Langdurig zieke werknemers: verplichtingen en risico’s

Fouten tijdens het re-integratietraject zijn snel gemaakt en kunnen leiden tot grote financiële schade voor u als werkgever. Wat zijn de verplichtingen van werkgever en werknemer tijdens langdurige ziekte? En wat kunt u als werkgever doen als uw werknemer bijvoorbeeld niet verschijnt bij de bedrijfsarts?

Verplichtingen tijdens langdurige ziekte

Een werknemer heeft tijdens ziekte recht op doorbetaling van het loon. Wanneer uw werknemer ziek is en dit meer dan een griepje blijkt te zijn, gelden er zowel voor de werknemer als de werkgever verschillende verplichtingen. Zo moet de arbodienst of bedrijfsarts uiterlijk in de zesde week van het verzuim een probleemanalyse opstellen.

Wat staat er in de probleemanalyse?

De bedrijfsarts brengt in de probleemanalyse in kaart wat de beperkingen van de werknemer zijn en andere factoren die het verzuim kunnen beïnvloeden. Denk hierbij aan persoonlijke en sociale omstandigheden. En factoren die met het werk te maken hebben, zoals welke fysieke of mentale belasting het eigen werk met zich meebrengt. De bedrijfsarts geeft advies over welke re-integratieactiviteiten u en uw werknemer kunnen uitvoeren. In de probleemanalyse die de bedrijfsarts opstelt, staan geen medische gegevens: u mag als werkgever geen medische informatie inzien of verzamelen over uw werknemer.

Plan van aanpak re-integratie

Aan de hand van de probleemanalyse van de bedrijfsarts maakt u samen met uw werknemer een Plan van aanpak, waarin u afspraken maakt voor de re-integratie. Hierin staat het doel van de re-integratie en de activiteiten die u en uw werkgever ondernemen om het doel te bereiken. Iedere zes weken moet u de voortgang met de werknemer bespreken. Als het nodig is, past u het Plan van aanpak aan. Bijvoorbeeld omdat de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat sprake is van een wijziging in de medische situatie van uw werknemer.

Eerstejaarsevaluatie

Als uw zieke werknemer na één jaar ziekte nog niet (volledig) aan het werk is, moet het Plan van aanpak evalueren: de Eerstejaarsevaluatie. Uiterlijk na één jaar ziekte moet u ook de mogelijkheden onderzoeken voor re-integratie buiten uw eigen bedrijf. Het Plan van aanpak, de tussentijdse evaluaties en de Eerstejaarsevaluatie bewaart u in het re-integratiedossier, dat u nodig heeft wanneer de werknemer een WIA-uitkering aanvraagt.

Werkgever verantwoordelijk voor re-integratietraject

Ook als u een arbodienst heeft die de re-integratie begeleidt, blijft u als werkgever verantwoordelijk voor het re-integratietraject. Houd dus altijd de vinger aan de pols. Wanneer het UWV namelijk na twee jaar ziekte oordeelt dat u als werkgever te weinig heeft gedaan om de werknemer weer aan het werk te krijgen, kan dit leiden tot een loonsanctie. Dit betekent dat u tot maar liefst een jaar langer het loon door moet betalen!

Loon opschorten of stopzetten?

Bovenstaande laat het belang zien van een zorgvuldig re-integratietraject. Maar wat nu als de werknemer de re-integratie afspraken niet nakomt? U heeft dan als werkgever de mogelijkheid om de betaling van het loon op te schorten of stop te zetten. U heeft op basis van de wet in principe geen keuze tussen die twee maatregelen. Een loonopschorting is een drukmiddel om de werknemer ergens toe te bewegen. Het is een tijdelijke sanctie die u kunt inzetten wanneer niet kan worden vastgesteld of de werknemer ziek is, doordat hij niet verschijnt bij de bedrijfsarts. Op het moment dat de werknemer alsnog verschijnt bij de bedrijfsarts, kunt u de loonbetaling hervatten. De werknemer heeft  alsnog recht op het loon over de periode dat de loonbetaling was opgeschort.

