Juridische uitdagingen in de samenwerking

De circulaire economie is hot en happening. Het economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren, zorgt echter voor een hoop juridische uitdagingen

De wet sluit niet naadloos aan op deze vorm van ondernemen, waarin bedrijfskolommen steeds verder integreren, met name diensten worden geleverd in plaats van goederen en nieuwe vormen van samenwerking worden gezocht. Voordat je echt een nieuwe samenwerking begint, schets ik hieronder de drie valkuilen van circulair ondernemen.

De gekozen samenwerkingsvorm past niet bij het project

Veranderende relaties tussen bijvoorbeeld kopers en leveranciers, vereisen andere samenwerkingsvormen. Vaak gaat het om een samenwerking tussen meer dan twee partners. Kies je voor de aandelenstructuur (een BV) of zoek je naar een flexibeler alternatief, zoals een coöperatie. Of kies je voor een samenwerkingsovereenkomst. In praktijk wordt vaak voor het laatste gekozen. Dat kan gunstig zijn. De samenwerking is misschien nog niet helemaal uitgekristalliseerd en partijen willen makkelijk van elkaar af. Geen aandelenverkoop, gewoon opzeggen. Maar kun je wel zo maar opzeggen? Geeft het contract daar wel mogelijkheid toe? Bovendien kun je – wellicht onbedoeld – een personenvennootschap (een vof) oprichten met alle gevolgen en (hoofdelijke) aansprakelijkheden van dien.

Er is een onevenwichtige machtsverhouding tussen de samenwerkingspartners

Samenwerkingsvormen, of het nu gaat om een aandelenstructuur, een vof of een samenwerkingsovereenkomst, lijken in beginsel uit te gaan van een verhouding waarin beide partners even sterk zijn. Dat is in praktijk meestal niet het geval. Denk bijvoorbeeld aan de start-up die een innovatieve oplossing heeft voor een grote corporate. Al is het voorstel op tafel nog zo evenwichtig, dan nog dient de kleine partij zich bewust te zijn van het feit dat zij de kleinste is.

Wat als de machtigste partij haar verplichtingen niet nakomt? De andere partij zal niet eenvoudig nakoming kunnen afdwingen. Denk bijvoorbeeld aan eventuele afspraken over de vruchten van de samenwerking. Wat als de sterkere partij er met het idee vandoor gaat en dat verder ontwikkelt met een andere contractspartij? Die onevenwichtigheid tussen de contractspartijen dient te worden gewaarborgd in de samenwerkings- of aandeelhoudersovereenkomst. Ook hier geldt: beter van tevoren goed over nagedacht, dan achteraf naar je geld op jacht.

De risicoverdeling is onduidelijk

Een nieuwe rol in de keten betekent ook dat je als ondernemer te maken krijgt met andere rechten en verplichtingen. Anders dan voorheen, ben je niet slechts leverancier, inkoper of dienstverlener, je bent ook mede-ontwikkelaar. Met alle risico’s van dien. Sluiten je algemene inkoop- of verkoopvoorwaarden nog wel aan op je nieuwe rol in de keten? Is er sprake van afval, bijproduct of van een product? Want voor al die verschillende zaken, geldt immers een ander wettelijk aansprakelijkheidsregime.

De wettelijke regeling voor overeenkomsten gaat bovendien in beginsel uit van een tweepartijenovereenkomst. Er zijn wel een aantal bepalingen voor overeenkomsten met meer partijen, maar die zijn vrij beperkt. Bovendien geldt bij circulaire ondernemingen ook nog vaak dat het gaat om een meerpartijenovereenkomst waarbij alle partijen van elkaar afhankelijk zijn. Wat als een van de samenwerkingspartners ermee stopt en de keten wordt doorbroken. Eindigt de samenwerking tussen de andere partners dan ook?

Leg afspraken goed vast

Meer dan ooit zijn heldere afspraken en de vastlegging daarvan nodig om juridische risico’s te kunnen controleren. Contracteren in de circulaire economie is maatwerk en in veel gevallen ontbreekt een specifieke wettelijke regeling. Leg daarom de gemaakte afspraken goed vast en laat je daarover adviseren.

(Bron: DVAN)

Maak fiscaal slimme afspraken ontbinding leasecontract met werknemer

Bij een vertrekkende werknemer zult u veelal het leasecontract van zijn auto van de zaak willen ontbinden. Hoe zorgt u ervoor dat dit u niets kost en het de werknemer een aftrekpost oplevert?

