Naar aanleiding van de massaal bezwaar plus-procedure heeft staatssecretaris Van Rij toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers voor de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak kunnen maken op een definitieve uitspraak van de rechter, ook als zij geen verzoek hebben ingediend. Niet-bezwaarmakers die later alsnog bezwaar hebben gemaakt ontvangen de komende periode een informatiebrief van de Belastingdienst.
Zij hoeven zelf geen actie te ondernemen. De Belastingdienst houdt alle ingediende individuele verzoeken apart tot er een uitspraak is.
In de informatiebrief staat:
Een ontvangstbevestiging van het ingediende beroep of bezwaar.
Meer informatie over de aankomende massaal bezwaar plus-procedure.
De boodschap dat men automatisch meedoet en daarom geen individueel verzoek hoeft in te dienen voor de overige jaren (2017 tot en met 2020), als ze dat nog niet hebben gedaan.
Het verdere verloop van de procedure en de mededeling dat zij hierover automatisch bericht ontvangen.
De Belastingdienst stuurt de brief naar degene die het verzoek heeft ingediend. Dit kan de belastingplichtige zijn, of de gemachtigde van de belastingplichtige. Zijn er meerdere verzoeken over verschillende jaren ingediend? Dan stuurt de Belastingdienst per verzoek een informatiebrief.
Alleen niet-bezwaarmakers die later alsnog bezwaar hebben gemaakt, krijgen de informatiebrief.
De fiscale definitie van het partnerbegrip wordt bepaald door de wet, niet door de wijze waarop de belastingplichtigen hun gezinsleven vormgeven, concludeert Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De zaak (1 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6321) verloopt als volgt. Man en vrouw zijn gehuwd, maar leven in twee aparte woningen en staan op twee aparte adressen ingeschreven in de basisadministratie. Zij voeren ieder een eigen huishouding. Zij hebben geen verzoek ingediend tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed.
Man en vrouw doen voor het jaar 2018 apart van elkaar aangifte inkomstenbelasting. Zowel de man als de vrouw geven de woning waar ze verblijven op als eigen woning. De inspecteur stelt dat sprake is van fiscaal partnerschap en dat daarom maar sprake kan zijn van één eigen woning op grond van art. 3.111 lid 8 Wet IB 2001. Omdat de man eerder aangifte heeft gedaan geldt zijn woning als eigen woning.
Omdat er geen keuze is gemaakt hoe groot ieders aandeel is in de eigen woning wordt dit volgens art. 2.17 lid 3 Wet IB 2001 bepaald op 50% voor de man en 50% voor de vrouw. De man is het hier niet mee eens. Hij is van mening dat sprake is van een individuele belastingplicht bij een gescheiden huishouden en geeft aan dat het doel van het huwelijk puur is ingegeven door de zorgplicht voor het in standhouden van elkaars grafrechten na overlijden.
De rechtbank volgt de inspecteur. Man en vrouw zijn met elkaar gehuwd. Op grond van de bepalingen van art. 5a lid 1 en 4 AWR en art. 1.2 Wet IB 2001 zijn de man en de vrouw fiscaal partner.
Belang voor de praktijk
Voor de belastingheffing geldt als beginsel wat er in de wet staat. Al geeft een belastingplichtige een andere invulling aan het begrip huwelijk dan te doen gebruikelijk, dan nog heeft hij zich te schikken naar de uitgangspunten die de wetgever heeft gekozen en de fiscale rechtsgevolgen die hieraan zijn verbonden.
Over de rechtvaardiging hiervan is eerder al een procedure gevoerd, Hoge Raad 13 april 2018. Volgens deze uitspraak is het niet aan de rechter om te treden in de politieke afwegingen en keuzes van de wetgever, en de rechter mag de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen (art. 11 Wet algemene bepalingen).
Het is natuurlijk de vraag of de zorgplicht voor het in standhouden van de grafrechten niet op andere wijze had kunnen worden ingevuld.
HR: Alle bedrijfsactiviteiten van de ondernemer moeten voor de toepassing van de KO-regeling gezamenlijk in aanmerking worden genomen.
