Afkoop van reeds ingegaan pensioen in eigen beheer

Door de plannen van het kabinet voor afschaffing van het pensioen in eigen image-phpbeheer, is vanaf 2017 pensioenopbouw in uw eigen bv niet meer mogelijk. Maar wat als uw pensioen al is ingegaan? Mag u dan ook afkopen? Het antwoord is ja, maar de belastingkorting wordt berekend over een lagere fiscale (balans)waarde dan de waarde op 31 december 2015.

Let op! De plannen van het kabinet moeten nog worden goedgekeurd door het parlement.

Overgangsregime

Voor iedere directeur-grootaandeelhouder (dga) die pensioen heeft opgebouwd in zijn eigen bv komt er een overgangsregime van drie jaar. De dga zal in die tijd een keuze moeten maken:

  • het opgebouwde pensioen in eigen beheer afkopen met een belastingkorting;
  • omzetten van het eigenbeheerpensioen in een oudedagsverplichting, of;
  • het pensioen in eigen beheer ongewijzigd laten.

Ongeacht wat de dga kiest, verdere pensioenopbouw in eigen beheer is vanaf 1 januari 2017 niet meer mogelijk.

Afkoop van reeds ingegaan pensioen

Ook wanneer u al enige tijd pensioenuitkeringen ontvangt vanuit uw bv, kunt u kiezen voor de afkoopmogelijkheid. Deze houdt het volgende in:

De pensioenaanspraak wordt allereerst zonder fiscale gevolgen afgestempeld naar de fiscale (balans)waarde. Deze afgestempelde pensioenaanspraak kan vervolgens met een belastingkorting worden afgekocht. Deze korting wordt alleen verleend over de fiscale (balans)waarde van de pensioenverplichting in de bv op 31 december 2015. Over de waardestijgingen na die datum wordt geen korting verleend.

Omdat uw pensioen al is ingegaan (u heeft al pensioenuitkeringen uit uw bv ontvangen) zal de fiscale (balans)waarde op het moment van afstempelen veelal lager zijn dan de fiscale waarde eind 2015. De belastingkorting wordt voor u berekend over die lagere fiscale (balans)waarde.

Belastingkorting

Koopt u uw reeds ingegaan pensioen af in 2017 dan geldt een belastingkorting van 34,5%. U bent dan loonheffing verschuldigd over 65,5% van de fiscale (balans)waarde op het moment van afstempelen. Waardestijgingen na het afstempelmoment zijn volledig belast. In 2018 bedraagt de belastingkorting 25% en in 2019 19,5%. Verder bent u bij afkoop geen revisierente verschuldigd.

(Bron: HLB)

Definitief voorstel pensioen DGA

Nu alle jacqueten weer in de kast hangen na Prinsjesdag en de definitieve plannen van het kabinet bekend zijn, ligt ook het officiële wetsvoorstel er voor de wijziging van het dga pensioen. Wij zetten de belangrijkste punten nog een keer voor u op een rijtje.

 

  • Twee opties
    Het huidige pensioen in eigen beheer vervalt. Toekomstige pensioenopbouw in eigen beheer is daarmee niet meer mogelijk. U kunt vervolgens kiezen uit afkopen of een spaarvariant bij uitfasering (SBU).
  • Fiscale waarde
    Bij beide varianten is de fiscale waarde van het opgebouwde pensioenbedrag het uitgangspunt. Zowel bij uitgesteld pensioen als bij pensioen dat al wordt uitgekeerd, kunt u gebruik maken van een van deze opties.
  • Akkoord van beide partners
    Voor de definitieve uitvoering van beide opties is akkoord van de dga als zijn/haar (ex-)partner nodig. Dit moet volgens een model van de Belastingdienst worden vastgelegd.
  • Uitkering aan ex-partner
    Mogelijk kan een dga voordat hij een keuze maakt een ex-partner eenmalig een geldbedrag uitkeren in plaats van een pensioenuitkering zónder dat dit als belaste afkoop wordt beschouwd.
  • Overdracht aan kinderen
    Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel zijn in de praktijk adviesmogelijkheden geopperd om met gebruikmaking van de nieuwe faciliteiten kapitaal gunstig naar de kinderen over te laten gaan. Het overdragen van pensioenkapitaal van uw bv aan een bv van de kinderen in combinatie met een van de nieuwe faciliteiten beschouwt de Belastingdienst als schenking waarover u de bijbehorende schenkbelasting verschuldigd bent.
  • (Deels) herverzekerd pensioen
    Na 1 januari 2017 kan (deels) herverzekerd pensioen niet meer overgeheveld worden naar eigen beheer of de gekozen optie.
    Let op: Heeft u een deel van uw pensioenvoorzieningen bij een externe partij herverzekerd, dan moet u direct actie ondernemen om optimaal gebruik te kunnen maken van de voordelen van de opties.

