Kennisgroepstandpunt over co-ouderschapsregeling en inkomensafhankelijke combinatiekorting

De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst heeft de vraag beantwoord wanneer in situaties van co-ouderschap voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan aan art. 44b Uitv.reg. IB 2001 (versie 1 januari 2021) na het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, 22/00188, V-N 2022/42.3.

Na het arrest bestaat in situaties van co-ouderschap recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wanneer het kind in een periode van zes maanden ten minste 78 dagen in een doorgaans repeterend ritme in elk van beide huishoudens verblijft en aan de overige voorwaarden voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan. Deze periode van zes maanden hoeft niet aaneengesloten plaats te vinden.

(Bron: Belastingdienst)(

Kennisgroepstandpunt over vervreemden KEW/SEW in kader van echtscheiding

De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft een aantal vragen beantwoord voor de inkomstenbelasting over het vervreemden of splitsen van een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) of spaarrekening eigen woning (SEW) in het kader van echtscheiding.

De kennisgroep gaat in op de situatie waarbij in het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man de eigen woning en de eigenwoningschuld krijgt toebedeeld en de vrouw de KEW/SEW maar waarbij nog geen wijziging in de tenaamstelling van de KEW/SEW heeft plaatsgevonden. In dat geval komt de KEW/SEW niet volledig fictief tot uitkering, maar slechts voor de helft, namelijk voor het aandeel van de vrouw in de SEW/KEW. De vrouw kan voor haar aandeel in de KEW/SEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. In de situatie dat de eigen woning en de eigenwoningschuld al op naam van de man zijn gezet, maar de KEW nog niet volledig op naam van de vrouw is gezet, kan de man voor zijn aandeel in de KEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. Wel moet aan voorwaarden worden voldaan.

(Bron: Belastingdienst)

Dit betekenen de nieuwe pensioenregels voor je bedrijf

Het pensioenstelsel in Nederland gaat veranderen, dat kan je nauwelijks zijn ontgaan. De basis blijft hetzelfde, maar onder de motorkap wordt er veel gewijzigd. Dat kan ook voor jou als werkgever gevolgen hebben. In dit artikel lees je wat er verandert en welke impact deze veranderingen hebben.

Maar liefst tien jaar hebben de overheid en sociale partners overlegd over de contouren van een nieuw, moderner Pensioenakkoord. En dat er nu echt iets gaat veranderen, vindt Leontine Treur een goede zaak. Ze is senior econoom bij RaboResearch.

“Onze arbeidsmarkt is sterk veranderd en de manier waarop we ons pensioenstelsel nu nog hebben ingericht, past daar niet meer bij. Veel mensen werken niet meer hun hele leven in dezelfde sector. Als je begint met werken, leg je via je pensioenregeling geld opzij voor een uitkering die een kleine 50 jaar later ingaat. Als je zo’n jonge medewerker vrij precies wilt toezeggen hoe hoog die uitkering later wordt, dan levert dit bij een lage rente een hoge premie op en is dus relatief duur.”

De nieuwe spelregels

Het wetsvoorstel voor de pensioenhervorming is nog een punt van discussie in de Tweede Kamer. De ingangsdatum van de wet is met een halfjaar opgeschoven en staat nu op 1 juli 2023. Pensioenuitvoerders krijgen vervolgens vier jaar om over te stappen. Een paar veranderingen zijn overigens al uitgevoerd. Het hele pakket met wijzigingen is behoorlijk dik, we lichten er een paar aspecten uit.