Een belastingadviseur is voor de omzetbelasting ondernemer. In 2018 heeft hij op zijn woning zonnepanelen laten installeren. Voor de zonnepanelen doet de ondernemer een beroep op de kleine ondernemingsregeling (KO-regeling). De inspecteur heeft het verzoek van de adviseur om toepassing van de kleineondernemersregeling met de daarbij behorende ontheffing van administratieve verplichtingen afgewezen.
Oordeel hof
Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden ( NTFR 2020/3027) is de afwijzing terecht, omdat daarvoor niet alleen de exploitatie van de zonnepanelen in aanmerking moet worden genomen, maar die exploitatie tezamen met de belastingadvieswerkzaamheden.
Oordeel Hoge Raad
Art. 25 Wet OB 1968 knoopt blijkens zijn tekst aan bij de ondernemer. De wettekst noch die van de uitvoeringsbepalingen wijst volgens de Hoge Raad erop dat die ondernemer de mogelijkheid heeft om voor toepassing van de kleineondernemersregeling de door hem verrichte belastbare prestaties toe te rekenen aan ‘afzonderlijke ondernemingen’ en op die ondernemingen de KO-regeling selectief toe te passen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 25 Wet OB 1968 is ook niet af te leiden dat de mogelijkheid van een dergelijke splitsing is beoogd. De Hoge Raad bevestigt de zienswijze van het hof. Alle bedrijfsactiviteiten van de ondernemer moeten voor de toepassing van de KO-regeling gezamenlijk in aanmerking worden genomen.
Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) groeit al jaren. Echter blijkt uit de praktijk dat aan de snelle groei van zelfstandigen nadelen kunnen kleven. Zo is er sprake van een ongelijk speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. Veel zelfstandigen zijn onvoldoende beschermd tegen inkomensschokken door werkverlies of ziekte. Bovendien dragen zelfstandigen relatief beperkter bij aan de financiering van het sociale zekerheidsstelsel. Hierdoor wordt het moeilijker om kwetsbaardere werknemers voldoende bescherming te bieden. Daarnaast komt schijnzelfstandigheid regelmatig voor wat kan leiden tot oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Kortom, er is sprake van onvoldoende balans als het gaat om werken met en als zelfstandige(n).
Maatregelen
Het kabinet wil de balans herstellen door verschillende maatregelen in te voeren om het werken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger te maken. Voor de zomer van 2022 heeft het kabinet langs drie lijnen maatregelen aangekondigd. Op 16 december 2022 hebben minister Van Gennip (SZW) en staatssecretaris Van Rij (Fiscaliteit en Belastingdienst) een voortgangsbrief gepubliceerd, waarin de huidige stand van zaken ten aanzien van de voorziene maatregelen op het gebied van werken met en als zelfstandige(n) is opgenomen.
Gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen zonder personeel (lijn 1)
Het kabinet heeft al verschillende maatregelen getroffen die bijdragen aan een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. Zo wordt per 2023 de zelfstandigenaftrek (versneld) afgebouwd en is de fiscale oudedagsreserve uitgefaseerd. Verder wordt in de brief de voortgang beschreven van de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, de mogelijkheden voor collectief onderhandelen voor zelfstandigen en de versterking van de positie van zelfstandigen in de Sociaal Economische Raad (SER).
Verduidelijking van regelgeving (lijn 2)
De tweede lijn ziet op het verduidelijken van de regelgeving. Dit richt zich niet alleen op het bieden van bescherming voor diegenen die daar recht op hebben, maar ook op het scheppen van duidelijkheid voor echte zelfstandigen over de ruimte die ze hebben om te ondernemen. Hierin wordt gekeken naar de regels over wanneer als werknemer wordt gewerkt en wanneer als zelfstandige gewerkt kan worden. In deze regelgeving wil het kabinet meer duidelijkheid creëren over de open norm ‘werken in dienst van’ (gezag) om werknemers van zelfstandigen te onderscheiden. Dit wil het kabinet bereiken door de regels vanuit de jurisprudentie overzichtelijk samen te brengen door de drie hoofdelementen uit de jurisprudentie in de regelgeving vast te leggen:
Materieel gezag: Worden er instructies gegeven en wordt er toezicht gehouden op het werk?
