Goed vastleggen van optie voor belaste verhuur

Onder voorwaarden kunt u ervoor kiezen om de verhuur van een onroerende zaak te belasten met BTW. Het is daarbij belangrijk om de keuze goed vast te leggen. Blijkt achteraf dat u niet aan de voorwaarden voldoet, dan kunt u net als bij een recente zaak van rechtbank Gelderland een naheffingsaanslag verwachten.

De verhuur van een onroerende zaak is in principe vrijgesteld van BTW. U kunt echter verzoeken om de verhuur met BTW te belasten. U kunt dit doen door een apart verzoek bij de Belastingdienst in te dienen of de BTW-belaste verhuur op te nemen in de huurovereenkomst. De verhuur moet dan wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga), die een onroerende zaak verhuurde aan zijn bv. De dga nam de optie voor BTW-belaste verhuur op in de huurovereenkomst, maar deze huurovereenkomst werd niet geëffectueerd. De bv kreeg echter wel de beschikking tot het pand. Door het ontbreken van een overeenkomst en een verzoek aan de fiscus, was deze verhuur vrijgesteld van BTW. De Belastingdienst legde daarom naheffingsaanslagen op om de BTW te herzien.

Voorwaarden BTW-belaste verhuur

De dga vond de naheffingsaanslagen niet terecht en ging naar de rechter. De rechtbank stelde dat de dga ook nooit aan de voorwaarden voldeed voor de BTW-belaste verhuur. De onroerende zaak werd namelijk niet voor ten minste 90% of meer gebruikt voor belaste prestaties. Daarnaast moest de fiscus rekening houden met het huwelijksgoederenregime van de dga. De dga was daardoor met zijn partner ieder voor 50% eigenaar van het pand. De aftrek van BTW hoorde in dat geval beperkt te worden tot het aandeel van de dga in de onroerende zaak. Bij de herziening van de BTW had de inspecteur hier rekening mee moeten houden. De fiscus mocht dus naheffingsaanslagen opleggen, maar moest die wel verminderen vanwege het huwelijksgoederenregime.

(Bron: Fiscaal Rendement)

Doorberekende kosten geen kosten voor gemene rekening

Ondernemers zijn in beginsel verplicht om omzetbelasting te berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen. Bij het doorberekenen van kosten voor gemene rekening hoeft geen omzetbelasting in rekening te worden gebracht. Kosten voor gemene rekening zijn kosten die ten behoeve van verschillende ondernemers worden gemaakt en in eerste instantie door één van hen worden betaald. Deze kosten worden volgens een vaste verdeelsleutel doorbelast aan de andere ondernemers. Het risico van die kosten gaat alle ondernemers volgens de overeengekomen verdeelsleutel aan.

Een ondernemer die de administratie van een aantal onderwijsinstellingen verzorgde deed een beroep op de regeling voor doorbelasten van kosten voor gemene rekening. Hof Amsterdam vond niet aannemelijk dat het om kosten voor gemene rekening ging. Volgens het hof was het risico niet volgens een vaste verdeelsleutel verdeeld over de betrokkenen. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Volgens de Hoge Raad berust het oordeel van het hof niet op een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep in cassatie was daarom ongegrond.

(Bron: Schuiteman)

Ingrijpende btw-wijzigingen voor digitale B2C-diensten

Verleent u telecommunicatiediensten, omroepdiensten of elektronische diensten aan buitenlandse consumenten in de Europese Unie die niet btw-plichtig zijn? Dan krijgt u per 1 januari 2015 met nieuwe btw-regels te maken. Regels die grote impact op uw onderneming hebben en een tijdige voorbereiding vragen. Wacht daarom niet langer en onderneem actie. Mazars helpt u graag!

Wat verandert er?

