Minimumwaarderingsregel bij afkoop lijfrente niet van toepassing

De staatssecretaris heeft vooruitlopend op een wetswijziging goedgekeurd dat de minimumwaarderingsregel (art. 3.137, lid 1, Wet IB 2001) niet van toepassing is bij afkoop van een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen. Door de recente economische ontwikkelingen zijn belastingplichtigen eerder genoodzaakt om lijfrenteovereenkomsten af te kopen. De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij (geheel of gedeeltelijke) afkoop van een aanspraak op lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Dit doet zich met name voor bij lijfrenteovereenkomsten waarbij de waarde van de aanspraak op lijfrente door beleggingsverliezen aanzienlijk lager ligt dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. Het besluit is op 12 september 2015 in werking getreden.

(Bron: FUTD)

Pensioenvoorziening BV: Overlevingstafel moet verband houden met gegevens boekjaar

Bij de waardering van een pensioenverplichting mag een lichaam geen leeftijdscorrectie toepassen op basis van een overlevingstafel waarin waarnemingen van feiten na de berekeningsdatum zijn betrokken.

Tot dit oordeel kwam Hof Amsterdam in de volgende zaak. Een bv had in 2009 van haar dochtermaatschappij een pensioenverplichting tegenover twee bestuurders overgenomen. Bij het berekenen van de koopsom hadden de partijen een leeftijdcorrectie toegepast. Daarbij waren zij uitgegaan van een leeftijdsterugstelling. Nu staat een fiscaal waarderingsvoorschrift een leeftijdsterugstelling alleen toe als correctie van een verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum. De Belastingdienst ging uit van de overlevingstafel 2003-2008, de bv van de tafel 2006-2010. Hof Amsterdam vond het geen probleem dat de overlevingstafel 2006-2010 pas na 2009 beschikbaar was. Dat deze tafel mede was gebaseerd op waarnemingen van feiten en omstandigheden die waren opgetreden na de balansdatum, was wel in strijd met het waarderingsvoorschrift.

 

Geen onevenwichtigheid

De bv stelde verder dat het waarderingsvoorschrift leidde tot een onevenwichtige uitkomst. Het hof was het daarmee oneens. Het voorschrift gold namelijk ook voor de dochtermaatschappij. Tegenover de verhoging van het fiscale resultaat bij de moeder als gevolg van de lagere voorziening stond een verlaging van het fiscale resultaat van de dochter met hetzelfde bedrag. Vervolgens stelde de bv dat het fiscale waarderingsvoorschrift alleen zag op de jaarwinstberekening. In haar situatie zou waardering op grond van het totaalwinstbegrip aan de orde zijn, aldus de bv. Maar het hof verwierp dit standpunt omdat het geen steun vond in het recht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

(Bron: Taxence)

Wat als de pensioenregeling op 1 januari 2015 nog niet is aangepast

De Belastingdienst geeft aan op welke wijze hoe het onzuiver worden van de pensioenregeling kan worden voorkomen als de regeling niet tijdig is aangepast.

Dat kan op drie manieren:

  • een tijdig verzoek aan de inspecteur om de regeling te beoordelen als bedoeld in artikel 19c van de Wet LB;
  • een tijdig verzoek tot splitsing van de aanspraken als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Wet LB;
  •  opschorten van de pensioenregeling.

Artikel 19c Wet LB biedt de mogelijkheid om een pensioenregeling ter beoordeling voor te leggen aan de inspecteur. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking of de voorgelegde regeling voldoet aan de daaraan fiscaal te stellen voorwaarden. De ter beoordeling voorgelegde regeling kan direct worden ingevoerd. Indien onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet voldoet aan de fiscale voorwaarden moet de regeling direct en met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van ingang van de regeling zodanig worden aangepast dat de regeling wel voldoet aan de voorwaarden.
Het beoordelingsverzoek moet uiterlijk 31 december 2014 zijn ingediend.

Ook een verzoek tot splitsen van een regeling in een zuiver en een onzuiver deel van de aanspraak moet uiterlijk 31 december 2014 worden gedaan.

