Reiskostenvergoedingen per 1 april op de schop

Door het thuiswerkadvies van het kabinet is het woon- werkverkeer van menig werknemer veranderd. Waar dit tot op heden nog geen invloed had op de reiskostenvergoedingen voor werknemers, gaan deze nu per 1 april op de schop. In dit artikel leest u hoe u hier het beste mee om kunt gaan.

Tot en met maart 2021 is het toegestaan om de onbelaste reiskostenvergoeding die gebaseerd is op het reisgedrag voor corona, door te betalen. Ook al werkte de werknemer (deels) thuis door de Coronamaatregelen. Vanaf 1 april komt daar vooralsnog een einde aan en mogen reiskosten over een thuiswerkdag niet meer worden vergoed. 

Wat moet u voor 1 april doen?  
Per werknemer moet u opnieuw vaststellen wat het reisgedrag van uw werknemer is en dient u daarop de reiskostenvergoeding aan te passen. 

Declaratie of nacalculatie? 
De vaste reiskostenvergoeding mag vanaf 1 april 2021 alleen nog maar onbelast worden verstrekt wanneer een werknemer minimaal 36 weken of 128 dagen per jaar naar een vaste werkplek reist. Is dit niet het geval, dan dient u de reiskosten te vergoeden op basis van declaratie of nacalculatie. 

Bij een nacalculatie geeft u een vaste reiskostenvergoeding per maand en rekent u op basis van een nacalculatie tegen het einde van het jaar af op basis van de werkelijk gereden kilometers. 

Bij declaratie ontvangt de werknemer een vaste reiskostenvergoeding per reisdag. Het aantal reisdagen dient door de werknemer per maand aan de werkgever te worden doorgegeven. 

Het is belangrijk om met uw werknemers hierover in gesprek te gaan en de situatie uit te leggen. Het reisgedrag van uw gehele personeelsbestand moet u in kaart gaan brengen en daarbij dient u rekening te houden met het aantal werknemers die tegelijkertijd verantwoord in het pand aanwezig kunnen zijn.  

(Bron: HLB)

Wet homologatie onderhands akkoord voorkomt faillissementen

De Wet homologatie onderhands akkoord is sinds 1 januari 2021 in werking. De wet omvat een regeling die levensvatbare bedrijven redt als zij onder een te zware schuldenlast dreigen te bezwijken. Deze bedrijven krijgen de mogelijkheid om hun schuldenlast te saneren. Eén individuele schuldeiser kan niet langer een stok in het wiel steken.  

Oude situatie 

Voor de WHOA kon een onderneming die een mooie omzet maakte, met goede marges, toch failliet gaan. Bijvoorbeeld als er tijdens een moeilijke periode een aanzienlijke schuldenlast ontstond en de onderneming niet meer kon voldoen aan aflossings- en renteverplichtingen. Voor een eventueel schuldeisersakkoord was de medewerking van alle schuldeisers nodig. Weigerde één van hen mee te werken, dan bleef een minnelijke regeling uit. Een faillissement was het logische, maar minst gunstige gevolg.

Nieuwe situatie 

De WHOA geeft de rechtbank nu de mogelijkheid een onderhands akkoord te sluiten tussen een onderneming en een deel van de schuldeisers en aandeelhouders. Die moeten samen goedkeuring verlenen aan de herstructurering van de schulden. Ze moeten die schulden homologeren. De rechterlijke goedkeuring hiervan borgt dat alle betrokken schuldeisers en aandeelhouders zijn gebonden aan de inhoud van het akkoord. Dus ook die ene schuldeiser die niet wilde meewerken.  

Voor wie? 

De regeling geldt voor ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm. Voorwaarde is wel dat de schuldenaar in een toestand verkeert waarin het ‘redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan’.   

Herstructurering 

De verwachting is dat ondernemingen op basis van de WHOA toewerken naar een effectieve herstructurering van hun schulden. Dit leidt uiteindelijk tot een daling van het aantal uitgesproken faillissementen en betere uitkomsten en toekomstperspectieven voor alle betrokkenen. 

  • Let op! Het akkoord geldt niet vorderingen en andere rechten van werknemers op grond van een arbeidsovereenkomst. 

Inhoud van het akkoord 

De ondernemer met schulden is in beginsel vrij om te bepalen wat hij aanbiedt, hoe hij het akkoord vormgeeft en welke schuldeisers en aandeelhouders hij bij het akkoord betrekt. Daarbij kan worden gedacht aan:

  • Het aanpassen van rechten van schuldeisers; 
  • Het saneren van schulden; 
  • Het omzetten van schulden in aandelen; 
  • Het wijzigen van rechten van aandeelhouders en/of het wijzigen of beëindigen van lopende overeenkomsten.  