Wanneer de werknemer bewust zijn eigen herstel belemmert, niet meewerkt aan het opstellen van het Plan van aanpak of de (Eerstejaars)evaluatie of zonder goede reden weigert om passende andere werkzaamheden uit te voeren, kunt u het loon stopzetten. Een loonstop is een ingrijpende sanctie. Pas wanneer de werknemer aan zijn verplichtingen voldoet heeft hij weer recht op loon, maar niet met terugwerkende kracht.

Meldingsplicht opleggen sanctie

Let op: zorg dat u de werknemer eerst op de hoogte stelt van uw plan om een sanctie op te leggen (door middel van een waarschuwing) en zorg dat u daarbij de juiste termen gebruikt. Wanneer u namelijk aangeeft het loon op te zullen schorten in plaats van te stoppen, kunt u daarna niet alsnog een loonstop toepassen voor hetzelfde feit. U moet dan met terugwerkende kracht het loon betalen wanneer de werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan! Een zorgvuldige woordkeuze is dus van belang. 

(Bron: ABAB)

BV DIGITAAL OPRICHTEN VANAF 1 JANUARI 2024

Vanaf 1 januari 2024 wordt het mogelijk om volledig digitaal een bv op te richten. Er is daarbij geen fysieke tussenkomst van een notaris meer nodig. Het platform waar dit geregeld kan worden was al een tijd klaar. Het wachten was op goedkeuring van de wet en het bekend worden van de datum voor het eerste gebruik.

Betrouwbaarheid

Het digitaal oprichten van een bv betekent concreet dat alle procedures digitaal verlopen. Het opstellen van de notariële aktes, de identificatie en ondertekening verlopen dus volledig digitaal. Om fraude tegen te gaan zullen hierbij de hoogste betrouwbaarheidsniveaus worden toegepast.

Europese richtlijn

Het digitaal op kunnen richten van een bv vloeit voort uit een Europese richtlijn gericht op het eenvoudiger oprichten van een bv. Notarissen zullen worden voorbereid op de komende wijzigingen – cursussen, bijeenkomsten en een kennisbank – om zo ook hun cliënten te kunnen helpen bij het digitaal oprichten van een bv. 

(De Jong en Laan)

BELASTING­DIENST PUBLICEERT NIEUWE MODEL­OVEREENKOMST BOUW

De Belastingdienst heeft onlangs een nieuwe modelovereenkomst voor zzp’ers in de bouw gepubliceerd. Dit is gebeurd op initiatief van de brancheorganisatie Bouwend Nederland. De nieuwe modelovereenkomst bevat een belangrijke wijziging ten opzichte van de vorige. Als er sprake is van een situatie waarbij de opdrachtnemer het aangenomen werk weer uitbesteedt aan een ander, dan dient er tussen deze twee partijen een nieuwe modelovereenkomst te worden afgesloten.

Modelovereenkomst

Opdrachtgevers kunnen een modelovereenkomst gebruiken om zekerheid te verkrijgen over de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking bij het inhuren van een opdrachtnemer. 

Via de modelovereenkomst kan een dienstbetrekking worden uitgesloten. Dit betekent dat de opdrachtgever dan geen loonheffing en premies werknemersverzekeringen hoeft in te houden. De modelovereenkomst betekent echter niet automatisch dat de opdrachtnemer fiscaal gezien als ondernemer wordt aangemerkt.

Let op! Opdrachtgever en -nemer moeten de modelovereenkomst beiden ondertekenen en de werkzaamheden moeten ook conform de afspraken in de modelovereenkomst worden uitgevoerd.

Tip! Bekijk de nieuwe modelovereenkomst zelfstandigen bouw.

(Bron: De Jong en Laan)

Wat je moet weten over ANBI’s en andere organisaties zonder winststreven

Ben je bijvoorbeeld lid van een kerk of een vereniging? Of ben je betrokken bij een stichting als donateur of als bestuurslid? Dan heb je te maken met een organisatie zonder winststreven. In een paar artikelen besteed ik aandacht aan diverse soorten organisaties zonder winststreven, zoals ANBI’s. Welke wettelijke verplichtingen hebben zij? En van welke fiscale voordelen kunnen die organisaties profiteren? Aan het eind van dit artikel vind je nog vier tips.