De voorwaarden voor een verzoek om splitsing zijn uitgewerkt in artikel 18, derde lid, van de Wet LB en artikel 4.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

Opschorten pensioenregeling
Om fiscale onzuiverheid te voorkomen is het ook mogelijk de opbouw van de aanspraken op basis van de tot en met 31 december 2014 kwalificerende bestaande pensioenregeling per 1 januari 2015 op te schorten. De gemiste opbouw van aanspraken kan dan alsnog worden benut nadat de regeling is aangepast aan de fiscale kaders per 1 januari 2015. Hierdoor gaan per saldo geen rechten verloren en wordt fiscale onzuiverheid voorkomen. Het is mogelijk om de op risicobasis toegezegde aanspraken bij vooroverlijden, de dekking van het risico bij arbeidsongeschiktheid en een eventuele premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid ondanks het opschorten van de overige pensioenopbouw na 1 januari 2015 in stand te houden. Deze op risicobasis verzekerde aanspraken moeten dan direct per 1 januari 2015 wel volledig voldoen aan de dan geldende fiscale kaders.

Zie verder op de website van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst.

(Bron: Findinet)

Belastingdienst bekijkt nieuwe pensioenregeling

 

De bestuurder moet de pensioenregeling van de werknemers wijzigen vóór 1 januari 2015. Dit komt door de verlaging van de maximale opbouwpercentages. De Belastingdienst geeft werkgevers daarbij de mogelijkheid om de nieuwe pensioenregeling aan de fiscus voor te leggen. Als de bestuurder dat vóór 1 januari 2015 doet, kan de pensioenregeling in de loop van 2015 nog worden aangepast.

In het bericht ‘Regel compensatie voor de pensioenversobering’ las u al dat de bestuurder de pensioenregeling moet aanpassen aan de verdere beperking van de fiscale ruimte om pensioen op te bouwen. Zo worden de maximale opbouwpercentages voor eind- en middelloonregelingen verlaagd. De Belastingdienst wijst werkgevers er nu ook op dat zij de pensioenregeling voor de werknemers tijdig moeten aanpassen.

Pensioenregeling in de loop van 2015 aanpassen

Heeft uw bestuurder een nieuw concept voor zijn pensioenregeling opgesteld, maar weet hij nog niet zeker of deze voldoet aan de wettelijke eisen? Dan kan hij de pensioenregeling voorleggen aan de Belastingdienst. Dit moet hij wel doen vóór 1 januari 2015. In dat geval mag hij in overleg met de fiscus de nieuwe pensioenregeling ook nog in de loop van 2015 aanpassen, maar dan wel met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015.

OR is betrokken bij de pensioenregeling van de achterban

Aangezien uw OR ook betrokken is bij het pensioen van de achterban kunt u de bestuurder wijzen op deze mogelijkheid van de Belastingdienst als u twijfelt aan de regeling. Als de regeling namelijk niet in orde is, dan wordt niet de pensioenuitkering, maar de pensioenaanspraak belast.

(Bron: Rendement)

 

Overzicht: wijzigingen pensioenwetgeving in 2015

Werkgevers moeten zich vóór 1 januari 2015 beraden over de aanpassing van de bestaande pensioenregelingen en over de vereiste reparatie- en eventuele compensatiemaatregelen.

In onderstaand overzicht worden de belangrijkste wijzigingen en aandachtspunten bij de aanpassingen van bestaande regelingen per 1 januari 2015 uiteengezet.

