Controleer de Whk-beschikking 2019

Begin december is de premie Werkhervattingskas (Whk) naar alle werkgevers gestuurd. De Belastingdienst stuurt de beschikking Whk vóór het einde van het jaar naar alle middelgrote en grote organisaties. Hierin staat wat de werkgever het volgende kalenderjaar moet betalen aan premie voor de Whk.

De premie bestaat uit 2 delen:

  • de gedifferentieerde premie voor de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA);
  • de gedifferentieerde premie voor de Ziektewet (ZW).

Werkgevers kunnen tot 50% van alléén de premie WGA verhalen op de werknemers door het in te houden op hun nettoloon.

Bij het vaststellen van de premie gaat nog wel eens wat mis. Binnen 6 weken na dagtekening moet eventueel bezwaar worden ingediend.Voor kleine werkgevers geldt een vaste sectorale premie waartegen geen bezwaar kan worden ingediend.

(Bron: Flynth)

Eindelijk duidelijkheid over LKV voor stagiairs

Op de website van UWV staan nieuwe regels voor loonkostenvoordeel (LKV) voor stagiairs. Die moeten ervoor zorgen dat werkgevers geen LKV mislopen doordat ze de regels niet kennen.

Uw organisatie kan bij het aannemen van een stagiair al vanaf het begin van de stage recht hebben op een loonkostenvoordeel (LKV). Dat staat op de website van UWV. Er moet dan wel aan twee eisen worden voldaan:

  • Uw organisatie betaalt de stagiair een vergoeding waar loonheffingen op worden ingehouden. De stagiair is dus opgenomen in de loonaangifte.
  • De stagiair vraagt zelf binnen drie maanden na het begin van zijn stage een doelgroepverklaring LKV aan bij UWV (of machtigt iemand om dat voor hem te regelen).

Looptijd inclusief stageperiode

Komt de stagiair na zijn stage als werknemer bij uw organisatie in dienst, dan kan het LKV gewoon doorlopen. De totale looptijd is (momenteel) maximaal drie jaar, dat is dan inclusief de stageperiode. Als na de stage de doelgroepverklaring pas wordt aangevraagd, zal het meestal te laat zijn, omdat de werknemer tijdens zijn stage al in (fictieve) dienstbetrekking was.

Alsnog LKV na indiensttreding

Kreeg de stagiair geen stagevergoeding waarover uw organisatie loonheffingen moest berekenen? Bijvoorbeeld alleen een onbelaste reiskostenvergoeding? Dan moet hij – als hij aansluitend bij uw organisatie in dienst komt – de doelgroepverklaring LKV binnen drie maanden na indiensttreding regelen om ervoor te zorgen dat uw organisatie alsnog recht krijgt op loonkostenvoordeel. De stageperiode telt dan ook niet mee voor de looptijd van het LKV.

LKV aanvragen via loonaangifte

Om na afloop van 2018 loonkostenvoordeel uitbetaald te krijgen, moet uw organisatie in het werknemersgedeelte van de loonaangiftes over 2018 aangeven voor welk LKV de werknemer in aanmerking komt. Dat mag alleen als er een doelgroepverklaring LKV in de administratie wordt bewaard.

(Bron: Rendement)

Lagere loonheffingskorting voor niet-inwoners van Nederland

Loonheffingskortingen bestaan uit een belastingdeel en een premiedeel. Met ingang van 1 januari 2019 hebben niet-inwoners van Nederland geen recht meer op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Zij hebben uitsluitend nog recht op korting op het premiedeel, op voorwaarde dat ze in Nederland verzekerd zijn voor de volksverzekeringen.

Voor het belastingdeel van de arbeidskorting geldt een uitzondering: werknemers die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, van een EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden hebben nog wel recht op het belastingdeel van de arbeidskorting. Het belastingdeel van de overige heffingskortingen (algemene heffingskorting, jonggehandicaptenkorting, ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting) moet via de aangifte inkomstenbelasting geclaimd worden.

Het gevolg hiervan is dat er met ingang van 1 januari 2019 onderscheid wordt gemaakt tussen drie categorieën werknemers:

  • Werknemers die inwoner zijn van Nederland
  • Werknemers die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, van een EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden
  • Werknemers die inwoner zijn van een land dat niet onder de voorgaande twee categorieën valt

Elke categorie kent volgend jaar eigen loonbelastingtabellen.