 

Afkopen

 

  • Korting alleen over voorziening tot 31 december 2015
    Wanneer u kiest voor afkopen, dan wordt de korting toegepast op basis van gereserveerde balansvoorziening in de aangifte vennootschapsbelasting per 31 december 2015. Dat betekent dat u over eventuele voorzieningen die u in dit jaar deed, geen korting meer ontvangt.
    Let op: de Belastingdienst zal controle uitvoeren op wijzigingen die dit jaar nog plaatsvinden.
  • Geen korting op extern verzekerd pensioen
    Op extern verzekerde voorzieningen ontvangt u geen korting bij afkopen, tenzij hiervoor een expliciete bepaling in de polisvoorwaarden staat. Verplaatsen van de verzekerde voorzieningen heeft gezien bovengenoemde voorwaarde geen zin.

 

Spaarvariant bij uitfasering (SBU)

 

  • Indexatie op basis van (negatief) u-rendement
    Bij een SBU vindt er jaarlijks indexatie plaats op basis van u-rendement. Momenteel is dit een negatief percentage (- 0,25%). Dat betekent dat uw pensioenbedrag lager wordt, maar daarmee ook de belasting die u daarover moet afdragen.
  • Uitkering vervroegen/uitstellen
    U kunt de uitkering van een SBU nog steeds vervroegen of uitstellen. De uiterlijk ingangsdatum mag dan de AOW-datum plus vijf jaar zijn. De uitkering duurt dan twintig jaar plus het aantal jaren dat de uitkering eerder ingaat dan de AOW-datum. Is uw pensioenuitkering al voor 2017 gestart, dan wordt de looptijd naar rato verminderd.
  • Bancaire lijfrente
    Het kapitaal van een SBU kunt u in de toekomst ook afstorten als (bancaire) lijfrente. Dit biedt een aantal belangrijke voordelen: een goede kostenstructuur, relatief goed en gegarandeerd rendement, alle flexibiliteit met betrekking tot uitkering en bovendien wordt bij overlijden het volledige restantbedrag uitgekeerd aan de nabestaanden. Een mooie kans voor dga’s die hun pensioen niet in een pensioenverzekering willen laten uitkeren maar wel van hun bv af willen.

Tijdig persoonlijk advies is essentieel

Ondanks dat u uit twee opties kunt kiezen, zijn er vele factoren die bepalen welke voor u de beste keuze is. Hoe staat u er nu voor? Hoe zijn uw huidige voorzieningen opgebouwd? Wat vindt u belangrijk voor de toekomst? Uit bovenstaande punten blijkt, dat u in sommige gevallen zo snel mogelijk actie moet ondernemen. In elk geval is het belangrijk dat u tijdig persoonlijk advies inwint bij een specialist. Hij kan uw persoonlijke situatie bekijken en aangeven wat de alternatieven zijn de financiële toekomst te realiseren die bij u past.

(Bron: ABAB)

Pensioen eigen beheer wordt afgeschaft; hoe verder?

Veel directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) bouwen in eigen beheer een pensioen op. ‘In eigen beheer’ wil zeggen dat de eigen BV als verzekeraar optreedt en de gelden niet worden afgestort bij een verzekeringsmaatschappij of pensioenfonds. Pensioen eigen beheer is lange tijd een prima product geweest in die zin dat het een aftrekpost voor de vennootschapsbelasting opleverde terwijl de middelen beschikbaar bleven voor de onderneming. De afgelopen jaren is dit omgeslagen en is het eigenbeheerpensioen eerder een bron van zorg geworden. Zo kunnen veel BV’s door de aanwezigheid van de pensioenvoorziening bijvoorbeeld geen dividend meer uitkeren.