Afkoop leasecontract

Als aan werknemers een auto van de zaak ter beschikking wordt gesteld, maken de meeste werkgevers gebruik van de diensten van een leasemaatschappij. Hiermee voorkomt men veel administratieve rompslomp. Een nadeel is echter dat bij tussentijdse ontbinding van het leasecontract veelal een afkoopsom moet worden betaald.

Afkoopsom

De afkoopsom is meestal gerelateerd aan de resterende duur van het leasecontract. De leasemaatschappij loopt immers inkomsten mis en wil hiervoor compensatie.

Aftrek bij werknemer

Een afkoopsom kan al snel enige duizenden euro’s bedragen. Als deze voor rekening van de werknemer komt, is het voor hem van belang dat deze afkoopsom aftrekbaar is. Hoe is dat te realiseren?

Bepaling vereist

Een afkoopsom is in mindering te brengen op de bijtelling vanwege het privégebruik in het betreffende jaar. Er moet dan wel schriftelijk bepaald zijn dat de afkoopsom voor rekening van de werknemer komt en dat hij deze betaalt als vergoeding voor het privégebruik dat hij van de auto maakt.

Let op! Leg schriftelijk vast dat de afkoopsom van het leasecontract voor rekening van de werknemer komt en leg ook schriftelijk vast dat hij deze betaalt als vergoeding voor het privégebruik.

Tip: zorg ervoor dat de werknemer de afkoopsom aan u betaalt en niet rechtstreeks aan de leasemaatschappij. Alleen dan is aftrek op de bijtelling mogelijk.

Niet negatief

De bijtelling vanwege het privégebruik van de auto van de zaak kan niet negatief worden door de betaling van de afkoopsom. Houd er rekening mee dat bij een vertrekkende werknemer in het begin van het jaar de bijtelling nog gering is. Bij een grotere afkoopsom levert dit dus geen negatieve bijtelling op.

Tip: plan daarom de ontbinding van het leasecontract zorgvuldig. Een aan het begin van het jaar vertrekkende werknemer is erbij gebaat als het leasecontract het voorafgaande jaar al ontbonden wordt, bijvoorbeeld op 31 december. Zodoende kan de afkoopsom wel volledig of grotendeels verrekend worden met de bijtelling.

(Bron: HLB)

Door fout van inspecteur kan de Fiscus fluiten naar erfbelasting over buitenlandse erfenis

Wie droomt er niet van? Een forse erfenis ontvangen van een onbekend familielid? Ik moet eerlijk toegeven: wanneer ik zo’n bericht via de e-mail had ontvangen zou ik eerder denken aan een valse e-mail, dan aan een echte erfenis.

De erfgenaam in deze zaak ontving het bericht waarschijnlijk per post. De mevrouw in kwestie ontving niet alleen het bericht dat ze een onbekende halfzus had gehad die in 1992 was overleden, maar daarbovenop dat het kind van deze halfzus in 1995 ook was overleden. Het bestaan van deze onbekende halfzus en neef zal ongetwijfeld een hele schok zijn geweest. Er was echter ook positief nieuws: de onbekende halfzus bleek bijna 6 miljoen euro op een Zwitserse bankrekening te hebben staan.

Aanslag van meer dan 1 miljoen euro

De Belastingdienst was in ieder geval aangenaam verrast, en stuurde de kersverse erfgenaam een aanslag van meer dan € 1 miljoen euro. Voor zo’n bedrag is het de moeite waard om te procederen, moet mevrouw gedacht hebben. Sinds het overlijden van de neef in 1995 zijn meer dan 12 jaren verstreken, en dat was tot 2012 de maximale termijn om nog een aanslag op te kunnen leggen voor buitenlands vermogen. De vraag is echter wanneer die 12-jaarstermijn is gaan lopen.

Onbeheerde erfenis

De inspecteur gaf aan dat tijdens het overlijden van de neef niet bekend was dat zijn moeder een Zwitserse rekening bezat, daarnaast was niet bekend dat hij erfgenamen had. Volgens de – grofweg samengevatte opinie van de – inspecteur gaat de termijn niet lopen bij zo’n onbeheerde erfenis. Klein detail is wel dat de inspecteur toentertijd een brief aan de notaris heeft gezonden dat deze voorlopig geen aangifte zou hoeven te doen, maar dat hij later eventueel op die toezegging terug zou kunnen komen.