In mijn praktijk als accountant heb ik diverse stichtingen als klant. Sommige stichtingen functioneren als een gewoon bedrijf en zijn belastingplichtig voor de omzetbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting. Andere stichtingen worden aangemerkt als ANBI: Algemeen Nut Beogende Instelling. Daarnaast zijn er nog andere stichtingen die wel een goed doel nastreven maar een te beperkte groep van  gebruikers hebben, zodat ze niet in aanmerking komen voor de ANBI-status.

De ANBI-status verkrijgen: de voor- en nadelen

Om als instelling, waaronder een stichting of vereniging, in aanmerking te komen voor een ANBI-status moet die instelling zich nagenoeg geheel inzetten voor het algemeen belang. Een vereniging, zoals de plaatselijke voetbalclub, is meestal geen ANBI omdat het algemeen belang ontbreekt. Bepaalde verenigingen kunnen misschien wel als SBBI (sociaal belang behartigende instelling) worden aangemerkt. Over het onderscheid tussen een ANBI en een SBBI lees je de volgende keer meer.

De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een ANBI te worden staan hier beschreven.

De voordelen voor een ANBI-instelling:

  • Een ANBI betaalt geen erfbelasting of schenkbelasting over erfenissen en schenkingen die zij ontvangt.
  • Als de ANBI zelf schenkingen doet in het algemeen belang, hoeft de ontvanger geen schenkbelasting te betalen.
  • Een ANBI komt in aanmerking voor teruggaaf van energiebelasting.
  • Vrijwilligers die voor een ANBI werken doen daarmee onder bepaalde voorwaarden een gift aan een ANBI.
  • Donateurs van een ANBI mogen hun giften aftrekken van de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Voor donateurs van culturele ANBI’s geldt een extra giftenaftrek.

Verplichtingen van een ANBI

Een ANBI-instelling zijn brengt ook verplichtingen met zich mee. Zo moet een ANBI verplicht haar gegevens publiceren op een eigen website of op een gemeenschappelijke website, bijvoorbeeld een brancheorganisatie. Sinds 1 januari 2021 zijn grote ANBI’s verplicht om voor de publicatie van de gegevens gebruik te maken van standaardformulieren.

Grote ANBI’s zijn:

  • zij die actief geld werven onder derden en waarvan de totale baten in het desbetreffende boekjaar meer bedragen dan 50.000 euro
  • of die niet actief geld of goederen werven onder derden, als de lasten in het betreffende boekjaar meer dan 100.000 bedragen euro

Op de website van de Belastingdienst vind je de eerder genoemde standaardformulieren. Iedere ANBI moet binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een financiële verantwoording publiceren op haar website. Daarnaast moeten nog een aantal andere gegevens worden gepubliceerd. Deze zijn hier na te lezen. Je Alfa adviseur kan je hierbij ondersteunen.

Tip 1: Ingehouden dividendbelasting terugvragen

Van oorsprong zullen de meeste stichtingen om risico-overwegingen hun vermogen op de bank hebben staan. Momenteel is er sprake van beperkte rente als het vermogen op de bank al meer dan 100.000 euro is. Stichtingen gaan daarom nu zoeken naar alternatieve beleggingen en wellicht meer in aandelen beleggen. Als er dan dividend wordt uitgekeerd op die aandelen, wordt standaard vijftien procent dividendbelasting ingehouden. Als je organisatie niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, kun je de ingehouden dividendbelasting terugvragen bij de Belastingdienst via deze procedure. Bij een jaarlijks dividend van 10.000 euro kun je hiermee 1500 euro ingehouden dividendbelasting terugkrijgen.

Tip 2: Energiekosten? Dan energiebelasting terugvragen

Als de instelling een pand in gebruik heeft en energie verbruikt, staat op de energienota ook energiebelasting vermeld. ANBI’s en andere bepaalde instellingen kunnen dan vijftig procent van de energiebelasting terugvragen. Afhankelijk van de energienota kan per jaar wel honderden tot misschien wel duizenden euro’s aan energiebelasting worden teruggevraagd.  