Opbouwpercentage pensioen vanaf 1 januari 2015
Bij een pensioenleeftijd van 67 jaar mag bij een eindloonregeling per dienstjaar maximaal 1,657 procent fiscaal worden opgebouwd (nu 1,9 procent) en bij een middelloonregeling 1,875 procent (nu 2,15 procent). Die verlaging komt bovenop de al doorgevoerde verlaging met 0,1 procent per 1 januari 2014 (van 2,25 procent naar 2,15 procent), die als oorzaak had de aanpassing van de pensioenrichtleeftijd van 65 jaar naar 67 jaar.
De opbouwpercentages voor nabestaandenpensioen en wezenpensioen worden per 1-1-2015 evenredig verlaagd. Voor de beschikbare premieregelingen geldt dat de premiestaffels zijn gebaseerd op de pensioenopbouw in middelloon en dus eveneens naar beneden worden aangepast. De premiestaffel zal over de gehele linie een lagere pensioenpremie geven.
AOW-franchise
Voor het middelloonstelsel en beschikbare premieregelingen is de minimale AOW-franchise verlaagd waardoor over een hoger deel van het salaris pensioen kan worden opgebouwd. Echter voor het eindloonstelsel is de minimale AOW-franchise verhoogd waardoor over een lager deel van het salaris pensioen kan worden opgebouwd.
Dit kan complicaties opleveren in situaties waarbij de opbouw van het ouderdomspensioen is gebaseerd op middelloon of beschikbare premie en het nabestaandenpensioen is gebaseerd op eindloon. Een dergelijke pensioentoezegging komt in veel pensioenregelingen voor. Niet iedere pensioenuitvoerder zal bereid zijn om twee AOW-franchises in één pensioenregeling te hanteren.
Aftopping van het pensioengevend salaris
Vanaf 1 januari 2015 kan over het salaris boven 100.000 euro niet meer fiscaal gefaciliteerd pensioen worden opgebouwd. Dit maximale pensioengevend salaris wordt jaarlijks geïndexeerd. Er komt een mogelijkheid voor werknemers om vrijwillig te sparen uit het nettosalaris boven de 100.000 euro. De in te leggen premies worden onttrokken uit het nettosalaris en zijn dus niet aftrekbaar. Het gespaarde saldo is niet belast in box 3, maar mag alleen in de vorm van een lijfrente (periodieke uitkeringen) worden opgenomen. Ook loopt er een wetsvoorstel voor een netto pensioen voor de opbouw boven een salaris van 100.000 euro.
In beide situaties (netto lijfrente en/of netto pensioen) is de opbouw vrijgesteld en zijn de toekomstige uitkeringen (indien de gerechtigde tot de uitkeringen dan nog inwoner is van Nederland) onbelast. De ingelegde premies zijn dus niet meer aftrekbaar en leveren dus geen belastingvoordeel op. Een bijdrage van de werkgever in de premie is niet vrijgesteld, maar belast als loon.
Aftopping nabestaandenpensioen
Belangrijk aandachtspunt is het gevolg van deze aftopping van de opbouw voor het nabestaandenpensioen. Het nabestaandenpensioen zal flink dalen, zodat bij overlijden van de werknemer met een salaris boven 100.000 euro er een direct nadelig gevolg ontstaat voor de nabestaanden. Momenteel zijn er nog geen verzekeringsproducten ontwikkeld om een dergelijk nadeel op te kunnen vangen, anders dan een reguliere dalende risicoverzekering. Zeker voor werknemers die vanwege hun gezondheid moeilijk of niet verzekerbaar zijn is dit een belangrijk aandachtspunt, aangezien dergelijke werknemers zich in privé niet of niet tegen een reële premie meer aanvullend kunnen verzekeren. Overleg hierover met de huidige of nieuwe pensioenverzekeraar is zinvol.
Aanpassing beschikbare premieregelingen vóór 1 januari 2015
Uiterlijk 1 januari 2015 dienen alle pensioentoezeggingen op basis van een beschikbare premieregeling aangepast te worden van een zogenaamde ‘bruto- premiestaffel’ naar een ‘netto-premiestaffel’. Bij een ‘bruto-premiestaffel’ werden de premies voor de risicoverzekeringen (nabestaandenpensioen vóór pensioeningangsdatum en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid), alsmede de kosten voor de pensioenregeling uit de bruto pensioenpremie gefinancierd.