Vanaf 2015 bent u als ondernemer die digitale diensten verleend aan buitenlandse particuliere afnemers (B2C) btw verschuldigd in meerdere landen. U bent dan namelijk btw-plichtig in het land waar uw particuliere afnemer woont. Heeft u afnemers in meerdere Europese lidstaten? Dan zult u in deze lidstaten btw-plichtig zijn. De nieuwe regeling brengt een administratieve last met zich mee. De btw-tarieven verschillen veelal per land en als uw afnemers in meerdere landen wonen, zult u al deze tarieven toe moeten passen. Dit gaat u veel hoofdbrekens kosten.

plichtig   zijn?Dan wordt het voor u tijd om actie te ondernemen!Voorkom te late registratie en onderneem actie!

Wilt u voorkomen dat u tegen een boete aanloopt? Of dat u zich te laat registreert? Begin dan tijdig met het voorbereiden van uw administratie. Dit betekent dat u moet nagaan:

In welke EU-lidstaten uw consumenten wonen   Welke btw-tarieven deze landen hanteren   Of leveringscondities gewijzigd moeten worden   Hoe u uw IT systemen aan de verschillende btw-tarieven en -aangiften kunt   aanpassen   Hoe u zich voor kunt bereiden op een mogelijke buitenlandse belastingplicht.

De impact van de gewijzigde regelgeving op uw onderneming mag niet onderschat worden.  Denk bijvoorbeeld aan het structureren van uw financiële administratie: uw software zal aangepast moeten worden. Hoe zorgt u ervoor dat de buitenlandse consument een prijs met het juiste btw-tarief ontvangt voor uw diensten? Wat betekent dit voor uw prijsstelling?

Btw registratie

Moet u zich nu in elk land waar uw afnemers wonen afzonderlijk voor de btw registreren? Nee, zeker niet. De Mini One Stop Shop (MOSS) is geïntroduceerd om dit te voorkomen. Het MOSS-systeem biedt u de mogelijkheid om de verschuldigde btw voor digitale diensten via een webportal aan te geven in de lidstaat waar de ondernemer voor de btw geregistreerd is of wil zijn. Vervolgens worden de aangiften, samen met de betaalde btw, door het land van registratie doorgezonden naar de lidstaten waar uw klanten wonen. Per 1 oktober 2014 kunt u zich voor het MOSS-systeem registreren. Binnenkort informeren wij u hier verder over.

Registreren voor het MOSS-systeem is niet verplicht. U mag er ook voor kiezen om in ieder land afzonderlijk aangifte te doen.

(Bron: Mazars)

Aftrek voorbelasting voor zakelijk geëtiketteerde woning

Hof Den Haag oordeelt dat X recht heeft op teruggaaf van btw ter zake van de kosten die hij heeft gemaakt voor zijn zakelijk geëtiketteerde woning. Het hof wijst hierbij op het Charles en Charles-Tijmens-arrest van het HvJ EU.

X rekent een door hem gebouwde woning voor de btw-heffing tot zijn bedrijfsvermogen. Over het tijdvak december 2010 verzoekt X om teruggaaf van € 4246 aan btw. De inspecteur wijst het verzoek af. Hij legt vervolgens een btw-naheffingsaanslag van € 41.277 over het jaar 2010 op.

Hof Den Haag oordeelt dat X recht heeft op teruggaaf van btw ter zake van de kosten die hij heeft gemaakt voor zijn zakelijk geëtiketteerde woning. Het hof wijst hierbij op het Charles en Charles-Tijmens-arrest van het HvJ EU (14 juli 2005, nr. C-434/03, BNB 2005/284). Het hof vernietigt de naheffingsaanslag. Partijen hebben voor dat geval afgesproken dat bij de jaarlijkse aangifte wegens privégebruik van de woning het zakelijke gebruik van de woning gesteld moet worden op 25%.

(Bron: Taxlive)

Splitsingsregels btw-aftrek bij gemengd gebruik

Voor goederen en diensten die zowel voor btw-belaste als voor btw-vrijgestelde handelingen worden gebruikt, moet de btw-aftrek worden bepaald op basis van de omzetverhoudingen of op basis van werkelijk gebruik. Een combinatie van beide splitsingsregels is niet mogelijk.

