Uitgeschreven ondernemer bleef aangifteplichtig door feitelijke voortzetting activiteiten

Rechtbank Den Haag oordeelt dat terecht naheffingsaanslagen btw zijn opgelegd. X is ondernemer en aangifteplichtig voor de omzetbelasting, ondanks uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie wegens emigratie.

X is belastingadviseur en heeft zich per 2008 uit laten schrijven uit de gemeentelijke basisadministratie wegens emigratie. De Belastingdienst heeft X hierdoor uitgeschreven als ondernemer voor de omzetbelasting. Na emigratie heeft X zijn werkzaamheden voortgezet, hierop omzetbelasting in rekening gebracht en geen aangiftes omzetbelasting meer ingediend. De inspecteur legt naheffingsaanslagen en boetes op over de tijdvakken januari 2010 tot en met december 2014. Volgens X is niet gereageerd op de verzoeken aangifte btw te mogen doen. De inspecteur zegt de brieven niet te hebben ontvangen. Verder staat in brieven van de inspecteur aan X met betrekking tot de intrekking van zijn beconnummer volgens X dat hij niet meer economisch actief is. X stelt hieraan het vertrouwen te kunnen ontlenen dat hij geen aangifteplicht meer heeft. Uiteindelijk gaat X in beroep.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. X heeft niet bewezen dat hij heeft verzocht om uitreiking van btw-aangiften. Verder houdt de intrekking van het beconnummer geen verband met het ondernemerschap van X. Aan de intrekking kan geen vertrouwen worden ontleend, welk oordeel wordt versterkt door het feit dat X omzetbelasting in rekening bleef brengen. Het beroep is gegrond met betrekking tot de herrekening van de hoogte van de naheffingsaanslagen en boetes.

(Bron: Taxlive)

Geen liquidatieverlies omdat opgeofferd bedrag lager is dan liquidatie-uitkering

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat er geen liquidatieverlies als bedoeld in art. 13d Wet VPB 1969 aanwezig is. De inspecteur maakt aannemelijk dat het door X bv voor de aandelen E bv opgeofferde bedrag lager is dan de ontvangen liquidatie-uitkering.

In het kader van een vaststellingsovereenkomst tussen diverse partijen, verkrijgt belanghebbende, X bv, begin 2011 de aandelen in E bv. Voor een belang van 62,5% betaalt X bv € 500.000, en voor het resterende belang van 37,5% betaalt X bv € 1. E bv wordt vervolgens in 2011 ontbonden, in verband waarmee X bv een liquidatie-uitkering van € 27.448 ontvangt. In geschil is de omvang van het liquidatieverlies. Volgens X bv bedraagt het liquidatieverlies namelijk € 472.553. De inspecteur beperkt het aftrekbare liquidatieverlies, op grond van art. 13d lid 4 eerste volzin Wet VPB 1969, tot slechts € 18.253. Eerst in hoger beroep stelt de inspecteur dat het door X bv ter verkrijging van de aandelen in E bv betaalde bedrag aan D van € 500.000 is voldaan teneinde diverse juridische procedures te beëindigen.

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat er geen liquidatieverlies als bedoeld in art. 13d Wet VPB 1969 aanwezig is. De inspecteur maakt aannemelijk dat het door X bv voor de aandelen E bv opgeofferde bedrag lager is dan de uitkering die X bv heeft verkregen bij de liquidatie van E bv. Het hof stelt daarbij vast dat de intrinsieke waarde van de aandelen E bv in 2011 € 9701 bedroeg en dat X bv niet aannemelijk maakt dat zij vanwege strategische belangen meer heeft betaald voor de aandelen dan deze intrinsiek waard waren. Volgens het hof blijkt verder uit de gedingstukken dat het door X bv betaalde bedrag gedeeltelijk is betaald in het kader van de afkoop van diverse juridische procedures. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Bij overname activa en passiva van zelfstandige onderneming begint vijfjarentermijn bedrijfsopvolgingsregeling te lopen

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de bedrijfsopvolgingsregeling niet kan worden toegepast. A was ten tijde van de schenking op 19 december 2014 nog geen vijf jaren ondernemer met betrekking tot G bv.

A houdt de aandelen in B bv. B bv houdt (indirect) aandelen in diverse vennootschappen. In 2013 koopt een van de vennootschappen de activa en passiva van G bv. Op 19 december 2014 schenkt A een aantal aandelen B bv aan zijn zoon, belanghebbende, X. In geschil is of de bedrijfsopvolgingsregeling kan worden toegepast op het belang van de geschonken aandelen in G bv.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de bedrijfsopvolgingsregeling niet kan worden toegepast, omdat A ten tijde van de schenking op 19 december 2014 nog geen vijf jaren ondernemer was met betrekking tot G bv. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de bezitstermijn voor de gekochte activa en passiva van G bv pas op 18 september 2013 is gaan lopen. Hierbij is van belang dat G bv ten tijde van de aankoop van de activa en passiva een zelfstandige onderneming was. Verder is niet van belang dat G bv na de aankoop is opgegaan in de B-groep en ten tijde van de schenking niet meer als afzonderlijke onderneming te identificeren was.