Korte metten

De rechtbank maakt korte metten met het verhaal van de inspecteur: zelfs wanneer je rekent vanaf het moment dat de inspecteur de brief aan de notaris heeft geschreven zijn er al ruimschoots meer dan 12 jaren verstreken. In dat geval is de inspecteur dus gewoon te laat, aldus mijn samenvatting. Het is de fiscus dus niet toegestaan alsnog een hap uit de erfenis van de onbekende halfzus te nemen. De erfgenaam kan dus vooralsnog ongestoord genieten van deze erfenis.

Let op: voor erfenissen van 2012 en later geldt geen termijn van 12 jaar. In dat geval had mevrouw de aanslag waarschijnlijk gewoon moeten betalen.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Pas de btw verleggingsregeling goed toe: EU-hof: geen aftrek van ten onrechte niet verlegde BTW

Wanneer een koper BTW betaalt op basis van een factuur die ten onrechte niet volgens de verleggingsregeling is opgemaakt, kan de koper de BTW niet in aftrek brengen. Dat oordeelt het Europese Hof van Justitie over prejudiciële vragen die de Hongaarse rechter had gesteld naar aanleiding van een belastingkwestie.

Een Hongaars bedrijf (Farkas) koopt op een door de belastingdienst georganiseerde veiling een mobiele loods van een vennootschap met een belastingschuld. De factuur wordt opgesteld conform de gewone BTW-regeling. Het kopende bedrijf Farkas betaalt de BTW, die vervolgens door de verkoper weer aan de fiscus wordt afgedragen. Farkas brengt vervolgens het betaalde BTW-bedrag in aftrek. Maar de belastingdienst stelt dat de factuur volgens de verleggingsregeling had moeten worden opgemaakt: dat moet alsnog gebeuren. De BTW-aftrek gaat niet door en de koper krijgt op basis van het Hongaars recht een fiscale boete van 50% van het BTW-bedrag (€ 1.200) opgelegd.

Vormfout

Farkas gaat naar de rechter: de Hongaarse belastingdienst heeft hem het recht op BTW-aftrek ontzegd op grond van een vormfout, te weten dat de betrokken factuur volgens de gewone BTW-regeling was opgemaakt in plaats van volgens de verleggingsregeling en dus in strijd was met het Unierecht. Hij meent dat de beslissing waarbij hem een belastingverschil ten laste is gelegd, onrechtmatig is, omdat de betrokken verkoper de BTW in kwestie aan de schatkist heeft betaald. Farkas verzoekt de rechter om aan het Europese hof te vragen of de ontzegging van zijn recht op aftrek verenigbaar is met EU-recht.

BTW niet verschuldigd

Het EU-hof oordeelt dat de door Farkas betaalde BTW niet verschuldigd was. Farkas kan zich daarom niet beroepen op een recht op aftrek ervan. Wel kan het bedrijf overeenkomstig het nationale recht om teruggaaf verzoeken van de BTW die onverschuldigd is betaald aan de verkoper. Het hof oordeelt verder dat de boete van 50% in het onderhavige geval niet-evenredig lijkt omdat er geen sprake was of leek van fraude en de belastingdienst geen inkomsten is misgelopen. Of dat inderdaad zo is, moet nu de Hongaarse rechter beoordelen.

De uitspraak van het Europese Hof:
“De bepalingen van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45, alsook de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat in een situatie als in het hoofdgeding aan de koper van een goed het recht wordt ontzegd om de belasting over de toegevoegde waarde af te trekken die hij onterecht aan de verkoper heeft betaald op basis van een factuur die is opgemaakt volgens de gewone regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde, terwijl de relevante handeling onder de verleggingsregeling viel, wanneer de verkoper die belasting aan de schatkist heeft betaald. Voor zover de terugbetaling door de verkoper aan de koper van de onterecht gefactureerde belasting over de toegevoegde waarde onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolvabiliteit van de verkoper, vereisen die beginselen echter dat de koper zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de belastingdienst kan richten.”

De uitspraak over de 50%-boete:
“Het evenredigheidsbeginsel moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in een situatie als in het hoofdgeding de nationale belastingdienst aan een belastingplichtige die een goed heeft gekocht waarvan de levering onder de verleggingsregeling valt, een fiscale sanctie oplegt ten belope van 50 % van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde dat hij aan de belastingdienst moet betalen, wanneer die belastingdienst geen belastinginkomsten heeft gederfd en er geen aanwijzing van belastingfraude is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.”

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Maak zakelijke kosten aannemelijk

Een ondernemer die kosten maakt voor zijn onderneming moet niet alleen bonnen voor die gemaakte kosten kunnen overleggen, maar ook kunnen onderbouwen waarom de gemaakte kosten zakelijk zijn.