  1. AOW-leeftijd
    In 2024 komt deze uit op 67 jaar. Daarna stijgt de AOW-leeftijd nog maar acht maanden voor ieder jaar dat we langer leven. Niet één jaar zoals het geval was. De huidige 1-op-1-koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting wordt vervangen door een 2/3-koppeling.
  2. Vlakke premie
    De premiesystematiek wijzigt. In beide nieuwe premieregelingen – het solidaire en het flexibele contract – is er een vlakke, leeftijdsonafhankelijke premie. Dat wil zeggen: voor elke deelnemer van de regeling geldt hetzelfde premiepercentage. Die premie kan bij een jonge deelnemer langer renderen, waardoor het zwaartepunt van de pensioenopbouw meer naar de eerste helft van de loopbaan verschuift. Verder wordt niet meer vanaf de eerste werkdag naar een vaste uitkeringshoogte gestreefd. Daarmee verdwijnen ook de dekkingsgraden van pensioenfondsen – de maatstaf die aangeeft in welke mate het pensioenfonds op koers ligt.
  3. 10% vrije opname
    Een medewerker die met pensioen gaat, mag in één keer tot 10% van het opgebouwde bedrag opnemen.
  4. Vervroegd uittreden
    Het kan zijn dat een medewerker vervroegd wil uittreden. Voor deze groep kunnen werkgevers fiscaal aantrekkelijke regelingen treffen. Dat is een tijdelijke maatregel die nu al geldt en zal blijven gelden tot en met 2025.
  5. De groep zzp’ers
    Zzp’ers zijn straks wettelijk verplicht om zich tegen arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Hoe dit eruit zal zien, is nog steeds onduidelijk. Ook wil de overheid het sparen voor de oudedagsvoorziening promoten.

Nieuw pensioenstelsel en jouw bedrijf

Wat betekent het nieuwe pensioenstelsel voor mij als werkgever? Het is logisch dat je je dit nu afvraagt. Wanneer je bedrijf meedoet aan een verplicht bedrijfstakpensioenfonds, dan hoef je nog geen actie te ondernemen. De belangrijkste afspraken worden dan gemaakt door de cao-partijen binnen de sector. IT is een voorbeeld van een branche waarvoor geen verplicht bedrijfstakpensioenfonds geldt.

“Stel dat je in zo’n sector net een bedrijf bent gestart. Je hebt nog geen pensioenregeling voor medewerkers afgesproken, maar denkt daar wel over na. “Dan kun je – als de wet wordt aangenomen – vanaf volgend jaar mee in de nieuwe regeling”, zegt Treur. Werkgevers die al wél een eigen pensioenregeling hebben krijgen te maken met nieuwe spelregels. “Zij leggen nu voor jonge medewerkers minder premie in dan voor hun collega’s die wat ouder zijn. Dat gaat veranderen: voor alle medewerkers van het bedrijf geldt straks hetzelfde premiepercentage, ook wel ‘vlakke premie’ genoemd. Mensen van 40 jaar en ouder gaan er gemiddeld iets op achteruit en van werkgevers wordt verwacht dat ze dit verschil compenseren.”

Het overgangsrecht

Nu wordt het iets ingewikkelder. Want om welk bedrag gaat het eigenlijk en wanneer moet je dat betalen? Dit gaat om maatwerk. Treur raadt aan om hierover contact op te nemen met een pensioenadviseur. Maar stel dat je als werkgever nu al een premieregeling hebt. Of je beschikt over een uitkeringsovereenkomst die wordt uitgevoerd door een verzekeraar. Dan is er nóg een optie: de oude premiesystematiek met oplopende premiestaffels handhaven.

“Dit wordt het overgangsrecht genoemd. Het betekent dat de nieuwe vlakke premie alleen voor nieuwe deelnemers gaat gelden. Dat betekent weliswaar minder gedoe met compensatie, maar je hebt als werkgever dan wel te maken met twee pensioenregelingen op de werkvloer. Op die manier krijg je ook verschillen in de arbeidsvoorwaarden”, zegt Treur.

Pensioenen vergelijken

Als de hervorming achter de rug is, wordt het voor iedereen in ieder geval veel eenvoudiger om pensioenregelingen met elkaar te vergelijken. “Dat is nu nog heel lastig, omdat er sterk verschillende regelingen zijn”, zegt Treur. “Als we straks alleen nog premieovereenkomsten hebben, kan je als werknemer de pensioenregelingen van bedrijven makkelijker tegen elkaar afzetten. Net zoals je dat nu ook doet met salaris, vakantiegeld, en winstuitkering bijvoorbeeld.”

Dat biedt volgens haar ook kansen voor bedrijven. “Stel dat je een heel goede pensioenregeling hebt. Nu is dat nog moeilijk uit te leggen, mensen snappen het vaak niet. Straks kun je hier als werkgever echt mee pronken, bijvoorbeeld in vacatureteksten en op je website. Je wordt dan een aantrekkelijkere werkgever en dat is zeker in deze tijd van personeelsschaarste zeer welkom”

Regel het op tijd

Op 1 januari 2027 moet je je pensioenregeling uiterlijk hebben aangepast. Wacht er niet te lang mee en ga ermee aan de slag. Zo weten ook je medewerkers waar ze aan toe zijn. Je kunt in gesprek met één van onze adviseurs, we denken graag met je mee.