(Bron: Taxlive)

Verkoopcommissies zijn bron van inkomen

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inkomsten die mevrouw X als hoofddistribiteur geniet redelijkerwijs te verwachten zijn en niet slechts speculatief zijn.

Mevrouw X werkt vanaf 2002 voor een multi-level-markertingorganisatie die handelt in magnetische sieraden en wellness-producten. X is eerste distribiteur in Nederland. X ontvangt – behalve opbrengsten uit haar eigen verkopen – ook commissies over de verkopen die in haar netwerk door sub-distribiteurs zijn behaald. Deze commissies zijn door X niet als winst aangegeven. In geschil zijn diverse IB-(navorderings)aanslagen en in het bijzonder is in geschil of de commissies voor X een bron van inkomen zijn, zoals de inspecteur stelt.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inkomsten die X als hoofddistribiteur geniet redelijkerwijs te verwachten zijn en niet slechts speculatief zijn (vgl. Hof ’s Hertogenbosch 18 januari 2018, 16/03629, V-N 2018/23.11). De inspanningen van X zijn namelijk de basis voor de door haar behaalde positieve resultaten. Het maakt niet uit dat de hoogte van de commissies afhankelijk was van het behalen van verkooptargets en in die zin dus onzeker was. X maakt niet aannemelijk dat zij voldoet aan het urencriterium van de zelfstandigenaftrek. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt X een immateriële schadevergoeding van € 3500.

(Bron: Taxlive)

Verlaagde BTW tarief voor exploitant speelhal

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de exploitatie van de speelhal. X verricht haar diensten vanuit een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening.

X exploiteert een ‘speelhal’ met 35 tot 40 speelautomaten. Met de speelautomaten kan de speler actie- en behendigheidsspellen spelen. De klanten kopen een speeltegoed op een playcard en hoeven geen entree te betalen. Zij komen over het algemeen in groepen en spelen tegen elkaar. Daarbij zijn prijzen te winnen, maar geen geldprijzen. In geschil is het toepasselijke btw-tarief.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de exploitatie van de speelhal. X verricht haar diensten vanuit een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening. De rechtbank overweegt daarbij dat het gebouw waarin de speelhal zich bevindt en de inrichting van de speelhal uitstralen dat het doel van het bezoek van de speelhal is om klanten een leuke tijd te bezorgen. Verder stelt de rechtbank vast dat de activiteiten van X ook niet zijn aan te merken als de verhuur van een roerende lichamelijke zaak. De rechtbank wijst er op dat de klant op het tijdstip waarop X de vergoeding voor haar dienstverlening van haar klanten ontvangt, bij het opwaarderen van de playcard, de mogelijkheid krijgt om gezamenlijk gebruik te maken van de voor de voorziening van X kenmerkende vermakelijkheidsactiviteit: het spelen van de verschillende spellen. X heeft recht op teruggaaf van btw.

(Bron: Taxlive)

Prinsjesdagspecial 2019

Welke voorstellen bevat het pakket Belastingplan 2020? De Prinsjesdagspecial, opgesteld in opdracht van de NBA, biedt een handzaam overzicht van de aangekondigde maatregelen.

Het Belastingplan 2020 staat volgens het kabinet in het teken van de verbetering van de koopkracht van de burgers. Het gaat nog steeds goed met de economie, de werkgelegenheid en de overheidsfinanciën. Het kabinet vindt het belangrijk dat burgers hiervan meeprofiteren. Het bedrijfsleven moet volgens de plannen wel gaan inleveren.

1. Tweeschijvenstelsel al in 2020 een feit
Het kabinet stelt voor om de invoering van het tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting te versnellen. De invoering die aanvankelijk per januari 2021 zou plaatsvinden, wordt al per 1 januari 2020 gerealiseerd. Er komt een basistarief van 37,35% en een toptarief van 49,5% in de inkomstenbelasting. In 2021 wordt het basistarief op grond van het wetsvoorstel verlaagd naar 37,10%.

2. Tarief voor aftrekposten
Voor de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning en andere aangewezen aftrekposten in de inkomstenbelasting, zoals de ondernemersaftrek en de aftrek vanwege specifieke zorgkosten, zal in 2020 een aftrektarief van 46% gelden.

3. Algemene heffingskorting extra verhoogd
De algemene heffingskorting wordt in 2020 met € 78 extra verhoogd en in 2021 met € 2 extra bovenop de reeds geplande verhoging. Daarmee komt de algemene heffingskorting in 2020 uit op € 2.711. In 2021 komt de algemene heffingskorting uit op € 2.801.

4. Arbeidskorting extra verhoogd
De arbeidskorting wordt over het gehele traject verhoogd met in totaal € 285 extra, verdeeld over drie stappen in 2020, 2021 en 2022. In 2020 gaat de maximale korting omhoog van € 3.399 naar € 3.819. In 2021 stijgt de arbeidskorting verder naar € 4.143.

5. Verlaging zelfstandigenaftrek
De zelfstandigenaftrek zal per 2020 worden verlaagd van € 7.280 naar € 5.000 in 2028. Deze verlaging zal met acht stappen van € 250 en één stap van € 280 plaats gaan vinden.