Een ondernemer krijgt in 2008 een boekenonderzoek. De aanvaardbaarheid van de IB-aangiften 2003 tot en met 2005 en de btw-aangiften van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005 worden onderzocht. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek corrigeert de inspecteur de in de administratie in aftrek gebrachte verkoopkosten. Uit de administratie kan niet worden afgeleid in hoeverre deze kosten zakelijk zijn. Ook de IB-aangifte 2004 van de ondernemer wordt gecorrigeerd.

Voor het hof blijkt dat de opgevoerde verkoopkosten betrekking hebben op uitgaven voor etentjes met cliënten. Volgens de inspecteur zijn deze kosten niet zakelijk en hij vindt dat – gezien de omvang van de uitgaven en het aantal keren dat bij dezelfde restaurants wordt gegeten – het overgrote deel van de uitgaven als privé-uitgaven moet worden aangemerkt. En voor zover de kosten zakelijk zijn is de aftrekbeperking van toepassing. De ondernemer moet de zakelijkheid van de kosten aantonen. Hij geeft aan dat hij regelmatig bij cliënten eet en dit combineert met het uitwisselen van stukken en het voeren van gesprekken met de cliënten alsmede met potentiële cliënten. Daarmee heeft hij volgens het hof de zakelijkheid van de kosten niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft op geen enkele wijze gegevens verstrekt omtrent de vraag met wie hij heeft gegeten en wat het zakelijke element van de restaurantbezoeken betrof. Het hof gelooft wel dat hij op zakelijke gronden afspraken heeft gemaakt met potentiële of bestaande cliënten en daarvoor uitgaven heeft gedaan, maar omdat de onderbouwing van het zakelijke karakter ontbreekt, acht het hof niet aannemelijk dat voor het door de ondernemer ten laste van het resultaat gebrachte bedrag sprake is van zakelijke uitgaven.

(Bron: PKF Wallast)

De 6 meest gemaakte fouten bij de btw-aangifte

Veel ZZP’ers moeten van de Belastingdienst aangifte omzetbelasting, ofwel btw-aangifte, doen. Helaas sluipen er wel eens foutjes in de btw-aangifte en daarom hebben wij de meest gemaakte fouten op een rijtje gezet. Doe er je voordeel mee en zorg ervoor dat je vanaf nu onderstaande fouten niet meer maakt!

1. Betaaldatum in plaats van Factuurdatum

In de meeste gevallen wordt er bij de btw-aangifte gebruik gemaakt van het zogenaamde ‘factuurstelsel’. Binnen het factuurstelsel worden alleen de facturen meegenomen in de btw-aangifte die daadwerkelijk in die periode gemaakt zijn. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en onbetaalde facturen. In sommige gevallen mag een ondernemer gebruik maken van het ‘kasstelsel’, waarbij wel gekeken wordt naar de betaaldatum. Een belangrijk uitgangspunt van de Belastingdienst is dat de btw-aangifte consequent gedaan wordt, dus altijd op dezelfde manier en volgens hetzelfde systeem. Toch komt het regelmatig voor dat er naar betaaldata wordt gekeken, terwijl de factuur met de factuurdatum eigenlijk in een ander kwartaal had moeten worden geboekt.

2. Verkeerde maanden meegenomen

Als ondernemer doe je in april de aangifte over kwartaal 1 (januari, februari en maart), in juli de aangifte over kwartaal 2 (april, mei en juni), in oktober aangifte over kwartaal 3 (juli, augustus en september) en in januari aangifte over kwartaal 4 (oktober, november en december). Sommige ZZP’ers nemen per ongeluk ook de facturen van de maand waarin ze de aangifte doen mee, terwijl die eigenlijk in het volgende kwartaal horen.

3. Negeren speciale regelingen

In sommige gevallen mogen ZZP’ers gebruik maken van speciale regelingen van de Belastingdienst. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de zogenaamde ‘Kleine Ondernemersregeling’. Dit is een speciale regeling waarbij ondernemers die in een jaar minder dan €1.883 btw moeten betalen in aanmerking kunnen komen voor belastingvermindering. Ondernemers die geen kennis hebben van deze speciale regelingen van de Belastingdienst kunnen daardoor veel geld mislopen. Zorg dus dat je als ZZP’er precies weet welke regelingen voor jouw situatie gelden.