Gemengd gebruik

Ondernemers die goederen en diensten gemengd gebruiken voor btw-belaste en btw-vrijgestelde prestaties moeten met dit gebruik rekening houden bij het bepalen van het recht op btw-aftrek. De ondernemer moet nagaan of de goederen en diensten volledig worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Alleen in dat geval heeft hij immers recht op btw-aftrek. Als de goederen of diensten voor vrijgestelde prestaties worden gebruikt, bestaat er geen recht op btw-aftrek. Hij zal dus een splitsing moeten maken.

 

Toerekening

Maar hoe vindt deze splitsing plaats? Als hoofdregel geldt dat de kosten zo veel mogelijk moeten kunnen worden toegerekend aan bepaalde prestaties. Kosten die volledig betrekking hebben op de btw-belaste prestaties, kan de ondernemer volledig in aftrek brengen. Hij moet daarbij vooral kijken of een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat tussen de kosten en de prestatie. De kosten moeten in feite een bestanddeel van de prijs van de prestatie vormen.

 

Gemengde kosten

Naast direct toerekenbare kosten zal de ondernemer ook gemengde kosten hebben. Deze kosten kunnen niet direct worden toegerekend aan btw-belaste prestaties óf btw-vrijgestelde prestaties. Zij hebben betrekking op beide prestaties. De gemengde kosten (en de btw) moeten in dat geval worden toegerekend op basis van omzetverhoudingen of het werkelijk gebruik.

 

Pro rata

De toerekening moet in eerste instantie plaatsvinden op basis van omzetverhoudingen exclusief btw (pro rata). Deze methode wordt bepaald door een breuk, waarbij de teller bestaat uit de btw-belaste omzet en de noemer uit de totale omzet. De uitkomst van de breuk is het aftrekbare gedeelte. De omzet van het afstoten van gebruikte bedrijfsmiddelen mag niet als omzet worden meegenomen in de breuk. Ook ontvangen subsidies die niet de vergoeding voor een prestatie vormen, blijven buiten beschouwing. Het gaat in de breuk alleen om de omzet uit exploitatie.

 

Werkelijk gebruik

Het kan gebeuren dat de omzetverhoudingen een afwijkend beeld geven van de werkelijkheid. Om de werkelijkheid te toetsen kan men kijken naar oppervlakte-, inhoudsverhoudingen of tijdbesteding. Toerekening van de btw op kosten naar werkelijk gebruik is dus alleen mogelijk voor kosten waarvan objectief en nauwkeurig kan worden bepaald in welke mate ze op elke ruimte betrekking hebben. Als uitgangspunt geldt dat de partij (belastingplichtige of belastinginspecteur) die het werkelijk gebruik wil toepassen, dit werkelijk gebruik aannemelijk moet maken.

 

Combinatie niet mogelijk

De rechter moet zich regelmatig uitspreken over de vraag op welke basis gemengde kosten moeten worden verdeeld: op omzetverhouding of op werkelijk gebruik. Dit was ook de vraag in een zaak die een fiscale eenheid aanspande. Het ging om een holding die het kantoorgedeelte van haar pand verhuurde aan twee dochter-bv’s. De ene bv exploiteerde een makelaarskantoor (btw-belaste prestatie) en de andere bv een assurantiebemiddelingskantoor (vrijgestelde prestatie). Een aantal ruimten werd gebruikt voor uitsluitend belaste óf vrijgestelde prestaties en de overige ruimten werden gemengd gebruikt. De holding ging voor de ruimten die niet gemengd werden gebruikt uit van het werkelijk gebruik op basis van objectieve en nauwkeurige gegevens (vierkante meters) en voor de gemengd gebruikte ruimten van de omzetverhouding. De Hoge Raad besliste dat de holding de pro ratamethode óf het werkelijk gebruik als maatstaf voor toerekening van de btw-aftrek moest nemen. Een combinatie van beide methoden is niet mogelijk. Voor het toepassen van het ‘werkelijk gebruik’ als maatstaf moet namelijk het werkelijk gebruik van het goed als geheel in aanmerking worden genomen. Nu de holding het werkelijk gebruik van de gemengd gebruikte ruimten niet kon aantonen, moest zij de btw-aftrek berekenen op basis van de omzetverhoudingen (pro ratamethode).