6. Daling tarief vennootschapsbelasting pas in 2021
Het tarief in de vennootschapsbelasting voor winsten vanaf € 200.000 blijft in 2020 staan op 25% en daalt in 2021 naar 21,7%. De daling over de eerste schijf blijft zoals die was: een daling naar 16,5% in 2020 en 15% in 2021.

7. Effectieve tarief innovatiebox verhoogd
Het effectieve tarief van de innovatiebox zal per 2021 worden verhoogd van 7% naar 9%.

8. Einde betalingskorting
De betalingskorting die geldt in de vennootschapsbelasting zal per 1 januari 2021 worden afgeschaft.

9. Liquidatie- en stakingsverliesregeling aangepast
In 2021 zal de liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting worden aangepast. Dit houdt in dat de verliezen alleen nog maar onder strikte voorwaarden in aftrek kunnen worden gebracht.

10. Overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001 eindigt niet in 2021
Het overgangsrecht voor bepaalde saldolijfrenten en voor bepaalde buitenlandse pensioenen, waarvoor dit overgangsrecht nooit bedoeld was, zal niet worden beëindigd en de afrekenverplichting hiervoor zal niet worden afgeschaft. De beëindiging van het overgangsrecht en de afrekenverplichting wordt hierdoor beperkt tot specifiek die oude saldolijfrenten waarmee belastingheffing langdurig kan worden uitgesteld.

11. Vier wijzigingen in de werkkostenregeling

Vergroten vrije ruimte mkb
Er wordt een tweeschijvenstelsel voorgesteld in de berekening van de vrije ruimte. In de eerste schijf wordt de vrije ruimte vergroot naar 1,7% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000. In de tweede schijf geldt de huidige 1,2% over de resterende loonsom.

Onbelast vergoeden kosten aanvraag VOG
Per 1 januari 2020 zullen de kosten voor de aanvraag van een Verklaring omtrent gedrag (VOG) onder de gerichte vrijstelling van de werkkostenregeling vallen. Dit betekent dat werkgevers de kosten voor de aanvraag van een VOG onbelast mogen vergoeden aan werknemers zonder dat zij daarvoor hun vrije ruimte hoeven in te zetten.

Uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing wordt verlengd
De werkgever krijgt vanaf 2020 wat langer de tijd en moet de verschuldigde eindheffing in verband met het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar uiterlijk aangeven tegelijk met de aangifte over het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Nu moet de werkgever dit uiterlijk tegelijk met de aangifte over het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar aangeven.

Bepalen waarde producten uit eigen bedrijf
De waarde van producten uit eigen bedrijf wordt vanaf 2020 bepaald aan de hand van de waarde in het economische verkeer en niet meer gebaseerd op het bedrag dat derden voor de producten moeten betalen.

12. Indexeren onbelaste vrijwilligersvergoeding
De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding wordt per 2020 jaarlijks geïndexeerd. Vrijwilligers met vergoedingen en verstrekkingen van in totaal maximaal € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar, zijn hierover geen belasting en premie volksverzekeringen verschuldigd. De organisatie waarvoor zij als vrijwilliger werkzaam zijn, is hierover ook geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd.

13. Vrijstelling overheidsondernemingen verruimd
Voor drie van de vrijstellingen voor overheidsondernemingen in de vennootschapsbelasting is gebleken dat deze bij nader inzien te beperkt zijn vormgegeven en in bepaalde situaties onbedoeld tot belastingheffing leiden. Dit is het geval bij de vrijstelling voor onderwijs en onderzoek (de onderwijsvrijstelling), de vrijstelling voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling.

Bij de onderwijsvrijstelling was onvoldoende rekening gehouden met de wijze van financiering bij door de overheid bekostigde scholen met een internationale afdeling. Bij de vrijstelling voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling bleek dat onvoldoende rekening is gehouden met de verschillende manieren waarop het Rijk in brede zin zich juridisch kan organiseren. Hierdoor kwamen bepaalde situaties, die materieel vergelijkbaar zijn met situaties die wel voor vrijstelling in aanmerking komen, buiten het toepassingsbereik van de vrijstelling. Daarom zullen die drie vrijstellingen worden verruimd. Dit was al goedgekeurd bij besluit van 19 juli 2019.

14. Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
Om voor banken en verzekeraars het fiscale voordeel van de financiering met vreemd vermogen te beperken, zal een minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars gaan gelden die de aftrek van de verschuldigde rente beperkt voor zover het vreemd vermogen meer bedraagt dan 92% van het balanstotaal.

15. Verhuurderheffing op twee punten aangepast
Er zal een structurele heffingsvermindering geïntroduceerd worden voor nieuwbouw van woningen met een huur onder de laagste aftoppingsgrens van de huurtoeslag in regio’s waar de druk op de woningmarkt het grootst is (heffingsvermindering nieuwbouw).  Daarnaast komt er een tijdelijke vrijstelling voor tijdelijke woningen die gerealiseerd worden in de periode 2020-2024 (vrijstelling tijdelijke woningen).

Verhuurders die verhuurderheffing verschuldigd zijn en nieuwbouwwoningen realiseren in zogenoemde schaarstegebieden kunnen op grond van de voorgestelde maatregel in aanmerking komen voor een heffingsvermindering.

16. Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven
Het verlaagde btw-tarief zal met ingang van 1 januari 2020 worden uitgebreid voor de levering of het uitlenen van elektronische uitgaven. Het zal straks voor de btw dan ook niet meer uitmaken of bijvoorbeeld een boek op papier of op een cd wordt geleverd (fysieke drager) of dat de gedigitaliseerde inhoud van een boek langs elektronische weg wordt aangeboden. De ongelijke behandeling wordt dus opgeheven.

17. Verlaagd btw-tarief nieuwswebsites
Het verlaagde btw-tarief van 9% zal met ingang van 1 januari 2020 ook worden toegepast op het verlenen van toegang tot nieuwswebsites zoals die van dagbladen, weekbladen en tijdschriften. Hier is wel de voorwaarde aan gekoppeld dat de elektronische uitgaven en de nieuwswebsites niet uitsluitend of hoofdzakelijk mogen bestaan uit reclamemateriaal of uit video-inhoud of beluisterbare muziek.

18. Verhoging accijns op tabaksproducten
De accijns van sigaretten wordt met ingang van 1 april 2020 verhoogd zodat de verkoopprijs van een pakje sigaretten van 20 stuks € 1 stijgt. Dit is een eerste stap naar een verdere prijsverhoging van een pakje sigaretten tot € 10 in 2023. Om substitutie-effecten te voorkomen wordt ook het tarief van accijns op rooktabak (vooral shag) per kilogram met ingang van dezelfde datum in absolute zin gelijk verhoogd als het tarief van de accijns van 1000 sigaretten.

19. Vrijstellingen in de assurantiebelasting van 21%
In de assurantiebelasting worden twee vrijstellingen geïntroduceerd. De eerste vrijstelling van assurantiebelasting heeft betrekking op verzekeringen die geheel of gedeeltelijk mogelijke financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft bij de verplichting om het loon van een werknemer door te betalen in geval van ziekte of doordat hij – als eigenrisicodrager – zelf het risico draagt van de betaling van ziekengeld, WGA- en overlijdensuitkeringen. De tweede vrijstelling van assurantiebelasting heeft betrekking op brede weersverzekeringen die zijn afgesloten door actieve landbouwers. Dit is een verzekering voor landbouwers om onverzekerbare weersrisico’s af te dekken.

20. Einde aftrek bestuurlijke dwangsommen
Per 1 januari 2020 zullen kosten en lasten van bestuursrechtelijke dwangsommen worden uitgesloten van aftrek bij de bepaling van de belastbare winst van ondernemers, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden bij resultaatgenieters (in de inkomstenbelasting) en de belastbare winst bij lichamen (in de vennootschapsbelasting).

21. WBSO versoepeld
Per 1 januari 2020 zal de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) worden versoepeld. Het aantal momenten per jaar waarop een S&O-verklaring kan worden aangevraagd zal worden uitgebreid van drie naar vier. De deadline waarop organisaties een aanvraag mogen indienen, wordt de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, in plaats van ten minste een maand voorafgaand aan die periode.

Verder wordt termijnoverschrijding te wijten aan een verstoring van het digitale loket de indiener niet aangerekend. Het moet daarbij gaan om een termijnoverschrijding ter zake van de S&O-aanvraag, de opgave van de burgerservicenummers van de werknemers die S&O hebben verricht en de mededeling van de aan S&O bestede uren en van de eventuele gerealiseerde kosten en uitgaven.

22. Vergrijpboeten beroepsbeoefenaars op grond van medeplegen openbaar gemaakt
Per 1 januari 2020 zullen bepaalde onherroepelijk geworden vergrijpboeten die aan beroepsbeoefenaars op grond van medeplegen zijn opgelegd, openbaar worden gemaakt. Over het algemeen zal het gaan om belastingadviseurs, maar er kunnen ook andere dienstverleners onder worden begrepen, zoals notarissen, accountants en advocaten

23. Inkeerregeling niet voor aanmerkelijk belang
Boetevrije inkeer is per 2020 niet meer mogelijk voor inkomen uit aanmerkelijk belang. Verder wordt met de maatregel het onderscheid tussen inkomen uit sparen en beleggen dat in het buitenland is opgekomen en inkomen dat in het binnenland is opgekomen, weggenomen. Deze zijn uitgesloten.

24. Lichte daling percentage eigenwoningforfait voor 2020
Voor woningen met een WOZ-waarde tussen de € 75.000 en € 1.060.000 gaat het percentage voor het eigenwoningforfait dat nu nog op 0,65% staat in 2020 naar 0,60%. Dit percentage zakt vervolgens verder naar 0,50% in 2021 en 2022 en tenslotte naar 0,45% in 2023. Voor woningen boven de € 1.060.000 blijft het percentage 2,35%. 

25. Definitie vaste inrichting aangepast
Voor de invulling van de definitie van het begrip vaste inrichting in de Wet inkomstenbelasting, loonbelasting en vennootschapsbelasting wordt per 1 januari 2020 aangesloten bij de definitie van dat begrip in het belastingverdrag. Op deze manier bestaat er in verdragssituaties geen verschil tussen het nationale heffingsrecht en de heffingsbevoegdheid die Nederland toekomt op basis van het betreffende belastingverdrag.