4. Buitenlandse btw

Voor de ene ZZP’er is het dagelijkse kost, de ander krijgt er nooit mee te maken: facturen uit of naar het buitenland. Voor facturen die uit het buitenland komen, of die naar het buitenland worden verstuurd, kunnen andere btw-regels gelden dan je als ZZP‘er in Nederland gewend bent. De Belastingdienst kijkt hierbij naar een aantal zaken, zoals het betreffende land, het type klant en het type product of dienst. Voor iedere situatie kunnen andere regels gelden en dit maakt het voor veel ZZP’ers erg onoverzichtelijk en ingewikkeld. Een voorbeeld van een veelgemaakte fout is een verkeerde afhandeling van de btw bij een aankoop in het buitenland. Op de factuur zal in principe een btw-percentage van 0% worden vermeld. In dat geval moet je de factuur opgeven in de Nederlandse btw-aangifte en betaal je over deze factuur de Nederlandse btw. In de meeste gevallen kun je de btw daarna gewoon weer aftrekken in de voorbelasting, maar sommige ZZP’ers maken de fout door de factuur geheel te negeren bij de btw-aangifte.

5. Zakelijke etentjes

Het is iets wat sommige ondernemers nog steeds doen: de btw terughalen van iedere zakelijke lunch of diner. Toch mag dit NIET altijd van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft namelijk speciale spelregels als het gaat om btw terugvragen van zakelijke etentjes. En als je de btw van een zakelijke lunch of diner niet mag terugvorderen? Dan moet je het bonnetje natuurlijk wel bewaren, het zijn immers gewoon zakelijke kosten. Veel ZZP’ers gooien zo’n bon dus gewoon weg en dit kan best zonde zijn…

6 Te laat!

De fout die het meest voorkomt, is misschien wel de fout die het makkelijkst te voorkomen is. De Belastingdienst verwacht de btw-aangifte op vaste tijdstippen, doorgaans één maand na het afsluiten van het kwartaal. De Belastingdienst hanteert veel waarde aan deze deadline, want zelfs elektronisch verzonden aangiften die één minuut te laat zijn, krijgen onverbiddelijk de status ‘te laat ingediend’. En dat is zonde, want een te laat ingediende aangifte kan ondernemers een boete opleveren. Daarnaast moet je ook nog zorgen dat een eventuele betaling op tijd binnen is, want ook een te late betaling kan voor boetes zorgen.

Ik heb een fout gemaakt! Wat nu?
Als je een fout hebt gemaakt op een van de btw-aangiftes ben je als ZZP’er verplicht dit te melden en deze fouten te corrigeren. Echter, je kan een eenmaal ingediende btw-aangifte achteraf niet meer wijzigen. Eventuele fouten in de btw-aangifte kunnen gecorrigeerd worden met de ‘Suppletie omzetbelasting’ van de Belastingdienst. Dit is een formulier waarop je de gemaakte fouten kunt corrigeren om de btw-aangifte kloppend te maken. In sommige gevallen is het voor de Belastingdienst niet nodig om een suppletie te doen, bijvoorbeeld als het verschil in btw-bedragen kleiner is dan €1.000. Je mag de correcties kan doorvoeren op de eerstvolgende btw-aangifte. Toch is het ondernemers in zulke situaties aan te raden om contact op te nemen met een adviseur.

(Bron ZZP Nedeland)

“Geheimhouding (NDA)” bij een bedrijfsovername

Een potentiële overnamekandidaat krijgt toegang tot jouw administratie en gaat er met je bedrijfsgevoelige informatie vandoor. Hoe kan je dat voorkomen?

Het komt in praktijk vaak voor. Een serieuze partij heeft interesse in je bedrijf en is bereid daarvoor een flinke koopsom te betalen. De potentiële overnamekandidaat wil wel eerst een boekenonderzoek doen om te voorkomen dat zij een kat in de zak koopt. En waarom ook niet? Je hebt immers niets te verbergen… Of misschien toch wel? Want wat als de overname geen doorgang vindt? Misschien was er wel helemaal geen sprake van serieuze overnamekandidaat, maar van een concurrent die onder valse voorwendselen in je boeken wilde kijken.

Hoe voorkom je dat een derde (concurrerende) partij die in het kader van een “bedrijfsovername” in jouw administratie heeft mogen kijken, er met je bedrijfsgevoelige informatie vandoor gaat?

Non-disclosure agreement

De geheimhoudingsovereenkomst, of non-disclosure agreement (NDA), kan  een oplossing bieden. In een NDA wordt omschreven:

  • welke informatie geheim moet blijven;
  • hoelang de informatie vertrouwelijk moet blijven;
  • onder welke omstandigheden de informatie gedeeld mag worden met derden.