Homologatie 

Homologatie van het akkoord is mogelijk als er ten minste één klasse van schuldeisers is die met het akkoord instemt. De rechtbank bepaalt de datum van de zitting waarop het homologatieverzoek wordt behandeld. Tot aan de dag van de zitting kunnen alle stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders bij de rechtbank een schriftelijk verzoek indienen tot afwijzing van het homologatieverzoek. 

Voor kleine ondernemers geldt een extra bescherming. Zij kunnen de rechter verzoeken de homologatie te weigeren indien zij niet ten minste 20% van hun vordering betaald krijgen.  

Gevolgen van de homologatie 

Nogmaals: De homologatie heeft tot gevolg dat het akkoord bindend is voor de schuldenaar en alle schuldeisers en aandeelhouders die bij het akkoord betrokken zijn en gerechtigd waren daarover te stemmen. Dit betekent dat ook de schuldeisers of aandeelhouders die uiteindelijk geen stem hebben uitgebracht of niet met het akkoord hebben ingestemd, zijn gebonden. 

(Bron: Flynth)

Corona: Denk aan tegemoetkoming voor melding betalingsonmacht

Bent u bestuurder van een bv of een andere rechtspersoon waarvoor de Nederlandse vennootschapsbelasting geldt? Dan kunt u door de ontvanger van de belastingen aansprakelijk worden gesteld als die rechtspersoon bepaalde belasting- en premieschulden niet betaalt. Om die aansprakelijkheid te voorkomen, moet u normaal gesproken een melding van betalingsonmacht doen. Dan kunt u alleen nog aansprakelijk worden gesteld als de ontvanger aannemelijk maakt dat:

  • er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voorafgaand aan het tijdstip van de melding;
  • En het niet betalen van de belastingen/premies hiervan een gevolg is.

Normaal moet u binnen twee weken na de dag waarop de belasting op de aangifte betaald moet zijn een rechtsgeldige melding doen van betalingsonmacht. Heeft u echter om uitstel van betaling gevraagd in verband met corona, dan is een aparte melding van betalingsonmacht niet nodig.

Achteraf alsnog niet rechtsgeldig geacht

De melding van betalingsonmacht wordt alsnog niet-rechtsgeldig geacht als achteraf blijkt dat de betalingsonmacht niet hoofdzakelijk verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. Doe bij twijfel dus op de gebruikelijke wijze melding van betalingsonmacht binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken.

Tegemoetkoming alleen bij uitstel vanwege corona

De tegemoetkoming ziet alleen op schulden die meedelen in het bijzonder uitstel van betaling wegens de coronacrisis. Voor nieuw opgekomen schulden na afloop van dat uitstel moet u dus wel tijdig een melding betalingsonmacht doen!

Pensioenpremies

De tegemoetkoming geldt niet voor te betalen pensioenpremies aan een bedrijfspensioenfonds. Kan een BV zijn premies voor het bedrijfspensioenfonds niet voldoen, dan moest/moet daarvoor dus wél ‘gewoon’ een tijdige melding betalingsonmacht worden gedaan.

(Bron: Flynth)

Aanpassingen steunpakket coronacrisis

Op 21 januari 2021 heeft het kabinet aangekondigd dat het steunpakket voor het opvangen van de gevolgen van de coronacrisis opnieuw wordt uitgebreid, dit keer met € 7,6 miljard. Hierdoor worden de totale ‘corona-uitgaven’ voor 2020 en 2021 inmiddels geraamd op € 61,3 miljard. Dat is hoger dan de jaarbegroting van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Defensie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Infrastructuur en Waterstaat en Financiën bij elkaar opgeteld.

De belangrijkste wijzigingen zijn:

NOW-regeling

  • De maximale subsidie op de loonkosten gaat in het eerste en tweede kwartaal van 2021 omhoog van 60-80% naar 85%;
  • De maximale loonsom die voor subsidie in aanmerking komt wordt in het tweede kwartaal van 2021 niet verlaagd naar 1x het maximummaandloon maar blijft staan op 2x het maximummaandloon;
  • Het minimale omzetverlies wordt in het tweede kwartaal van 2021 niet verhoogd naar 30% maar blijft staan op 20%;
  • De loonsomvrijstelling (het percentage waarmee de loonsom mag dalen zonder gevolgen voor de NOW-subsidie) wordt in het tweede kwartaal van 2021 niet verhoogd naar 20% maar blijft staan op 10%.