Den Haag stoeit al geruime tijd met dit dossier maar gelukkig heeft staatssecretaris Wiebes nu eindelijk een wetswijziging aangekondigd. Kern daarvan is dat vanaf 1 januari 2017 geen verdere pensioenopbouw in eigen beheer meer mogelijk is. Enerzijds jammer, maar anderzijds valt dat wel mee want de meeste dga’s hebben de opbouw enkele jaren geleden toch al stopgezet. De dga krijgt drie opties ten aanzien van de pensioenvoorziening, die we hieronder toelichten. Het gaat voorlopig om hoofdlijnen, hoe de regeling precies gaat luiden, zien we op Prinsjesdag als het wetsvoorstel wordt ingediend.

1. Afkoop pensioen

De eerste optie is een afkoop van het pensioen. Hierbij wordt uitgegaan van de fiscale waarde van de pensioenvoorziening. De BV betaalt de dga het bedrag van de fiscale pensioenvoorziening en daarmee is het pensioen verdwenen. Om afkoop aantrekkelijk te maken wordt een deel van de afkoopsom vrijgesteld, te weten 34,5% in 2017, 25% in 2018 en 19,5% in 2019. Als de afkoopsom volledig in de 52%-schijf valt, is het effectieve tarief in de inkomstenbelasting dan 34,06% in 2017, 39% in 2018 en 41,86% in 2019. Uitzonderingen daargelaten is afkoop in 2017 dus het interessantste, een of twee jaar wachten zal bijna nooit voordelig zijn. Staatssecretaris Wiebes hoopt hiermee volgend jaar € 2 miljard extra belasting op te halen. We gaan er vooralsnog vanuit dat de pensioenvoorziening ineens en volledig moet worden afgekocht, dus dat een gedeeltelijke of gefaseerde afkoop niet mogelijk zal zijn. Verder is het nagenoeg zeker dat de afkoopmogelijkheid ook geldt voor al ingegane pensioenen.

2. Omzetten in een ‘spaarpotje’

Het tweede alternatief is om de pensioenvoorziening tegen de fiscale waarde om te zetten in een ‘spaarpotje’ in de BV. Er mag dan in de toekomst niet meer worden opgebouwd maar het saldo wordt wel elk jaar opgerent met de marktrente. Vanaf pensioendatum moet het spaarbedrag in vermoedelijk 20 jaar (net als bij banksparen) in gelijke jaarlijkse termijnen worden uitgekeerd als pensioen, waarbij het dan belast is met inkomstenbelasting. Bij overlijden gaan de uitkeringen eerst over op de partner en daarna op de kinderen of andere erfgenamen.

3. Pensioen blijft pensioen

De derde variant is niets doen. Niemand wordt gedwongen om de pensioenvoorziening aan te passen of af te kopen. Bij deze optie blijven de huidige regels dus gewoon gelden, met alle knelpunten en problemen die dit thans in veel gevallen oplevert (zoals de dividendklem). Als er nu nog wordt opgebouwd, stopt dat op 1 januari 2017.

Wat is verstandig om te doen?

Dat is nu nog niet te zeggen, dit moet per geval worden bekeken. Bovendien zal de exacte uitwerking nog moeten blijken uit het op Prinsjesdag in te dienen wetsvoorstel, dat overigens ook nog kan worden gewijzigd tijdens de parlementaire behandeling.

Het is uiteraard al wel duidelijk dat afkoop alleen een reële optie is als de BV over voldoende liquide middelen beschikt om de verschuldigde loonbelasting te voldoen. Verder kan de positie van de eventuele partner van belang zijn, want ook zijn of haar rechten veranderen ingrijpend door afkoop of omzetting in een spaarvoorziening. Als sprake is van een ex-partner met pensioenrechten, speelt dat uiteraard nog veel sterker.