Een NDA kan ook tweezijdig zijn, zodat die ook de koper beschermt. Denk daarbij aan een situatie dat de koper ook informatie verstrekt aan de verkoper of dat het belangrijk is dat de markt niet op de hoogte raakt van de uitbreidingsplannen van de koper.

Overtreding van een NDA

Wordt er, in strijd met de NDA, door de koper toch informatie naar buiten gebracht, dan lijdt de informatieverstrekkende partij hierdoor schade. Het is echter niet eenvoudig om die schade vast te stellen. Ook een vordering tot nakoming van de NDA zal weinig uithalen. Het duveltje is immers al uit het spreekwoordelijke doosje.

Om die reden wordt er in de NDA vaak een boetebeding opgenomen, waarbij over het algemeen gekozen wordt voor een hoge boete. Dat heeft immers een afschrikwekkende werking. Let wel, als de boete niet in verhouding staat tot de werkelijk geleden schade, kan een rechter die boete matigen.

Richtlijn bescherming bedrijfsgeheimen

Op 5 juli 2016 is door de Europese Unie de Richtlijn Bedrijfsgeheimen vastgesteld met als doel bedrijfsgeheimen beter te beschermen. De richtlijn verplicht de lidstaten er binnen twee jaar voor te zorgen dat bedrijven actief kunnen optreden tegen inbreuk. Naast een vordering tot schadevergoeding, moet het dan ook mogelijk zijn om voorlopige maatregelen te vorderen, zoals:

  • het beëindigen van de inbreuk;
  • een voorlopig verbod tot het maken van inbreuk en;
  • beslaglegging.

Het is nog niet bekend wanneer de richtlijn wordt geïmplementeerd.

Bezint eer ge begint

Voordat je een overnamekandidaat inzage geeft in jouw vertrouwelijke informatie en administratie, is het verstandig om stil te staan bij de gedachte dat de deal geen doorgang vindt. Je wil voorkomen dat jouw vertrouwelijke bedrijfsinformatie bij een (concurrent) of derde partij terecht komt. Een NDA bied je bescherming. Let wel, het biedt echter geen garanties. Ligt je bedrijfsinformatie eenmaal op straat, dan kun je dat niet eenvoudig ongedaan maken.

(Bron: DVAN)

Geconsolideerd publiceren als BV: 403-aansprakelijkheid, lastig om vanaf te komen

De 403-verklaring is een gevaarlijk goedje. De moedermaatschappij bereikt hiermee weliswaar dat haar dochter geen jaarrekening hoeft te publiceren, maar de kostprijs is hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle contractsverplichtingen van die dochter (art. 2:403 lid 1, sub f BW). Begrijpelijk dat moeder, als het wat minder gaat, gauw van die gevaarlijke hoofdelijkheid af wil. Dat kan door deponering van een intrekkingsverklaring bij het handelsregister. Dat maakt echter alleen dat er geen nieuwe aansprakelijkheid ontstaat, moeders hoofdelijkheid uit de publikatieperiode blijft gewoon in stand. De wet spreekt van “overblijvende aansprakelijkheid” (art. 2:404 lid 2 BW).

Van die overblijvende aansprakelijkheid kan moeder ook af als een aantal voorwaarden is vervuld. Logisch, partijen zijn juist met de dochter in zee gegaan in het vertrouwen dat moeder instaat voor haar verplichtingen. Een van de voorwaarden is dat moeder een beëindigingsverklaring deponeert en publiceert in een landelijk dagblad. Een schuldeiser “voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt” kan tegen het beëindigingsvoornemen in verzet gaan bij de rechtbank en vervangende zekerheid verlangen (art. 2:404 leden 4 en 5 BW).

Op zichzelf is de tekst van de wet duidelijk: alleen de crediteur met een erkende vordering op de dochter kan in verzet. Dat geldt dus niet voor schuldeisers met een betwiste of voorwaardelijke claim. Daarvoor loopt immers geen aansprakelijkheid onder de inmiddels ingetrokken 403-verklaring. Toch wel, aldus de Hoge Raad in het arrest SNS/CRI c.s. (ECLI:NL:HR:2017:546), die het onwenselijk vindt dat zij geen verzetrecht hebben. De Hoge Raad trekt hiertoe een parallel met het verzetrecht bij kapitaalvermindering (art. 2:100 BW) dat, blijkens de MvT, ook toekomt aan schuldeisers met een betwiste vordering.