Tip 3: Check de ANBI-status

Op de site van de belastingdienst kan je zoeken of jouw organisatie ook een ANBI is, sinds wanneer en of zij ook een culturele ANBI zijn. Ook vind je welke organisaties in jouw woonplaats allemaal de ANBI-status hebben. Let op, op deze site wordt het huidige adres van de ANBI aangehouden als woonplaats. Bij bestuurswisselingen kan een ANBI in een bepaalde plaats niet meer zichtbaar zijn. Veelal is dit het woonadres van de secretaris.

Tip 4: Bezig met cultuur? Probeer een culturele ANBI te worden

Als een ANBI een culturele instelling is, kan deze de status ‘culturele ANBI’ krijgen. Om als culturele ANBI te worden aangemerkt moet de instelling voor minstens negentig procent actief zijn op cultureel gebied. Donateurs van culturele ANBI’s hebben een extra belastingvoordeel, omdat voor hen een giftenaftrek geldt van het bedrag van de gift, vermenigvuldigd met 1,25. Voorbeelden van culturele ANBI’s zijn instellingen die onder andere actief zijn in beeldende kunst, erfgoed (musea, historische verenigingen), dans, film, en theater. Je bent als organisatie dus ‘aantrekkelijker’ met een culturele status. Deze kan je aanvragen bij de Belastingdienst.

Verslaggeving

Op stichtingen en verenigingen is normaal gesproken Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing. Dit geldt echter niet voor commerciële stichtingen, maar daar gaat dit artikel niet over. Wettelijk gezien geldt voor stichtingen en verenigingen zonder winststreven alleen de algemeen geldende verplichting een administratie te voeren en jaarlijks een balans en een staat van baten en lasten op te stellen.

De jaarrekening van een ozw (Organisatie zonder winststreven) wordt meestal opgesteld voor het maatschappelijk verkeer (donateurs e.d.). Daarom is het van groot belang dat de organisatie op een transparante en verantwoorde wijze verslag doet van haar financiële activiteiten door de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (hierna: RJ) te volgen. Deze richtlijnen zijn: 

  1. RJ 640 (Organisaties zonder winststreven, algemene bepalingen voor alle ozw’s)
    Algemene richtlijn, bij baten vanaf 500.000 euro per jaar

En meer specifiek:

  1. RJK C1 (Kleine Organisaties zonder winststreven, geen fondsenwervende organisatie)
    Waarde van de activa minder dan 6.000.000 euro
    Baten per jaar niet meer dan 12.000.000 euro
    Gemiddeld aantal werknemers minder dan 50
     
  2. RJ 650 (Fondsenwervende instellingen, specifieke bepalingen voor de verslaggeving)
    Bijvoorbeeld specifieke regels omtrent de ontvangen baten (van particulieren, bedrijven, loterij-organisaties, subsidies e.d.)
    Baten vanaf 500.000 euro per jaar
     
  3. RJK C2 (Kleine fondsenwervende organisaties)
    Baten per jaar niet meer dan 500.000 euro

De financiële verantwoording van een stichting bestaat uit minimaal een balans en een staat van baten en lasten, beiden met vergelijkende cijfers van het vorige boekjaar en de toelichting daarop. Daarnaast is het opnemen van het bestuursverslag en een begroting meestal een verplichting die volgt uit de statuten van de stichting en die ook opgenomen dient te worden volgens bovenstaande richtlijnen. Het naleven van verslaggevingsvoorschriften is essentieel voor stichtingen om vertrouwen te wekken bij donateurs, subsidieverstrekkers en andere belanghebbenden. RJ640, RJ650, RJK C1 en RJK C2 bieden passende richtlijnen voor stichtingen van verschillende omvang en complexiteit. Door deze voorschriften nauwgezet te volgen, kunnen stichtingen niet alleen aan hun wettelijke verplichtingen voldoen, maar ook een helder en transparant beeld schetsen van hun financiële situatie en activiteiten. Het is raadzaam voor stichtingen om regelmatig de richtlijnen te raadplegen en zo nodig professioneel advies in te winnen om ervoor te zorgen dat ze op de juiste wijze verslag doen.

