Auto privé of zakelijk kopen?

Wat je moet weten om optimaal te profiteren van de belastingregels

Als het gaat om mobiliteit moet je een belangrijke keuze maken: ga je een auto van de zaak rijden of gebruik je een privéauto zakelijk? Hoe zit het met de kosten in beide scenario’s. In dit artikel helpen we je een goed onderbouwde keus te maken.

Ondernemen houdt onder andere in dat je slimme keuzes moet maken. Ook als het gaat om je vervoer. Waar kies je voor? Laten we eerst bekijken welke scenario’s er zijn en welke gevolgen die scenario’s hebben op jouw onderneming. De focus in dit artikel: kies je voor een auto van de zaak of ga je een privéauto zakelijk rijden.

Auto van de zaak

Het eerste scenario is: je auto zakelijk kopen. Je zoekt een auto uit waar je graag in gezien wordt, boekt hem in op de zaak en voila: een auto van de zaak. Als je een auto op de zaak koopt, gaat de auto bij het vermogen van de onderneming horen.

Voordelen auto van de zaak

Als je kiest voor een auto van de zaak, heb je het voordeel dat je alle autokosten kunt opvoeren als bedrijfskosten. Je kunt onder andere de volgende kosten aftrekken van je winst:

  • Wegenbelasting (Motorrijtuigenbelasting)
  • Brandstof
  • Onderhoud
  • Parkeren
  • Verzekeringen
  • Afschrijving

Dat betekent dat je relatief voordelig in een mooie auto je zakelijke ritten kunt afwerken. Dat is het comfortabele en aantrekkelijke van een auto zakelijk kopen.

Btw zakelijke auto

Als je een auto volledig zakelijk rijdt, mag je de btw op alle kosten die je maakt voor je auto, terugvragen.

Nadelen auto van de zaak

Het grote nadeel van een auto van de zaak is de bijtelling voor zakelijke auto’s. Als je de auto van de zaak meer dan 500 kilometer per jaar privé rijdt, moet je een percentage bijtelling betalen over de nieuwwaarde van de auto. Dat kan flink oplopen, want het standaard bijtellingstarief is 22%. Bij je beslissing of je een auto van de zaak neemt, is het dus goed om na te gaan hoeveel zakelijke kilometers per jaar je rijdt. Als je maar weinig zakelijke ritten hebt, is het misschien beter om een privéauto zakelijk te rijden.

Als je kiest voor een duurzame zakelijke auto, zoals een volledig elektrische auto, kom je op dit moment nog in aanmerking voor een lager bijtellingstarief. Dat is dus niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor je portemonnee.

Youngtimer-regeling

Er is ook nog een andere manier om voordelig een auto zakelijk te rijden: via de youngtimer-regeling. In het kort komt het erop neer dat je een auto van 15 jaar of ouder op de zaak rijdt en bijtelling betaalt over de dagwaarde. Deze regeling is bij zzp’ers en andere ondernemers geliefd, want je kunt een luxe auto van de zaak rijden tegen een aantrekkelijk tarief.

Bijtelling voorkomen

Er zijn ook manieren om geen bijtelling voor je auto te betalen. Maar dan moet je aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals een sluitende rittenregistratie en een puur zakelijk gebruik van de auto. Lees hier alles over bijtelling voorkomen (inclusief handige tips).

Leasen of kopen?

Dan nog een laatste afweging als je een zakelijke auto overweegt: kopen of leasen? In de praktijk zijn er maar weinig ondernemers die in één keer een auto aanschaffen. Maar het kan voordelen hebben om dat te doen, bijvoorbeeld: je kunt aanspraak maken op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en afschrijving. De meeste ondernemers kiezen echter voor een vorm van zakelijk leasen, omdat ze daarmee geen dure investeringen hoeven doen en verder ontzorgd worden door de leasemaatschappij.

Privéauto zakelijk gebruiken

Een andere optie is: je gaat je privéauto zakelijk gebruiken. Een privéauto zakelijk gebruiken komt hierop neer: geen bijtelling, maar wel een vergoeding per zakelijke kilometer: € 0,19 per kilometer (vanaf 1-1-2023: € 0,21 per kilometer). Als je niet al te veel zakelijke kilometers per jaar rijdt, is dit vaak de voordeligste optie. Zeker omdat er naast de zakelijke kilometervergoeding meer mogelijk is. 

Tip: auto privé kopen en zakelijk boeken voor de btw

Wist je dat je een auto die je voor de inkomstenbelasting privé aanschaft, voor ‘zakelijke’ btw-aftrek kunt inschalen? Dat zit zo: bij de aanschaf van een auto kun je kiezen om de auto voor de inkomstenbelasting tot het zakelijke of het privévermogen te rekenen. De keuze die je maakt voor de btw staat hier los van. Je kunt de btw op de aanschaf van een privéauto dus aftrekken. 