Afnemen adviesdienst uit derdeland belast in Nederland

Als een Nederlands lichaam bepaalde diensten, bijvoorbeeld advisering, afneemt van een ondernemer die buiten de EU is gevestigd, kan het zijn dat het lichaam de btw moet opgeven. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze regeling is toegestaan onder het Europees recht.

De zaak voor het hof was aangespannen door een Nederlandse bv die een naheffingsaanslag btw had ontvangen. Deze bv was een tussenhoudstermaatschappij die geen btw-ondernemer was. De bv had adviesdiensten afgenomen van ondernemers uit Canada en de Verenigde Staten. Volgens de Nederlandse wet worden deze diensten geacht in Nederland te zijn verleend als de dienstverlener buiten de EU woont of is gevestigd en de afnemer een Nederlands lichaam is. Daarnaast moet het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie plaatsvinden in Nederland. Overigens leidt zo’n situatie in beginsel tot verlegging naar de afnemer. De tussenhoudstermaatschappij stelde dat de bovenstaande regeling in strijd was met het Europees recht. Maar aan de hand van de wetsgeschiedenis en de Franse versie van de Zesde Richtlijn (de voorloper van de huidige BTW-richtlijn) oordeelde het hof dat de Nederlandse regel binnen de grenzen van het Europees recht bleef. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd.

Splitsing Register Kort Beroepsonderwijs

Vanaf 1 januari 2014 is het Register Kort Beroepsonderwijs (RKBO) gesplitst in 2 nieuwe registers. Onderwijsinstellingen en docenten moeten controleren of zij na 1 januari 2014 in het juiste register staan. Zo niet, verliezen zij mogelijk het recht op de btw-vrijstelling voor het beroepsonderwijs.

Docentenregister Beroepsonderwijs

Het Docentenregister Beroepsonderwijs is uitsluitend bedoeld voor natuurlijke personen die beroepsonderwijs verzorgen aan onderwijsinstellingen. Het gevolg van een inschrijving in dit register is dat al het beroepsonderwijs dat aan onderwijsinstellingen wordt verzorgd, is vrijgesteld van btw. Op de factuur hoeft dan ook geen btw vermeld te worden. Als er rechtstreeks, voor eigen rekening en risico en op eigen verantwoordelijkheid, met cursisten of zakelijke opdrachtgevers overeenkomsten worden afgesloten voor het verzorgen van het beroepsonderwijs, dan is hierover wel btw verschuldigd.

 

Instellingenregister Beroepsonderwijs

In dit register kunnen onderwijsinstellingen en natuurlijke personen zich laten inschrijven die rechtstreeks, voor eigen rekening en risico en op eigen verantwoordelijkheid met cursisten of zakelijke opdrachtgevers overeenkomsten afsluiten voor het verzorgen van beroepsonderwijs. Het gevolg van inschrijving in het Instellingenregister Beroepsonderwijs is dat al het door u verzorgde beroepsonderwijs is vrijgesteld van btw. Een inschrijving in het Instellingenregister Beroepsonderwijs omvat (automatisch) ook een inschrijving in het Docentenregister Beroepsonderwijs.

Indien u via de instellingsaudit in het RKBO bent ingeschreven dan wordt u per 1 januari 2014 in het Instellingenregister Beroepsonderwijs opgenomen. Als u dit niet wilt en per 1 januari 2014 alleen in het Docentenregister Beroepsonderwijs wilt zijn ingeschreven, dan kunt u met het CRKBO contact opnemen over de verdere procedure (www.crkbo.nl).

Meer informatie: Vragen en antwoorden over splitsing RKBO

(Bron: Taxence)

Voorwaarden BTW jaaraangifte gewijzigd

Per 1 januari 2014 wijzigen de voorwaarden voor het doen van btw-aangifte per jaar.