Wat betekent dit voor u? 

Naast een wijziging in uw salarisadministratie, zult u van elke werknemer moeten bepalen of hij of zij inwoner van Nederland is. Bij een werknemer die zowel in Nederland als in het buitenland woont of verblijft, is het niet altijd eenvoudig vast te stellen of hij of zij inwoner van Nederland is. Hierbij is onder andere van belang waar het sociale en economische leven van de werknemer zich afspeelt, maar ook wat de intentie van de werknemer is om zich al dan niet langdurig in Nederland te vestigen.

Wat betekent dit voor uw werknemers?

Stel dat u een werknemer in dienst heeft die bruto € 2.000 per 4 weken verdient. Uw werknemer houdt dan vierwekelijks onderstaande bedragen netto over afhankelijk van het land waarvan hij inwoner is:

Inwoner van Nederland: € 1.653,69
Inwoner EU / EER / Zwitserland / BES-eilanden: € 1.616,53 (verschil € 37,16)
Inwoner ander land: € 1.555,61 (verschil € 98,08)

Dit kan voor uw werknemers dus leiden tot honderden euro’s minder aan netto loon op jaarbasis. Deze berekening is gemaakt op basis van de loonheffingsgegevens over 2018. De daadwerkelijke te hanteren bedragen in 2019 kunnen hiervan afwijken.

(Bron: Mazars)

Private aanvulling op WW-uitkering: hoe zit het?

De ‘Private aanvulling op WW-uitkering (PAWW) is bedoeld voor werknemers die werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raken. Wat houdt de PAWW precies in en wanneer krijgt u hiermee te maken? Ontdek meer.

Per 1 januari 2016 zijn de wettelijke WW- en loongerelateerde WGA-premie gewijzigd. Hierbij wordt de maximale duur van de WW-uitkering geleidelijk teruggebracht van 38 naar 24 maanden. Door de PAWW wordt de maximale periode WW weer verhoogd naar 38 maanden.

Is de PAWW-premie verplicht?

Cao-partijen kunnen vrijwillig besluiten tot deelname aan de PAWW. Zij sluiten zich dan aan bij één van de verzamel-cao’s waar de PAWW is ondergebracht. De werkingssfeer van een verzamel-cao overstijgt het niveau van de werkingssfeer van de gebruikelijke bedrijfstakken en sectoren.

Verzamel-cao

De verzamel-cao is een optelsom van werkingssferen van verschillende reguliere arbeidsvoorwaarden-cao’s (bedrijfstakken en ondernemingen). In de verzamel-cao wordt alleen de afspraak over de private aanvulling WW/WGA ondergebracht. Deze cao komt dan naast de bestaande reguliere arbeidsvoorwaarden-cao van een bedrijf.

Voor elke verzamel-cao zal een algemeen verbindendverklaring worden aangevraagd. Dat betekent dat als uw bedrijf onder de werkingssfeer van deze verzamel-cao valt, de PAWW-regeling gevolgd moet worden. De PAWW geldt dan voor álle werkgevers en werknemers die gebonden zijn aan een verzamel-cao waarin de PAWW is opgenomen. De uitvoering van de afspraken in de verzamel-cao’s wordt ondergebracht bij het landelijk fonds (Stichting PAWW).

Wie betaalt de PAWW-premie?

De PAWW-premie wordt maandelijks door de werkgever ingehouden op het brutoloon van de werknemer en bedraagt 0,2 procent van het brutoloon van de werknemer in 2018.  In de jaren daarna zal dit naar verwachting steeds met 0,1% stijgen met een percentage van 0,6% in 2022.

Hoe wordt een PAWW- uitkering aangevraagd?

Als uw werknemer werkloos wordt en een WW-uitkering ontvangt, dan moet hij een maand voor de beëindiging van zijn WW-uitkering de PAWW-uitkering aanvragen bij Stichting PAWW. De hoogte van de PAWW uitkering komt overeen met de wettelijke WW- en loongerelateerde WGA-premie. Deze uitkering wordt geregeld door stichting PAWW en net als bij de WW-uitkering, gelden voor de PAWW-uitkering dezelfde regels wat betreft (o.a.) de sollicitatieplicht en het opnemen van vakantie.