Wanneer is die btw op de aanschaf van een privéauto aftrekbaar? Als je de auto tot het btw-ondernemingsvermogen rekent. Dat maakt het in veel gevallen interessant voor ondernemers om een privéauto zakelijk in te boeken voor de btw. Goed om te weten: je kunt dit alleen doen als je onderneemt als natuurlijke persoon, dus niet als dga van een bv of nv.

Als je kiest voor een zakelijk gebruik van je privéauto en je wilt de btw op zakelijke kosten terugvragen, moet je een sluitende kilometeradministratie bijhouden om aan te kunnen tonen wat je aandeel zakelijke ritten is. 

Keuzehulp: auto op de zaak of privé?

Soms is het voordeliger om de auto op de zaak te zetten, soms kun je beter voor privé kiezen. Wanneer is een bedrijfsauto voordeliger? Om hierin een goede keuze te maken, moet je de volgende dingen op een rijtje hebben:

  • De aanschafkosten
  • Het aantal zakelijke- en privékilometers
  • Het bijtellingspercentage
  • De leeftijd van de auto
  • De winstverwachting van de onderneming

Wat in jouw geval het meest gunstig is hangt heel erg af van jouw situatie, maar er zijn wel een paar vuistregels.

  1. Koop je een oude auto met een hoge cataloguswaarde en maak je veel zakelijke kilometers? Dan is het vaak voordeliger om je auto tot je privévermogen te rekenen, tenzij het een youngtimer is.
  2. Koop je een nieuwe auto met een laag bijtellingspercentage en rijd je voldoende zakelijk en ook privé? Dan is het vaak voordeliger je auto op te geven als ondernemingsvermogen.

Tip: zakelijk rijden doorrekenen

Afhankelijk van al de bovengenoemde factoren kun je berekenen wat uiteindelijk voor jou het meest voordelig is. Om dit exact te berekenen, is niet de makkelijkste klus. Online tools kunnen je hierbij helpen, maar die geven een beperkt beeld. Het is daarom slimmer om een accountant in te schakelen om je exacte voordeel te berekenen. 

Let op: de keuze die je maakt voor de inkomstenbelasting hoeft niet per se ook te gelden voor de btw. Daar kan het voordeel weer net anders liggen. Een boekhouder of accountant kan je daar meer over vertellen.

(Bron: MKB Servicedesk)

Per 1 april 2023 nieuwe uitvoeringsregels voor ontslag

Vanaf 1 april gelden vernieuwde uitvoeringsregels voor ontslag om bedrijfseconomische redenen, ontslag vanwege langdurige ziekte en de ontslagprocedure van UWV. Deze regels geven werkgevers meer duidelijkheid over de beoordeling van ontslagaanvragen.

In de uitvoeringsregels van UWV kunnen werkgevers lezen welke wet- en regelgeving relevant is als zij de arbeidsovereenkomst van een werknemer willen opzeggen vanwege langdurige ziekte of bedrijfseconomische redenen. Ook lezen werkgevers in de documenten waar UWV op let bij een aanvraag voor ontslag, welke gegevens zij moeten verstrekken om de ontslagvergunning te kunnen krijgen (en waarom) en hoe UWV procedurele regels toepast. In de Staatscourant zijn drie besluiten tot wijziging van de uitvoeringsregels gepubliceerd. De nieuwe versies van de uitvoeringsregels vervangen vanaf april 2023 de versies van september 2020. Werkgevers doen er goed aan om deze nieuwe versies in gebruik te nemen.

Opzegverbod van zes weken bij ziekte van AOW’er

In de nieuwe versies zijn een aantal verbeteringen, aanvullingen en actualisaties opgenomen. In de uitvoeringsregels voor ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is bijvoorbeeld aandacht voor het vervallen van het overgangsrecht voor de termijn van loondoorbetaling, re-integratie en het opzegverbod tijdens ziekte van AOW’ers. Naar verwachting wordt die termijn per 1 juli 2023 teruggebracht naar zes weken.
In het document zijn ook een aantal situaties beschreven met een toelichting van de gevolgen voor het opzegverbod, zoals de situatie dat de werknemer een WIA-uitkering met vertraging aanvraagt of dat er vertraging bij de behandeling van de aanvraag ontstaat. Daarnaast heeft UWV toegevoegd dat de behandeling van een ontslagaanvraag wordt opgeschort als een werknemer in bezwaar is gegaan tegen de beslissing om een loonsanctie op te heffen.