TVL-regeling

  • Het vergoedingspercentage voor de vaste lasten wordt voor zowel het eerste als tweede kwartaal van 2021 verhoogd van 50-70% (afhankelijk van het omzetverlies) naar 85% (ongeacht het omzetverlies);
  • Het minimale omzetverlies blijft voor zowel het eerste als tweede kwartaal van 2021 op 30% staan en wordt niet verhoogd naar 45%;
  • De eis van maximaal 250 werknemers wordt voor zowel het eerste als tweede kwartaal van 2021 losgelaten. Hiermee komen ook grotere bedrijven in aanmerking voor de TVL-regeling;
  • Het maximale subsidiebedrag gaat voor het eerste en tweede kwartaal van 2021 omhoog van € 90.000 naar € 330.000 voor MKB-bedrijven en € 400.000 voor niet-MKB bedrijven (meer dan 250 werknemers);
  • Het minimale subsidiebedrag gaat omhoog van € 750 naar € 1.500;
  • Er komt nader onderzoek of de drempel van € 3.000 aan vaste lasten kan worden verlaagd, zonder dat dit op negatieve wijze doorwerkt in andere elementen van de TVL-regeling;
  • De aanvullende voorraadsubsidie voor de detailhandel uit het vierde kwartaal van 2020 wordt voortgezet in het eerste kwartaal van 2021 en wordt verhoogd van 5,6% naar 21% (opslag op het vastelastenpercentage). De maximale voorraadsubsidie bedraagt € 200.000. Dit valt buiten het hiervoor genoemde maximum (punt 4)

Voorbeelden
Deze wijzigingen leveren onderaan de streep het volgende op:

  • Een hotel met restaurant met een omzet van € 800.000 per kwartaal, een loonsom van € 154.850 per kwartaal, € 320.000 aan vaste lasten per kwartaal en een omzetverlies van 100% zal door de wijzigingen € 393.650 aan NOW- en TVL-subsidie ontvangen in het eerste kwartaal van 2021 (in plaats van € 348.850);
  • Een kledingzaak met een omzet van € 200.000 per kwartaal, een loonsom van € 25.000 per kwartaal, € 30.000 aan vaste lasten per kwartaal en een omzetverlies van 100% zal door de wijzigingen € 81.850 aan NOW- en TVL-subsidie ontvangen in het eerste kwartaal van 2021 (in plaats van € 46.050).

(Bron: BDO)

Kortlopend en langlopend bijzonder uitstel van betaling van belastingen

Eén van de belangrijke maatregelen die de overheid heeft getroffen om ondernemingen te helpen tijdens de coronacrisis is een ruimhartig beleid inzake het verkrijgen van uitstel van betaling voor belastingschulden. Daarbij maakt de Belastingdienst onderscheid tussen uitstel voor maximaal drie maanden en uitstel voor langer dan drie maanden.

Kort uitstel (voor drie maanden)

Als u een verzoek tot bijzonder uitstel (i.v.m. corona) doet op of na 12 maart 2020, dan zal de Belastingdienst de invorderingsmaatregelen opschorten voor drie maanden. Dit geldt dan zowel voor aanslagen waar u op dat moment uitstel voor heeft gevraagd, als de aanslagen die in die drie maanden nog extra zijn opgelegd. Het moet daarbij wel gaan om de belastingschulden die voor bijzonder uitstel in aanmerking komen. Dat zijn: loonheffingen, omzetbelasting, inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, vennootschapsbelasting, kansspelbelasting, assurantiebelasting, verhuurderheffing, milieubelastingen (energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE), kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater), accijnzen en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Vanaf tijdvakken vanaf 1 mei 2020 kunt u als vergunninghouder van personenauto’s ook uitstel van betaling krijgen voor de bpm.

Na afloop van deze drie maanden is het dan in beginsel zo dat u weer aan uw nieuwe betalingsverplichtingen moet gaan voldoen. Het aflossen van de achterstallige schulden moet u doen vanaf 1 oktober 2021 gedurende een periode van maximaal 36 maanden in gelijke termijnen. Uiteraard mag u ook eerder starten met aflossen.

Voor zogenaamde ‘pre corona belastingschulden’ (schulden die nog van voor de corona crisis stammen, waar u wellicht al een afwijkende regeling voor had getroffen) geldt dat deze tijdelijk ‘mee’ mochten gaan in de drie maanden uitstel. Als u geen verlenging heeft aangevraagd, mogen deze pre coronaschulden niet mee worden genomen in de betalingsregeling van 36 maanden, maar moeten dan direct worden voldaan.

U kunt ook uitstel aanvragen voor een langere periode. Dat kunt u nu direct doen, maar u kunt ook nog wachten, als u nog niet weet of u langer uitstel nodig heeft.

NB. Mocht u eerst kort uitstel hebben aangevraagd en toch langer uitstel nodig hebben, dan moet dit  in beginsel worden aangevraagd vóór het aflopen van de drie maandstermijn. Voor het aanvragen van de verlenging van het uitstel is een speciaal digitaal formulier beschikbaar.