(Bron: Flynth)

Belangrijke aanpassingen sectorindeling per 29-6-2018

Een van de maatregelen uit het voorstel voor de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is het afschaffen van de sectorindeling in de premieheffing voor de WW in 2020. Ook voor de gedifferentieerde premies voor ZW en WGA wordt de sectorindeling op termijn afgeschaft. Om voor het in werking treden van de WAB een piekbelasting bij de Belastingdienst te voorkomen, past minister Koolmees de regels voor de sectorindeling al per direct aan met drie specifieke maatregelen. De maatregelen zullen terugwerken tot 29 juni 2018 17.00 uur, en worden hieronder verder toegelicht.

Vanaf 1 januari 2020 bepaalt het soort contract (vast of flexibel) de hoogte van de WW-premie. De sectorpremie wordt afgeschaft en op termijn ook de (gedeeltelijke) sectorale differentiatie voor de Werkhervattingskas (ZW en WGA). Dit vloeit voort uit het wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans (WAB).

Sectorindeling: hoofdpijndossier

De sectorindeling is in de afgelopen jaren een steeds groter hoofdpijndossier geworden voor de Belastingdienst. De problemen worden met name veroorzaakt door de verouderde omschrijvingen van de sectoren, waardoor het vaak moeilijk is om de werkzaamheden van een werkgever aan een sector toe te wijzen, en door het sterk toegenomen ‘shopgedrag’ van werkgevers tussen sectoren om zo laag mogelijke premies af te dragen. Dit heeft geleid tot een sterke toename van het aantal aanvragen tot herindeling.

Maatregelen sectorindeling

Ook is het aantal bezwaar-, beroeps- en cassatiezaken over indelingsbeslissingen sterk gestegen – inmiddels zijn het er ruim duizend per jaar. Dit legt volgens minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onverantwoord groot beslag op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst. Vooruitlopend op de nieuwe wetgeving neemt hij daarom per direct drie maatregelen.

Deze 3 maatregelen zijn per 29 juni 2018 ingegaan:

  • Wijzigingen in de sectorindeling kunnen niet meer met terugwerkende kracht worden aangevraagd en over verstreken periodes kunnen te veel betaalde premies niet meer worden terugontvangen. Een aanpassing van de sectorindeling kan alleen nog maar op een datum in de toekomst ingaan. Er is één uitzondering: als er door een verkeerde indeling te weinig sectorpremie betaald is, dan kan de Belastingdienst de indeling wél met terugwerkende kracht veranderen.
  • Men kan geen gesplitste aansluitingen meer aanvragen. De Belastingdienst behandelt geen verzoeken meer om verschillende delen van de onderneming in verschillende sectoren in te delen.
  • Men kan geen groepsaansluitingen meer aanvragen. De Belastingdienst behandelt geen verzoeken meer om concern, nevenbedrijven en –instellingen in dezelfde sector in te delen.

De maatregelen hebben geen invloed op de huidige indeling. Indien er al een gesplitste aansluiting of een groepsaansluiting is, houdt men deze zolang aan de voorwaarden voldaan wordt.

(Bron: BDO)

Sommige werkgevers zijn voor de premieberekening nooit klein geweest

Vaak zal een startende werkgever voor de heffing van de premie werknemersverzekeringen kwalificeren als een kleine werkgever. Toch is het mogelijke dat een bedrijf op grote schaal begint en meteen als grote werkgever kwalificeert.

Premies werkgeversverzekeringen

Werkgevers zijn verplicht de volgende premies voor de werknemersverzekeringen te betalen:

  • premie Werkloosheidswet-Algemeen werkloosheidsfonds;
  • de sectorpremie;
  • premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie);
  • basispremie Wet Arbeidsongeschiktheid/Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten/Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WAO/IVA/WGA); en
  • de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk).

 

Gedifferentieerde premie Whk

De gedifferentieerde premie Whk bestaat uit de premiecomponent WGA en de premiecomponent ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW-flex). De fiscus stelt de hoogte van de gedifferentieerde premie vast, maar de manier waarop dat gebeurt is afhankelijk van de grootte van de werkgever. Voor de heffing van deze premie worden werkgevers ingedeeld in de categorieën klein, middelgroot en groot.