Meer informatie over Wet melding collectief ontslag

De informatie over de kortere duur van het opzegverbod tijdens ziekte van een AOW’er is ook in de uitvoeringsregels voor bedrijfseconomisch ontslag opgenomen. Verder is in deze uitvoeringsregels onder meer verduidelijkt dat een werkgever bij het aanvoeren van meerdere bedrijfseconomische redenen voor ontslag elke reden moet onderbouwen en toelichten en is het hoofdstuk over collectief ontslag geactualiseerd en uitgebreid, mede op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
In de uitvoeringsregels voor de ontslagprocedure zijn wijzigingen aangebracht in de informatie over ‘voorlopige’ ontslagaanvragen, onvolledige ontslagaanvragen en het verweer van werknemers.

(Bron: Rendement)

Definitieve percentages box 3 bekendgemaakt

Staatssecretaris Van Rij heeft op 15 maart de definitieve percentages voor 2022 voor bank- en spaartegoeden en schulden van de Wet rechtsherstel box 3 in het Staatsblad gepubliceerd. De percentages gaan per 16 maart 2023 in en gelden met terugwerkende kracht.

De rente op bank- en spaartegoeden is vastgesteld op 0,00%. (Was 0,01%). Voor schulden bedraagt het percentage 2,28%. Dit was 2,46%. Voor beleggingen/andere bezittingen is het nu 5,53%. Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 maart 2023 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 (voor bank- en spaartegoeden) en tot 1 januari 2022 voor schulden.

Wet bankenbelasting

Op grond van artikel 12 van de Wet bankenbelasting wordt het bedrag van de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet bankenbelasting opgenomen doelmatigheidsvrijstelling iedere vijf kalenderjaren startend per 1 januari 2018 geïndexeerd. Het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling is abusievelijk nog niet geïndexeerd per 1 januari 2023. De onderhavige regeling bewerkstelligt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 de vereiste indexatie van het bedrag van de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet bankenbelasting opgenomen doelmatigheidsvrijstelling. Daarbij wordt als correctiefactor het product van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de laatste vijf kalenderjaren genomen. Bij de berekening wordt het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling naar boven afgerond op een veelvoud van € 100 miljoen. De tabelcorrectiefactoren van de laatste vijf kalenderjaren zijn als volgt:

JaarTabelcorrectiefactor
20191,012
20201,016
20211,016
20221,013
20231,063

De Wet rechtsherstel box 3 stelt regels voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen (het box 3-inkomen) over de kalenderjaren 2017 tot en met 2022, om de heffing in box 3 in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.1 In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het op dat moment, sinds 1 januari 2017, geldende box 3-stelsel in bepaalde gevallen in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor die situaties vindt op grond van de Wet rechtsherstel box 3 rechtsherstel plaats.

Wet rechtsherstel box 3

Bij de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van de Wet rechtsherstel box 3 wordt het vermogen in box 3 onderverdeeld in drie categorieën: banktegoeden, schulden en overige bezittingen. Na de verdeling van het vermogen over de drie verschillende vermogenscategorieën wordt het rendement over het vermogen forfaitair bepaald. Voor elke vermogenscategorie geldt een eigen forfaitair rendementspercentage. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet rechtsherstel box 3 worden de forfaitaire rendementspercentages voor de categorieën banktegoeden en schulden voor het kalenderjaar 2022 na afloop van het kalenderjaar 2022 vastgesteld. Dit wordt door middel van deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 bewerkstelligd.

Bron: Ministerie van Financiën

Fiscale hardheidsclausule kan soms uitweg bieden

Als de belastingregels in specifieke situaties onevenredig hard uitpakken, kan de belastingplichtige soms nog een beroep doen op de ‘hardheidsclausule’. Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft op verzoek een overzicht van deze clausules naar de Tweede Kamer gestuurd.

Kamerlid Omtzigt had de staatssecretaris om een overzicht gevraagd in een debat over oplossingen voor gedupeerden van de toeslagenaffaire. De parlementaire commissie die dit debacle eerder onderzocht concludeerde namelijk onder meer dat uitvoerders rekening moeten kunnen houden met omstandigheden van mensen. Een hardheidsclausule is daar één van de mogelijkheden voor, zo erkent Van Rij.

