is al snel 40 à 50%. Dit betekent dat de pensioenuitvoerende bv veel meer (vrije) middelen zal moeten aanhouden dan er volgens de fiscale balans nodig zou moeten zijn voor de pensioenuitvoering. Daardoor maakt de bv op papier winst (omdat de pensioenvoorziening feitelijk “te laag” is gewaardeerd). De vrije middelen die door deze schijn ontstaan komen in de balans naar voren in de winstreserve. Een winstreserve kan (deels) worden uitgekeerd aan de aandeelhouder(s). Dit heet dividend. Hoe gaat dat in zijn werk? Aandeelhouders kunnen straks niet meer zelfstandig besluiten tot dividenduitkeringen. Het bestuur moet goedkeuring geven. Als we het hebben over een dga en zijn bv dan besluit de dga in zijn hoedanigheid van aandeelhouder (in de aandeelhoudersvergadering) tot het doen van een dividenduitkering. De dga keurt deze beslissing in zijn hoedanigheid van bestuurder van de bv al dan niet goed. En nu komt het.

Voordat goedkeuring door het bestuur wordt gegeven, moet het bestuur nagaan of de bv na de uitkering nog wel aan haar verplichtingen kan blijven voldoen (= uitkeringstoets). De pensioenverplichting is één van die verplichtingen. Als de winstreserve (deels) pensioengeld is – ook al komt dit fiscaalrechtelijk niet tot uitdrukking in de balans van de bv – dan mag dit geld (in zoverre) niet als dividend worden uitgekeerd. Blijkt achteraf dat het bestuur ten onrechte goedkeuring heeft verleend en had het bestuur dit behoren te weten, dan kunnen bestuurders persoonlijk aansprakelijk worden gesteld om een tekort aan te zuiveren tot ten hoogste het bedrag van de dividenduitkering. Dat zelfde geldt voor aandeelhouders, als zij hadden moeten weten dat de uitkering onverantwoord was. Nu zal de pensioengerechtigde dga zichzelf in de hoedanigheid van bestuurder/aandeelhouder niet zo snel aansprakelijk stellen. Dat wordt anders als we het hebben over de Belastingdienst of eventuele ex-partners met een pensioenvordering op de bv. Dit gaat onherroepelijk in de toekomst nog veel (juridische) strijd opleveren. Het voeren van eigen beheer heeft er daarmee weer een risico bij. Ook dit onderdeel van de Wet flex-bv treedt op 1 oktober 2012 in werking.

[Bron: Fiscaal-juridisch Vakbureau Nationale Nederlanden]

Stamrecht of afkoopsom voor personeel kan fiscaal onvoordelig uitpakken

De Belastingdienstpensioensite heeft op 25 januari 2012 een handreiking gederfd of te derven loon gepubliceerd (versie 10 januari 2012).

In de praktijk komen stamrechten ter vervanging van gederfd of te derven loon bij ontslag steeds vaker voor, ook bij werknemers met de pensioendatum in zicht. Het gaat dan om de aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in het stamrechtartikel en de daarmee gelijkgestelde stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten.

De kennisgroep pensioenen (die ook stamrechten in zijn takenpakket heeft) meent in verband daarmee dat het nuttig kan zijn een handreiking te bieden bij vragen die in de praktijk ontstaan over de fiscale grenzen en (on)mogelijkheden bij de toekenning van stamrechten in het algemeen en bij ontslaguitkeringen aan oudere werknemers met de pensioendatum in zicht in het bijzonder.

De onderwerpen die in deze handreiking aan bod komen zijn onder meer:

* Het begrip ‘te derven loon’

* Te derven loon in relatie tot pensioen

* Het begrip ‘loon’ in ‘te derven loon’

* De stamrechtruimte

* Voorbeeld van de berekening van de stamrechtruimte bij een oudere werknemer

* Het begrip ‘gederfd’ loon

* Geen toepassing stamrechtvrijstelling voor te derven loon tijdens het bestaan van de      dienstbetrekking

Deze handreiking geldt zowel voor stamrechten die werkgever en werknemer overeenkomen in individuele gevallen van ontslag als voor stamrechten die worden toegekend in het kader van een reorganisatie, sociaal plan of collectief ontslag. Ambitions.nu wil u hierop atenderen. Het is goed om te overleggen met een adviseur indien u overweegt om grote afkoopsommen te betalen aan personeel. Indien dit niet goed begeleid word kan dit soms nadelig uitpakken. Neem gerust hierover contact op info@ambitions.nu.

Bron: Belastingdienst

Pensioenaanspraak via navordering te belasten door ontbreken afkoopverbod (DGA kijk in uw pensioenbrief)

De inspecteur legde aan X een navorderingsaanslag IB over 2004 op, omdat hij er bij het regelen van de aangifte Vpb 2006 van BV C achter was gekomen dat de pensioenregeling van X met ingang van 1 juni 2004 niet voldeed aan de voorwaarden van de Wet LB. X ging in beroep en stelde dat het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbrak, omdat de inspecteur al beschikte over de pensioenbrief van 13 december 1990 en hij een nader onderzoek had moeten instellen.