Langer dan drie maanden uitstel

Aan uitstel langer dan drie maanden worden meer eisen gesteld dan aan het korte uitstel van drie maanden. Deze voorwaarden zijn:

  • De bestaande betalingsproblemen maken langer uitstel noodzakelijk.
  • Deze betalingsproblemen zijn hoofdzakelijk door de coronacrisis ontstaan.
  • Er is wel telkens regulier aangifte gedaan.
  • Het uitstel geldt alleen voor de specifieke belastingschulden waarvoor corona-uitstel mogelijk is. 
  • Als de totale belastingschuld ten tijde van ontvangst van het verzoek om uitstel € 20.000 of meer bedraagt is een verklaring van een derde-deskundige vereist.
  • De ondernemer moet verklaren geen dividenden en bonussen te zullen uitkeren, of eigen aandelen te zullen inkopen.

Omvang totale belastingschuld

Meer of minder dan 20.000 euro
Als de totale belastingschuld minder dan 20.000 euro bedraagt (op het moment van de eerste aanvraag van uitstel), hoeft er geen speciale verklaring bij het verzoek te worden gevoegd. Wel zult u aannemelijk moeten maken dat u aan de overige voorwaarden voldoet, namelijk dat uw betalingsproblemen er (nog steeds) zijn en dat ze hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn veroorzaakt. Het is dus niet zo dat uw problemen alléén door de coronacrisis mogen komen, maar andere redenen mogen dus alleen bijkomstig zijn.

Meer dan 20.000 euro: derde-deskundige verklaring
Is de totale openstaande belastingschuld meer dan € 20.000 ten tijde van het eerste verzoek om uitstel, dan moet een derde deskundige een verklaring verstrekken. In deze verklaring moet het volgende zijn opgenomen:

  • Een verklaring dat aannemelijk is dat sprake is van werkelijke betalingsproblemen op het moment van het verzoek om uitstel of naar verwachting op korte termijn daarna (met deze korte termijn bedoelt de overheid met name aan te sluiten bij de periode waarin de actuele coronabeperkingen van het kabinet ten aanzien van uw onderneming gelden).
  • Een verklaring dat aannemelijk is dat deze betalingsproblemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
  • Een liquiditeitsprognose die volgens de derde-deskundige plausibel is. 

De eerste twee vereisten zullen naar verwachting weinig discussie opleveren. De laatste eis zal het meest lastige zijn om in te vullen. Het zal immers niet altijd meevallen om een plausibele liquiditeitsprognose op te stellen als nog niet duidelijk is wanneer de ondernemer zijn bedrijf weer goed kan opstarten. 

De prognose mag echter worden opgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van het indienen van het verzoek om uitstel van betaling bekend zijn. Enige inschatting zal daarbij altijd onvermijdelijk zijn.

Wie komt in aanmerking als derde-deskundige? 

De verklaring van de derde hoeft geen assuranceverklaring te zijn. De verklaring hoeft niet, maar mag wel door een externe accountant worden opgesteld. Het mag ook gaan om een externe consultant, een externe financier of een brancheorganisatie. Wel is het vanzelfsprekend aan de ontvanger om te beoordelen of de verklaring van voldoende kwaliteit is. 

Zonder meer uitstel, of toch meer voorwaarden?

Het is niet zo dat er altijd automatisch uitstel wordt verleend. In de meeste gevallen zal dat wel het geval zijn, echter kan de ontvanger in bijzondere omstandigheden er toch toe besluiten om geen uitstel te verlenen of al verleend uitstel van betaling in te trekken. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als de ontvanger vreest dat zijn verhaalsmogelijkheden in gevaar komen.
Krijgt u geen uitstel? Neem dan contact met ons op. 

Hoe wordt het lange bijzondere uitstel verder afgewikkeld?

Indien u uitstel heeft voor langer dan drie maanden, geldt dit voor belastingaanslagen die uiterlijk worden opgelegd tot en met 30 juni 2021. Met ingang van 1 oktober 2021 moet u uw nieuwe betalingsverplichtingen hervatten. Ook moet u dan beginnen met het aflossen van de achterstallige schulden. U kunt aflossen gedurende een periode van maximaal 36 maanden in maandelijks gelijke termijnen. Bij verlengd uitstel mag u ook pre coronaschulden meenemen in de betalingsregeling van 36 maanden.

Mocht u de schulden niet binnen deze periode kunnen aflossen, neem dan contact met ons op. Wellicht kan de ontvanger in overleg overgaan tot het toepassen van maatwerk.