Om nu te bereiken dat ook schuldeisers met betwiste of voorwaardelijke vorderingen in verzet kunnen gaan tegen het 403-beëidigingsvoornemen van moeder ‘leest’ de Hoge Raad het bovengeciteerde criterium als “voor wiens vordering nog mogelijke aansprakelijkheid loopt.” Het gaat in art. 2:404 lid 2 BW dus ook om “mogelijke overblijvende aansprakelijkheid.” Alleen als de feitenrechter meent dat de gepretendeerde vordering “onmiskenbaar ongegrond” is, dient hij het verzet af te wijzen. De schuldeiser moet wel een hele slechte advocaat hebben, wil zijn verzet nu nog stranden.

(Bron: Mr.-Online)

vennootschap onder firma (vof)

Inleiding

Bij een rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid bent u met uw privé-vermogen aansprakelijk voor de schulden van uw bedrijf. Bij een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid is dit meestal niet het geval.

In een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid is de ondernemer privé aansprakelijk voor schulden van de onderneming. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het vermogen van de onderneming en het privévermogen van de ondernemer. Het vermogen van de onderneming is dan niet afgescheiden van het privévermogen. (Dit is overigens niet zo bij de VOF (vennootschap onder firma) en de commanditaire vennootschap met meer beherende vennoten. Hierover later meer). In dat geval is de ondernemer die een eenmanszaak drijft met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor alle schulden. Als de ondernemer ook nog in gemeenschap van goederen is gehuwd (er zijn dan geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt), dan is deze echtgenoot ook voor zijn of haar aandeel in het huwelijksvermogen onbeperkt  aansprakelijkheid voor zakelijke schulden.

De vennootschap onder firma

De vennootschap onder firma (VOF) is een bijzondere vorm van de maatschap. Het gaat in dit geval om een samenwerkingsverband tussen twee of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen (vennoten) waarbij onder gemeenschappelijke naam een bedrijf wordt uitgeoefend. De vennoten (of firmanten) brengen allen iets in binnen de onderneming: geld, goederen, arbeidskracht en/of goodwill.

Oprichting

Het enige dat nodig is voor de oprichting van een VOF is inschrijving in het Handelsregister. Hiervoor kunt u terecht bij de Kamer van Koophandel. In de zogenaamde vennootschapsakte kunnen de onderlinge afspraken worden vastgelegd.

Vennootschapsakte

In de vennootschapsakte wordt voornamelijk de inbreng van de partijen vastgelegd. De afzonderlijke vennoten investeren vermogen, arbeid, materiaal, of kennis in de onderneming De akte bevat de naam van de onderneming en haar doelstelling. Tevens wordt vastgelegd hoe de bevoegdheden en taken binnen de onderneming worden verdeeld onder de vennoten. Ook kunnen er afspraken worden gemaakt met betrekking tot de winst- en verliesverdeling.

Vertegenwoordiging

Iedere vennoot is in beginsel bevoegd om namens de VOF te handelen. Op deze regel bestaan drie wettelijke uitzonderingen. Zo is de vennoot, die van vertegenwoordigingsbevoegdheid is uitgesloten in de vennootschapsakte, niet bevoegd. Ook is de vennoot niet bevoegd als de verrichte handeling niet binnen het doel van de vennootschap valt of het een handeling betreft waartoe de vennoot volgens de vennootschapsakte onbevoegd is. Een beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan echter niet aan derden worden tegengeworpen als deze niet ingeschreven is in het Handelsregister. In dat geval mogen derden er dus op vertrouwen dat vertegenwoordiger van de VOF, waarmee zij een overeenkomst afsluiten, volledig bevoegd is.

Aansprakelijkheid

De VOF kent, in tegenstelling tot de maatschap, een afgescheiden vermogen. Privéschuldeisers van de vennoten kunnen, tijdens het bestaan van de VOF, zich niet verhalen op het vennootschappelijk vermogen. Aan de andere kant kunnen schuldeisers van de vennootschap zich wel verhalen op het privévermogen van de vennoten, indien het vennootschappelijk vermogen ontoereikend is. De vennoten zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schuld van de vennootschap.

Jouw aandelen van een bv verkopen, kan dat zomaar?