Rechtbank Haarlem besliste echter dat de inhoud van de pensioenbrief niet van belang was, omdat in de aangifte Vpb 2001 van BV C was vermeld dat de bestaande pensioenregeling was gewijzigd en de inspecteur er vanuit had mogen gaan dat de pensioenregeling in overeenstemming was gebracht met de geldende wetgeving. Pas door kennisname van de pensioenbrief van 28 maart 2006, die op 30 maart 2009 aan de inspecteur was gefaxt, was de inspecteur op de hoogte geraakt van het feit dat de pensioenbrief van 13 december 1990 op 1 juni 2004 nog geldend was en dus niet was aangepast aan de voorwaarden.

Het ontbreken van een waarde pensioenaanspraak in de aangifte IB 2004 van X was volgens de Rechtbank niet zodanig kwestieus dat de inspecteur een onderzoek naar de pensioenaanspraak had moeten instellen. De inspecteur had geen ambtelijk verzuim gepleegd. De Rechtbank handhaafde de navordering, omdat in de pensioenregeling van X op 1 juni 2004 een afkoopverbod ontbrak en daardoor niet voldeed aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

(Bron: futd 20-10-2011)

Wijziging overgangsregeling levensloop en werkbonus

In de tweede nota van wijziging bij het Belastingplan 2012 staat een nadere uitwerking van de overgangsregeling levensloop en werkbonus.

De overgangsregeling van de levensloopregeling wordt ten opzichte van het wetsvoorstel op de volgende punten aangepast:

  • In het wetsvoorstel is uitgegaan van een leeftijdgrens voor deelname aan de overgangsregeling vanaf 2013. Deze leeftijdgrens wordt losgelaten.
  • De overgangsregeling wordt – binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid – gericht op de groep die door actief spaargedrag heeft aangetoond van de levensloopregeling gebruik te willen maken. In dat kader blijft inleg vanaf 2012 alleen mogelijk voor werknemers die op 31 december 2011 een saldo van 3000 euro of meer (inclusief rendement) hebben opgebouwd. In het wetsvoorstel is nog uitgegaan van de voorwaarde van een positief saldo op die datum.
  • Vanaf 2012 wordt geen levensloopverlofkorting (LLVK) meer opgebouwd. Tot die tijd opgebouwde rechten kunnen wel verzilverd worden bij opname van het spaartegoed of bij de omzetting van levensloop in vitaliteitssparen.
  • Deelnemers met minder dan 3000 euro aan tegoed in de levensloopregeling op 31 december 2011 kunnen het tegoed in 2012 of in 2013 voor verlof opnemen of in 2013 onbelast doorstorten naar vitaliteitssparen, maar kunnen niet meer in levensloop storten. Als de deelnemers met op 31 december 2011 minder dan 3000 euro aan tegoed in de levensloopregeling hun levenslooptegoed niet uiterlijk op 31 december 2013 hebben opgenomen en dit ook niet hebben doorgestort naar vitaliteitssparen, dan valt het volledige levenslooptegoed aan het eind van het jaar 2013 na inhouding van belasting vrij.
  • Deelnemers met 3000 euro of meer aan tegoed in de levensloopregeling op 31 december 2011 kunnen het tegoed in 2013 eveneens fiscaal geruisloos doorstorten naar vitaliteitssparen, ook als de waarde van de voorziening hoger is dan het maximum van 20.000 euro dat fiscaal wordt gefacilieerd in vitaliteitssparen. Ook na 2013 kunnen deze deelnemers hun levenslooptegoed fiscaal geruisloos doorstorten naar vitaliteitssparen. Voor die jaren geldt echter wel het maximum dat in vitaliteitssparen fiscaal wordt gefacilieerd (20.000 euro in 2013). Over het eventuele meerdere moet belasting worden betaald bij de aanslag over het desbetreffende jaar. De levensloopverlofkorting wordt ook in deze situaties verrekend. Men kan dan niet meer terug naar de levensloopregeling, omdat de deelname aan het overgangsrecht na 2013 alleen mogelijk blijft als de waarde van de aanspraak ingevolge levensloop aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan nihil.
  • Net als in het wetsvoorstel is het niet mogelijk om deel te nemen aan zowel de overgangsregeling levensloop als aan vitaliteitssparen.

Werkbonus
De werkbonus wordt budgettair neutraal één jaar naar voren gehaald. De werkbonus geldt voor 61-plussers en bedraagt maximaal 2350 euro.

(Bron: kluwerfiscaal 11 oktober 2011)