Hardheidsclausule voor specifieke situaties

De hardheidsclausule is bedoeld voor specifieke situaties waarin de regels onevenredig nadelig uitpakken, en die de wetgever niet heeft voorzien of bedoeld. Was dat wel zo geweest, dan had de wetgever die nadelige gevolgen voorkomen, zo is de gedachte. De lat voor het toepassen van de hardheidsclausule ligt dus vrij hoog. Als de belastingwet vanwege persoonlijke omstandigheden nadelig uitpakt of als de belastingplichtige de wet persoonlijk onredelijk vindt, biedt een beroep op de clausule geen soelaas. En dus ook niet als de wetgever bepaalde gevolgen wel heeft voorzien, maar die voor lief heeft genomen.

Tegen afwijzing geen bezwaar en beroep mogelijk

Toch komt het nog wel geregeld voor dat het ministerie van Financiën een beroep op de hardheidsclausule goedkeurt. Zo is afgelopen februari een verzoek gehonoreerd voor een situatie waarbij een belastingplichtige revisierente moest betalen over vrijgekomen lijfrentekapitaal. En in december 2022 heeft Financiën ook een verzoek ingewilligd van een belastingplichtige die vanwege een specifieke situatie geen inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) kreeg.
Belastingplichtigen die een beroep willen doen op de hardheidsclausule kunnen dit sturen naar: Ministerie van Financiën, Corporate Dienst Vaktechniek, Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Overigens is tegen een eventuele afwijzing van een verzoek geen bezwaar en beroep mogelijk.

Invorderingswet krijgt ook hardheidsclausule

Niet alle wetten bevatten een hardheidsclausule. Op fiscaal gebied staat er al jarenlang een dergelijke clausule in de Algemene wet rijksbelastingen (AWR), zo schrijft Van Rij aan de Tweede Kamer. In de AWR staan de algemene regels voor de belastingheffing op landelijk niveau, zoals aan welke voorwaarden een aangifte moet voldoen. Ook in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) staat sinds medio 2020 een hardheidsclausule. De Awir bevat algemene regels voor het toekennen van toeslagen. Momenteel wordt er nog gewerkt aan het invoeren van een hardheidsclausule in de Invorderingswet, zo meldt Van Rij. In deze wet staan de regels waar de Belastingdienst zich aan moet houden bij het invorderen van bijvoorbeeld belastingschulden.

(Bron: Rendement)

Wetsvoorstel invoering wettelijk minimumuurloon aangenomen per 1 januari 2024!

Sinds 1969 kent Nederland een wettelijk minimumloon (per maand). De Eerste Kamer stemde dinsdag 14 februari 2023 in met het initiatiefvoorstel van de Tweede Kamer om een minimumuurloon in te voeren. Per 1 januari 2024 wijzigt daarmee de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De invoering hiervan leidt tot een eerlijker en transparanter minimumloon.

Uniform minimumuurloon

Werknemers die het minimumloon verdienen en werken in een sector waar een werkweek van meer dan 36 uur de normale arbeidsduur is, zien per 1 januari 2024 hun uurloon stijgen door de invoering van een wettelijk minimumuurloon op basis van een 36-urige werkweek. Nu kunnen minimumloonverdieners per uur nog een lager brutoloon ontvangen, als zij een werkweek van bijvoorbeeld 38 of 40 uur hebben.

Eerlijker en transparanter minimumuurloon

De invoering van een wettelijk minimumuurloon leidt tot een eerlijker en transparanter minimumloon. De hoogte van het minimumloon per uur wordt hierdoor niet alleen voor iedereen gelijk, maar ook inzichtelijker. Met de invoering van een uniform minimumuurloon wordt ook de handhaving vereenvoudigd.

Nu per maand vastgesteld

Door het wetsvoorstel is vanaf 2024 het minimumuurloon hetzelfde, ongeacht de lengte van de werkweek. Hierdoor leidt meer uren werken altijd tot een hoger inkomen.

Het introduceren van het wettelijk minimumuurloon zorgt ervoor dat alle minimumloonverdieners per uur hetzelfde brutoloon ontvangen.

Werknemers die het minimumloon verdienen en werken in een sector waar een werkweek van meer dan 36 uur de normale arbeidsduur is, zien per 1 januari 2024 hun uurloon stijgen door de invoering van een wettelijk minimumuurloon op basis van een 36-urige werkweek. Nu kunnen minimumloonverdieners per uur nog een lager brutoloon ontvangen, als zij een werkweek van bijvoorbeeld 38 of 40 uur hebben.

(Bron: Koenen en co)

Werkgevers opgelet: uw betalingen aan derden moeten worden gemeld bij de Belastingdienst

Werkgevers worden met ingang van 2022 jaarlijks verplicht om betalingen aan derden te melden bij de Belastingdienst (renseigneringsverplichting). Betalingen die u heeft gedaan aan derden in 2022 moet u melden vóór 1 februari 2023. U dient te voldoen aan deze nieuwe meldingsplicht op eigen beweging en krijgt dus géén uitnodiging van de Belastingdienst.

