Naderend ontslag. Kijk of u nog voor 15 november de afkoopsom kan ontvangen.

In 2013 of 2014 ontslag? Probeer dit plannen ivm een wetsvoorstel over het afschaffen van de fiscale faciliteiten hieromtrent en het eenmalig in 2014 met een belastingkorting kunnen opnemen van pensioen in eigen beheer bijvoorbeeld. Dat komt vooral door het voorstel om per 1 januari 2014 de zogenoemde stamrechtvrijstelling af te schaffen. Werknemers die een goudenhanddrukstamrecht willen regelen moeten snel zijn. Zeker als ze die willen storten in een eigen BV. Wat kunt u nog plannen voor het einde van het jaar?
Stamrechten
Als u als werknemer bij de beëindiging van uw dienstverband een ontslagvergoeding (‘gouden handdruk’) krijgt, dan wordt die vergoeding in beginsel direct belast met loon- en inkomstenbelasting. Fiscaal bezien is dat logisch maar voor u als ex-werknemer is het juist heel onhandig. Door de ontslagvergoeding wordt u al snel tegen een hoger belastingtarief belast dan wanneer u de vergoeding verspreid over de jaren zou ontvangen.De stamrechtvrijstelling biedt daar een oplossing voor. U zet de ontslagvergoeding om in een recht op periodieke uitkeringen (het ‘stamrecht’). Vervolgens wordt belasting geheven over de ontvangen uitkeringen in plaats van over de ontslaguitkering ineens. Zowel de uitkeringen als de belastingheffing worden dus naar de toekomst verschoven. Stamrechten kunt u regelen bij een bank, een beleggingsinstelling, een verzekeraar of in een eigen bv.Afschaffen en uitkeren
Om extra belastingopbrengsten te realiseren wil het kabinet de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 afschaffen. Er kunnen dan geen nieuwe ontslagvergoedingen meer in een stamrecht worden ondergebracht, zodat een ontslagvergoeding voortaan direct wordt belast. Dat kan voor de ex-werknemer dus tot een tariefnadeel leiden.

Voor bestaande stamrechten blijft de vrijstelling gewoon gelden. Om toch ook over dàt vermogen belasting te kunnen heffen wordt de mogelijkheid geboden stamrechten in 2014 in één keer op te nemen met een korting van 20%. U betaalt dan over slechts 80% van de uitkering inkomstenbelasting in plaats van over 100%. Bovendien is geen revisierente – een strafrente van 20% – verschuldigd.

Ook ná 2014 mogen stamrechten in één keer worden uitgekeerd. Dan geldt niet meer de korting van 20%, maar geldt wel dat er geen revisierente verschuldigd is.

Fiscale ontslagplanning
Voor wie nog in 2013 ontslag verwacht is planning zinvol. We noemen een paar mogelijkheden. Voor advies op maat kunt u bij ons terecht.

U zou nog dit jaar de stamrechtvrijstelling kunnen gebruiken en vervolgens in 2014 het stamrecht ineens laten uitkeren. U bespaart daarmee belastingheffing over 20% van de uitkering. Let op dat u in dat geval niet voor de lijfrente als stamrecht kiest, omdat de Belastingdienst dan zou kunnen stellen dat u feitelijk geen aanspraak op periodieke uitkeringen heeft bedongen. Het beste kunt u in dat geval de ontslagvergoeding in een bankspaarproduct storten. Laat u hierbij begeleiden door een adviseur. U moet daarmee overigens wel snel zijn omdat onlangs is bepaald dat de kortingsregeling alléén geldt als de ontslagvergoeding vóór 15 november 2013 is overgemaakt naar de bank of verzekeraar. (Nb. deze wetsvoorstellen dienen ook nog definitief goedgekeurd te worden door beiden kamers, maar dit gaat hoogstwaarschijnlijk nu wel gebeuren.)