(Bron: BDO)

COVID-19: verlenging steunmaatregelen loonheffingen 2021

Gedurende 2020 zijn in verband met de coronacrisis een aantal goedkeuringen afgekondigd die zien op de loonheffingen. Op 21 januari 2021 heeft het kabinet in de kamerbrief ’Uitbreiding economisch steun- en herstel pakket’ een verlenging van een aantal loonheffingenmaatregelen aangekondigd. In dit artikel informeren wij u welke loonheffingenmaatregelen dit betreft.

Gebruikelijk loon directeuren- grootaandeelhouders

Voor het jaar 2020 mocht de aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) die te maken kreeg met een omzetdaling, van een lager gebruikelijk loon uitgaan, evenredig met de omzetdaling. Gezien de aanhoudende gevolgen van het coronavirus heeft het kabinet ook voor 2021 goedgekeurd dat ab-houders die te maken krijgen met een omzetdaling, een lager gebruikelijk loon mogen toepassen. Voor de regeling in 2021 geldt dat er wordt uitgegaan van de omzet over heel het jaar 2021 vergeleken met de omzet over heel het jaar 2019. Daarnaast wordt een toegangsdrempel ingevoerd voor een minimum omvang van omzetverlies. Dit betekent dat slechts een lager gebruikelijk loon in aanmerking genomen mag worden wanneer het omzetverlies van de onderneming tenminste 30% is in 2021 ten opzichte van 2019. De overige voorwaarden die aan de goedkeuring zijn verbonden zijn vergelijkbaar met de regeling van 2020.

Reiskostenvergoeding

Eerder kondigde het kabinet in de kamerbrief ‘Specifieke aanpassingen in economisch steun -en herstelpakket’ van 18 december 2020 aan dat de mogelijkheid om de vaste onbelaste reiskostenvergoeding ongewijzigd door te betalen verlengd werd tot 1 februari 2021. Deze goedkeuring wordt tot 1 april 2021 verlengd. Dit houdt in dat tot 1 april 2021 de bestaande vaste reiskostenvergoeding door de werkgever onbelast kan worden vergoed, ook al worden deze kosten door het thuiswerken niet meer (volledig) gemaakt. Voorwaarde is wel dat het vaste vergoedingen betreft die al vóór 13 maart 2020 door de werkgever werden toegekend.

Werkkostenregeling

Voor het jaar 2020 had het kabinet de vrije ruimte verhoogd van 1,7% naar 3% voor de eerste €400.000 van de loonsom per werkgever. De verhoging van de vrije ruimte geldt ook voor 2021. 

Thuiswerkfaciliteiten

De werkgever kan onder bepaalde voorwaarden thuiswerkgerelateerde kosten onbelast vergoeden. Hierbij kan gedacht worden aan arbovoorzieningen en ICT-middelen. Het kabinet kondigt in de brief aan dat in samenspraak met maatschappelijke organisaties en sociale partners de mogelijkheden worden onderzocht van een aanvullende regeling waarbinnen het voor de werkgever mogelijk wordt om ook andere thuiswerkkosten onbelast te vergoeden.

Overige fiscale maatregelen

Een aantal overige fiscale maatregelen zouden per 31 maart 2021 aflopen. Het kabinet heeft deze maatregelen tot en met 30 juni 2021 verlengd.  Hierbij gaat het onder andere om uitstel van administratieve verplichtingen rondom de loonheffingen, het akkoord met Duitsland en België over de belastingheffing van grenswerkers en de vrijstelling voor een aantal Duitse netto-uitkeringen.

(Bron: BDO)

Kleineondernemersregeling (KOR): de belangrijkste tips en aandachtspunten

De kleineondernemersregeling (KOR) is sinds 1 januari 2020 veranderd. U kunt nu kiezen voor een vrijstelling voor de btw als u in Nederland bent gevestigd en uw omzet per kalenderjaar onder de € 20.000 blijft. U hoeft dan geen btw te betalen over de omzet. Het jaarlijks voordeel dat u kunt behalen is daarmee maximaal € 4.200.

Wat is de KOR? 

De KOR is gerelateerd aan de hoogte van uw omzet. Er gelden specifiek regels voor de berekening van de KOR-omzet. De KOR-omzet kan dus afwijken van de jaaromzet op uw btw-aangifte. Uw KOR-omzet mag niet boven de € 20.000 uitkomen. Als u voldoet aan de voorwaarden betaalt u geen btw over uw omzet. Daarentegen kunt u dan ook geen btw op uw kosten aftrekken. Blijft uw omzet onder de € 20.000 dan kunt u gebruikmaken van deze regeling. Komt uw omzet in een jaar boven de € 20.000 dan mag u drie jaar lang niet meer mee doen. Voor bepaalde incidentele verkopen geldt een uitzondering.

Wanneer is de KOR gunstig?