Inbedding van het werk: Is het werk organisatorisch ingebed in de organisatie van de werkgever?
Zelfstandig ondernemerschap: Is er sprake van zelfstandig ondernemerschap binnen een arbeidsrelatie?
Deze drie hoofdelementen zullen verder worden ingevuld en uitgewerkt in samenwerking met betrokkenen.
Verder werkt het kabinet aan een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst, gekoppeld aan een uurtarief, zoals ook is voorgesteld in het middellange termijn advies van de SER. Dit rechtsvermoeden richt zich voornamelijk op werknemers met een minder goede onderhandelingspositie en voor wie het lastig kan zijn om hun rechten op te eisen. Het rechtsvermoeden kan worden ingeroepen door de werknemer indien hij/zij onder het gestelde uurtarief wordt betaald. Wanneer een werknemer een beroep doet op het rechtsvermoeden, is het aan de werkgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Het kabinet streeft ernaar dat voor de zomer van 2023 een conceptwetsvoorstel voor internetconsultatie voorligt. Het plan is dat begin 2024 een wetsvoorstel met uitgewerkte wijzigingen bij de Tweede Kamer is ingediend, zodat de wetgeving voor 1 januari 2025 kan worden gepubliceerd.
Verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid (lijn 3)
Op dit moment vindt de beoordeling over de kwalificatie arbeidsrelatie voor de loonheffingen plaats binnen de lijnen van het handhavingsmoratorium. Dit houdt in dat corrigerend wordt opgetreden bij kwaadwillende onjuiste kwalificaties van de arbeidsrelatie of in gevallen waarbij aanwijzingen van de Belastingdienst, dat er sprake is van een dienstbetrekking, niet binnen redelijke termijn zijn opgevolgd.
Het kabinet streeft ernaar de handhaving binnen korte termijn te versterken en het handhavingsmoratorium op 1 januari 2025 volledig op te heffen. Het uiteindelijke doel is dat burgers en bedrijven de regels zoveel mogelijk uit zichzelf gaan naleven. Om dit te bereiken gaat de Belastingdienst actief samenwerken en hulp bieden aan partijen die willen en kunnen voldoen aan de fiscale en sociale verplichtingen. Ook komt er meer aandacht voor dossiers waar onzekerheid over de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie bestaat.
Tot slot wil het kabinet via een werkprogramma de specifieke problematiek in sectoren als kinderopvang, onderwijs en de zorg aanpakken. De werkdruk in deze sectoren kan mensen er namelijk toe bewegen om zzp’er te worden, wat op zijn beurt kan leiden tot meer werkdruk bij de werknemers in dienst. Het kabinet zal daarom voor deze sectoren de samenhang tussen de generieke maatregelen en de sectorspecifieke maatregelen voor onderwijs, zorg en kinderopvang nadrukkelijk bewaken. Indien nodig worden aanvullende maatregelen genomen, waarbij ook oog is voor het belang van goed werkgeverschap in die sectoren.
Fiscaal vriendelijk autorijden wordt steeds lastiger!Zeker nu de autobelastingen de laatste jaren zijn aangescherpt. Het kan nog wel.Maar de voordelen zijn voor een steeds kleinere groep berijders beschikbaar. Wij zetten voor u de regels uiteen en geven een blik op de fiscale toekomst van de auto.
Rijdt u in een milieuvriendelijke auto? Dan heeft u kunnen genieten van een groot aantal fiscale voordelen. De afgelopen jaren zijn deze voordelen steeds verder teruggeschroefd. Maar u kunt ook in 2023 gebruikmaken van een aantal fiscale voordelen.
Bijtelling privégebruik auto: de algemene regels
Voor de meeste nieuwe auto’s van de zaak waarmee ook privé wordt gereden, geldt een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Maar voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een korting op de bijtelling. Die korting geldt in de maand van tenaamstelling en in de volgende 60 volle maanden. Daarna wordt de bijtelling jaarlijks opnieuw bepaald aan de hand van de dan geldende tarieven. Auto’s zonder uitstoot die in 2018 op kenteken zijn gezet hebben in een deel van 2023 nog een bijtelling van 4%. In de loop van 2023 zal voor deze auto’s de bijtelling moeten worden herzien op basis van de regels van 2023 (zie hierna).