Andere aspecten die van belang kunnen zijn:

· heeft de dga na pensionering box 1-inkomen (uit overig pensioen, lijfrente, arbeidsinkomen) en/of box 1-aftrekposten (hypotheekrente)?
· zijn er wel of geen overige oudedagsvoorzieningen?
· is er een schuld aan de BV die afgelost moet worden?
· woont de dga in het buitenland?
· is het pensioen deels extern verzekerd?
· etc. etc.

(Bron: De Beer Accountants en Belastingadviseurs)

DGA-pensioen in eigen beheer afgeschaft!

Eindelijk heeft Staatssecretaris Wiebes z’n ei gelegd over het pensioen van de DGA in eigen beheer. Er komt een afkoopfaciliteit en een ‘spaarvariant’. Het overgangsregime bedraagt 3 jaar. En er komt geen nieuwe faciliteit voor toekomstige opbouw.

Voor Prinsjesdag komt hij met een wetsvoorstel dat dan nog per 2017 moet ingaan, waarbij er geen internetconsulatie komt.

De afkoopvariant loopt 3 jaar, met in 2017 een korting op de fiscale grondslag van maar liefst 34,5%, in 2018 25% en in 2019 nog 19,5%. Bepalend is de ‘balanswaarde’ per ultimo 2015. Hoe hij dat precies wil doen is de vraag, immers als ik nog tot ultimo 2016 regulier pensioenopbouw dan zal dat toch bepalend moeten zijn. Uiteraard zijn de meeste pensioentoezeggingen bevroren, maar toch. Wat gebeurt er anders met het verschil tussen 2015 en 2016 of zelfs 2019?

Als er niet voor wat gekozen om af te kopen mag het pensioen – ook tegen fiscale waarde – omgezet in een spaarvariant. Welke dat is, zegt hij er niet bij. Dat zal toch ‘iets O(udedags)S(paren)E(igen)B(eheer)-achtigs zijn.

Over de partner blijft hij vaag. Het lijkt alsof er geen aanvullende mogelijkheden komen op grond van de Wet VPS, maar dat de (ex-)partners het onderling maar moeten regelen, waarbij de verdeling van de OSEB anders kan zijn dan 50/50 zonder fiscale gevolgen.

De ‘afzien-variant’ stuit op internationale heffingsproblemen en is daarom niet opportuun.

Al met al goed dat er duidelijkheid komt, maar toch weer een ‘vluggertje’ op de valreep. Hoe de spaarvariant er precies komt uit te zien blijft de vraag. Dat hij de afkoop-inkomsten (z0) hoog inschat lijkt mij optimistisch. De meeste DGA’s zullen wachten, desnoods tot 2019 in de hoop dat de korting gehandhaafd blijft op minimaal 25%.

Ook de overige vragen blijven:

-afkoop van verzekerde pensioenen?

-omzetting ingegane pensioenen in een OSEB?

-terughalen naar de eigen BV van verzekerde pensioenen?

-afkoop/OSEB van pensioen in extern eigen beheer?

(Bron: Pensioenweblog)

Aan DGA uitgekeerd pensioenkapitaal op C-polis behoorde tot box I

X was DGA van BV Y. In 1996 was een pensioen aan haar toegekend. Op 1 oktober 1998 sloot X bij Zwitserleven een C-polis met pensioenclausule af, met als expiratiedatum 1 oktober 2011. Op 19 april 2000 kwam BV Y een aanvulling op de pensioenbrief met X overeen. Daarin stond dat de pensioenrechten werden ingetrokken en X alle rechten en verplichtingen overnam van BV Y, zodat zij de C-polis in privé kon gebruiken voor een ouderdomspensioen. In haar aangiften IB 2006-2010 rekende X de waarde van de C-polis tot de bezittingen van box III. De inspecteur volgde de aangiften. Op 1 juli 2014 keerde Zwitserleven € 89.648 uit aan X: een pensioenkapitaal van € 319.338, verminderd met € 166.056 aan loonheffing en € 63.867 aan revisierente, en vermeerderd met een rente van € 233. De inspecteur verhoogde daarop het belastbare inkomen uit werk en woning over 2012 van X met € 319.338, corrigeerde het box III-inkomen naar nihil en bracht € 63.867 aan revisierente in rekening. X ging in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat de C-polis op de expiratiedatum behoorde tot de grondslag van box I, gelet op de aard van de polis. Het was niet van belang dat geen premies in aftrek waren gebracht. Bovendien was de formulering van de aanvulling op de pensioenbrief van 19 april 2000 volgens de Rechtbank onvoldoende duidelijk om hieruit te kunnen afleiden dat sprake was geweest van afkoop of afzien van pensioen. X had ook geen bate verantwoord in de aangifte IB 2000. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

(Bron: FUTD)

Een nieuwe pensioenuitvoerder voor uw BV kiezen, enkele overwegingen.