(Bron: Rabobank)

Correctiebeleid Belastingdienst leidt tot verlaging aanslag

Hof Amsterdam oordeelt dat een redelijke uitleg van het correctiebeleid meebrengt dat een van de aangifte afwijkende aanslag niet zal worden opgelegd, als de met de correctie gemoeide belasting minder dan € 225 bedraagt, ook niet als de inkomenscorrectie meer dan € 500 beloopt.

X geeft in haar aangifte IB/PVV 2016 een belastbaar bedrag aan van € 26.230 aan brengt daarbij € 2105 aan specifieke zorgkosten in aftrek. Conform de aangifte is aan X een voorlopige aanslag opgelegd met een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 2445. De inspecteur wijkt vervolgens van de aangifte af en laat de specifieke zorgkosten slechts voor € 1482 in aftrek toe. Het definitieve aanslagbiljet van X vermeldt een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 2676 en een te betalen bedrag van € 167. X betoogt dat het correctiebeleid van de Belastingdienst meebrengt dat de aanslag dient te worden vastgesteld conform de aangifte.

Hof Amsterdam oordeelt dat een redelijke uitleg van het correctiebeleid meebrengt dat een van de aangifte afwijkende aanslag niet zal worden opgelegd, als de met de correctie gemoeide belasting minder dan € 225 bedraagt. Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat een redelijke uitleg van het beleid meebrengt dat dit niet anders wordt als de inkomenscorrectie meer dan € 500 beloopt.

[Bron Uitspraak] Hof Amsterdam

Stijgende hypotheekrente, profiteer ervan bij een spaarhypotheek

In 2021 bereikte de hypotheekrente het laagste niveau ooit en was het lenen van geld bijna gratis. Veel woningeigenaren hebben hiervan geprofiteerd door bijvoorbeeld het rentecontract aan te passen. Hierdoor wordt de maandelijkse rentebetaling over het geleende bedrag lager. Toch is het niet altijd voordelig om een rentecontract met een lage rente te hebben. Soms kan een lagere rente zelfs ervoor zorgen dat u minder inkomen te besteden hebt. 

(Bank)Spaarhypotheek 

Afhankelijk van de hypotheekvorm, kan een hogere rente gunstig uitpakken voor uw maandlasten. Dit is vooral het geval als u een (bank)spaarhypotheek heeft. Bij deze hypotheekvorm is het rentebedrag dat u krijgt over uw (bank)spaarproduct vaak hetzelfde als de het bedrag dat u betaalt voor de gekoppelde hypothecaire lening. U bouwt het doelkapitaal dan ook op uit de te ontvangen rente en de periodieke inleg/premie. Samen vormen deze de waarde van het eindkapitaal. 

Wanneer de rente daalt, zult u dus periodiek meer geld moeten storten om het eindkapitaal te kunnen bereiken. Ondanks dat de brutolasten wellicht gelijk blijven, kunt u hier netto een nadeel van ondervinden. Dit komt omdat de betaalde hypotheekrente fiscaal aftrekbaar is, maar de periodieke storting niet. Hieronder een rekenvoorbeeld. 
 

Hypothecaire lening   Rentepercentage 1% 3% 5% 
Hoofdsom  €   200.000    Rente   €       2.000   €        6.000   €    10.000  
Looptijd 30   Periodieke inleg  €       6.440   €        3.544   €          718  
Resterende looptijd 12   Bruto  €       8.440   €       9.544   €     10.718  
Gespaard kapitaal  €   105.000    Hypotheekrenteaftrek   €          740   €        2.220   €       3.700  
    Netto  €       7.700   €        7.324   €       7.018  
Voorbeeldberekening, eenheden in jaren.    

Extra storten 

Vaak kunt u binnen het spaarproduct extra stortingen te doen. Over deze stortingen betaalt u meestal dezelfde rente als die van de gekoppelde hypothecaire lening. Met een extra storting kunt u op het spaargeld een gegarandeerd rendement halen, Kunt u de hypothecaire lening eerder aflossen en komt  het eindkapitaal eerder in zicht. Ook kunt u ervoor kiezen om in de toekomst eerder te stoppen met het betalen van de periodieke inleg/premie. Extra bijkomend voordeel is dat het vermogen niet meer meetelt in box 3. Voor het doen van extra stortingen gelden wel fiscale voorwaarden. 