Auto’s :De cijfers en regels van 2019
Elektrische auto’s die in het jaar 2019 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 4%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 50.000. Is de cataloguswaarde meer dan €50.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Auto’s zonder CO2-uitstoot op waterstof hebben ook een bijtelling van 4% over de gehele cataloguswaarde.
De cijfers en regels van 2020
Elektrische auto’s die in het jaar 2020 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 8%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 45.000. Is de cataloguswaarde meer dan €45.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Auto’s op waterstof hebben ook een bijtelling van 8% over de gehele cataloguswaarde.
De cijfers en regels van 2021
Elektrische auto’s die in het jaar 2021 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 12%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 40.000. Is de cataloguswaarde meer dan €40.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2021 een bijtelling van 12% over de gehele cataloguswaarde.
De cijfers en regels van 2022
Elektrische auto’s die in het jaar 2022 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 16%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 35.000. Is de cataloguswaarde meer dan €35.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2022 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.
De cijfers en regels van 2023
Elektrische auto’s die in het jaar 2023 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 16%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 30.000. Is de cataloguswaarde meer dan €30.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2023 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde. Voor nieuwe auto’s gelden in 2023 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:
Soort auto
Bijtelling
CO2-uitstoot
Elektrisch
16% tot € 30.000/22% over meerdere
0
Waterstof
16%
0
Zonnecel
16%
0
Overig
22%
>0
Het aanscherpen van de CO2-grenzen heeft niet tot gevolg dat u elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage wordt geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende 60 maanden geldig. Na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.
Let op! Het verlaagde percentage van 16% geldt voor auto’s op waterstof en voor auto’s die volledig worden aangedreven door geïntegreerde zonnecellen. De zonnecellen moeten een vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek en de accu mag geen lood bevatten.
Let op! Is het kenteken van uw auto voor 31 december 2016 geregistreerd? Dan krijgt u auto na 60 maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is niet het geval als het een auto betreft die geen CO2 uitstoot.
Let op! Auto’s die geen CO2 uitstoten, krijgen in 2023 een korting van 6% op de normale bijtelling tot een cataloguswaarde van €30.000. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor een elektrische auto uit 2016 in 2023 een bijtelling geldt van 19% (25% -/- 6%) tot een cataloguswaarde van € 30.000. Daarboven is de bijtelling 25%. Voor een elektrische auto die in 2017 voor het eerst op kenteken is gezet, gaat in 2023 een bijtelling gelden van 16% (22% -/- 6%) tot een cataloguswaarde van €30.000 en van 22% over het meerdere. Auto’s die de periode van 60 maanden achter de rug hebben, lopen dus jaarlijks mee met de wettelijke wijzigingen in de bijtelling.
Tip! Voor ondernemers in de inkomstenbelasting blijft de bijtelling beperkt tot maximaal het bedrag dat in een jaar aan autokosten ten laste van de winst is gebracht.
Let op! Is uw auto ouder dan 15 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling niet 22% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer.
Vanaf 2026 is er maar één bijtellingspercentage
Vanaf 2026 is er nog maar één bijtellingspercentage van 22%. Er is dus geen voordeel meer voor auto’s zonder CO2-uitstoot. Tot die tijd wordt de bijtelling voor auto’s zonder CO2-uitstoot in 2025 nog één maal verhoogd van 16% naar 17% over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde. Uiteraard geldt dit niet voor auto’s van voor die datum die nog in hun 60-maandentermijn zitten.
Minder dan 500 kilometer privé?
Een bijtelling kan overigens helemaal achterwege blijven indien u kunt bewijzen dat u op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto heeft gereden. Woon-werkkilometers worden daarbij gezien als zakelijk, ook als u thuis gaat lunchen.
Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige afschrijving via de VAMIL-regeling voor waterstofpersonenauto en zonnecelpersonenauto
Er bestaat in 2023 geen recht op de voor personenauto’s, wel voor bestelauto’s. Voor de waterstofpersonenauto heeft u recht op maximaal 75% willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL) over een bedrag van maximaal € 75.000.