Voor niet-verdragssituaties wordt de definitie bepaald aan de hand van de meest recente versie van het OESO-modelverdrag en dus ook bij de wijzigingen van de definitie van het begrip vaste inrichting die zijn aanbevolen in het eindrapport bij actiepunt 7 van het BEPS-project.

26. Nieuwe regels earnings stripping-beschikking
Een beschikking met betrekking tot het voort te wentelen saldo aan renten kan per 2020 worden herzien als sprake is van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout. Hiervoor zal eenzelfde termijn gaan gelden als ook voor navordering van te weinig geheven belasting. Verder zal een beschikking worden gegeven indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een later jaar.

27. Aanpassen afvalstoffenbelasting
Per 1 januari 2020 zal wettelijk geregeld worden dat het verwijderen (in de regel storten) van verbrandingsresten in de eigen inrichting buiten de heffing van afvalstoffenbelasting valt. Hierbij geldt de voorwaarde dat die verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van aan die inrichting ter verwijdering afgegeven afvalstoffen waarover afvalstoffenbelasting is geheven. In alle andere situaties blijft de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan een belastbaar feit. Hierbij valt te denken aan verbrandingsresten die zijn ontstaan uit afvalstoffen die buiten de heffing van afvalstoffenbelasting vallen, zoals buitenlands afval, of waarvoor een vrijstelling geldt, zoals zuiveringsslib.

28. Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer
De belastingplichtige kan per 1 januari 2020 kiezen of hij berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden wil krijgen. De gemaakte keuze geldt in beginsel voor alle uitgaande berichten van de Belastingdienst. Voor bepaalde berichten (bijvoorbeeld Douane), groepen (ondernemers) en in bepaalde omstandigheden geldt deze keuzeregeling niet.

29. Belastingrente vennootschapsbelasting aangepast
Per 1 januari 2020 zal geen belastingrente in rekening worden gebracht als de aangifte vennootschapsbelasting wordt ingediend voor de eerste dag van de zesde maand na het tijdvak waarover de belasting wordt geheven (doorgaans 1 juni). Hierbij geldt de voorwaarde dat de belastingaanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.

30. Belastingrente erfbelasting aangepast
Per 1 januari 2020 zal geen belastingrente in rekening worden gebracht als het verzoek om een voorlopige aanslag of de aangifte is ontvangen binnen de aangiftetermijn die in de betreffende situatie geldt. Dit is wel onder voorwaarde dat de aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte.

31. Tonnageregeling aangepast
Per 1 januari 2020 wordt de tonnageregeling aanscherpt op het terrein van tijd- of reischarter, het vlagvereiste en werkzaamheden anders dan vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee.

32. Introductie bronbelasting op rente en royalty’s
Per 1 januari 2021 zal er een bronbelasting ingevoerd worden op rente- en royaltybetalingen door een in Nederland gevestigd lichaam aan een in een land met geen of laag winsttarief (lager dan 9%) gevestigd gelieerd lichaam en in misbruiksituaties. Het tarief van de bronbelasting op rente- en royaltybetalingen zal 21,7% bedragen.

33. Elektrisch autorijden blijft aantrekkelijk
De huidige belastingvoordelen, die in 2021 zouden aflopen, blijven de komende jaren grotendeels bestaan. Tot 2025 betalen kopers en eigenaren van elektrische auto’s bijvoorbeeld geen aanschafbelasting (bpm) en motorrijtuigenbelasting.

34. Bijtelling elektrische auto van de zaak omhoog
Per 1 januari 2020 zal het bijtellingspercentage voor elektrische auto’s van de zaak verhoogd worden van 4% naar 8% over de eerste € 45.000. In 2021 zal de bijtelling verhoogd worden naar 12% over de eerste € 40.000 en voor de jaren 2022 tot en met 2024 zal het bijtellingspercentage 16% bedragen. In 2025 is de bijtelling 17%. Uiteindelijk zal de bijtelling in 2026 gelijk zijn aan het percentage van alle andere auto’s en 22% bedragen.

35. Overdrachtsbelasting niet-woningen omhoog
Per 1 januari 2021 zal de overdrachtsbelasting voor niet-woningen verhoogd worden met 1%-punt. Het tarief gaat daardoor van 6% naar 7%. Niet-woningen zijn bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, bedrijfsruimten, grond die bestemd is voor woningbouw en hotels en pensions.

De verhoging geldt niet voor de verkrijging van woningen. Daarop blijft het verlaagde tarief van 2% van toepassing.

36. Heffing op buitenlands afval
Per 1 januari zullen afvalstoffen die uit het buitenland zijn overgebracht naar Nederland om hier te worden verwijderd (in de regel om te worden verbrand) in de heffing van de afvalstoffenbelasting worden betrokken.

37. Verhoging accijns op diesel
De accijns op diesel gaat per 1 januari 2021 en per 1 januari 2023, met 1 cent per liter omhoog.

38. Versobering korting mrb bestelauto’s van ondernemers
De mrb-tarieven voor bestelbussen van ondernemers worden jaarlijks met gemiddeld € 24 verhoogd in 2021 tot 2024. In 2025 wordt dit weer verlaagd met € 24. Deze verhoging wordt procentueel ingezet, zodat lichtere bestelauto’s een lagere verhoging krijgen en zwaardere bestelauto’s een hogere verhoging.