Verwacht u in 2014 ontslag? Het kan lonen om daarop te anticiperen. Werkgevers blijken bereid te zijn om nog in 2013 de ontslagvergoeding te betalen, zelfs als het ontslag pas in 2014 plaatsvindt. Als de ontslagvergoeding vóór 15 november 2013 wordt overgemaakt naar de bank of verzekeraar en vaststaat dat de vergoeding dient ter compensatie van te derven loon, is de kans groot dat u de stamrechtvrijstelling kunt toepassen.

Eigen stamrecht-BV
Bent u van plan na uw ontslag voor uzelf te beginnen? Dan kan een eigen BV interessant zijn. Door het stamrecht in een eigen BV onder te brengen kan het dienen als startkapitaal voor uw onderneming. U moet dan wel snel zijn. De stamrechtvrijstelling vervalt naar verwachting op 1 januari 2014.

 

Pensioenuitkering gewoon belast bij gerechtigde

Met een recente uitspraak heeft Hof Arnhem-Leeuwarden duidelijk gemaakt dat een pensioen niet meer tussen echtgenoten is te verdelen als eenmaal de uitkeringen zijn ingegaan. De pensioengerechtigde geniet immers op dat moment het pensioen.

Een man had in de zaak voor het hof geprobeerd om de helft van zijn pensioenuitkering aan zijn echtgenote toe te rekenen. Hij stelde dat dit mogelijk was op basis van het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, LJN: AG4271, ook wel bekend als het Boon/Van Loon-arrest. Dit arrest zag echter op een ander geval, namelijk de civielrechtelijke verdeling van de pensioenaanspraken die gedurende een huwelijkse gemeenschap van goederen zijn opgebouwd. In het geval voor het hof ging het om de belastingheffing van een pensioenuitkering. De rechter oordeelde dat de man deze uitkering fiscaal gezien had genoten als niet-gemeenschappelijk inkomen. Dat de pensioenuitkering was gestort op een gezamenlijke rekening van de man en zijn echtgenote deed daar niets aan af. De Belastingdienst had terecht de pensioenuitkering voor het volle bedrag gerekend tot het belastbare inkomen van de man.

(Bron: Taxence)

Pensioen in eigen beheer, heeft dat nog wel nut?

Mensen worden sterk in beslag genomen door geld. Hele volksstammen laten zich ertoe verleiden hier langdurig over na te denken. Daarnaast betalen nog eens hele volksstammen andere volksstammen om voor hen na te denken over geld. Favoriet tijdverdrijf daarbij is het optimaliseren van de fiscale positie. Soms, beste mensen… soms wordt er echter overdreven.

Fiscaal voordeel
Het is zaak u geen fiscaal voordeel te laten ontgaan. Het is doodzonde om geheide hits als de zelfstandigenaftrek of de investeringsaftrek te laten liggen. Ze zijn er om het ondernemerschap te stimuleren, dus benut ze.

Een bekende is ook het gebruik maken van tariefverschillen tussen bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting (uw BV) en de inkomstenbelasting (uw privé-sfeer).

Pensioen in eigen beheer
Een uitwerking van dat laatste is het “pensioen in eigen beheer”. Als u onderneemt vanuit een BV kent u deze post ongetwijfeld. U bouwt in uw BV pensioen op ten behoeve van uw oude dag. Deze pensioenopbouw is nu aftrekbaar tegen het huidige tarief vennootschapsbelasting (max. 25,0%). Verder kost het u geen geld, want u hoeft niet af te storten aan een verzekeraar. Bij een toevoeging aan uw pensioenvoorziening van € 10.000 krijgt u dus € 2.500 retour (als u winst maakt).

Pas later, als u groot bent, betaalt u belasting. Dan gaat het pensioen uitkeren en moet over de uitkeringen door u loon-/inkomstenbelasting betaald worden. De hoogte hiervan kan variëren, afhankelijk van uw inkomen, van 5,85% tot 52%. Zeker als u de laagste tarieven in de loon-/inkomstenbelasting betaalt een groot voordeel.

Optimaal gebruik dus van de tariefverschillen tussen vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting.