Ook na de wijziging van de WOR, waarvoor het voorstel tot Wetswijziging is ingediend, gaat de OR niet over de pensioenuitvoerder.

Aan de OR moet wel instemming worden gevraagd voor een wijziging van de pensioenovereenkomst.

Maar wat zijn nou overwegingen om naar de ene of naar een andere (soort) uitvoerder te gaan en wordt de OR met het maken van een keuze ingeschakeld?

 

Keuze uitvoerder

Er zijn verschillende soorten uitvoerders, waarbij toezicht, solvabiliteitseisen, continuïteit van de instelling, uitvoeringskosten, rendementen, soort life cycles, transparantie over de kosten, pensioencommunicatie, gegarandeerde pensioenen, eigen werkzaamheden die nog door de werkgever moeten worden uitgevoerd verschillen opleveren.

Zo is het toezicht op een PPI wat milder dan dat op een pensioenfonds of een verzekeraar. Aan de andere kant: er zijn nu veel teveel PPI’s, hoe zit het met de continuïteit? Naar verwachting zal er maar ruimte op de Nederlandse markt zijn voor een handvol PPI’s en zijn er nu een dubbel aantal actief.  Een aantal hiervan met meer dan 1.000 regelingen en anderen zijn veel kleiner (een tiental cliënten).

Een aantal zijn ingesteld op het MKB anderen voornamelijk op het grootbedrijf.

Zo lijkt ook het toezicht op een Belgisch pensioenfonds milder dan een Nederlands pensioenfonds en zijn er zeker minder regels. Dit heeft zeker voordelen, maar zeker ook nadelen.

De administratiekosten en behaalde rendementen in het verleden verschillen nogal tussen de ene en de andere uitvoerder. De portals die werknemers kunnen gebruiken om hun pensioensituatie in te zien en te beïnvloeden worden ook steeds uitgebreider. Maar als je als werkgever hierna nog veel werk hebt om de pensioenregeling in goede (administratieve) banen te leiden kost dit nog veel.

Pensioenuitvoerders gaan ook steeds meer met standaardoplossingen werken. Deze sluiten vaak niet naadloos aan op de huidige pensioenregeling.

 

Niet 1 beste uitvoerder

Het kiezen van de juiste uitvoerder voor jullie werknemers is een momentopname, die ook beïnvloed zal worden door waar de oude pensioenregeling is ondergebracht. Pas na verloop van tijd weet je of je de juiste keuze hebt gemaakt. En of je met zoveel mogelijk omstandigheden rekening hebt gehouden.

 

Schakel de OR in

Het is in onze ogen beter om de OR in te schakelen en samen op te trekken bij deze lastige keuze. De afgelopen jaren heeft de toenmalige keuze immers voor veel gepensioneerden een tegenvallend pensioen opgeleverd.

Steeds meer werkgevers gaan inzien dat een goed geïnformeerde OR helpt om draagvlak bij de medewerkers en minder gezeur achteraf te creëren.

Zo is pensioenadviseur (!) Aon eind vorig jaar naar de rechtbank gestapt en heeft de OR van KLM aangekondigd dit te gaan doen.

In beide gevallen komt de werkgever de aangegane verplichting om extra stortingen te doen in het pensioenfonds, omdat er onvoldoende geld in de pot zit om aan de verplichtingen te voldoen, niet na.

En op een rechtszaak met je eigen werknemers zit je als werkgever niet op te wachten.

(Bron: Pensioenweblog)

Imputatieregeling nettopensioen in jaarruimte overkill

Oplossing voor probleem pensioen dga is simpel

Bartjens analyseert het probleem van pensioen in eigen beheer voor dga’s prima (FD 4 januari). Eerder deed staatssecretaris Wiebes dat ook al in zijn brieven. Maar ik ben wel klaar met alle analyses, ik wil graag een oplossing.