39. Wijzigingen energiebelasting
De tarieven van de energiebelasting worden aangepast. Daarnaast wordt de belastingvermindering op de energiebelasting verhoogd. De tarieven van de opslag duurzame energie (ODE) zullen ook aangepast worden voor 2020, zodat de lasten eerlijker verdeeld worden tussen huishoudens en bedrijven. Voor huishoudens met een gemiddeld gebruik daalt het belastingdeel van de energierekening in 2020 met € 100. Bedrijven krijgen juist een hogere energierekening. Vanaf 2020 dragen bedrijven meer bij aan de ODE op de energierekening dan particuliere verbruikers; twee derde deel in plaats van de helft nu.

40. Vereenvoudigde btw-regels in EU-verband
Per 1 januari 2020 gaan er vereenvoudigde en geharmoniseerde btw-regels gelden voor voorraad op afroep en voor het bewijs van intracommunautair vervoer van goederen, het btw-identificatienummer als materiële voorwaarde voor toepassing van het btw-nultarief en een specifieke regeling voor ketentransacties. Dit heeft gevolgen voor ondernemers die goederen leveren aan afnemers in andere EU-lidstaten.

41. Fiscale aftrek scholingsuitgaven
De fiscale aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting wordt op termijn afgeschaft. Hiervoor in de plaatst komt een individuele leerrekening. Deze zal worden opgenomen in een wettelijke regeling, de Subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie) voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt.

Aangezien al aangekondigd is dat de inwerkingtreding van de Subsidieregeling STAP-budget per 1 januari 2020 niet haalbaar is, kan de belastingplichtige in ieder geval in 2020 nog gebruik maken van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven.

(Bron: NBA)

Opschorten ingang uitkering ODV-termijnen aan erfgenamen

De Belastingdienst publiceerde een V&A over de vraag of het mogelijk is om de wettelijke ingang van de uitkeringen van de ODV-termijnen aan de erfgenamen op te schorten, tot het moment dat de erfgenamen bekend zijn.

Bij het overlijden van een ODV-gerechtigde voordat de ODV-termijnen zijn ingegaan gaat het recht op de ODV-termijnen over op de erfgenamen (natuurlijke personen). De ODV-termijnen moeten in dat geval binnen twaalf maanden na het overlijden ingaan. Als de ODV-gerechtigde overlijdt terwijl de ODV-termijnen al zijn ingegaan, gaat het recht op de resterende ODV-termijnen direct bij het overlijden over op de erfgenamen (natuurlijke personen).

Het zal niet altijd direct duidelijk zijn wie de erfgenamen van de ODV-gerechtigde zijn. Dit V&A gaat in op de vraag of het mogelijk is om de wettelijke ingang van de uitkeringen van de ODV-termijnen aan de erfgenamen op te schorten, tot het moment dat de erfgenamen bekend zijn.

Vraag

Een dga heeft een in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak omgezet in een ODV. De tot de ODV-termijnen gerechtigde dga overlijdt. Het is op dat moment nog niet mogelijk vast te stellen welke personen als erfgenaam recht krijgen op de toekomstige ODV-termijnen (bijvoorbeeld omdat de in het testament genoemde erfgenamen gedeeltelijk niet traceerbaar zijn of omdat nog niet duidelijk is welke erfgenamen de erfenis zullen aanvaarden).

Is het mogelijk om de wettelijke ingang van de uitkeringen van de ODV-termijnen aan de erfgenamen op te schorten tot het moment dat de erfgenamen bekend zijn?

Maakt het voor het opschorten van de ingang van de uitkeringen aan de erfgenamen uit of de ODV-termijnen al waren ingegaan ten tijde van het overlijden van de ODV-gerechtigde?

Opschorting

Bij overlijden van een ODV-gerechtigde kan de ingang van de uitkeringen van de ODV-termijnen worden opgeschort tot het moment dat de erfgenamen die recht krijgen op de toekomstige ODV-termijnen bekend zijn. Direct daarna dienen de uitkeringen van de ODV-termijnen (weer) aan te vangen en moeten de opgeschorte uitkeringen in één keer worden uitgekeerd aan de rechthebbende erfgenamen.

In de situatie dat de ODV-termijnen nog niet zijn ingegaan op het moment dat de ODV-gerechtigde (gewezen) werknemer overlijdt, is pas sprake van het opschorten van de uitkeringen na het verstrijken van de twaalf-maandsperiode na het overlijden (zie artikel 38p, tweede lid, onderdeel b, Wet LB). In dat geval ziet de eenmalige uitkering van de opgeschorte uitkeringen dus op de na het verstrijken van de twaalf-maandsperiode nog niet uitgekeerde ODV-termijnen.

Overlijdt de genieter van de ODV-termijnen terwijl de ODV-termijnen al zijn ingegaan, dan ziet de eenmalige uitkering van de opgeschorte uitkeringen op de nog niet uitgekeerde ODV-termijnen na het overlijden.