Wilt u btw-aangifte per jaar doen? Dan moet u vanaf 1 januari 2014 voldoen aan alle volgende voorwaarden:

  • U betaalt per jaar minder dan € 1.883 btw.
  • U levert per jaar voor minder dan € 10.000 aan intracommunautaire leveringen en intracommunautaire diensten.
  • U hebt per jaar voor minder dan € 10.000 aan intracommunautaire verwervingen.
  • U hebt geen vergunning artikel 23.

Verandert uw aangiftetijdvak door deze wijziging? Dan krijgt van de belastingdienst een brief.

Bent u niet in Nederland gevestigd? Dan geldt deze wijziging van de voorwaarden niet voor u.

(Bron: Belastingdienst)

Niet-afgesproken btw is opgenomen in verkoopprijs

Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijk gemaakt wanneer een verkoopsom moet worden geacht inclusief btw te zijn als de partijen daarover niets zijn overeengekomen.

Twee Roemeense ondernemers hadden verschillende verkoopovereenkomsten gesloten die zagen op onroerende zaken. Daarbij hadden zij niets afgesproken over de btw. De Roemeense belastingdienst kwam daar achter en legde naheffingsaanslagen btw op. Daarbij berekende de Roemeense fiscus de btw over de overeengekomen verkoopprijzen. De ondernemers stelden dat de verkoopprijzen moesten worden geacht inclusief btw te zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat de fiscus een overeengekomen verkoopprijs moet opvatten als een verkoopprijs inclusief btw als de partijen geen afspraken hebben gemaakt over de btw. Daarbij geldt als voorwaarde dat de leverancier de nageheven btw niet kan verhalen op de afnemer.

(Bron: Taxence)

Naheffing herzienings-BTW bij afnemer in strijd met Zesde BTW-Richtlijn

Pactor Vastgoed BV kreeg in januari 2000 een pand geleverd met toepassing van de optie voor BTW-belaste levering. De leverancier (A) had het pand zelf ook verkregen met de optie voor BTW-belaste levering. Vanaf 5 april 2000 ging Pactor het pand BTW-vrijgesteld verhuren en op 4 juli 2000 leverde zij het pand vrijgesteld van BTW aan een derde. Hierdoor verviel de optie voor BTW-heffing ter zake van de levering van A aan Pactor. A had de BTW op de aankoop van het pand ten onrechte in aftrek gebracht en deze BTW moest op grond van de herzieningsregeling worden gecorrigeerd. Op grond van artikel 12a Wet OB werd Pactor als de afnemer van A aangewezen als degene die de herzienings-BTW moest voldoen. Hof Den Haag was het met Pactor eens dat de herzienings-BTW van de leverancier niet op grond van artikel 12a Wet OB kon worden nageheven van de koper. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besloot een prejudiciële vraag aan het EU-Hof van Justitie voor te leggen. Het EU-Hof besliste dat de Zesde BTW-Richtlijn geen uitdrukkelijke aanwijzing bevatte ten aanzien van welke belastingplichtige belastingschulden als gevolg van de herziening van een BTW-aftrek moest voldoen, maar daaruit kon niet worden afgeleid dat lidstaten vrij konden bepalen welke belastingplichtige de BTW in een dergelijke context moest voldoen. De aanvankelijke BTW-aftrek werd op grond van artikel 20, lid 1, onderdeel a, van de Zesde BTW-Richtlijn herzien wanneer deze hoger of lager was dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen. Deze bepaling moest volgens het EU-Hof zo worden uitgelegd dat wanneer de door een belastingplichtige in aftrek gebrachte BTW werd herzien, de als gevolg daarvan verschuldigde bedragen door die belastingplichtige moesten worden voldaan. Het was in strijd met de Zesde BTW-Richtlijn om de bedragen verschuldigd na een herziening van een BTW-aftrek in te vorderen bij een andere belastingplichtige dan degene die de aftrek had toegepast.

(Bron: FUTD)