De regeling is vaak niet interessant als u klanten heeft die btw kunnen aftrekken. Het kan u wel administratieve handelingen en de kosten voor het indienen van btw-aangiften besparen. De KOR kan met name interessant zijn als u veel particuliere klanten heeft of klanten die de door u gefactureerde btw niet (of deels) kunnen aftrekken. Dit geldt als uw klanten vrijgestelde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in de sectoren onderwijs, zorg, sport, cultuur en in de sociale sector. De btw die u normaal gesproken moet afdragen, houdt u onder de KOR in uw eigen zak, omdat u dan geen btw in rekening brengt aan uw klanten.

Gebruikmaken van de KOR in 2021? Weeg de voor- en nadelen goed af

Wilt u per 2021 aan de nieuwe KOR deelnemen? Meld uw onderneming dan vóór 3 december 2020 aan bij de Belastingdienst. In verband met de coronacrisis is het belangrijk een goede afweging te maken. Ga na wat de voor- en nadelen van de KOR zijn. Belangrijk is dat u een inschatting maakt of uw omzet in 2021 onder de € 20.000 blijft. Is uw omzet over 2020 lager door de coronacrisis? Dan is de KOR voor u wellicht minder interessant. Wij geven u in een notendop vier situaties waarin de regeling wel óf niet interessant is:

  1. Moet u meer btw betalen dan u terugkrijgt? Dan kan de regeling interessant zijn. Krijgt u vooral btw terug? Dan ligt de KOR minder voor de hand. Uw activiteiten zijn dan namelijk vrijgesteld, waardoor u geen btw op uw inkoopfacturen terugkrijgt. Houd ook rekening met een besparing in tijd, omdat u (in principe) geen btw-aangifte hoeft te doen.
  2. Heeft u vooral particuliere klanten? Dan kan de regeling interessant zijn. Particulieren kunnen namelijk geen btw terugvragen. De prijs die uw particuliere klanten betalen is ook echt het bedrag wat van zijn of haar bankrekening wordt afgeschreven. Bij deelname aan de KOR 2020 regeling mag u bij particulieren geen btw in rekening te brengen.  Wilt u het bedrag dat uw particuliere afnemer daadwerkelijk betaalt, in 2021 constant houden ten opzichte van 2020? Dan kunt u de prijzen aan uw particulieren afnemers verhogen met het btw-bedrag dat u niet meer doorberekend. Uw marge/winst is dan hoger (gedeeltelijke/volledig doorberekening) óf uw kostprijs lager (geen of gedeeltelijke doorberekening).
  3. De KOR eindigt automatisch bij een omzet boven de € 20.000 (+ drie jaar afkoelen). De vrijstelling vervalt dan en u moet weer verplicht btw voor belaste prestaties in rekening brengen. De normale btw-regels gelden weer.
  4. Verwacht u veel inkoopkosten en investeringen? Dan is het waarschijnlijk beter om te wachten met de KOR. U kunt hierop geen btw aftrekken.

Let op!

Niet al uw omzet telt voor de berekening van de omzetgrens van € 20.000. Zorg dat uw berekeningen juist zijn. Soms moet u toch (incidenteel) aangifte doen, bijvoorbeeld als u voor  € 10.000 uit het buitenland koopt of als een buitenlandse ondernemer de btw naar u verlegt.

Complexe kleine ondernemersregeling

De regeling is complex omdat niet alle omzet meetelt voor de grens van € 20.000. Zo telt privégebruik van goederen, diensten én prestaties die belast zijn in een ander land niet mee voor de KOR.  Daarnaast moet u rekening houden met (on)roerende goederen die eerder zijn aangeschaft en de btw die u daarover heeft betaald. Soms kan de Belastingdienst namelijk naheffen doordat (on)roerende goederen niet (meer) worden gebruikt voor belaste prestaties: de afgetrokken btw wordt dan herzien. Er geldt wel een ‘herzieningsdrempel’ van € 500 aan btw per jaar.

Stel dat de betaalde btw bij aanschaf van een zakelijke auto € 2.000 bedroeg. De herzieningstermijn van een auto is ‘vijf jaren’. De herzieningsbtw per jaar is dan 1/5 x € 2.000 = € 400. U blijft daarmee onder de grens van € 500 zodat geen btw wordt herzien onder de KOR.

Ook eigenaren van geïnstalleerde zonnepanelen moeten er rekening mee houden dat ze mogelijk alsnog btw moeten terugbetalen. Let dus op dat u niet ‘te veel’ zonnepanelen op uw dak laat leggen, want de Belastingdienst legt u anders een naheffingsaanslag op. De grens ligt ongeveer op € 12.000 ex. btw.

Belangrijke punten bij toepassing KOR

  • U mag geen btw vermelden op uw facturen.
  • U kunt geen btw meer op kosten aftrekken.
  • De KOR geldt in principe voor drie jaar, tenzij de omzet boven de € 20.000 komt.
  • U mag pas na drie jaar ‘afkoeling’ weer aanmelden voor de nieuwe KOR.