Vroeger was alles beter
Vroeger was het allemaal echter leuker. De tarieven in de vennootschapsbelasting liepen op tot 45%. Voor die toevoeging van € 10.000 kreeg je dus € 4.500 retour. Daarnaast kon je, op basis van de toen geldende gunstige rekenregels, lekker hoge bedragen toevoegen aan je pensioenvoorziening. In de inkomstenbelasting werden tarieven tot 72% geregistreerd, maar voor vermogende particulieren waren er legio mogelijkheden het belastbaar inkomen en daarmee de te betalen belasting (enigszins kunstmatig) laag te houden. Eén groot feest!

En nu?
Tegenwoordig werken we met betrekkelijk ongunstige rekenregels. Beperkte opbouw van de voorziening dus. De tarieven in de vennootschapsbelasting zijn laag. Beperkte teruggaaf dus. En, dat is wellicht het meest vervelend, een continue stroom van nieuwe pensioenregels. Deze moeten allemaal worden verwerkt in de formele stukken zoals uw pensioenbrief. Gaat uw adviseur fijn mee aan de slag, voor u. Meteen even het totale plaatje rond de oudedag doornemen en u bent weer op de hoogte. De factuur volgt.

In 2014 moet dit ook weer gebeuren. Dan moet namelijk de verhoging van de pensioenleeftijd worden verwerkt in de pensioenbrief. Leuk om te weten daarbij is dat voor 2015 een versobering in de pensioenopbouw op stapel staat. Moet ook nog op een af andere manier verwerkt worden. Fijn gestructureerd aanbod van regelwijzigingen door de overheid, zo kunnen we wel stellen.

Is er een conclusie?
Wat mij betreft eigenlijk wel. Als er sprake is van een pensioen in eigen beheer, bedenk dan eens of dat speeltje nog wel nuttig is voor u. De ontwikkeling van belastingtarieven en rekenregels werken niet mee en de (jaarlijkse) advieskosten die er mee samenhangen komen daar nog bovenop. Zeker naarmate u ouder wordt, en dus het moment van heffen voor de Rijksoverheid dichterbij komt (die loon-/inkomstenbelasting), raakt de lol er wel een beetje af.

Bedenk daarnaast nog eens dat bij een faillissement vóór uw pensionering die hele opbouw voor u van betrekkelijk weinig waarde is geweest en dat, zonder speciale pensioenopbouw (en zonder faillissement uiteraard), de waarde van uw onderneming, als zodanig, ook een goede pensioenvoorziening kan zijn.

Kortom, ook op mooie producten uit het verleden komt wel eens de sleet te liggen.

(Bron: De Zaak)

Waardeoverdracht binnen eigen beheer: hoe en wat

Welke rekenrente moet fiscaalrechtelijk worden gehanteerd bij overdracht van pensioen van het ene eigenbeheerlichaam naar het andere? En hoe moet fiscaalrechtelijk worden omgegaan met een indexatieverplichting? Verder: hoe moet de nieuwe pensioenuitvoerder de verplichting waarderen? Hof Den Haag geeft antwoord op deze vragen.

Hof Den Haag heeft in drie uitspraken (LJN: CA1430, CA1431 en CA1432) duidelijkheid geboden hoe er fiscaalrechtelijk moet worden omgesprongen met pensioen als deze binnen eigen beheer wordt overgedragen. Er speelden in deze procedures een aantal zaken:

  1. Welk deel van de overdrachtswaarde mag fiscaal in aanmerking worden genomen bij de overdragende partij, de werkgever?
  2. Hoe moet de ontvangende partij – de nieuwe pensioenuitvoerder – de verplichting waarderen?