Netto-premiestaffel
Wat per saldo na onttrekking overbleef, werd in het kapitaal voor het ouderdomspensioen gestort. Vanaf 1 januari 2015 dienen alle beschikbare premieregelingen te zijn voorzien van een zogenaamde ‘netto-premiestaffel’. Dit wil zeggen, dat de risicopremies en kosten separaat van de netto pensioenpremie in rekening worden gebracht. De risicopremies en kosten zijn doorgaans voor rekening van werkgever. Een dergelijke aanpassing laat een verschuiving van pensioenlasten tussen werkgever en werknemer zien en hierdoor is aanpassing of invoering van een eigen bijdrage dus noodzakelijk.

Noodzakelijke wijziging van pensioenregelingen
Het nieuwe wettelijk kader vereist in de meeste gevallen een aanpassing van de bestaande pensioenregeling. Fiscale wetswijzigingen werken niet automatisch door in de civiele pensioenregeling. De werkgever moet in dit geval actie ondernemen.

Vanzelfsprekend kan een wijziging met instemming van de werknemer worden doorgevoerd. Is daar echter geen sprake van, dan is de vraag of in de arbeidsovereenkomst of pensioenregeling een zogenaamd eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen. Bij een beroep op zo’n beding moet sprake zijn van een dusdanig zwaarwichtig belang aan de kant van de werkgever dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Het is niet zeker of een zogenaamde fiscale bovenmatigheid – die ontstaat als de pensioenreling niet aan de nieuwe wetgeving wordt aangepast – wel

een voldoende zwaarwichtig belang voor de werkgever met zich meebrengt (NB: een werknemer moet wel beseffen dat een fiscaal bovenmatige pensioenaanspraak direct leidt tot een hoge naheffingsaanslag loonheffingen, vermeerderd met revisierente en boete). Immers in beginsel brengt een fiscale bovenmatigheid van de pensioenregeling geen nadeel voor de werkgever met zich mee. Daarnaast moet de pensioenregeling ook voor de werkgever een mogelijkheid bieden om de pensioenregeling eenzijdig te kunnen wijzigen.

Redelijkheid
Ook wordt voor het kunnen doorvoeren van en eenzijdige wijziging wel een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. De instemming van de Ondernemingsraad is voor rechters ook vaak een indicatie dat terecht een beroep wordt gedaan op een eenzijdige wijziging. Van belang is te onderkennen dat het instemmingsrecht van de Ondernemingsraad niet automatisch instemming van de werknemer met zich meebrengt. De werknemer kan individueel nog bezwaar aantekenen tegen een eventuele wijziging van de pensioenregeling.

Om het nadeel voor de werknemers te beperken, wordt in de praktijk vaak een compensatie-  of afbouwregeling aangeboden. Daarbij is van belang vast te stellen welk nadeel de werknemer door het wijzigen van de pensioenregeling lijdt. Tot slot is een aanpassing eerder redelijk wanneer de financiële middelen die daardoor vrijvallen, ten goede komen aan de getroffen werknemers.
Akkoord tekenen

Advies aan werkgevers is om hun werknemers, alsmede zijn/haar partner voor akkoord te laten tekenen met de aanpassing van de pensioenregeling. Dit kan op twee manieren plaatsvinden:

Een actieve goedkeuring: de werknemer wordt een akkoordverklaring ter ondertekening aangeboden.
Een passieve goedkeuring: de werkgever stuurt de werknemers een brief met daarin de wijzigingen vermeld, met als uitgangspunt, dat als een werknemer niet binnen een bepaalde periode schriftelijke gemotiveerd bezwaar maakt, hij/zij geacht wordt akkoord te zijn met de aanpassing van de pensioenregeling (een zogenaamde ‘negatieve optie’). Ingeval van een passieve goedkeuring, moet de werkgever erop toezien, dat de communicatie omtrent de inhoudelijke wijzigingen juist en duidelijk plaatsvindt.

NettoPensioen fiscaal anders dan verwacht

(Netto) pensioen volgens de Pensioenwet

Omdat het gaat over netto ‘pensioen’ in de zin van de Pensioenwet, wordt de fiscale behandeling van het netto pensioen (tweede pijler) anders dan die van de netto lijfrente (derde pijler). Dit vanwege de verschillen in de juridische basis, de verzekeringsvorm, de begunstigden en de afkoopmogelijkheden. In de toelichting op het ontwerpbesluit is aangegeven dat voor het netto pensioen de fiscale voorwaarden worden toegespitst op het loonbelastingregime van de tweede pijler.