Toeslagen en kortingen 

Als u recht hebt op hypotheekrenteaftrek, betekent dit dat u de hypotheekrente mag aftrekken van uw verzamelinkomen. Als de rente stijgt en uw verzamelinkomen door de renteafrek dus daalt, kan het zijn dat u recht krijgt op een toeslag of een verhoging van de toeslag. Ook een lager vermogen in box 3 kan hiervoor zorgen. Met name bij kinderopvangtoeslag kan dit een groot verschil opleveren, maar ook voor de zorgtoeslag of het kindgebonden budget kan dit voordeel opleveren.  

(Bron: Flynth)

Arbeidsvoorwaarden? Schriftelijk informeren werknemer verplicht

Met de Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden is ook de informatieverplichting vanuit de werkgever uitgebreid. Dit betekent dat u als werkgever verplicht bent om bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst uw medewerker schriftelijk te informeren over de arbeidsvoorwaarden.

Wat is het belang van informatieverplichting voor de werkgever?

Uit een uitspraak van de rechtbank Overijssel blijkt hoe belangrijk het voor een werkgever is om daadwerkelijk te voldoen aan die informatieverplichting. Tussen werkgever en werknemer ontstond onenigheid over de vraag of de arbeidsovereenkomst was aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd. De werkgever was van mening dat er overeenstemming was bereikt over een einddatum en weigerde de arbeidsovereenkomst te verlengen. Er lag tussen de partijen geen getekende schriftelijke arbeidsovereenkomst met afspraken over een eventuele einddatum. Ook op de loonstrook stond niet vermeld voor welke arbeidsduur de werknemer in dienst is. Dat maakt dat de kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet had voldaan aan de schriftelijke informatieverplichting en dat er daarom sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De onterechte aanzegging/opzegging van de arbeidsovereenkomst werd door de kantonrechter vernietigd, waardoor de werknemer met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd in dienst is bij de werkgever.

Voldoet u aan de informatieplicht?

Voorgaande uitspraak is een goed voorbeeld van de nadelige gevolgen voor u als werkgever als u uw werknemer niet of niet voldoende heeft geïnformeerd over de arbeidsvoorwaarden. Voldoet u al aan deze informatieplicht? En voldoet uw arbeidsovereenkomst aan deze nieuwe wettelijke eisen?

(Bron: Abab)

Tweede Kamer stemt in met afschaffen salderingsregeling zonne-energie 

Eigenaren van zonnepanelen kunnen nu hun opgewekte energie nog salderen met de afgenomen energie. De Tweede Kamer stemde echter in met het vanaf 2025 afbouwen en het vanaf 2031 volledig afschaffen van de salderingsregeling op zonne-energie.

Eerste kamer

Of de salderingsregeling ook daadwerkelijk wordt afgeschaft, hangt af van de Eerste Kamer, die ook nog met het voorstel moet instemmen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de vergoeding voor aan de energieleverancier geleverde stroom die niet gesaldeerd wordt, tot 2027 minimaal 80% van het leveringstarief (exclusief belastingen en heffingen) bedraagt dat de eigenaar van de zonnepanelen afspreekt met de energieleverancier. Vanaf 2027 stelt de minister op basis van advies van de Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) iedere twee jaar de minimale vergoeding vast.

(Bron: Van Oers)

Werkgeverslasten 2023 bekend 

De premies werknemersverzekeringen en zvw voor 2023 zijn definitief vastgesteld. Ook is het maximumpremieloon bekend waarover de premies berekend worden. De definitieve premies wijken iets af van de voorlopige premies die met Prinsjesdag bekend zijn gemaakt.