Het hof geeft hierop de volgende antwoorden:

  • Bij de bepaling van de overdrachtswaarde moet gerekend worden met de marktrente. Die was hier 3,74%. De inspecteur had gesteld dat de overdrachtswaarde berekend moest worden met inachtneming van een minimumrente van 4%. Dat standpunt verwerpt het hof.
  • Bij de bepaling van de overdrachtswaarde moet ook de kostprijs van indexatie worden doorberekend. Zou dit niet gebeuren dan is er sprake van een onzakelijk berekende overdrachtswaarde. Echter, de werkgever-BV kan deze indexatielasten niet fiscaal in aanmerking nemen. Dit deel van de overdrachtswaarde wordt op de balans van de werkgever opgenomen als “vooruitbetaalde pensioenpremie”. In de uitkeringsfase wordt deze balanspost afgeboekt naar gelang zich de indexatie voordoet.
  • De ontvangende partij – hier: een stichting – moet de pensioenverplichting op de balans waarderen. Hierbij moet een minimumrekenrente van 4% worden gehanteerd. Ook mag bij de waardering geen leeftijdsterugstelling worden gehanteerd. De overdrachtswaarde is berekend tegen een rekenrente van 3,74% en met inachtneming van een leeftijdsterugstelling. Hierdoor ontstaat bij de stichting winst die belast is met vennootschapsbelasting.

At arm’s length

Er was heel wat te doen over deze rechtszaken, maar de uitkomst stelt ons allemaal weer gerust. Het hof oordeelt zoals we de wet altijd al uitlegden, of in ieder geval dachten te moeten uitleggen. In die zin is er sprake van een storm in een glas water. Of toch niet? Er ligt nog een soortgelijke zaak bij het Hof Den Bosch. Dit hof zou natuurlijk met een andere uitspraak kunnen komen. Dat is niet onze verwachting, maar je weet natuurlijk maar nooit. Ook zou er tegen de uitspraak nog cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden aangetekend. Het is dus misschien nog wat te vroeg om nu al te juichen.

In de fiscale wetgeving zijn twee belangrijke bepalingen opgenomen die zien op de waardering van een pensioenverplichting. In de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat er bij de waardering rekening moet worden gehouden met een rekenrente van ten minste 4%. Waarderen tegen een lagere rekenrente – ook al is dat reëler, gezien de huidige marktrente – is fiscaalrechtelijk dus niet toegestaan. In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat er bij de waardering geen rekening mag worden gehouden met een leeftijdsterugstelling.

Deze bepalingen zien – nogmaals – op de waardering van een pensioenverplichting. Zij zien niet op de waardering van een overdrachtswaarde. Die mag – moet zelfs – wél worden bepaald tegen de marktrente en met inachtneming van een leeftijdsterugstelling. Als dat niet gebeurt, handelen partijen onzakelijk.

De overdrachtswaarde wordt in dat geval “at arm’s length” vastgesteld. Dat wil zeggen, we gaan voor de belastingheffing toch uit van een zakelijk vastgestelde prijs. De bepaalde overdrachtswaarde kan te hoog maar ook te laag zijn vastgesteld. Afhankelijk van de situatie kan er dan een (vermomde) dividenduitkering worden verondersteld, dan wel een (informele) kapitaalstorting op het geplaatste aandelenkapitaal.

[ Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Onverplicht betaalde pensioenlast niet aftrekbaar

In 2006 doet E BV een onverplichte betaling aan J BV, die als pensioenuitvoerder optreedt voor de directeur-grootaandeelhouder van E BV, ter zake van dit pensioen. Hof Leeuwarden oordeelt dat deze pensioenlast niet ten laste van de winst van E BV kan worden gebracht.

E BV is met haar directeur een pensioenregeling overeengekomen. De pensioenen zullen na ingang zoveel mogelijk waarde- of welvaartsvast worden gehouden. De regeling wordt aanvankelijk in eigen beheer uitgevoerd. Hof Leeuwarden stelt vast dat de pensioenverplichting vóór 2006 is overgedragen aan J BV, een zustermaatschappij. De boekwaarde van de verplichting bedraagt eind 2005 € 2.010.662. In 2006 doet E BV onverplicht een betaling aan J BV. Deze betaling houdt verband met:

  • de indexatietoezegging van het pensioen; en
  • het gegeven dat de marktrente lager is dan de bij de waardering van de pensioenverplichting gehanteerde rekenrente van 4%.

In hoger beroep oordeelt Hof Leeuwarden dat deze in 2006 opgekomen pensioenlast niet ten laste van de winst mag worden gebracht.