Hierbij een overzicht van de verschillen tussen het netto pensioen en de netto lijfrente:

 
Netto pensioen (2e pijler) Netto lijfrente (3e pijler)
INKOMENSVOORZIENINGEN Ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen Oudedagslijfrente, nabestaandenlijfrente of tijdelijke oudedagslijfrente
AANBIEDER Pensioenfonds, verzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) Pensioenfonds, verzekeraar, PPI, bank of beleggingsinstelling
KRING VAN GERECHTIGDEN
NABESTAANDEN-
VOORZIENINGEN
Partnerpensioen: (gewezen) echtgenoot of degene met wie (gewezen) werknemer gemeenschappelijk huishouding voert / voerde

Wezenpensioen: (pleeg)kinderen tot 30 jaar

Nabestaandelijfrente: elke willekeurige natuurlijk persoon die verzekeringnemer (belastingplichtige) heeft aangewezen
UITKERINGSVORMEN Levenslange uitkering in geld (niet beleggingseenheden) die kan variëren binnen de marge 100:75 Levenslange of tijdelijke uitkering die vast en gelijkmatig is in geld of beleggingseenheden
VERERVEN Niet mogelijk Wel mogelijk (in geval van spaarrekening of beleggingsrecht)
AFKOOP Afkoopmogelijkheden worden beheerst door Pensioenwet (PW). Afkoop niet mogelijk behalve in PW opgenomen situaties (met name klein pensioen) Afkoopmogelijkheden worden niet beheerst door Pensioenwet, maar door Wet inkomstenbelasting 2001. Voorgestelde sanctie bij schending voorwaarden: vrijstelling in box 3 wordt (fictief) teruggenomen*

* De voorgestelde sanctie is het alsnog betalen van vermogensrendementsheffing. Berekend over de helft van de afkoopwaarde x het aantal deelnemingsjaren (met een maximum van 10 jaar).

In de brief aan de Tweede Kamer wordt erkend dat in eerste instantie door de staatssecretaris van Financiën is aangegeven dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen netto pensioen en netto lijfrente. Maar, door de term netto lijfrente (tweede pijler) te wijzigen in netto pensioen, vindt het kabinet het meer passend ook het fiscale kader daarop aan te passen nu sprake is van pensioen in de zin van de Pensioenwet. Dit brengt onder meer de volgende wijzigingen voor netto pensioen met zich mee:

  • Kring van gerechtigden bij nabestaandenvoorzieningen is beperkter dan bij netto lijfrente;
  • De hoogte van pensioenuitkeringen kan variëren binnen de bandbreedte 100:75, en;
  • De mogelijkheid bestaat om een beschikbare premiestaffel van 3% rekenrente te hanteren als basis voor de inleg (vermenigvuldigd met de nettofactor).

(Bron: Brief staatssecretarissen van SZW en Financiën 1 september 2014, kenmerk 2014- 0000126834)

Reactie Zwitserleven

Door het wijzigen van de naam netto lijfrente (tweede pijler) naar netto pensioen krijgen we er ook weer een ander fiscaal kader bij. Dit resulteert in de volgende mogelijkheden, met ieder haar eigen fiscaal kader:

 
INKOMEN TOT EN MET
€ 100.000
Werknemerspensioen (tweede pijler)
(Bruto) lijfrente (derde pijler)
INKOMEN BOVEN
€ 100.000
De werknemer betaalt de premies uit het nettoloon. Deze zijn niet aftrekbaar via de aangifte Inkomstenbelasting.