 

Groottecategorieën

In beginsel bepaalt het premieloon van de werkgever in 2016 de groottecategorie waarin hij valt voor het jaar 2018. Hierbij gelden de volgende grenzen:

  • bij een premieloon tot en met € 328.000 kwalificeert de werkgever als een kleine werkgever;
  • bij een premieloon van meer dan € 328.000 maar niet meer dan € 3.280.000 kwalificeert de werkgever als een middelgrote werkgever; en
  • bij een premieloon van meer dan € 3.280.000 kwalificeert de werkgever als een grote werkgever.

Voor andere jaren geldt in principe dat het premieloon in het tweede kalenderjaar voor het desbetreffende kalenderjaar bepalend is.

 

Te betalen premies

De fiscus stelt de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk voor kleine werknemers vast per sector. Kwalificeert de werkgever als middelgroot, dan berekent de fiscus de verschuldigde gedifferentieerde premie Whk als een gewogen gemiddelde van de individueel vastgestelde premiepercentages en de sectorale premiepercentages. Daarbij geldt de volgende formule:

premie = (1-C) x sectoraal premiepercentage + C x individueel premiepercentage.

Hierbij is C:

het premieloon van de werkgever in 2016 -/- de premieloongrens klein/middelgroot

premieloongrens middelgroot/groot -/- premieloongrens klein/middelgroot

 

De Belastingdienst stelt de gedifferentieerde premie Whk individueel vast in het geval van een grote werkgever. Het percentage is per premiecomponent afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico in de desbetreffende onderneming.

 

Grenzen aan de individuele premiepercentages

Bij het vaststellen van de individuele premiepercentages is de Belastingdienst per premiecomponent gebonden aan de volgende grenzen:

  • voor de premiecomponent WGA  geldt een minimumpercentage van 0,18% en een maximumpercentage van 3,00%;
  • voor de premiecomponent ZW-flex geldt een minimumpercentage van 0,10% en een maximumpercentage van 1,64%. Voor sector 52 (Uitzendbedrijven) geldt echter een afwijkend maximumpercentage voor de premiecomponent ZW-flex van 8,03%.

 

Startende werkgever

In het kalenderjaar waarin een bedrijf anders dan in het kader van een overgang werkgever is geworden en in de twee daaropvolgende kalenderjaren kwalificeert de werkgever als een startende werkgever. Voor een startende kleine werkgever is het gedifferentieerde premiepercentage Whk het totaal van zijn sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA en ZW-flex. De fiscus stelt het premiepercentage Whk voor een startende middelgrote werkgever op het totaal van de gewogen gemiddelden van de rekenpercentages en de sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA en ZW-flex. Voor een startende grote werkgever is het premiepercentage Whk het totaal van de rekenpercentages voor de premiecomponenten WGA en de ZW-flex. In 2018 leidt dit tot een premiepercentage van 1,22%.

 

Altijd startende kleine werkgever?

De Belastingdienst merkt een werkgever die in 2017 of later is gestart altijd aan als startende kleine werkgever. Maar het lijkt erop dat de belastingrechter dit standpunt soms niet honoreert. De Belastingdienst had namelijk in een zaak voor de Hoge Raad een werkgever die in 2014 was begonnen voor dat jaar aangemerkt als kleine werkgever. De Belastingdienst merkte deze B.V. aan als kleine werknemer, omdat zij in 2012 geen premieloon had genoten. De Hoge Raad oordeelt dat vóór 1 januari 2014 een werkgever in een andere groottecategorie was in te delen dan volgens de hoofdregel het geval zou zijn. Inmiddels is de wet- en regelgeving gewijzigd. Maar uit niets blijkt dat de wetgever de mogelijk van afwijking van de hoofdregel heeft willen afschaffen. Daarom moet de speciale regeling voor de indeling van startende werkgevers dezelfde mogelijkheid tot afwijking van de hoofdregel bieden als de oude regelgeving. In dit geval was het verwachte premieplichtig loon van de B.V. meer dan € 4 miljoen. De B.V. kwalificeerde daardoor meteen als een grote werkgever.

(Bron: Taxence)

Beperking maximale looptijd 30%-regeling ingekomen werknemers

Met ingang van 1 januari 2019 wordt de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers beperkt van maximaal acht naar maximaal vijf jaar. De mogelijkheid om de keuzeregeling buitenlandse belastingplicht toe te passen en de mogelijkheid om de daadwerkelijke extraterritoriale kosten gericht vrijgesteld te vergoeden, worden ook beperkt tot maximaal vijf jaar.