Actie vereist?

De vraag is of u uw onderneming moet aanmelden voor de nieuwe KOR of juist niet. Heeft u te maken met de volgende situaties, dan adviseren wij u te (laten) beoordelen of de KOR u kansen biedt.

  • U heeft voornamelijk particulieren en/of ondernemers als klant die de btw niet kunnen aftrekken en uw jaarlijkse ‘KOR-omzet’ is minder dan € 20.000.
  • Uw onderneming is ontheven van administratieve verplichtingen. Let op: uw onderneming is automatisch overgegaan op de nieuwe KOR.
  • U heeft voor meer dan € 12.000 ex. btw aan zonnepanelen op uw privéwoning geplaatst.
  • U schaft in 2020 zonnepanelen aan of een tweede of derde set aan zonnepanelen voor plaatsing op uw privéwoning.  

Marge- en reisbureauregeling

Maakt u gebruik van de marge-,  globalisatie- of reisbureauregeling? De omzetgrens mag u dan niet meer berekenen op basis van de winstmarge, maar moet u bepalen op basis van de totale verkoopopbrengsten. De KOR-omzet van € 20.000 wordt dus eerder overschreden, waardoor u minder snel in aanmerking komt voor deze regeling.

(Bron: ABAB)

Vaste reiskostenvergoeding onbelast doorbetalen tot 1 februari 2021

Als werkgever kunt u in elk geval tot 1 februari 2021 de bestaande vaste reiskostenvergoedingen aan uw werknemers onbelast blijven doorbetalen. Het kabinet heeft besloten deze maatregel tijdelijk te verlengen. Waar moet u op letten?

Voorwaarde onbelast doorbetalen

Eerder gaf het kabinet al goedkeuring voor het onbelast doorbetalen van de vaste reiskostenvergoeding. Ook als uw werknemers geen of minder reiskosten hebben. Deze goedkeuring gold aanvankelijk tot en met 31 december 2020. In verband met de aanhoudende coronacrisis heeft het kabinet besloten de goedkeuring te verlengen tot in elk geval 1 februari 2021. Voorwaarde is wel dat het vaste kostenvergoedingen betreft die al werden toegekend op 12 maart 2020. De goedkeuring geldt dus niet als er sprake is van gewijzigde omstandigheden na 12 maart 2020, bijvoorbeeld door een verhuizing of contractuitbreiding.

Het kabinet besluit in de loop van januari 2021 hoe ze met de vaste reiskostenvergoedingen willen omgaan ná 1 februari 2021. Uiteraard houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen.

(Bron: ABAB)

Nieuwe subsidiemogelijkheid voor zonnepanelen en kleine windmolens

Begin januari heeft RVO de nieuwe ISDE (Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing) gepubliceerd. Deze regeling kenden we de afgelopen jaren al voor de ondersteuning van investeringen in bijvoorbeeld biomassaketels, zonneboilers en warmtepompen. Nieuw in deze regeling is dat voor zakelijke gebruikers ook de aanschaf van zonnepanelen en kleine windmolens onder deze regeling gesubsidieerd wordt.

Voorwaarden regeling

Deze regeling geldt voor bedrijven die meer dan 50.000 kWh aan elektriciteit per jaar verbruiken. Tevens moeten deze bedrijven beschikken over een aansluiting op het elektriciteitsnet van maximaal 3x 80Ampere, ook wel een kleinverbruikersaansluiting genoemd. Bedrijven met een grootverbruikersaansluiting kunnen in aanmerking komen voor een SDE++ subsidie.

Subsidiebedrag en aanvraagmoment

Het subsidiebedrag bedraagt 125 euro per 1000 Wp vermogen van de installatie. Het totale budget bedraagt 40 miljoen voor het jaar 2021. Daarnaast wordt deze regeling ook in 2022 en 2023 opengesteld. Belangrijk is dat deze subsidie eerst aangevraagd moet worden, voordat je overgaat tot ondertekening van de koopovereenkomst voor de aanschaf van een zonnepanelen installatie .  

EIA of ISDE

Wanneer je  van deze subsidieregeling gebruik wilt maken is het niet mogelijk om voor de zelfde regeling ook in aanmerking te komen voor Energie- investeringsaftrek (EIA). De EIA is een extra fiscale aftrek en kan (veel) belastingvoordeel opleveren. Het is dus belangrijk om, voordat je overgaat tot de aanschaf van zonnepanelen, eerst de afweging te maken welke subsidieregeling (EIA of ISDE)  het meest gunstig uitpakt.