Opmerkelijk is dat wordt aangegeven dat de fiscale voorwaarden van netto pensioen worden toegespitst op het loonbelastingregime van de tweede pijler. Echter, een netto pensioen heeft in zijn geheel niets (meer) van doen met de Wet op de loonbelasting 1964. Op het bruto loon zijn immers al de loonheffingen ingehouden, is het netto loon geworden en daarmee heeft het loon (en dus ook het netto pensioen) het loonbelastingregime verlaten.

Bovendien is het opmerkelijk dat nu de regels van de Pensioenwet van toepassing zijn, dit ook zijn effect blijkt te hebben op de fiscale maximering van de inleg. Eerst werd nog gesproken over een voor beide ‘regimes’ gelijke inleg. Nu is voor het netto pensioen ook een inleg op basis van een 3% rekenrente staffel (vermenigvuldigd met de nettofactor) mogelijk. Onduidelijk is waarom dit ook is gewijzigd. Het netto lijfrente product wordt door een lager fiscaal maximale inleg ten opzichte van het netto pensioen hiermee op achterstand gezet.

Hoewel pensioen in de zin van de Pensioenwet in beginsel niet wordt gerenseigneerd, verwachten wij dat het netto pensioen wél zal moeten worden gerenseigneerd. De Belastingdienst zal namelijk willen weten of de inleg niet meer dan fiscaal maximaal is. Dit in combinatie met de box 3 – vrijstelling.

(Bron: Zwitserleven)

Pensioenaanspraak ook belastbaar bij definitief worden

Het jaar waarin een iemand een aanspraak op een pensioenvoorziening verkrijgt, kan een later jaar zijn dan het jaar waarin de pensioenvoorziening wordt gevormd. Dit verschil kan voldoende zijn voor de Belastingdienst om een navorderingsaanslag op te leggen.

 

In een zaak voor de Hoge Raad had een stichting in 2003 een stellig voornemen geuit om enkele van haar bestuurders, onder wie de penningmeester, een pensioen toe te kennen. Daarbij gold als voorbehoud dat deze toekenning niet zou leiden tot een negatief exploitatieresultaat of vermogen. Eind 2003 vormde de stichting een pensioenvoorziening. In 2004 voldeed zij de koopsommen voor de polissen en ondertekende de penningmeester de pensioenbrief. Zowel de penningmeester als de Belastingdienst merkte in 2008 de verkrijging van de pensioenaanspraak aan als resultaat uit overige werkzaamheden. De vraag was in welk jaar de man de aanspraak had verkregen. De navorderingstermijn over 2003 was namelijk verlopen, die over 2004 nog niet.

Definitieve aanspraak

Hof Amsterdam wees erop dat het jaar van verkrijging niet hetzelfde hoefde te zijn als het jaar waarin de stichting de pensioenvoorziening had gevormd. Dit vloeit voort uit het goed koopmansgebruik. Het hof oordeelde dat de man de verkrijging had kunnen toerekenen aan 2003, maar ook aan 2004. In 2004 was namelijk de pensioenaanspraak nader geconcretiseerd en definitief ingevuld. Omdat de penningmeester de aanspraak in geen van beide jaren had opgegeven, mocht de inspecteur de aanspraak toerekenen aan het jaar 2004. De man stelde nog dat de aanspraak behoorde tot het stakingsresultaat in 2003. Het hof verwierp deze stelling omdat de aanspraak ook zonder enige staking zou zijn genoten. Toen de penningmeester in cassatie ging, verklaarde de Hoge Raad dit beroep zonder nadere motivering ongegrond.

(Bron: Taxence)