Evaluatie 30%-regeling

In het regeerakkoord 2017 was al aangekondigd dat de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers beperkt zal worden van acht naar vijf jaar. Dit naar aanleiding van een evaluatie van de 30%-regeling door onderzoeks- en adviesbureau Dialogic. De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs de beperking van de maximale looptijd van de 30%-regeling bevestigd in een kabinetsreactie. Bovendien heeft de staatssecretaris aangegeven dat de andere aanbevelingen uit de evaluatie van de 30%-regeling, het verhogen van de 150-kilometergrens en een verlaging van het forfait bij inkomens boven de € 100.000, niet worden overgenomen.

Oude en nieuwe gevallen

De details van de beperking van de looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers, de keuzeregeling buitenlandse belastingplicht en de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten zijn nog niet bekend. Wel is bekend dat de beperking van de maximale looptijd van acht naar vijf jaar zal ingaan per 1 januari 2019. De beperking geldt volgens de kabinetsreactie voor zowel oude als nieuwe gevallen. Op basis van het voorstel zoals dat er nu ligt, betekent dat dus waarschijnlijk dat alle 30%-regelingen die op 1 januari 2019 al vijf jaar of langer van toepassing zijn, op 1 januari 2019 per direct niet langer kunnen worden toegepast.

Aanpak

Indien u ingekomen werknemers in dienst heeft, of indien u zelf een ingekomen werknemer bent, adviseren wij u te inventariseren welke gevolgen de beperking van de maximale looptijd van de 30%-regeling, de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht en de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten mogelijk hebben. Wij houden u uiteraard op de hoogte houden van de nieuwe ontwikkelingen

(Bron: BakerTillyBerk)

Sectorindeling vervalt per 1 januari 2020

Het bedrijfs- en beroepsleven wordt door de Belastingdienst ingedeeld in verschillende sectoren. De sectorindeling is (onder andere) van belang voor het vaststellen van de hoogte van de wachtgeldpremie WW en de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas.

Onder het credo ‘de vervuiler betaalt” wordt voor elke sector jaarlijks een individueel premiepercentage vastgesteld. Een werkgever in de sector ‘timmerindustrie’ kent voor het jaar 2018 bijvoorbeeld een lager premiepercentage dan een werkgever in de sector ‘taxi-vervoer’. Maken vele mensen in de timmerindustrie gebruik van de WW/Werkhervattingskas? Dan zal het premiepercentage voor deze sector in 2019 vermoedelijk stijgen.

Sectorindeling vervalt en wordt vervangen voor een nieuw systeem
Het sectoraal indelen van werknemers past volgens het kabinet niet bij de flexibilisering van de arbeidsmarkt. In het verlengde hiervan wordt in de nieuwe wet ‘Arbeidsmarkt in balans’ voorgesteld om de sectorale indeling van werkgevers te laten vervallen per 1 januari 2020. Ter vervanging stelt het kabinet voor om te differentiëren naar de aard van het contract. Voorgesteld wordt om werkgevers één hoge premie (voor flexibele contracten) en één lage premie (voor vaste contracten) te laten afdragen aan de WW-uitkeringen.

Controleer de sectorindeling en bespaar in de premieafdracht
Uitgangspunt van de sectorindeling is dat een werkgever wordt ingedeeld op basis van haar werkzaamheden en haar functie in het maatschappelijke verkeer. Doordat voor de indeling wordt aangesloten bij hetgeen bij inschrijving in de Kamer van Koophandel is opgegeven, is het goed mogelijk dat een werkgever onjuist is ingedeeld. Hierdoor kan het zijn dat een werkgever onterecht bij een sector een aangesloten en hierdoor (aanzienlijk) te veel premies betaald. De verschillen tussen de premiepercentages zijn namelijk enorm groot.

Praktijkvoorbeeld
Een tech-onderneming is ingedeeld in sector 55 ‘Overige takken van bedrijf en beroep”. Uit onderzoek blijkt dat de werkzaamheden en maatschappelijke functie van de onderneming aansluiten bij sector 44 ‘zakelijke dienstverlening’. De onderneming is derhalve aangesloten bij de onjuiste sector. Besloten wordt om bezwaar te maken tegen de sectorindeling. Herziening van de sectorindeling leidde in dit geval tot een voordeel voor de klant van ruim € 20.000.