(Bron: Alfa)

Wijziging sectorindeling van uitzendwerkgevers vraagt om nieuwe beoordeling

Sinds jaar en dag deelt de Belastingdienst voor de premieheffing werknemersverzekeringen werkgevers in een sector in; momenteel betreft dit 67 mogelijke sectoren. Als hoofdregel moeten werkgevers, die zich in het kader van de uitoefening van het bedrijf of beroep bezighouden met arbeidskrachten aan een derde ter beschikking te stellen (hierna: uitzendwerkgevers), voor de loonheffingen worden ingedeeld in de uitzendsector (‘Sector 52. Uitzendbedrijven’). In het verleden konden uitzendwerkgevers echter ook ingedeeld worden in een zogeheten ‘vaksector’. Hiervan was sprake als de werkzaamheden van de arbeidskrachten van de uitzendwerkgever voor méér dan 50% van het totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één specifieke sector konden worden toegerekend. De sector waartoe de werkzaamheden van de arbeidskrachten feitelijk behoorden, was in dat geval de vaksector.

Sinds 25 mei 2017 is het voor nieuwe uitzendwerkgevers niet meer mogelijk om in een vaksector ingedeeld te worden. Voor uitzendwerkgevers die op dat moment al in een vaksector waren ingedeeld, gold nog tot 1 januari 2020 een overgangsregeling. Met het vervallen van die overgangsregeling moeten alle uitzendwerkgevers zijn ingedeeld in de ‘dure’ sector 52. Het informeren van de Belastingdienst terzake en het doorvoeren van een herindeling moeten volgen, als dat nu nog niet het geval is. Mogelijk gevolgd door aanvullend te betalen premies.

Sectorindeling

Voor de sectorindeling werknemersverzekeringen zijn alle werkgevers ingedeeld in 1 van de 67 sectoren. De sectorindeling is met ingang van 1 januari 2020 alleen nog van belang voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) voor kleine en middelgrote werkgevers.

Voorheen was de sectorindeling ook van belang voor de sectorpremie WW, die als onderdeel van werkloosheidspremie werd geheven. Sinds 1 januari 2020 is deze premie echter niet meer sectorafhankelijk, maar wordt de hoogte van de premie bepaald op basis van de aard van het arbeidscontract. Werkgevers zijn (kortweg) de lage WW-premie verschuldigd voor werknemers met een vast contract en de hoge WW-premie voor werknemers met een flexibel arbeidscontract (contract voor bepaalde tijd).   

Indeling in de uitzendsector (sector 52)

Uitzendarbeid gaat vaak gepaard met hogere arbeidsongeschikheidslasten. Hierdoor is de Whk-premie voor sector 52 in het algemeen (aanzienlijk) hoger dan die voor andere sectoren.

Met ingang van 1 januari 2020 geldt voor alle werkgevers: als méér dan 50% van het premieloon van een werkgever wordt toegerekend aan het ter beschikking stellen van personeel, moet de werkgever (vanaf 1 januari 2020) ingedeeld worden in de uitzendsector.

Onder ‘het ter beschikking stellen van personeel’ wordt in deze context nietverstaan, de situatie waarin:

  1. Werknemers in dienst zijn van een zogenoemde personeels-BV en binnen het concern ter beschikking worden gesteld (sectorindeling van inlenend concernonderdeel is van belang); of
  2. Wordt gewerkt met payrollmedewerkers (sector 45 Zakelijke dienstverlening III is van toepassing).

Mogelijk verplicht gesplitste aansluiting

Voor werkgevers waarvan meer dan 15% van de premieloonsom, maar niet meer dan 50% van de premieloonsom wordt toegerekend aan het ter beschikking stellen van personeel (zoals hiervoor omschreven), geldt een verplichte gesplitste aansluiting. Voor de terbeschikkinggestelde werknemers valt de werkgever in sector 52.

Wat nu?

Gelet op voornoemde wijzigingen moet de sectorindeling van uitzendwerkgevers vanaf 1 januari 2020 opnieuw beoordeeld worden. Uitzendwerkgevers die vanaf deze datum ingedeeld moesten worden in sector 52 en die bij de Belastingdienst bekend waren, hebben eind 2019 een beschikking met de nieuwe sectorindeling ontvangen. Is uw bedrijf niet heringedeeld in sector 52 en zou dat eigenlijk wel moeten? Als werkgever bent u verplicht om een mogelijk onjuiste sectorindeling te melden bij de Belastingdienst, ook al betekent dat mogelijk dat u nog extra premies verschuldigd bent. Deze melding kan worden verzonden (onder vermelding van ‘UZB2020’) naar Belastingdienst/kantoor Amsterdam/Bureau Indelingszaken, postbus 58944, 1040 EE, Amsterdam.

(Bron: BDO)