Statuten BV kunnen niet kwalificeren als stamrechtovereenkomst

X ontving bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking per 1 januari 2007 een
ontslagvergoeding van € 233.784. Zijn ex-werkgever stortte dit bedrag op 1 maart
2007 zonder inhouding van loonheffing op de bankrekening van de op 12 januari
2007 door X opgerichte BV Y. Op 7 maart 2007 werd € 40.000 overgeboekt van BV Y
naar de privérekening van X. In juni 2007 werden ten laste van BV Y twee auto’s
gekocht en vanaf februari 2009 werden werkzaamheden aan een eind 2006
aangekochte woning gefactureerd aan BV Y. De inspecteur legde een
navorderingsaanslag IB over 2007 op aan X met een vergrijpboete van € 43.400,
omdat hij ten onrechte een beroep zou hebben gedaan op de stamrechtvrijstelling
van artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet LB. X ging in beroep. Rechtbank
Noord-Nederland besliste dat X niet had voldaan aan de vereisten voor de
stamrechtvrijstelling. Door het enkel oprichten van een vennootschap die als
doel had het opbouwen en beheren van een stamrechtvoorziening als bedoeld in de
Wet LB was volgens de Rechtbank geen stamrechtovereenkomst gesloten, waaruit
bleek dat de oud-werkgever aan X een aanspraak toekende op periodieke
uitkeringen als vervanging van gederfd of te derven loon, die niet later
ingingen dan in het jaar waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte. De
inhoud van de statuten van BV Y konden volgens de Rechtbank niet kwalificeren
als een stamrechtovereenkomst in de zin van de vereisten van artikel 11, lid 1,
onderdeel g, Wet LB. De Rechtbank verminderde wel de boete met 20% tot € 34.720
wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze boete vond de Rechtbank
passend en geboden.

(Bron: FUTD)

Weekers wil knelpunten pensioen in eigen beheer oplossen met nieuwe fiscale reserve

Staatssecretaris Weekers heeft de mogelijkheden onderzocht om de gevolgen van het huidige verschil tussen commerciële en fiscale waarderingsregels bij pensioen in eigen beheer te verzachten. Een nieuwe fiscale reserve voor de oude dag die los komt te staan van het arbeidsrecht en de loonheffing, lijkt hem hiervoor het meest opportuun.

De staatssecretaris benoemt in zijn brief aan de Eerste en Tweede Kamer allereerst de knelpunten met betrekking tot pensioen in eigen beheer:

  • De waarderings- en berekeningssystematiek is ingewikkeld.
  • De fiscale regels in de winstsfeer voor waardering van de pensioenverplichting wijken af van de commerciële regels.
  • Voor het opstellen van de jaarrekening kunnen kleine rechtspersonen uitgaan van de fiscale gegevens (commercieel volgt fiscaal). Dit heeft tot gevolg dat het eigen vermogen van die rechtspersoon hoger lijkt dan het werkelijk is, waardoor wordt gedacht dat er ruimte is om dividend uit te delen. Dit kan ertoe leiden dat het pensioen voor de toepassing van de loonbelasting geacht wordt te zijn afgekocht en in de loonbelasting betrokken wordt.
  • Bij echtscheiding kan het zo zijn dat het pensioen tegen de waarde in het economische verkeer moet worden overgedragen aan een verzekeraar terwijl de reserve is berekend met inachtneming van de fiscale regels. De reserve kan dan niet toereikend zijn.
  • Bij extern eigen beheer kan het zo zijn dat uitgaven bij de werkmaatschappij gedeeltelijk niet aftrekbaar zijn terwijl de ontvangsten bij het pensioenlichaam (gedeeltelijk) in de winst worden betrokken.
  • Voor de heffing van loonbelasting wordt uitgegaan van de werkelijke waarde van de aanspraak, terwijl voor de vennootschapsbelasting de fiscale waarde uitgangspunt is.

 

Vervolgens meldt Weekers dat hij – naast het volgens hem onwenselijke ongewijzigd laten of het afschaffen van pensioen in eigen beheer – een drietal opties heeft onderzocht:

1.       Fiscale pensioenverplichting op commerciële basis berekenen

2.       De fiscale pensioenverplichting uitgangspunt voor een herrekening pensioenaanspraken.

3.       Invoeren van een nieuwe vorm van een oudedagsreserve

De eerste variant levert volgens Weekers te grote negatieve budgettaire consequenties op. De tweede variant zal slechts tijdelijk en niet structureel een oplossing bieden. Herrekening lost wel het acute knelpunt op dat geen dividend kan worden uitgekeerd. De staatssecretaris vindt dat de derde variant, waarbij een fiscale reserve voor de oude dag wordt geïntroduceerd die los komt te staan van het arbeidsrecht en de (sancties in de) loonheffingsfeer, het meest tegemoet komt aan de wens van de ondernemer om de voor de oude dag gereserveerde gelden beschikbaar te houden voor de financiering van de onderneming. Deze oplossing leidt bovendien tot minder uitvoeringskosten voor de Belastingdienst. Weekers geeft aan graag verder in discussie te gaan met beide Kamers over deze problematiek.