In 2023 geldt de van 45% over een bedrag van maximaal €75.000 voor de waterstofpersonenauto en de milieu-investeringsaftrek van 36% voor de zonnecelpersonenauto met een CO2-uitstoot van 0 gr/km.
Willekeurige afschrijving 2023 (WKA) voor beroepspersonenvervoer, auto’s zonder CO2 en nieuwe bestelauto’s
In 2023 geldt voor de aanschaf van nieuwe bedrijfsmiddelen een eenmalige mogelijkheid om maximaal 50% van de aanschafkosten willekeurig af te schrijven. Een deel van de afschrijving wordt daarmee naar voren gehaald, waardoor het fiscale voordeel van de afschrijving eerder tot uitvoering komt. Deze willekeurige afschrijving geldt voor personenauto’s, echter moeten die auto’s worden gebruikt in het beroepspersonenvervoer (bijvoorbeeld taxi’s) en voor auto’s zonder CO2-uitstoot (inclusief elektrische auto’s). Nieuwe bestelauto’s (ongeacht hun brandstof) komen hiervoor ook in aanmerking.
Let op! Schrijft u door een andere regeling al willekeurig af, zoals de of een ander bedrijfsmiddel? Dan kunt u geen gebruikmaken van de regeling voor willekeurige afschrijving die voor 2023 geldt.
Elektrische bestelauto of waterstofbestelauto: MIA
Voor een elektrische bestelauto heeft u in 2023 recht op 45% MIA. Het bedrijfsmiddel komt echter voor ten hoogste het investeringsbedrag minus € 11.000 in aanmerking voor de MIA. Voor een elektrische bestelauto van bijvoorbeeld € 50.000 krijgt u dus MIA over € 39.000. Voor een waterstofbestelauto heeft u ook recht op 45% MIA. U krijgt dan MIA over een investeringsbedrag van maximaal € 125.000.
Onderstaand de regelingen op een rij.
Soort auto
MIA %
VAMIL
Maximaal investeringsbedrag
WKA 2023
Elektrische personenauto
Nee
Nee
n.v.t.
Ja
Waterstofpersonenauto
34%
Ja
€ 75.000
Ja
Zonnecelpersonenauto
36%
Nee
€ 100.000
Geen samenloop met VAMIL
Elektrische bestelauto
45%
Nee
Geen; wel € 11.000 aftrek
Ja
Waterstofbestelauto
36%
Nee
€ 125.000
Ja
Oplaadstation
Ook voor het oplaadstation van uw elektrisch aangedreven auto die op uw eigen bedrijfsterrein staat, geldt in 2023 de MIA. Het aftrekpercentage voor het oplaadstation bedraagt 45%. Laadpalen waarvan de investeringskosten minder dan € 2.500 bedragen, komen niet in aanmerking voor de MIA/VAMIL, tenzij deze samen met de elektrische (bestel)auto worden aangemeld.
Melding RVO noodzakelijk MIA en VAMIL
Wilt u in aanmerking te komen voor MIA en/of VAMIL? Dan is een tijdige melding van de investering bij RVO noodzakelijk. De investering moet worden gemeld binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting. Het moment van ingebruikname of facturering is daarbij niet van belang.
Motorrijtuigenbelasting
De hoogte van de motorrijtuigenbelasting (mrb) is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de CO2-uitstoot van uw auto. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km geldt tot 2025 een vrijstelling. Voor plug-in hybrides met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km geldt tot 2025 een halftarief (dat wil zeggen de helft van het tarief dat voor een gewone personenauto geldt).
Ondernemers betalen voor een bestelauto die op diesel rijdt minder mrb. Voorwaarde is dat de bestelauto meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dit moet u desgevraagd aannemelijk kunnen maken, maar een kilometeradministratie is niet vereist.
Bpm personenauto’s
Als uw auto op kenteken wordt gezet, wordt bpm geheven. De hoogte van de bpm is voor personenauto’s gebaseerd op de CO2-uitstoot. Tot 2025 geldt nog een vrijstelling bpm voor auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Voor personenauto’s waarvoor geen vrijstelling geldt, is de bpm hoger naarmate de CO2-uitstoot groter is.