Sprongcassatie

Vóór 2006 is de pensioenverplichting tegen een onzakelijke overdrachtsprijs – waarschijnlijk de fiscale boekwaarde – overgedragen door E BV aan J BV. In 2006 proberen partijen door middel van een (onverplichte) nabetaling te redden wat er te redden valt. Het hof weigert echter de aftrek van de onverplicht betaalde koopsom voor de heffing van vennootschapsbelasting.

De aftrekbaarheid van de pensioenlast is het enige wat in deze zaak centraal staat. De consequenties zijn echter veel verstrekkender. Vaststaat dat J BV onvoldoende middelen heeft om de pensioenverplichting uit te voeren (structurele onderdekking). Door de onverplichte betaling is de dekkingsgraad bij J BV sterk verbeterd. De DGA is hierdoor in zijn hoedanigheid van aandeelhouder bevoordeeld.

Deze bevoordeling valt aan te merken als vermomde dividenduitkering, waarover de DGA aanmerkelijk belangheffing is verschuldigd. Naast de vennootschapsbelastingrechtelijke consequenties zijn er dus ook nog inkomstenbelastingrechtelijke consequenties aan verbonden. Die consequenties staan in deze uitspraak echter niet centraal.

Wat nu als de betaling niet onverplicht zou zijn geweest? Zou E BV in dat geval wel de volledige last van de winst over 2006 hebben kunnen aftrekken? Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Voor een groot deel hangt de pensioenlast samen met de toekomstige verplichting tot na-indexatie. Dergelijke indexatielasten kunnen op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aftrek worden gebracht. Dit is anders als J BV een professionele verzekeringsmaatschappij zou zijn geweest. Dan zouden de indexatielasten wel aftrekbaar van de winst zijn geweest. De betaling is dan wel terecht gedaan, maar de lasten zijn niet direct aftrekbaar. Niet direct, want op de balans van E BV worden deze lasten geactiveerd als ‘vooruitbetaalde pensioenpremies’. Pas als indexatie daadwerkelijk plaatsvindt worden de indexatielasten afgeboekt op deze balanspost. Daarmee worden de indexatielasten alsnog ten laste van het resultaat van E BV gebracht.

Voor een veel kleiner deel hangt de betaling samen met het verschil tussen de gehanteerde rekenrente (4%) en de op dat moment geldende marktrente (3,74%). Rechtbank Breda heeft vorig jaar in een procedure geoordeeld dat de lasten die met dit verschil in rekenrente samenhangen wel in aftrek kunnen worden gebracht.

Dat oordeel lijkt juist, maar tegen deze uitspraak is sprongcassatie bij de Hoge Raad aangetekend. Het is dus nog even afwachten hoe de Hoge Raad hierover denkt.

[Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]

Besluit vermindering DGA-pensioen in eigen beheer

Het besluit bevat de uitwerking van de in artikel 19b, negende lid, van de Wet LB geboden mogelijkheid om het pensioen in eigen beheer eenmalig te verminderen. De vermindering kan met ingang van 1 januari 2013 plaatsvinden als de vermogenspositie van het eigenbeheerlichaam door ondernemings- en/of beleggingsverliezen op de pensioeningangsdatum ontoereikend is om de aangegane pensioenverplichtingen na te komen. Tot en met 31 december 2015 voorziet het Belastingplan 2013 in eenzelfde eenmalige mogelijkheid tot vermindering voor de gevallen waarin de pensioenuitkeringen op 1 januari 2013 al zijn ingegaan. Voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden: De dekkingsgraad is op de pensioeningangsdatum 75% of lager. Bij het vaststellen van de dekkingsgraad geldt bovendien onder meer:

  • Het gaat om de activa en passiva van het eigenbeheerlichaam zelf. Er vindt geen fiscale consolidatie plaats.
  • De vastgestelde waarde van de activa wordt verhoogd met een correctie als het eigenbeheerlichaam voor het verzekeren van de pensioenaanspraken van een tot dezelfde fiscale eenheid behorend lichaam geen marktconforme premies of koopsommen heeft ontvangen in de zeven kalenderjaren voorafgaande aan de pensioeningangsdatum. De correctie is het bedrag van het premie- of koopsomverschil verhoogd met een samengestelde interest voor de periode tussen het moment van de ontvangst van de premie of koopsom en het moment waarop de pensioenaanspraken worden verminderd.
  • De vastgestelde waarde van de activa wordt verhoogd met een correctie incl. samengestelde interest als het eigenbeheerlichaam in de zeven kalenderjaren voorafgaande aan de pensioeningangsdatum formele uitdelingen van winst heeft gedaan. Als dit soort uitdelingen leiden tot de conclusie dat sprake is van afkoop van pensioen dan vervalt uiteraard de mogelijkheid om het pensioen te verminderen.
  • De vastgestelde waarde van de activa wordt verhoogd met een correctie incl. samengestelde interest als het eigenbeheerlichaam in de zeven kalenderjaren voorafgaande aan pensioeningangsdatum een terugbetaling van aandelenkapitaal heeft gedaan.

De onderdekking moet veroorzaakt door (reële) ondernemings- en/of beleggingsverliezen.

Hiervan is in ieder geval geen sprake als het eigenbeheerlichaam in de zeven kalenderjaren voorafgaande aan de pensioeningangsdatum:
– 1º te lage premies of koopsommen heeft ontvangen die niet zijn gecorrigeerd;
– 2º formele uitdelingen van winst heeft gedaan, die niet zijn gecorrigeerd;
– 3º uitdelingen, niet zijnde formele uitdelingen, van winst heeft gedaan;
– 4º een terugbetaling van aandelenkapitaal heeft gedaan, die niet is gecorrigeerd;
– 5º een onvolwaardige dan wel een afgewaardeerde vordering heeft of had op een of meer pensioendeelnemer(s). Dit is alleen anders voor zover de vordering op een verbonden lichaam onvolwaardig is geworden of is afgewaardeerd in verband met ondernemings- en/of beleggingsverliezen van dat lichaam.

De pensioenaanspraken worden verminderd met ten hoogste het bedrag dat noodzakelijk is om de dekkingsgraad van de fiscale waarde van de pensioenverplichtingen op 100% te stellen.

Risico
Let op het risico dat indien er geen toestemming tot vermindering volgt, de pensioenaanspraak belast kan worden op basis van de stelling dat het pensioen ‘illusoir’ is gemaakt.

(Bron: Findinet)

Lijfrentepremie voor 1 januari 2013 betalen

Lijfrentepremies voor 2012 zijn alleen aftrekbaar wanneer deze vóór 1  januari 2013 zijn betaald. Dat meldt de Belastingdienst op zijn website.

De polis moet voor de aftrekbaarheid wel voldoen aan sommige  voorwaarden.

Lijfrentepremies

Vanaf belastingjaar 2011 mag iemand in zijn aangifte alleen nog lijfrentepremies aftrekken die diegene in het jaar zelf betaalt. Dit betekent dat premies die in het eerste kwartaal van 2013 worden betaald niet meer mogen worden afgetrokken in de aangifte 2012. Alleen onder hele specifieke voorwaarden kunnen soms nog lijfrentepremies in het eerste kwartaal worden afgetrokken. Overleg hiertoe met u adviseur.

Pensioen

Dit geldt ook voor stortingen op een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Deze regels gaan in vanaf belastingjaar 2011. Voor belastingjaar 2010 gelden de oude voorwaarden.

(Bron: Elsevierfiscaal / bewerkt Ambtions.nu)

Pensioen/stamrecht in eigen beheer en flex-bv

Vanaf 1 oktober 2012 is het nieuwe bv-recht (flex-bv) van kracht. Op de pensioensite van de Belastingdienst zijn twee zogenoemde vraag & antwoordbesluiten gepubliceerd die ingaan op situaties die kunnen ontstaan als gevolg van het nieuwe bv-recht. Met name dga’s die geen 10% van de aandelen met stemrecht in de pensioen- of stamrecht-bv hebben, moeten actie ondernemen.
Met het invoeren van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht is per 1 oktober 2012 de definitie van een dga in artikel 1 van de Pensioenwet aangepast. Aan de definitie van de dga is toegevoegd dat minimaal 10% van de aandelen of certificaten van aandelen de dga stemrecht moeten geven op de algemene vergadering van aandeelhouders.