Tip vijf: Beoordeel of je de juiste Richtlijn toepast.

In de praktijk komt het wel eens voor dat RJ640 wordt toegepast, terwijl ook RJK C1 toegestaan is. RJ640 stelt zwaardere eisen aan het bestuursverslag dan RJK C1, dus wellicht is daarom een stelselwijziging naar RJK C1 te overwegen. Bij kleinere anbi is het te overwegen om de reguliere Richtlijen van de Jaarverslaggeving toe te passen, omdat voorgaande richtlijnen behoorlijke eisen stellen aan het opstellen van het jaarverslag.

Resultaatbepaling versus resultaatbestemming

De algemene regel is dat alle baten en lasten in de staat van baten en lasten verantwoordt worden. Nog niet bestede bedragen worden via de resultaatbestemming toegevoegd aan een bestemmingsfonds, een bestemmingsreserve of de algemene reserve. Het is niet toegestaan om ontvangsten rechtstreeks toe te voegen aan het eigen vermogen en gemaakte kosten rechtstreeks in mindering te brengen op het eigen vermogen. De baten en lasten van alle activiteiten van de stichting moeten zichtbaar zijn in de staat van baten en lasten.

Bestemmingsfonds versus Bestemmingsreserve

Een deel van het eigen vermogen kan zijn afgezonderd omdat daaraan een beperkte bestedingsmogelijkheid is gegeven dan gezien de doelstelling van de organisatie zou zijn toegestaan en deze beperking door derden is aangebracht. Een grote donateur kan bijvoorbeeld eisen dat zijn schenking alleen bestemd is voor doel X. Dit bedrag wordt dan toegevoegd aan een bestemmingsfonds.

Als de beperking niet door derden, maar door het bestuur zelf is aangebracht, dan wordt het afgezonderde deel aangeduid als bestemmingsreserve. Er kan bijvoorbeeld een bestemmingsreserve gevormd worden voor toekomstige grote investeringen als er een concreet investeringsvoornemen is.  

Let op: zowel het bestemmingsfonds als de bestemmingsreserve zijn onderdeel van het eigen vermogen en geen voorzieningen. Bij de resultaatbestemming vinden toevoegingen en onttrekkingen aan de bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen plaats.

Tip zes: Werk met bestemmingsreserves

Door een deel van het resultaat toe te voegen aan een bestemmingsreserve ontstaat er een beter beeld van de overige (en vrije) reserves die de organisatie tot zijn beschikking heeft. Hierdoor kan je laten zien aan het maatschappelijk verkeer dat een deel van het eigen vermogen op termijn weer uit de organisatie vloeit.

Tip zeven: Werk met een continuïteitsreserve

Een continuïteitsreserve is een reserve die gevormd kan worden om financieel in staat te zijn om de activiteiten van de stichting voort te zetten als de inkomsten wegvallen. De hoogte van deze Continuïteitsreserve mag maximaal anderhalf keer de jaarlijkse exploitatiekosten bedragen volgens de norm van Goede Doelen Nederland. Voordeel van het werken met deze reserve is dat je laat zien aan het maatschappelijk verkeer dat je een verstandig financieel beleid voert, waarbij je de vrije reserves beperkt. Anders zou de indruk gewekt kunnen worden dat de stichting al voldoende eigen vermogen heeft, waardoor er minder donaties ontvangen worden.

(Bron: Alfa, aangepast)

Reiskostenvergoedingen in 2024

In 2023 mag u als werkgever uw werknemers nog een onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal 21 eurocent per zakelijke kilometer (inclusief woon-werkverkeer) geven. Dit bedrag wordt – als het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen – vanaf 2024 verhoogd naar 23 eurocent per kilometer. Hebt u in uw overeenkomsten het bedrag zelf opgenomen in plaats van een verwijzing naar het fiscale maximum en wilt u wel tot dat maximum onbelast vergoeden? Pas dan de overeenkomst aan en vermeld het nieuwe bedrag.  