(Bron: Taxence)

Geen bron van inkomen ondanks omzetstijging drie jaar later

Als een activiteit gedurende verschillende jaren steeds verliezen oplevert, is het nog maar de vraag of een omzetstijging in een jaar voldoende is om te bewijzen dat steeds sprake was van een bron van inkomen.

Een man heeft in zijn aangifte IB/PVV een negatief resultaat uit overige werkzaamheden opgegeven. Deze werkzaamheden bestaan uit het opnemen en uitbrengen van cd’s met kinderliedjes. Volgens de man heeft hij de afgelopen jaren vier tot vijf cd’s opgenomen en uitgebracht. In de periode 2014 tot en met 2016 verkocht hij jaarlijks ongeveer 50 cd’s. In 2017 steeg de omzet volgens de man naar 250 stuks. Hij verwacht dat de verkopen in de volgende jaren zullen toenemen. De inspecteur ziet de toekomst van de cd-verkoop minder rooskleurig in. Hij meent dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt. In dat geval is geen sprake van een bron van inkomen.

Blijvend verliesgevend

Het geschil belandt voor Hof Amsterdam. Het hof redeneert dat men in beginsel op basis van feiten en omstandigheden van het desbetreffende jaar moet vaststellen of in dat jaar sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Men mag feiten en omstandigheden van andere jaren meewegen als deze ook licht werpen op dit vraagstuk. Het hof constateert dat in de jaren 2013, 2014 en 2015 de kosten een vijfvoud betroffen van de opbrengsten. Bij een gelijkblijvende verkoop van 50 cd’s per jaar is de verwachting dat de activiteit blijvend verliesgevend is. Er is dan geen bron van inkomen. Zelfs al zou de man inderdaad 250 cd’s hebben verkocht in 2017, dan is deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat wel sprake is van een bron van inkomen, aldus het hof. Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht de aftrek van het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden heeft geweigerd.

(Bron: Taxence)

Stilletjes de B.V. in

Ondernemers die de tijd rijp vinden om hun IB-onderneming in een B.V. of N.V. in te brengen, kunnen dit doen met of zonder fiscale afrekening. Als de ondernemer fiscaal geruisloos de B.V. in wil, moet hij wel voldoen aan diverse voorwaarden, waaronder een vervreemdingsverbod.

Gefacilieerde inbreng

Zonder fiscale faciliteit zou de inbreng van een eenmanszaak in een B.V. of N.V. als gevolg hebben dat de ondernemer zijn onderneming staakt. In dat geval heft de fiscus over zijn aandeel in de stille en fiscale reserves en goodwill. Wie als ondernemer winst uit onderneming geniet, kan zijn eenmanszaak geruisloos inbrengen in een B.V. of N.V. (voor het gemak spreken we steeds van de B.V.). Geruisloze inbreng van een medegerechtigdheid is ook mogelijk mits deze medegerechtigdheid voor de winstgenieter de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn (mede)gerechtigdheid als ondernemer. Maar wie alleen maar winst uit onderneming geniet omdat hij aan een ondernemer een lening verstrekt die fungeert als eigen vermogen, kan geen gebruik maken van de geruisloze inbreng in de B.V.

Geruisloze inbreng vof of maatschap in B.V.

Niet alleen een eenmanszaak, maar ook een vof of een maatschap zijn geruisloos in te brengen in een B.V. Daarbij geldt wel als aanvullende voorwaarde dat de oprichters van de B.V. in eenzelfde verhouding gerechtigd zijn tot het aandelenkapitaal als zij waren tot het vermogen van de ingebrachte vof of maatschap.

Standaardvoorwaarden

De ondernemer moet zijn verzoek om toepassing van de geruisloze omzetting schriftelijk indienen bij de Belastingdienst. In de zogeheten standaardvoorwaarden zijn de voorwaarden opgenomen waaronder de geruisloze inbreng wordt toegestaan. Als de inspecteur het verzoek inwilligt, doet hij dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Hij maakt dan ook de overige voorwaarden kenbaar waaraan de B.V. moet voldoen. De standaardvoorwaarden houden grofweg gezegd het volgende in:

  • De aandeelhouder (de voormalige ondernemer) mag de aandelen in de B.V. niet binnen drie jaar na de geruisloze inbreng vervreemden. Er zijn bepaalde uitzonderingen op dit verbod, bijvoorbeeld bij een aandelenfusie. Daarnaast is er een mogelijkheid tot tegenbewijs.
  • De B.V. treedt voor wat betreft de fiscale winstberekening zo veel mogelijk in de plaats van de ingebrachte IB-onderneming. De B.V. zal daardoor werken met de oude fiscale boekwaarden van de onderneming;
  • Als de onderneming wordt ingebracht in een bestaande B.V., moet bij achterwaartse verliesverrekening een soort winstsplitsing plaatsvinden. Dit om te voorkomen dat bij de verliesverrekening de samenvoeging van de beide ondernemingen materieel terugwerkende kracht heeft;
  • De B.V. mag de inbrengende ondernemer crediteren voor inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen die vóór het overgangstijdstip materieel waren verschuldigd. Daarnaast mag een afrondingscreditering plaatsvinden van 5% het gestorte kapitaal op de aandelen, maar maximaal € 25.000;
  • De ondernemer moet in beginsel bij de oprichting van de B.V. voor 100% in het geplaatste en gestorte kapitaal deelnemen;
  • De aandeelhouder (voormalige ondernemer) stelt de verkrijgingsprijs van zijn aanmerkelijkbelangaandelen op de som van de fiscale boekwaarden van de ingebrachte vermogensbestanddelen. Met deze voorwaarden en het verplicht werken met oude boekwaarden door de bv wisselt de fiscus een IB-claim over box 1 in voor een combinatie van een Vpb-claim en een IB-claim over box 2-inkomsten;
  • De deelnemingsvrijstelling is in beginsel niet toe te passen op positieve voordelen uit een deelneming tot het bedrag waarmee op het overgangstijdstip de waarde in het economische verkeer van die deelneming de boekwaarde overtrof. Onder bepaalde omstandigheden wordt de bv geacht voordelen uit een deelneming te hebben genoten, bijvoorbeeld bij de vervreemding van een deelneming;
  • De oprichting van de B.V. en de inbreng van de onderneming vinden plaats binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip.
  • De B.V. gaat schriftelijk akkoord met de gestelde voorwaarden en beperkingen