Indien de dga niet aan deze voorwaarde voldoet, is het binnen de wettelijke fiscale voorwaarden niet mogelijk om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Het wijzigen van de definitie van de Pensioenwet op 1 oktober 2012 kan voor bestaande pensioenovereenkomsten tot gevolg hebben dat de pensioenopbouw niet langer in eigen beheer kan plaatsvinden. Indien de pensioenopbouw in eigen beheer in dat geval niet stopt per 1 oktober 2012 zal de totale opgebouwde pensioenaanspraak op grond van artikel 19b Wet LB direct in de belastingheffing worden betrokken. Op grond van artikel 30i van de AWR wordt er bij de pensioengerechtigde bovendien revisierente in rekening gebracht.
De tweede vraag betreft het terugbetalen van aandelenkapitaal en het uitkeren van dividend door de flex-bv vanwege het vervallen van het verplichte aandelenkapitaal van € 18.000. Bestaande bv’s kunnen het eerder gestorte (minimum) aandelenkapitaal na het aanpassen van de statuten bijna helemaal terugbetalen aan de aandeelhouder(s). Daarnaast zijn de civielrechtelijke regels voor het uitkeren van dividend gewijzigd. Het uitkeren van dividend is alleen mogelijk na goedkeuring door het bestuur van de bv, waarbij het bestuur moet toetsen of de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt door de dividenduitkering. Een ten onrechte goedgekeurde dividenduitkering kan tot gevolg hebben dat het bestuur door benadeelde schuldeisers aansprakelijk wordt gesteld.
De Belastingdienst geeft aan dat het terugbetalen van aandelenkapitaal of het uitkeren van dividend gevolgen heeft voor de fiscale behandeling van een door de bv uitgevoerde pensioen- of stamrechtovereenkomst, indien de bv hierdoor niet langer in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren. In dat geval is er sprake van een (gedeeltelijke) afkoop van pensioen of stamrecht en wordt de volledige pensioen- en/of stamrechtaanspraak op grond van artikel 19b van de Wet LB direct in de belastingheffing betrokken. Op grond van artikel 30i van de AWR wordt er bij de pensioen- en/of stamrechtgerechtigde bovendien revisierente in rekening gebracht.
Voor de vraag of de bv nog in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren, is het na de uitkering van kapitaal of dividend resterende vermogen van de bv van belang. Er moet voldoende vermogen in de bv achterblijven om het pensioen en/of stamrecht op de korte en lange termijn volledig te kunnen uitbetalen. Voor deze toets moeten alle activa en passiva van de bv (inclusief de pensioen- en/of stamrechtverplichting) gewaardeerd worden op de werkelijke waarde in het economische verkeer. De waarde van de pensioen- en/of stamrechtverplichting is minimaal gelijk aan de koopsom die aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaald zou moeten worden voor het onderbrengen van die verplichting. Bij het vaststellen van de waarde moet onder meer rekening worden gehouden met een toegekende indexatie van de pensioen- en/of stamrechtuitkeringen. Indien het risico van vooroverlijden deel uit maakt van de door de bv uitgevoerde pensioen- en/of stamrechtovereenkomst dient hier ook rekening mee gehouden te worden voor het minimaal in de bv achter te blijven vermogen.

(Bron: belastingzaken)

Wijziging DGA-definitie in PW heeft consequenties voor pensioen in eigen beheer

Directeuren-grootaandeelhouder mogen onder voorwaarden hun pensioen in eigen beheer houden. Door invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht per 1 oktober 2012 zijn deze voorwaarden gewijzigd. Alleen een DGA met aandelen met stemrecht kwalificeert nog voor deze mogelijkheid.