Er worden overigens ook twee misvattingen geponeerd. Allereerst, dga’s móesten hun pensioenverplichting waarderen op basis van 4% rekenrente (en ook nog eens zonder leeftijdsterugstelling en indexatie). Daar waar verzekeraars al vanaf 1998 met een lagere rekenrente móesten rekenen — de marktrente daalt immers al gestaag vanaf begin jaren ’80 — móchten dga’s dat niet. Dat de fiscale voorziening daarom aanzienlijk lager is dan de benodigde commerciële ligt dus gewoon aan de wetgever zelf. Deze heeft dit probleem altijd genegeerd.

Vervolgens zijn pensioenberekeningen voor DGA’s helemaal niet moeilijk. Als je er tenminste verstand van hebt. Bovendien heeft iedereen daarvoor goede berekeningssoftware. Dat was in 1994 nota bene nog een van de redenen om het lineaire systeem in eigen beheer (dát was pas eenvoudig!) af te schaffen. En als ze complex zijn, dan geldt dat inmiddels voor alle pensioenberekeningen, ook voor gewone werknemers. Een drogreden dus.

Zoals Bartjens terecht stelt, dga’s gaan niet afkopen. Of ze het geld nu hebben of niet. De oplossing is daarom heel eenvoudig: omzetting naar het voorgestelde oudedagssparen – een soort beschikbare premieregeling met een afwikkeling als bancaire lijfrente. Beter is het misschien nog om de reeds bestaande bancaire lijfrente toe te staan voor dga’s, maar dan in eigen beheer. Dat hele fiscale regime is immers al wettelijk geregeld. De enige nog nodige uitbreiding is de bv aan te wijzen als toegelaten verzekeraar. En dat ook maar voor zzp’ers, dan zijn we meteen verlost van de (fiscale) Oudedagsreserve die nu nog geldt voor hen. De huidige fiscale voorziening mag dan worden omgezet in het nieuwe lijfrenteregime. Ik zou dan ook de afkoopvariant gewoon nog aanbieden, baat het niet dan schaadt het niet. Dat tot slot vele (ex-)partners van dga’s niet zullen meewerken is iets waar Wiebes niets aan kan doen. Die dga’s blijven dan gewoon zitten met de huidige pensioenvoorziening, met alle gevolgen van dien. Het zij zo.

(Bron: Financieel Dagblad)

De vergeten partner in de plannen met het eigenbeheerpensioen van de BV

De perikelen met het pensioen in eigen beheer duren voort. Daarbij komt de partner van de dga die onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, er bekaaid vanaf. Zijn of haar financieel nadeel bij omzetting van de oudedagsvoorziening in eigen beheer is groot bij echtscheiding en een juiste compensatie hiervoor nagenoeg niet te bepalen. Dat zegt Sander Schilder (eigenaar van Santax fiscaal economen). “De positie van de huwelijkspartner in deze kan en mag niet onderbelicht blijven!”

Oudedagssparen in eigen beheer

Nog steeds is er geen concrete oplossing voor de knelpunten van het huidige pensioen in eigen beheer. In december volgt een nieuwe brief van staatssecretaris Wiebes van Financiën met voorstellen voor de pensioenopbouw van de dga. Hoogstwaarschijnlijk sneuvelt de oudedagsbestemmingsreserve als mogelijke oplossingsrichting en blijft over het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB) dan wel de afschaffing (uitfaseren) van het eigenbeheerpensioen met een ‘gunstige’ afkoopregeling.

De OSEB fungeert als een spaarpotje binnen de bv waarover de dga kan beschikken op pensioengerechtigde leeftijd. Volgens Wiebes biedt het oudedagssparen een duidelijke vereenvoudiging. De bestaande pensioenverplichting in eigen beheer kan geruisloos tegen de fiscale waarde worden omgezet in een oudedagsspaarverplichting. Deze omzetting vergt instemmen/meetekenen van de partner van de dga. Tot nu toe blijft het bij deze constatering voor wat betreft de partnerpositie.