Wanneer moet u melden?

De nieuwe meldingsplicht geldt in principe voor alle betalingen die u doet aan alle personen. Een aantal specifieke groepen zijn uitgezonderd van deze meldplicht:

  • Betalingen aan rechtspersonen (zoals een B.V., N.V. of stichting);
  • betalingen aan (eigen) werknemers;
  • betalingen aan vrijwilligers (voor zover deze de maximale vrijwilligersvergoeding niet overschrijden);
  • betalingen op grond van facturen die voldoen aan de eisen van de Wet op de omzetbelasting en waarop de btw is vermeld;
  • betalingen aan artiesten, beroepssporters of leden van een gezelschap die op grond van een verdrag niet in Nederland zijn belast.

Op basis van de renseigneringsverplichting, moet u betalingen die u als werkgever doet aan ondernemers die vrijgestelde prestaties verrichten of die onder de kleineondernemingsregeling voor de btw (KOR) vallen in principe melden. Ook betalingen aan derden, niet-werknemers moeten worden gemeld als géén (rechts)geldige factuur met btw ten grondslag ligt aan deze betaling.

In 2022 verrichte betalingen die voor de renseigneringsverplichting in aanmerking komen, dient u uiterlijk 31 januari 2023 te hebben gemeld bij de Belastingdienst. De voor de renseigneringsverplichting in aanmerking komende betalingen die u in de loop van kalenderjaar 2023 of later doet, kunt u in beginsel op ieder moment melden, maar uiterlijk vóór 31 januari van het jaar na de betaling. Om niet het risico te lopen dat u betalingen over het hoofd ziet, kan het raadzaam zijn om de daarvoor in aanmerking komende betalingen direct na het doen van de betaling te melden.

Wat moet u melden?

Onderstaande gegevens moet u doorgeven aan de Belastingdienst, uiterlijk vóór 1 februari van het jaar volgend op het jaar van de betaling.

  • De uitbetaalde bedragen (let op: kostenvergoedingen vallen hier in principe ook onder).
  • De datum van de uitbetaling.
  • Het BSN, de naam, het adres, en de geboortedatum van de ontvanger van de betaling.

Hoe kunt u melden?

Iedere afzonderlijke betaling moet digitaal worden gemeld via het gegevensportaal van de Belastingdienst. Deze is te raadplegen via deze link. Hier kunt u inloggen in het Gegevensportaal Uitbetaalde Bedragen aan Derden om de melding in te dienen.

(Bron: Koenen en co)

Informatiebrief aan niet-bezwaarmakers box 3

Naar aanleiding van de massaal bezwaar plus-procedure heeft staatssecretaris Van Rij toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers voor de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak kunnen maken op een definitieve uitspraak van de rechter, ook als zij geen verzoek hebben ingediend. Niet-bezwaarmakers die later alsnog bezwaar hebben gemaakt ontvangen de komende periode een informatiebrief van de Belastingdienst.

Zij hoeven zelf geen actie te ondernemen. De Belastingdienst houdt alle ingediende individuele verzoeken apart tot er een uitspraak is.  

In de informatiebrief staat:

  • Een ontvangstbevestiging van het ingediende beroep of bezwaar.
  • Meer informatie over de aankomende massaal bezwaar plus-procedure. 
  • De boodschap dat men automatisch meedoet en daarom geen individueel verzoek hoeft in te dienen voor de overige jaren (2017 tot en met 2020), als ze dat nog niet hebben gedaan.
  • Het verdere verloop van de procedure en de mededeling dat zij hierover automatisch bericht ontvangen.

De Belastingdienst stuurt de brief naar degene die het verzoek heeft ingediend. Dit kan de belastingplichtige zijn, of de gemachtigde van de belastingplichtige. Zijn er meerdere verzoeken over verschillende jaren ingediend? Dan stuurt de Belastingdienst per verzoek een informatiebrief.

Alleen niet-bezwaarmakers die later alsnog bezwaar hebben gemaakt, krijgen de informatiebrief.

Voorbeeldbrieven

Voorbeeldbrief Massaal bezwaar plus box 3
Voorbeeldbrief Ontvangstbevestiging van uw bezwaar

Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners, 10 februari 2023

Nieuwe versie Kennisdocument Wtl

Er staat een nieuwe versie van het Kennisdocument Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) op de internetsite van de Rijksoverheid.