Samen met een aantal partners heb jij een bv opgericht. Ieder van jullie heeft een gedeelte van de aandelen. Maar na verloop van tijd wil jij of één van je partners de bv verlaten en de aandelen verkopen. Het kan zijn dat er onderling meningsverschillen zijn ontstaan of wellicht ligt er een andere uitdaging voor je in het verschiet. Je vindt iemand die geïnteresseerd is om jouw aandelen over te nemen. Als jij dit aan de andere aandeelhouders laat weten, wordt je verteld dat dit niet zomaar kan. Hoe zit dat eigenlijk? Kan je deze aandelen nu gewoon aan iemand verkopen of ben je aan een aantal regels gebonden?

Kijk altijd in de statuten!
Of jij je aandelen aan iemand kan overdragen hangt af van wat er is opgenomen in de statuten van de bv. Deze statuten zijn altijd leidend. De wet geeft namelijk aan dat jij je aandelen niet zomaar kan overdragen, tenzij er in de statuten iets anders is opgenomen. Dit noemen we de blokkeringsregeling. Wat dit precies inhoudt, leggen we hieronder uit. Ook een blokkeringsregeling is in de statuten vastgelegd.

Statuten kunnen soms best ingewikkeld zijn. Wil jij weten hoe de situatie binnen jouw bedrijf is of uitleg over de statuten, raadpleeg dan een van onze juristen.

Wat is de blokkeringsregeling?
Deze regeling blokkeert dat jij jouw aandelen zomaar aan een ander kan overdragen. Dat is gedaan omdat een bv een besloten karakter heeft. De afkorting bv staat niet voor niets voor besloten vennootschap. Het is juist de bedoeling dat niet zomaar iedereen aandeelhouder van een bv kan worden.

De blokkeringsregeling kent twee vormen: de goedkeuringsregeling en de aanbiedingsregeling. In de statuten vind je welke van deze regelingen door de bv wordt gebruikt.

Goedkeuringsregeling
Een goedkeuringsregeling houdt in dat je eerst de goedkeuring moet hebben van een orgaan, bijvoorbeeld het bestuur of de aandeelhoudersvergadering, om je aandelen aan iemand te verkopen. Krijg je de goedkeuring niet, dan kan de afspraak zijn dat een bestaande aandeelhouder wordt voorgesteld om je aandelen over te nemen. Is er geen aandeelhouder die interesse heeft, dan kun je alsnog je aandelen aan de geïnteresseerde verkopen.

Aanbiedingsregeling
Staat in de statuten een aanbiedingsregeling, dan moet jij jouw aandelen eerst aanbieden aan de andere aandeelhouders. Zij hebben als eerste het recht om de aandelen te kopen. In de statuten staat onder andere beschreven binnen welke termijn de aandelen aangeboden moeten worden en binnen welke termijn de aanbieding door een aandeelhouder moet worden aanvaard. Is er geen andere aandeelhouder die je aandelen wil overnemen, dan mag je uiteindelijk de aandelen aan een niet-aandeelhouder aanbieden.

Is de blokkeringsregeling in jouw statuten niet opgenomen, heel beperkt of onduidelijk uitgelegd en levert dit problemen op? Neem dan contact met onze juristen op. Wij kunnen je direct adviseren en indien nodig in contact brengen met een deskundig advocaat.

Let op voor een “lock-up” bepaling
Tussen de aandeelhouders kan ook afgesproken worden dat in een bepaalde periode geen aandelen mogen worden overgedragen. Dit heet een lock-up bepaling. Vaak is dat voor de beginperiode zodat de bv goed kan opstarten. Is de lock-up periode nog niet verstreken, dan kun jij jouw aandelen nog niet verkopen.

Vrij overdraagbare aandelen
Sinds 2012 is de blokkeringsregeling niet meer verplicht voor een bv. Het is daarom mogelijk om in de statuten te regelen dat de aandelen vrij overdraagbaar zijn of aan bepaalde groepen overgedragen kunnen worden. Dat betekent dat jij jouw aandelen aan iemand anders, van je eigen keuze, mag verkopen. Je ziet dit echter niet vaak terug omdat de bv dan minder besloten is. Je hebt immers ooit besloten om juist met deze partners afspraken te maken en een doel te stellen. Met deze bepaling zou iedereen, zonder goedvinden van de andere aandeelhouders, toe kunnen treden tot de bv.

Toevoeging Ambitions Accountants

Vaak wordt uitsluitend over juridisch consequenties nagedacht. Denk bij verkoop van aandelen ook altijd na of er nog fiscale consequenties zijn. Zit er nog een extra fiscale claim op verkoop van aandelen of zijn er andere onverwachte fiscale consequenties bij verkoop van de aandelen. Hier niet over nadenken kan heel nadelig uitpakken.

(Bron: Jurofoon)