Regels aanpassing pensioen DGA (BV) – Patatje snert

Hiep hiep hoera: de kabinetsvoorstellen, om de pensioenopbouw per 2015 drastisch te beperken, zijn afgewezen door de Eerste Kamer. Dus nog even de opbouwpercentages en pensioendatum voor 2014 aanpassen, en we kunnen weer verder. Of toch niet? U raadt waarschijnlijk al, dat ik de kwestie iets genuanceerder zie.

Wijzigingen per 1 januari 2014

Hoewel de wetsvoorstellen voor pensioenaanpassing per 2015 zijn afgewezen, gaan de wijzigingen per 2014 gewoon door. Voor een directeur-grootaandeelhouder (dga) houdt dit in, dat de pensioenleeftijd naar 67 jaar gaat, het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen (OP) met 0,1% per jaar daalt en daarmee ook de opbouw van partnerpensioen (PP) en wezenpensioen (Wzp). Voor de toekomst lijkt het allemaal wel duidelijk, maar wat te doen met oude pensioenrechten?
Voor tot 2014 opgebouwde pensioenaanspraken geldt dat deze kunnen blijven staan of worden uitgesteld. Waar het eerste kan leiden tot uitkering van het ouderdomspensioen op (minimaal) twee data, leidt het tweede tot één pensioen dat ingaat op 67-jarige leeftijd. Hierbij is niet per se één beste keuze aan te wijzen, maar speelt bijvoorbeeld de toekomstige pensioenopbouw van de dga een rol. Let er wel even op, dat alles uitstellen naar 67 jaar een gedeeltelijke vrijval van de pensioenvoorziening veroorzaakt. Dit is zo, omdat de omrekening tegen commerciële grondslagen gaat, die vervolgens fiscaal moeten worden gewaardeerd. De pensioenbrief van de Belastingdienst gaat er trouwens van uit, dat alles wordt uitgesteld.

 

Pensioenregeling ombouwen?

De standaard pensioenbrief van de Belastingdienst kent nogal wat toeters en bellen. Denk hierbij aan de royale toezeggingen bij arbeidsongeschiktheid en overlijden. Als dat niet verzekerd is, loopt de BV enorme risico’s. De vraag is, of je dat allemaal in eigen beheer moet willen. Dat geldt net zo zeer voor indexatie van pensioenen. Prima, maar het moet wel worden betaald.
Diverse adviseurs overwegen een omzetting naar beschikbare premieregelingen. Op zich een begrijpelijke keuze, maar ook daar speelt de vraag: wat te doen met opgebouwde rechten? Een bijkomende praktische complicatie is, dat de Belastingdienst geen akkoord geeft op beschikbare premieregelingen in eigen beheer.

 

Pensioenregeling stoppen?

Op termijn kan een pensioen in eigen beheer een blok aan het been worden. Dat blijkt al in 2014. Voor het komende jaar wordt het tarief voor aanmerkelijk-belangdividend verlaagd tot 22%. Dividend uitkeren is echter alleen maar toegestaan, als het pensioen in eigen beheer daardoor niet in gevaar komt. En daarbij telt de commerciële waarde van het pensioen. De wetgever lijkt, al naar het uitkomt, met het pensioen in eigen beheer de ene keer waarde te hechten aan de fiscale waardering (bijvoorbeeld bij afstempelen), en de andere keer aan de commerciële waarde (zoals bij dividenduitkeringen).
Al met al lijkt het een patatje snert: leuke ingrediënten, maar de combinatie valt zwaar op de maag. Tijd om eens na te denken over een andere snackbar?

(Bron: Taxence)