Advies
Juist doordat de sectorindeling per 1 januari 2020 vermoedelijk gaat vervallen is het belangrijk om na te gaan of uw sectorindeling juist is.

(Bron: KroeseWevers)

Nieuw in 2018: Jeugd lage-inkomensvoordeel voor werkgevers

Het jeugd lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV) is een regeling die is ingegaan op 1 januari 2018. Vanaf dit jaar kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen voor werknemers van 18 tot en met 21 jaar oud. Het jeugd-LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten voor werkgevers die jongeren in dienst hebben die het minimumjeugdloon verdienen. Deze tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon.

Wanneer heeft een werkgever recht op jeugd-LIV?

Een werkgever heeft recht op jeugd-LIV voor elke werknemer die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

  • De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen
  • De werknemer heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijk minimumjeugdloon voor zijn of haar leeftijd
  • De werknemer was op 31 januari 2017 18,19, 20 of 21 jaar oud.

Wat moet een werkgever doen om jeugd-LIV te krijgen?

De werkgever hoeft zelf geen verzoek in te dienen. Het UWV beoordeelt aan de hand van de polisadministratie of de werkgever recht heeft op de tegemoetkoming. Het is belangrijk dat het aantal verloonde uren correct is opgenomen in de aangifte loonheffingen. De werkgever loopt anders het risico een deel of geheel van het jeugd-LIV te missen.

Hoeveel bedraagt de tegemoetkoming jeugd-LIV?

Als de werkgever voor een werknemer recht heeft op de tegemoetkoming van het jeugd-LIV ontvangt hij van de Belastingdienst een bedrag per gewerkt uur. Het bedrag van de tegemoetkoming verschilt per leeftijd.

Leeftijd op 31-12-2017               Tegemoetkoming per uur           Maximum bedrag op jaarbasis
18                                             € 0,23                                       €    478,40
19                                             € 0,28                                       €    582,40
20                                             € 1,02                                       € 2.121,60
21                                             € 1,58                                       € 3.286,40

Wat is de peildatum voor de leeftijd?

De peildatum voor de leeftijd is 31 december van het vorige jaar. Als de werknemer op die datum 18, 19, 20 of 21 jaar oud is, heeft de werkgever recht op jeugd-LIV voor zover ook aan de andere voorwaarden is voldaan.

Gemiddeld uurloon

Het gemiddelde uurloon van een werknemer wordt vastgesteld door het SVW-jaarloon te delen door het aantal verloonde uren in het kalenderjaar. Er is sprake van een ondergrens en een bovengrens voor het recht op de tegemoetkoming. Is het gemiddelde uurloon lager dan de ondergrens of hoger dan de bovengrens, dan bestaat er geen recht op jeugd-LIV. In de loop van 2018 worden de definitieve grensbedragen voor de regeling door de Belastingdienst bekendgemaakt. De verwachting is dat dit in mei 2018 zal gebeuren.

Wanneer ontvangt de werkgever de tegemoetkoming?

Het vaststellen van de tegemoetkoming start in 2019. Het proces is gelijk aan het het LIV dat per 2017 is ingegaan. De werkgever ontvangt eerst een voorlopige berekening. Na controle hiervan ontvangt de werkgever de definitieve beschikking. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt binnen zes weken na de datum van de definitieve berekening door de Belastingdienst aan de werkgever uitbetaald.

(Bron: Mazars)

Lage sectorpremie: wanneer van toepassing?

Het lage sectorpremiepercentage voor werknemers met overeenkomsten voor onbepaalde tijd met een jaarurennorm mag u sinds 1 januari 2018 onder voorwaarden toepassen. Voor min/max-contracten geldt de hoge sectorpremie. Dit is geregeld in een wijziging van de Regeling Wfsv. 

Vijf sectoren hebben een hoger werkloosheidsrisico dan andere sectoren: 

  • agrarisch bedrijf 
  • bouwbedrijf 
  • culturele instellingen 
  • horeca algemeen 
  • schildersbedrijf 

Daarom gelden er voor deze sectoren twee premiepercentages: een hoog en een laag percentage.  