Tip! Ondernemers kunnen voor een bestelauto een beroep doen op een vrijstelling bpm. De belangrijkste voorwaarde is dat meer dan 10% van de jaarlijks gereden kilometers zakelijke kilometers zijn. Deze vrijstelling wordt per 2025 afgeschaft.
Op nieuwe bedrijfsmiddelen is gedeeltelijke willekeurige afschrijving mogelijk, mits de investeringsverplichting is aangegaan in 2023. Is dit relevant voor jou?
Afschrijven op bedrijfsmiddelen
Normaal schrijf je bedrijfsmiddelen in meerdere jaren af. Fiscaal geldt dat er tenminste 5 jaar over de afschrijving moet worden gedaan (maximaal 20 procent per jaar afschrijven). Feitelijk moet je kijken naar de technische of economische levensduur. Voor bijvoorbeeld een investering in zonnepanelen denk je eerder aan afschrijven in 15 of 20 jaar, dan aan afschrijven in 5 jaar.
Gedeeltelijk willekeurig afschrijven in 2023
De mogelijkheid van willekeurig afschrijven voor investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen in 2023 werd eerst aangekondigd als beleidsvoornemen, maar is inmiddels vastgelegd in regelgeving. Het gaat gelden voor 50 procent van de afschrijvingskosten, dus maximaal 50 procent van de investering mag je direct ten laste van je fiscale winst brengen. De resterende 50 procent moet je regulier afschrijven. Deze maatregelen levert je (desgewenst) liquiditeitsvoordeel op. De regeling gaat zowel gelden voor de inkomstenbelasting (voor ondernemers in de inkomstenbelasting) als vennootschapsbelasting (ondernemingen gedreven in een bv).
Welke bedrijfsmiddelen gaat de regeling voor willekeurige afschrijving voor gelden?
De mogelijkheid van willekeurige afschrijving die in de regeling is opgenomen ziet op aangewezen bedrijfsmiddelen die niet eerder in gebruik zijn genomen (en dus nieuw zijn).
Sommige nieuwe bedrijfsmiddelen zijn alsnog van de regeling uitgesloten:
Vliegtuigen, gebouwen, (woon)schepen, vervoermiddelen zoals bromfietsen, motoren, personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer over de weg (tenzij elektrische personenauto’s);
Immateriële activa, zoals quota, goodwill, vermogensrechten etc.;
Dieren;
Bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor verhuur aan derden (dit kan ook tussen bv’s zijn in je eigen bv-structuur zijn als er geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is!)
Bedrijfsmiddelen die om een andere reden willekeurig afschrijfbaar zijn.
Alleen voor investeringsverplichtingen 2023!
De mogelijkheid van gedeeltelijke willekeurige afschrijving gaat alleen gelden voor investeringsverplichtingen die in 2023 zijn aangegaan of waarvoor de voortbrengingskosten in 2023 zijn gemaakt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het tekenen van een opdrachtbevestiging of offerte.
Voorbeeld willekeurige afschrijving
Stel dat in januari 2023 een investeringsverplichting wordt aangegaan van 50.000 euro voor nieuwe zonnepanelen (restwaarde 5.000 euro). De afschrijving vindt normaal plaats in 15 jaar, dus 3.000 euro afschrijving per jaar.
Doordat er willekeurig mag worden afgeschreven mag in 2023 ineens maximaal 22.500 euro worden afgeschreven en daarnaast nog een stukje reguliere afschrijving over de resterende 50 procent. Zonder willekeurige afschrijving zou jaarlijks 3.000 euro afgeschreven mogen worden. De liquiditeitsverbetering is afhankelijk van je belastingtarief. Ook is het mogelijk dat er progressievoordeel optreedt, omdat je helemaal zelf mag bepalen wanneer je die 50 procent af wil schrijven.
Het eventuele aangaan van investeringsverplichtingen kan ook neveneffecten hebben. Denk daarbij aan het optimaliseren van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), of aan het afboeken van een herinvesteringsreserve in 2023.