Dit zijn de wijzigingen vanaf 1 januari 2023:

  • De bedragen en jaartallen van het LIV zijn geactualiseerd.
  • Er zijn 3 vragen toegevoegd over recente wijzigingen in het LIV.

U vindt het Kennisdocument Wtl op rijksoverheid.nl en hier op de site.

Kennisdocument Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) 1 januari 2023 – (versie10 februari 2023)

Vragen en antwoorden met betrekking tot de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl).

  • Wat houdt de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) in?
  • Uit welke soorten tegemoetkomingen bestaat de Wtl?
  • Wat gebeurt er als een werkgever recht heeft op zowel LKV als LIV?
  • Wat wordt verstaan onder het ‘jaarloon’?
  • Wat zijn ‘verloonde uren’?
  • Wie is verantwoordelijk voor de berekening van de tegemoetkomingen?
  • Wie is verantwoordelijk voor de vaststelling van de tegemoetkomingen?
  • Wie is verantwoordelijk voor het afhandelen van vragen en klachten?
  • Wie verstuurt de voorlopige berekening en de beschikking?
  • Wie betaalt de tegemoetkomingen uit?
  • Wanneer ontvangt de werkgever de voorlopige berekening?
  • Wanneer ontvangt de werkgever de beschikking?
  • Wanneer ontvangt de werkgever de tegemoetkoming(en)?
  • Op welk rekeningnummer wordt de tegemoetkoming uitbetaald?
  • Hoe kan een werkgever een correctie doorvoeren?
  • Wat is het verschil tussen loondispensatie en Wtl?
  • Lage-inkomensvoordeel (LIV)
  • Wat is het LIV?
  • Wat is het doel van het LIV?
  • Wanneer heeft de werkgever recht op het LIV?
  • Wat moet de werkgever doen om het LIV te krijgen?
  • Hoe hoog is het LIV en hoe wordt het berekend?
  • Geldt het LIV ook als een werknemer in de loop van het jaar in dienst komt?
  • Geldt het LIV ook voor stagiairs en leraren in opleiding?
  • Geldt het LIV ook bij bedrijfsovername en overname van personeel?
  • Geldt het LIV ook als de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt?
  • Geldt het LIV ook voor werknemers die vallen onder de Participatiewet?
  • Welk uurloon wordt gehanteerd bij de berekening van het LIV?
  • Hoe worden de wettelijke uurloongrenzen berekend?
  • Is het LIV ook van toepassing als er sprake is van urentoeslag?
  • Is het LIV ook van toepassing als een pensioenpremie wordt ingehouden?
  • Vindt beoordeling van het LIV plaats per subnummer?
  • Wat als een werknemer meer inkomstenverhoudingen heeft bij één werkgever?
  • Heeft de werkgever recht op LIV als het gemiddelde uurloon precies op de boven- of ondergrens valt?
  • Waarom wordt het LIV over 2022 eenmalig verhoogd?
  • Wat verandert er in 2024 voor het LIV?
  • Wat zijn de bedragen en de voorwaarden van het LIV de komende jaren?
  • Jeugd-LIV (Tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon)
  • Wat is het jeugd-LIV?
  • Wanneer heeft de werkgever recht op het jeugd-LIV?
  • Wat moet de werkgever doen om het jeugd-LIV te krijgen?
  • Hoe hoog is het jeugd-LIV?
  • Hoe worden de uurloongrenzen berekend?
  • Heeft een werkgever recht op het jeugd-LIV als het gemiddeld uurloon precies op de onder- of bovengrens valt?
  • Wat is de peildatum voor de leeftijd?
  • Komen bbl-leerlingen ook in aanmerking voor het jeugd-LIV?
  • Wanneer wordt het jeugd-LIV afgeschaft?
  • LKV (Loonkostenvoordeel)
  • Wat is het LKV?
  • Wanneer heeft de werkgever recht op het LKV?
  • Wat moet de werkgever doen om het LKV te krijgen?
  • Hoe hoog is het LKV?
  • Wat is de duur van het LKV oudere werknemer (56 jaar of ouder)?
  • Wat is de duur van het LKV arbeidsgehandicapte werknemer?
  • Wat is de duur van het LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden?
  • Wat is de duur van het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer?
  • Geldt het LKV ook bij het omzetten van VOF naar BV?
  • Kan het LKV, net zoals het LIV, zonder aanvraag worden uitbetaald?
  • Worden lopende premiekortingen omgezet in een LKV?
  • Wat als werknemer na 3 jaar LKV uit dienst en weer in dienst gaat?
  • Geen recht op LKV bij WSW of beschut werk
  • Einde recht op loonkostenvoordelen bij bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
  • LKV –DOELGROEPVERKLARING
  • Wie moet de doelgroepverklaring LKV aanvragen?
  • Hoe weet de werkgever dat zijn werknemer een doelgroepverklaring LKV heeft?
  • Bij welke instantie moet een doelgroepverklaring LKV worden aangevraagd?
  • Wie geeft de doelgroepverklaringen LKV af?
  • Wie is verantwoordelijk voor het afhandelen van vragen en klachten?
  • Op welke termijn moet een doelgroepverklaring LKV worden aangevraagd?
  • Kan een werknemer zijn werkgever machtigen voor het aanvragen van een doelgroepverklaring?
  • Wat als werknemer eind 2017 niet beschikt over een doelgroepverklaring?
  • Wat als de aanvraag voor een doelgroepverklaring is afgewezen?
  • Heeft iemand in het doelgroepregister ook een doelgroepverklaring nodig?
  • Is een doelgroepverklaring ook nodig voor overgangsrechtgevallen?
  • Geldt er een wachttermijn voor het aanvragen van de doelgroepverklaring?
  • s de werknemer verplicht om een doelgroepverklaring aan te vragen?
  • Komt een werknemer met een WAO- of WAZ-uitkering ook in aanmerking?
  • Komt een stagiair ook in aanmerking voor een doelgroepverklaring LKV?
  • Waar kunnen gemeenten modelteksten en documenten vinden?
  • Is een loonwaardebepaling ook geldig als doelgroepverklaring voor de LKV banenafspraak?
  • Behoort een nieuwe medewerker van 56+ die in de maand voorafgaand aan indiensttreding een faillissementsuitkering had ook tot de doelgroep LKV oudere werknemer?
  • LKV – OVERGANGSRECHT
  • Hoe vindt de overgang plaats van lopende premiekorting naar LKV?
  • Hoe wordt de resterende duur van het LKV berekend?
  • Hoe werkt het overgangsrecht voor banenafspraak-kandidaten van 56+ jaar?