Voorwaarden lage premie

Met de wijziging van de Regeling Wfsv wordt geregeld dat de werkgever de lage premie aan het sectorfonds betaalt over het loon van zijn werknemer, indien: 

  • De werknemer een schriftelijke dienstbetrekking heeft voor onbepaalde tijd en volgens de bepalingen in het contract het recht op loon gedurende het jaar regelmatig is gespreid;  
  • de omvang van de arbeid voor het jaar vooraf is bepaald (op een vast aantal uren, jaarurennorm), ook al vinden de werkzaamheden niet gelijkmatig gespreid gedurende het gehele jaar plaats.  

Als de werknemer binnen een jaar na het aangaan van de overeenkomst uit hoofde hiervan recht op werkloosheidsuitkering heeft, dan is de werkgever alsnog de hoge premie verschuldigd over het loon.  

Lage premie van toepassing? 

In de praktijk bleek vaak onduidelijkheid te bestaan over de vraag of de lage premie van toepassing is bij een contract voor onbepaalde tijd waarbij de omvang van de arbeid niet wordt vastgesteld per week of per maand, maar de omvang van de arbeid voor het gehele jaar (op een vast aantal uren, jaarurennorm) is vastgesteld en het recht op loon van de werknemer, ongeacht het in een tijdvak gewerkte aantal uren, evenredig is verdeeld over het gehele jaar.  

Evenredig gespreid recht op loon 

Het recht op loon is gelijkmatig gespreid over het jaar. De evenredigheid heeft geen betrekking op incidentele inkomsten uit de dienstbetrekking zoals vakantiegeld en eindejaarsuitkering. In de regeling wordt daarom verduidelijkt dat in dat geval de lage premie verschuldigd is. Dat is ook logisch nu voor de werknemer gedurende de looptijd van het contract geen recht op WW ontstaat. 

Voorschot op loon

In de regel zal de hoogte van het betaalde loon corresponderen met de hoogte van het contractueel afgesproken recht op loon. In de praktijk kan zich echter de situatie voordoen dat een werkgever een voorschot verstrekt op het te ontvangen loon. Of bij het einde van de werkzaamheden het loon over het restant van het jaar (waarin niet of minder zal worden gewerkt) in één keer betaalt, wat in feite ook een voorschot is op het loon dat de werkgever contractueel verschuldigd is over de periode waarin niet (of minder) zal worden gewerkt. 

Voor de toepassing van de regeling (en dus de lage premie) maakt dit geen verschil omdat dan nog steeds sprake is van een evenredig gespreid recht op loon: dat loon is immers al vooruitbetaald. 

Jaarurennorm 

Toepassing van de lage premie bij een overeenkomst met een jaarurennorm geldt alleen voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd en is ook bedoeld om het aangaan van dergelijke contracten (voor onbepaalde tijd) te bevorderen. Bij een overeenkomst voor bepaalde tijd geldt bovendien dat het werkloosheidsrisico groter is en om die reden een hoge premie gerechtvaardigd wordt geacht. 

Aan de vaste omvang van de arbeid in het jaar en aan de spreiding van de arbeid over het jaar worden voor de toepassing van de lage premie geen nadere eisen gesteld.  

Voorwaarden lage premie 

Ook bij een dienstbetrekking met een gering aantal uren arbeid per maand, of arbeid in een beperkt aantal maanden in het jaar, kan de lage premie van toepassing zijn. Vereiste is wel dat schriftelijk is overeengekomen dat het recht op loon regelmatig wordt gespreid over het jaar, en dat de werknemer niet binnen het eerste jaar aanspraak heeft op werkloosheidsuitkering uit hoofde van de dienstbetrekking.  

Indien aan de voorwaarden voor toepassing van de lage premie niet (meer) wordt voldaan, is de werkgever (alsnog) de hoge premie verschuldigd. 

Hoge premie bij min/max-contracten 

In het verlengde van deze wijziging zal in de uitvoeringspraktijk gelden dat, net als bij nulurencontracten, ook bij zogenoemde min/max-contracten de hoge premie verschuldigd zal zijn.  

Het is niet logisch om bij contracten met een vast aantal uren per jaar, en een evenredig gespreid recht op loon, uit te gaan van de lage premie wegens het ontbreken van het risico van een beroep op WW en dat ook te doen voor contracten met een vast en een variabel aantal te werken uren waar (als gevolg van dat laatste) dat risico wel bestaat.  

(Bron: Salarisnet)