Verhoog gewone reiskostenvergoeding ook in overeenkomsten

Tip: Bent u ondernemer of resultaatgenieter? En rijdt u voor uw werk in een privévervoermiddel? Dan mag u voor elke zakelijke kilometer die u met uw eigen auto, motor of fiets maakt 23 eurocent in aftrek brengen op uw resultaat. De verhoging van 21 naar 23 eurocent geldt namelijk ook voor de inkomstenbelasting.  

Onbelaste terbeschikkingstelling, vergoeding en verstrekking van ov-kaarten vanaf 2024

U kunt in 2023 al abonnementen voor openbaar vervoer (ov) of voordeelurenkaarten volledig belastingvrij aan uw werknemers ter beschikking stellen. Voorwaarde is dat de kaart mede dient voor zakelijke reizen (waaronder woon-werkverkeer). Voor de vraag tot welk bedrag u dergelijke kaarten belastingvrij kunt vergoeden of verstrekken wordt gekeken naar de daadwerkelijke kosten van de zakelijke reizen. 

Als het huidige wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen mag u als werkgever vanaf 2024 ov-abonnementen of voordeelurenkaarten voortaan altijd belastingvrij aanbieden als het aannemelijk is dat uw werknemers deze mede gebruiken voor het woon-werkverkeer en/of andere zakelijke reizen. Om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling, is een registratie van het privé- en zakelijk gebruik dan niet meer nodig.  

(Bron: Flynth)

Wet invoering minimumuurloon: waar moet u rekening mee houden?

Om te komen tot een gelijk minimumloon voor iedereen, gaat vanaf 1 januari 2024 de Wet invoering minimumuurloon in. Hierdoor verdwijnen vanaf 2024 de vaste minimum maand-, week- en daglonen en gaat voor elke werknemer hetzelfde minimumuurloon gelden. Voor werkgevers kan dit leiden tot hogere loonkosten.  

Minimumloon op basis van 36-urige werkweek 

Op dit moment is het minimumloon nog gekoppeld aan de fulltime werkweek in een bepaalde sector. In sommige sectoren is dit 36 uur, in andere 40 uur. Daardoor valt het minimumuurloon in bepaalde sectoren lager uit dan in andere. Vanaf 2024 wordt het minimumuurloon altijd gebaseerd op een 36-urige werkweek. 

Fikse loonsverhoging  

Het nieuwe minimumuurloon geldt voor elke werknemer met dezelfde leeftijd, ongeacht de branche of sector. Omdat het wordt vastgesteld op basis van een 36-urige werkweek kunnen werknemers die momenteel het minimumloon verdienen en meer dan 36 uur per week werken, een fikse loonsverhoging verwachten. 

Minimumloon per leeftijd in 2024 

In de tabel hieronder ziet u welk minimumuurloon in 2024 van toepassing is bij welke leeftijd. Voor werknemers van 18, 19 of 20 jaar oud die werken in het kader van een beroepsbegeleidende leerweg (BBL), geldt een aangepast minimumuurloon.  

 Leeftijd  Minimumloon per uur 
 21 jaar en ouder  € 13,27 
 20 jaar  € 10,62 
 20 jaar (BBL)  € 8,16 
 19 jaar  € 7,96 
 19 jaar (BBL)  € 6,97 
 18 jaar  € 6,64 
 18 jaar (BBL)  € 6,04 
 17 jaar  € 5,24 
 16 jaar  € 4,58 
 15 jaar  € 3,98 

Let op: Door de invoering van het minimumuurloon moeten gemeenten hun loonkostensubsidies opnieuw vaststellen. Neem hierover tijdig contact op met uw gemeente. 

Let op: Het Lage-inkomensvoordeel gaat met ingang van de nieuwe wet ook uit van het minimumuurloon in 2024 op basis van de 36-urige werkweek. 

(Bron: Flynth)