Uitbreiding definitie DGA

Voor de Pensioenwet (PW) is een werknemer die direct of indirect houder is van ten minste 10% van het geplaatste aandelenkapitaal directeur-grootaandeelhouder (DGA). De Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) verwijst voor het begrip DGA naar de definitie in de PW. Een DGA mag volgens de PW en Wet LB zijn pensioen in eigen beheer houden. Door invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht per 1 oktober 2012 wordt in de PW de definitie van de DGA aangescherpt. Vanaf 1 oktober 2012 luidt de definitie in artikel 1 van de Pensioenwet als volgt:

directeur grootaandeelhouder:

  • persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;
  • indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden; of
  • houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;

Aan de definitie is dus toegevoegd dat de DGA ook stemrecht moet hebben in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, de AVA.

Wat betekent dit?

Als de DGA geen stemrecht heeft op tenminste 10% van de aandelen is hij volgens de PW en Wet LB geen DGA en mag hij volgens de wetgeving geen pensioen in eigen beheer op bouwen. Voor bestaande pensioenovereenkomsten kan de wijziging van de Pensioenwet tot gevolg hebben dat de pensioenopbouw niet langer in eigen beheer kan plaatsvinden. Als in die situatie de pensioenopbouw in eigen beheer niet stopt per 1 oktober 2012, wordt de totale opgebouwde pensioenaanspraak belast.

Conclusie

De wijziging van de Pensioenwet per 1 oktober 2012 vergt op korte termijn een nadere beoordeling van het aandeelhouderschap. Als de DGA geen stemrecht heeft vervalt de mogelijkheid om nog langer in eigen beheer pensioen op te bouwen. Dat heeft fiscaal ongewenste consequenties. Er dient dus nagegaan te worden of de statuten op een zodanige wijze aangepast kunnen worden dat voldaan word aan de vereisten, anders dient het pensioen afgestort te worden bij een erkende verzekeraar.

(Bron: Aegon, bewerkt Ambitions.nu)

Flex-bv: nieuw dga-begrip in de Pensioenwet

In verband met de invoering van het nieuw bv-recht op 1 oktober 2012 verandert ook de definitie van het dga-begrip in de Pensioenwet.

Er is volgens de aangepaste definitie slechts sprake van een dga indien hij een belang heeft van minimaal 10% van de aandelen waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden. De nieuwe definitie in artikel 1 van de Pensioenwet gaat per 1 oktober 2012 als volgt luiden:

directeur-grootaandeelhouder:

persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;

indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden; of

houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en aan welke aandelen stemrecht in de algemene vergadering van aandelen is verbonden.

De vet gedrukte cursiveringen zijn de voorgestelde nieuwe tekstdelen in de definitie. De aanpassing heeft te maken met het per 1 oktober gewijzigde bv-recht. Zoals al eerder gemeld ontstaat de mogelijkheid aandelen uit te geven waarop geen stemrecht in de algemene vergadering rust. Aandeelhouders met dergelijke stemrechtloze aandelen hebben geen zeggenschap en kwalificeren dus niet als dga. De Pensioenwet is dan dus gewoon van toepassing.

Wijziging van statuten

Als de nieuwe definitie gaat gelden heeft dat niet direct gevolgen voor bestaande pensioenregelingen van directeuren-grootaandeelhouders. Dat wordt anders op het moment dat de statuten van een bv worden aangepast in die zin dat stemrecht in de aandeelhoudersvergadering (deels) wordt losgekoppeld van aandelenbezit. In dat geval kan iemand die nu directeur-grootaandeelhouder is, niet langer als zodanig kwalificeren. De dga wordt dan ‘gewoon’ werknemer, ook al wijzigt er ogenschijnlijk niets. Het is in die gevallen zaak dat de pensioenregeling hierop wordt aangepast.

Als er sprake is van verzekerd pensioen, zal de pensioenregeling voor de dga premievrij moeten worden gemaakt en zal er een nieuwe pensioenregeling – vallende onder de werkingsfeer van de Pensioenwet – opgestart moeten worden. Is er sprake van een pensioen in eigen beheer, dan zal het overeengekomen pensioen naar de toekomst toe verzekerd moeten worden.

[Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]