Partnerproblematiek onderbelicht

Schilder waarschuwt voor de onderbelichte positie van de huwelijkspartner van de dga, nu omzetten tegen fiscale waarde in feite betekent het gedeeltelijk afzien van het eigenbeheerpensioen. “Ook de partner heeft in deze rechten. Niet voor niets is bij omzetting instemming vereist want civiel juridisch kan dit niet zonder toestemming. De partner doet immers afstand van zijn of haar inmiddels opgebouwde rechten op kort gezegd 50% van het oudedagspensioen en voor zover toegezegd 100% van het bijzonder nabestaandenpensioen. Bij omzetting is er daarna geen ‘pensioen’ meer volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS). Dat kan bij echtscheiding een groot financieel nadeel zijn voor de partner. Vooral voor diegene die onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd.”

Aanpassing WVPS

Wiebes verklaarde eerder dat de WVPS kan worden aangepast zodat het OSEB wel hieronder valt, maar volgens Schilder wordt dit lastig omdat de OSEB in basis geen pensioen is. “Het pensioenlabeltje ontbreekt want de OSEB is gebaseerd op een reserve en pensioen op aanspraken.”

Financieel nadeel

Het financiële nadeel bij tekenen voor afzien van opgebouwde rechten is het grootst voor de partner gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting, zonder dat de WVPS in de huwelijkse voorwaarden is uitgesloten. Schilder legt uit: “Stel dat van de ongeveer 150.000 dga’s met pensioen in eigen beheer zo’n 75.000 gehuwd zijn, waarvan de helft onder huwelijkse voorwaarden en daar weer de helft van onder koude uitsluiting, maar zonder uitsluiting van WVPS. Wanneer zo’n 50% van deze dga’s gaat scheiden praten we over 9.375 partners die aanlopen tegen een financiële aderlating van in totaal circa € 1,1 miljard als geen compensatie wordt geboden. Vanwege de grote financiële consequenties zal de partner goed moeten worden voorgelicht over waar hij of zij voor tekent.”

Compensatie

Het is goed denkbaar dat de partner die onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd bij instemming/tekenen voor omzetting naar OSEB – gezien de nadelige financiële gevolgen – hiervoor een compensatie dient te krijgen. “Omgaan naar de OSEB is immers een bevoordeling van de dga, ten nadele van zijn partner”, aldus Schilder. “Vergt de zorgplicht niet dat de huwelijkspartner voor het afzien van zijn of haar (potentiële) afgeleide pensioenaanspraken financieel dient te worden gecompenseerd? En zo ja, wie dient die compensatie dan te betalen? Is dat de bv of de dga? En stel dat de compensatie pas later wordt voldaan – nadat de OSEB reeds een feit is – kan men bij de bv deze compensatie dan nog ten laste brengen van de fiscale winst? Allemaal vragen waarover geen duidelijkheid is.”

Niet goed te bepalen

Probleem is alleen dat een juiste compensatie bij de omzetting naar OSEB eigenlijk niet dan wel niet goed te bepalen is. Partijen zijn namelijk nog niet aan het scheiden. Schilder: “Bij een fiscale waarde van € 700.000 is de commerciële waarde van de pensioenaanspraak momenteel rond de € 2 miljoen. Daarvan is circa 60% ter borging van de opgebouwde rechten van de partner bij scheiding. Moet voor de compensatie echter wel worden gekeken naar de waarde van nu? Er is immers geen echtscheidingssituatie en hopelijk komt die er ook niet. Blijven beiden gehuwd met elkaar dan compenseert de dga zijn partner voor iets wat achteraf niet had gehoeven. Stel dat een echtscheiding wel in de toekomst plaatsvindt, dan heeft de partner wellicht teveel compensatie gekregen. Dat is het geval als de bv op echtscheidingsmoment kampt met een onderdekking. Uit de familierechtspraak volgt dat de (ex)partner dan moet meedelen in de onderdekking naar rato van de pensioenaanspraak, maar die partner is al overgecompenseerd voor het afzien van pensioenrechten. En wat als de fiscale en commerciële rekenrente over enkele jaren dichter bij elkaar liggen? De dga heeft  bij een huidige compensatie dan achteraf teveel betaald.”