Premievergelijking2023 (definitief)
Algemeen werkloosheidsfonds )Awf)*
Awf-laag2,64%
Awf-hoog7,64%
Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)
Geldt alleen voor overheidswerkgevers
0,68%
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof)**
Aof-kleine werkgever5,82%
Aof-grotere werkgever7,11%
Ùniforme opslag kinderopvang (Aof)0,50%
Werkhervattingskas (rekenpremie) (Whk)***1,53%
Werkgeversheffing ZVW6,68%
Werknemersbijdrage ZVW5,43%
Maximumpremieloon/maximumbijdrageloon€ 66.956

*Algemeen werkloosheidsfond (Awf)

Voor de volgende werknemers mag u de premie Awf-laag toepassen:

  • Werknemers met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (geen oproepovereenkomst).
  • Werknemers die leerling zijn in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl).
  • Werknemers die jonger zijn dan 21 en in een maand niet meer dan 52 uur of in een vierwekenperiode niet meer dan 48 uur werken.
  • U betaalt een WW-, ZW-, WIA-, WAO- of WAZO-uitkering namens UWV door aan uw werknemer (werkgeversbetaling). Of u betaalt deze uitkering zelf als eigenrisicodrager.

Om de premie Awf-laag te mogen toepassen moet u een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van de werknemer in uw loonadministratie hebben opgenomen. Heeft u er nog geen, dan kunt u veel geld besparen door er een op te (laten) stellen.

Er zijn twee situaties waarin u met terugwerkende kracht alsnog de hoge premie moet toepassen:

  1. Een werknemer gaat binnen twee maanden na aanvang van zijn dienstbetrekking weer uit dienst.
  2. Een werknemer krijgt in een kalenderjaar meer dan 30% extra uren verloond dan in zijn arbeidsovereenkomst is vastgelegd voor dat jaar (let op: deze bepaling geldt niet voor contracten van 35 uur of meer per week).

** Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof)

De premie voor het arbeidsongeschiktheidsfonds gedifferentieerd. De hoogte van uw premieloonsom in 2021 is bepalend voor de premie die u in 2023 moet toepassen.

Werkgevers met een premieloonsom in 2021 tot € 905.000 betalen de lage premie. Werkgevers met een loonsom in 2021 van € 905.000 of hoger betalen de hoge premie.

Over de volgende uitkeringen, toeslagen en loonbetalingen bent u altijd de hoge premie Aof verschuldigd:

  • uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen (WAO, WIA, ZW en WW). Dit geldt als u de uitkering namens UWV aan uw werknemers betaalt (werkgeversbetaling) of als u dit doet als eigenrisicodrager;
  • WAZO-uitkeringen in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg, aanvullend geboorteverlof en betaald ouderschapsverlof;
  • toeslagen op grond van de Toeslagenwet;
  • het loon uit een WSW-dienstbetrekking;
  • wachtgeld op grond van de oude regeling van vóór 2001.

***Premie werkhervattingskas

De premie werkhervattingskas is afhankelijk van verschillende factoren: uw premieloonsom, of u instroom heeft gehad van (ex)werknemers in de ziektewet/wga en uw sectorindeling.

Eind november/begin december stelt de Belastingdienst de premie per werkgever vast, u ontvangt daarvan een beschikking.

(Bron: Van Oers)