Verplaatsing is niet altijd staking

In een zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant meende de inspecteur dat een ondernemer ten onrechte de geruisloze inbreng had toegepast in 2010. In 2011 was de man namelijk geëmigreerd naar België. De Belastingdienst stelt dat hij daar een nieuwe onderneming is begonnen na staking van zijn oude onderneming. Maar de man weet aannemelijk te maken dat de onderneming van de B.V. niet is beëindigd. De onderneming omvat namelijk een mobiele kinderboerderij en een veehandel die bestaat uit de doorverkoop van dieren. De aard van deze onderneming brengt mee dat een fysieke locatie nauwelijks is vereist. De emigratie van de man is daarom volgens de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de onderneming van de B.V. is gestaakt.

Reserves die niet geruisloos zijn in te brengen

De volgende reserves zijn niet geruisloos in te brengen in een B.V.:

  • de oudedagsreserve; en
  • de terugkeerreserve in verband met een geruisloze terugkeer uit een bv in het verleden.

Zelfs bij een geruisloze inbreng zal de ondernemer dus moeten afrekenen over deze reserves.

Wie zijn onderneming geruisloost inbrengt, hoeft niet af te rekenen over de stille en fiscale reserves en de goodwill die deel uitmaken van zijn onderneming. Een oudedagsreserve is niet geruisloos in te brengen in een bv. Deze reserve valt dus vrij wanneer de IB-onderneming wordt ingebracht in een bv.

(Bron: Taxence)

Modernisering pensioenverdeling bij scheiding naar Tweede Kamer

De verdeling van pensioenen voor partners die gaan scheiden wordt gemoderniseerd. Minister Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en minister Dekker (Rechtsbescherming) hebben het wetsvoorstel ‘verdeling van pensioen bij scheidingen 2021’ 16 september naar de Tweede Kamer gestuurd.

Na inwerkingtreding krijgen beide ex-partners een zelfstandig recht op een deel van het pensioen dat ze tijdens het huwelijk hebben opgebouwd. Dit geeft ex-partners meer inzicht in wat hun financiële situatie na pensionering wordt. Ex-partners zijn niet meer afhankelijk van elkaars pensioendatum. Ook heeft het overlijden van een van beide ex-partners geen invloed meer op de pensioenuitkering van de ander. Deze wetswijziging verbreekt daarom de levenslange afhankelijkheid tussen ex-partners op pensioengebied.

Beiden ex-partners krijgen in de toekomst standaard de helft van het tijdens het huwelijk door de ander opgebouwde pensioen. Ex-partners kunnen ook aangeven dat zij het pensioen niet willen verdelen of dat zij andere afspraken over de verdeling maken. De 50/50-verdeling van het pensioen staat los van de hoogte van beide pensioenen. Het is dan ook geen verdeling van de meestverdienende partner naar de minstverdienende partner.

Verdelen

Na inwerkingtreding verdelen pensioenuitvoerders de pensioenen automatisch zodra ze vanuit de Basisregistratie Personen (BRP) een melding van een scheiding krijgen. Dit is een verbetering ten opzichte van het huidige systeem. Stellen die nu uit elkaar gaan, moeten zelf binnen twee jaar na hun scheiding bij de pensioenuitvoerder aangeven welke afspraken zij hebben gemaakt als zij de uitbetaling door de pensioenuitvoerder geregeld willen hebben. Doen stellen dit niet, dan wordt het pensioen niet op twee rekeningnummers gestort door de pensioenuitvoerder. In dat geval moet je, vaak jaren later, alsnog bij je ex-partner aankloppen en uitbetaling bij hem of haar regelen. In de praktijk vergeet ruim een derde van de scheidende stellen hun keuze door te geven.

Voor pensioenuitvoerders betekent deze wijziging dat zij meer pensioenen moeten verdelen dan nu, en dat zij het pensioen op een andere manier moeten verdelen. Dit leidt tot bijbehorende ICT-investeringen. Minister Koolmees is daarom reeds gesprek met vertegenwoordigers van de pensioensector over de uitvoering van de nieuwe wet.

(Bron: Taxence)