Potentieel risico van tekenen

En dan is er, zo waarschuwt Schilder,  ook nog een potentieel risico voor de onder huwelijkse voorwaarden gehuwde dga wanneer de partner tekent voor omzetting van eigenbeheerpensioen in de OSEB tegen fiscale waarde. “Bij een latere echtscheiding kan de partner zich alsnog beroepen op de WVPS, indien deze niet is uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant. Tekenen voor omzetting – al dan niet met compensatie – gebeurt met een onderhands briefje en daarvoor is niets geregeld in de WVPS. Financiën doet er in ieder geval verstandig aan om in deze wet op te nemen dat ook met onderhandse schriftelijke afspraken mag worden afgeweken van de WVPS.”

Extra aandacht gewenst!

Vanwege de risico’s die de huwelijkspartner van de dga loopt en de grote financiële gevolgen, kan het niet zo zijn dat er slechts zijdelings aandacht is voor de partnerproblematiek. Schilder: “De partner verdient in de zoektocht naar een oplossing voor de pensioenproblemen van de dga een even groot podium als alle overige knelpunten van het eigenbeheerpensioen. Aan wetgever of politiek de oproep om de ‘vergeten’ partner extra op de kaart te zetten.”

[ Bron: Redacteur Marit Muller ]

Ondanks rekenrente van 3,23% bij overname pensioenverplichting BV moet toch met 4% worden gerekend

De Hoge Raad oordeelt dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de waardering van pensioenverplichtingen lager kan zijn dan 4%. De jaarlijkse dotatie aan een voorziening voor een toegezegd pensioen kan dan lager zijn dan deze volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen zou moeten zijn.

Belanghebbende, X bv, is een 100%-dochtervennootschap van A bv. A bv heeft aan haar dga pensioenrechten toegekend en daartoe in eigen beheer een pensioenvoorziening gevormd. X bv neemt de pensioenverplichting eind 2005 over van A bv voor € 1,9 mln. Hierbij is een rekenrente van 3,23% toegepast. In geschil is of de inspecteur bij het opleggen van de VPB-aanslag 2005 terecht het standpunt inneemt dat de pensioenverplichting moet worden gewaardeerd met toepassing van een rekenrente van ten minste 4% en zonder leeftijdsterugstellingen. Rechtbank ‘s-Gravenhage oordeelt dat de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met een rekenrente van 4%. Met betrekking tot de leeftijdsterugstellingen oordeelt de rechtbank dat X bv daar geen rekening mee mag houden. Hof Den Haag oordeelt dat de te hanteren rekenrente, op grond van art. 3.29 Wet IB 2001, netto ten minste vier percent moet bedragen. Volgens het hof is dit niet anders als de pensioenverplichtingen zijn overgenomen en daarvoor een (zakelijk bepaalde) koopsom is ontvangen die is vastgesteld met inachtneming van een rekenrente van minder dan vier percent. X bv mag volgens het hof echter wel, op grond van art. 8 lid 6 Wet VPB 1969, rekening houden met leeftijdsterugstellingen. Het hof overweegt daarbij dat ter bepaling van de sterftekansen een leeftijdsterugstelling alleen kan worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstabel en een overlevingstabel van recentere datum. Daar is volgens het hof sprake van. Het hof vermindert de aanslag in verband hiermee met € 50.764.

De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de waardering van pensioenverplichtingen lager kan zijn dan 4%, en dat de wetgever desondanks de voorgestelde wettekst niet heeft aangepast. Volgens de Hoge Raad aanvaardt de wetgever dan ook dat de jaarlijkse dotatie aan een voorziening voor een toegezegd pensioen lager kan zijn dan deze volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen zou moeten zijn. In casu leidt dit er toe dat, onmiddellijk na de overname van de pensioenverplichting, een vrijval van een gedeelte van de overnamesom verplicht tot de winst wordt gerekend. Verder stelt de Hoge Raad nog vast dat uit de stukken van het geding blijkt dat de inspecteur wel is uitgegaan van de overlevingstafel GBM/GBV 2000-2005. Het oordeel van het hof op dit punt is dan onjuist. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af.

(Bron: Taxlive)