(Bron: 100-werkgeverscoach.nl)

Nieuwe meldingsregels apart VCR vanaf 2023

Bent u eigenrisicodrager? En betaalt een private uitvoerder namens u uitkeringen voor de Ziektewet (ZW) of de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) aan uw (ex-)werknemers? Dan mag u voor een werknemer het systeem van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) apart toepassen: u op het loon dat u als werkgever betaalt, en de private uitvoerder op de uitkeringen.

Nieuwe meldingsregels vanaf 2023

Vanaf 2023 gelden nieuwe meldingsregels als u het systeem van voortschrijdend cumulatief rekenen apart wilt toepassen. U moet uw keuze om apart VCR toe te passen bij ons melden. Past u VCR niet langer apart toe, dan meldt u dat ook. Kiest u ervoor om de systematiek van VCR apart op het loon en op de uitkering toe te passen? Dan kunnen de premies werknemersverzekeringen of de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) hoger of lager zijn wanneer u dat niet apart doet. Dat is het gevolg van uw keuze om apart VCR toe te passen.

Wanneer moet u uw keuze melden?

Het moment waarop u uw keuze aan ons doorgeeft, hangt af van uw situatie:

  • Eigenrisicodrager per 1 januari 2023
    Wordt u per 1 januari 2023 eigenrisicodrager en maakt u gebruik van een private uitvoerder? Dan moet uw melding uiterlijk 28 februari 2023 bij ons binnen zijn.
  • Eigenrisicodrager per 1 juli 2023
    Wordt u per 1 juli 2023 eigenrisicodrager en maakt u gebruik van een private uitvoerder? Dan moet uw melding uiterlijk 31 augustus 2023 bij ons binnen zijn.
  • Nieuwe werkgever in de loop van 2023
    Start u in de loop van 2023 als nieuwe werkgever, bent u direct eigenrisicodrager en maakt u gebruik van een private uitvoerder? Dan moet uw melding bij ons binnen zijn op de uiterste aangiftedatum van uw 1e aangifte loonheffingen. Moet u bijvoorbeeld voor het eerst aangifte doen over het aangiftetijdvak juni 2023, dan moet de melding op 31 juli 2023 bij ons binnen zijn.
  • Wijziging van private uitvoerder
    Stapt u over naar een andere private uitvoerder en wilt u dat de nieuwe private uitvoerder ook apart VCR toepast? Meld uw keuze voor apart VCR dan opnieuw aan ons wanneer u overstapt.
  • Einde van apart VCR
    Kiest u ervoor om niet langer apart VCR toe te passen? Of maakt u niet langer gebruik van een private uitvoerder? Meld dat dan bij ons op het moment dat de situatie verandert. De keuze om niet langer apart VCR toe te passen geldt voor een heel kalenderjaar.