Eerst ingediende aangifte lattende partners bepalend voor eigenwoningaftrek

De heer X en mevrouw Y hadden sinds 22 december 2014 een geregistreerd partnerschap. Zij woonden in 2016 ieder in hun eigen woning op verschillende adressen. X bezat nog een tweede woning, die aan een derde was verhuurd. Tot het vermogen van X behoorden verder investeringen in twee bedrijven € 20.000 (in 2016) en € 37.225 (in 2017). X bezat verder 5.033 aandelen in een NV met een intrinsieke waarde van € 602.313 (2016). Het partnerschap tussen X en Y eindigde op 27 november 2018. Y diende haar aangifte IB 2016 een maand eerder in dan X. X en Y gaven ieder de woning waarin zij woonden aan als eigen woning in box 1. De inspecteur corrigeerde de aangifte IB 2016 van X omdat X en Y volgens hem in 2016 fiscale partners waren. X ging in beroep en stelde dat hij en Y geen fiscale partners waren. Verder stelde hij dat de (tweede) woning in box 3 als zijn eigen woning in box 1 moest worden aangemerkt. Daarnaast bepleitte hij lagere waarden voor alle bezittingen in box 3. Rechtbank Noord-Holland stelde X deels in het gelijk en besliste dat X de leegwaarderatio kon toepassen op de woning in box 3. X ging in hoger beroep maar Hof Amsterdam bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. X en Y waren heel 2016 geregistreerde partners en daarmee waren zij in 2016 ook elkaars fiscale partners, ook al stonden zij niet op hetzelfde adres ingeschreven in BRP en voerden zij geen gezamenlijke huishouding. X kon volgens het Hof maar één woning tot hoofdverblijf en als eigen woning aanmerken. Omdat X en Y beiden hun “eigen” woning in hun aangiften als eigen woning hadden aangemerkt en geen gezamenlijke keuze hadden gemaakt voor één van beide woningen moest de woning van degene die als eerste zijn aangifte had ingediend als eigen woning worden aangemerkt, en dat was Y. Met betrekking tot de overige bezittingen besliste het Hof dat X de leegwaarderatio mocht toepassen op de woning in box 3, dat de investeringen in de bedrijven door X zelf  waren bevestigd en dus niet te hoog waren opgenomen en dat de waarde van de aandelen in de NV voor het juiste bedrag in box 3 waren opgenomen omdat dit de waarde was ingevolge een door de accountant van deze NV gecontroleerde jaarrekening 2016. Het Hof verwierp tot slot de stelling van X dat € 4.000 van de privé ASN-spaarrekening moest worden toegerekend aan zijn IB-onderneming als reserve of een buffer voor zijn privéuitgaven in een periode waarop het minder goed ging met deze onderneming. X had volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat hij in het kader van de vermogensetikettering een deel van privébezittingen kon toerekenen aan de onderneming. Het bedrag was niet dienstbaar aan zijn onderneming zodat het volledige saldo van de ASN-bankrekening terecht tot het box 3-vermogen was gerekend. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Kritisch advies Raad van State  initiatiefwetsvoorstel vermogensbelasting

De Raad van State heeft een kritisch advies gepubliceerd over het initiatiefwetsvoorstel vermogensbelasting 2024.

Het wetsvoorstel wil een belasting over vermogen tegen een progressief tarief invoeren. De heffingsgrondslag is beperkt tot het vermogen dat in de inkomstenbelasting in box 3 in aanmerking wordt genomen. Box 1 en box 2-vermogen telt niet mee. Met het voorstel willen de initiatiefnemers de vermogensongelijkheid verminderen en een stabiele belastingopbrengst over vermogen met een regeling die uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en die begrijpelijk en uit te leggen is.

Middengroepen aangepakt, zeer vermogenden ontzien

De RvS concludeert dat de beoogde doelen maar in zeer beperkte mate worden bereikt. De beperking van de grondslag tot het vermogen in box 3 kan tot gevolg hebben dat het beeld ontstaat dat middengroepen worden aangepakt en zeer vermogenden worden ontzien. Aan de Belastingdienst is een uitvoeringstoets gevraagd. Hieruit bleek dat met het voorstel er geen sprake is van een uitvoerbare regeling voor de Belastingdienst.

Eigendomsrecht

Verder merkt de RvS op dat de initiatiefnemers het voorstel nader moeten motiveren in het licht van het eigendomsrecht. De voorgestelde tarieven zijn hoog, niet alleen vergeleken met de vroegere Nederlandse vermogensbelasting (0,7%), maar ook vergeleken met het buitenland. Er is bovendien niet voorzien in een anticumulatieregeling. Niet uitgesloten is dat de combinatie van een box 3 inkomstenbelastingheffing en een vermogensbelasting over dezelfde grondslag ertoe leidt dat deze gecombineerde heffing op stelselniveau de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan. Dit risico kan mogelijk worden beperkt door de som van beide belastingen te maximeren, vergelijkbaar met de vroegere zogenoemde 68%-regeling. Maar maximeren maakt de heffing wel complexer, wat extra druk legt op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.

Internationale aspecten

In de toelichting wordt onvoldoende ingegaan op de internationaalrechtelijke aspecten van de invoering van een vermogensbelasting in Nederland, op de (on)mogelijkheden om deze heffing in internationale verhoudingen te effectueren en – gelet op de ervaringen uit het verleden – op mogelijke gedragseffecten in internationaal verband. Een belangrijke reden voor de afschaffing van de vermogensbelasting per 2001 was dat deze in internationale verhoudingen eenvoudig kon worden vermeden. De RvS adviseert het wetsvoorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast.

(Bron: Taxence)