Wanneer hoeft u uw keuze niet te melden?

In deze gevallen hoeft u uw keuze niet door te geven:

  • U hebt vorig jaar al aan ons doorgegeven dat u apart VCR toepast en u blijft in 2023 eigenrisicodrager met dezelfde private uitvoerder. Zolang daarin niets verandert, hoeft u niets aan ons te melden.
  • U bent eigenrisicodrager voor de WGA en UWV betaalt de uitkering aan uw (ex-)werknemers.

Wie kan de melding doen?

U moet de melding zelf bij ons doen. Uw private uitvoerder mag dit ook namens u doen, maar heeft daarvoor wel een expliciete machtiging van u nodig.

Hoe moet ik melden en wat moet er in de melding staan?

Stuur de melding per e-mail naar MeldingVCR@belastingdienst.nl.

Zet bij een nieuwe melding in elk geval:

  • uw loonheffingennummer
  • of u eigenrisicodrager bent of wordt voor de ZW, voor de WGA of voor beide
  • dat u de ZW- of WGA-uitkering, of beide uitkeringen, via een private uitvoerder laat uitbetalen
  • dat u ervoor kiest om het VCR-systeem apart toe te passen

Meldt u een wijziging van private uitvoerder of een einde van apart VCR? Vermeld dan in elk geval:

  • uw loonheffingennummer
  • of u eigenrisicodrager bent of was voor de ZW, voor de WGA of voor beide
  • wat de wijziging is
  • per wanneer die wijziging ingaat

Geen eigenrisicodrager meer

Eindigt uw eigenrisicodragerschap, maar blijft u wel gebruikmaken van de private uitvoerder? Dan blijven u en de private uitvoerder apart VCR toepassen zolang de private uitvoerder namens u uitkeringen betaalt.

Meer informatie over VCR

Wilt u meer weten over de systematiek van VCR? Lees dan hoofdstuk 6 van het ‘Handboek Loonheffingen‘.

(Bron: Belastingdienst)

Niet samenwonende gehuwden zijn elkaars fiscaal partner

De fiscale definitie van het partnerbegrip wordt bepaald door de wet, niet door de wijze waarop de belastingplichtigen hun gezinsleven vormgeven, concludeert Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De zaak (1 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6321) verloopt als volgt. Man en vrouw zijn gehuwd, maar leven in twee aparte woningen en staan op twee aparte adressen ingeschreven in de basisadministratie. Zij voeren ieder een eigen huishouding. Zij hebben geen verzoek ingediend tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed.

Man en vrouw doen voor het jaar 2018 apart van elkaar aangifte inkomstenbelasting. Zowel de man als de vrouw geven de woning waar ze verblijven op als eigen woning. De inspecteur stelt dat sprake is van fiscaal partnerschap en dat daarom maar sprake kan zijn van één eigen woning op grond van art. 3.111 lid 8 Wet IB 2001. Omdat de man eerder aangifte heeft gedaan geldt zijn woning als eigen woning.

Omdat er geen keuze is gemaakt hoe groot ieders aandeel is in de eigen woning wordt dit volgens art. 2.17 lid 3 Wet IB 2001 bepaald op 50% voor de man en 50% voor de vrouw. De man is het hier niet mee eens. Hij is van mening dat sprake is van een individuele belastingplicht bij een gescheiden huishouden en geeft aan dat het doel van het huwelijk puur is ingegeven door de zorgplicht voor het in standhouden van elkaars grafrechten na overlijden.

De rechtbank volgt de inspecteur. Man en vrouw zijn met elkaar gehuwd. Op grond van de bepalingen van art. 5a lid 1 en 4 AWR en art. 1.2 Wet IB 2001 zijn de man en de vrouw fiscaal partner.

Belang voor de praktijk

Voor de belastingheffing geldt als beginsel wat er in de wet staat. Al geeft een belastingplichtige een andere invulling aan het begrip huwelijk dan te doen gebruikelijk, dan nog heeft hij zich te schikken naar de uitgangspunten die de wetgever heeft gekozen en de fiscale rechtsgevolgen die hieraan zijn verbonden.

Over de rechtvaardiging hiervan is eerder al een procedure gevoerd, Hoge Raad 13 april 2018. Volgens deze uitspraak is het niet aan de rechter om te treden in de politieke afwegingen en keuzes van de wetgever, en de rechter mag de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen (art. 11 Wet algemene bepalingen).

Het is natuurlijk de vraag of de zorgplicht voor het in standhouden van de grafrechten niet op andere wijze had kunnen worden ingevuld.