Verhoging budget EIA /MIA
Let ook op de structurele verhoging van het budget voor de EIA/MIA vanaf 2023. De energie- en milieulijst zijn beschikbaar gekomen, waardoor we nu ook weten welke bedrijfsmiddelen zijn aangewezen voor de EIA/MIA 2023.
Voor de ondernemer in de inkomstenbelasting gelden een aantal fiscale voordelen, zoals de startersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de meewerkaftrek en de zelfstandigenaftrek. Naar aanleiding van het Belastingplan 2023 dat het kabinet-Rutte IV op 20 september 2022 heeft aangeboden, wordt in dit artikel nader ingegaan op de zelfstandigenaftrek.
Wat is de zelfstandigenaftrek?
De zelfstandigenaftrek is een van de aftrekposten voor de ondernemer in de inkomstenbelasting. In 2022 was de zelfstandigenaftrek € 6.310. De zelfstandigenaftrek is een aftrekpost van de winst waardoor de belastbare winst lager uitkomt en u dus minder belasting betaalt. De zelfstandigenaftrek komt in mindering op de winst vóór de MKB-winstvrijstelling wordt toegepast.
Voorwaarden zelfstandigenaftrek
Om in aanmerking te komen voor de zelfstandigenaftrek moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:
U bent ondernemer voor de inkomstenbelasting;
U voldoet aan het urencriterium (1.125 uur per jaar);
U heeft op 1 januari van het betreffende jaar nog niet de AOW-leeftijd bereikt.
Indien u de AOW-leeftijd wel heeft bereikt op 1 januari en aan de overige voorwaarden wordt voldaan, komt u in aanmerking voor een aftrekpost van 50% van de zelfstandigenaftrek.
Belastingplan 2023
In eerdere belastingplannen heeft het kabinet al een afbouw van de zelfstandigenaftrek aangekondigd. Onderdeel van het pakket Belastingplan 2023 is een versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek.
De zelfstandigenaftrek gaat van € 6.310 in 2022 naar € 5.660 in 2023 en uiteindelijk € 900 in 2027. De zelfstandigenaftrek voor starters en de startersaftrek wordt niet afgebouwd en blijft € 2.123.
Afbouw tarief aftrekposten
In 2022 is over het inkomen tot €69.398 een tarief aan inkomstenbelasting verschuldigd van 37,07%. Over het meerdere bedraagt in 2022 het tarief aan inkomstenbelasting 49,50%. In 2022 was het maximale aftrektarief voor de aftrekposten gesteld op 40%. Dit heeft tot gevolg dat u minder aftrek krijgt over het inkomen boven de € 69.398. In 2023 wordt het tarief van de aftrekposten verder vermindert naar 36,96%. Dit betekent dat de aftrekposten voor maximaal 36,96% in aftrek komen in 2023, terwijl de hoogste schijf zonder de aanpassing 49,50% bedraagt.
Heb jij een elektrische auto met een catalogusprijs van € 30.000 of meer? Je betaalt dan vanaf 2023 een hogere bijtelling. Dit komt omdat de lage bijtelling van 16% nog maar gaat gelden tot een catalogusprijs van € 30.000 in plaats van € 35.000 nu. Over het meerdere wordt de bijtelling 22%.
Maximale verhoging € 300 De hogere bijtelling kan een automobilist maximaal € 300 extra aan bijtelling kosten. Over maximaal € 5.000 extra cataloguswaarde wordt de bijtelling immers 6% hoger. Over deze € 300 moet de belastingplichtige extra belasting betalen. Hoeveel dit is, hangt af van jouw belastingtarief.
Let op bij elektrische auto’s ouder dan vijf jaar De verhoging gaat ook de automobilist geld kosten met een elektrische auto die ouder is dan vijf jaar. De oorspronkelijke bijtelling bij aankoop van de auto geldt namelijk maar voor vijf jaar. Daarna gaat de bijtelling gelden die op dat moment van toepassing is.
Zo gaan auto’s die in 2018 voor het eerst op kenteken zijn gezet, in de loop van 2023 met de hogere bijtelling van 16% over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde en 22% over het meerdere te maken krijgen. Voor een elektrische auto van vóór 2017 wordt over de eerste € 30.000 zelfs 19% bijtelling betaald en over het meerdere 25% (tenzij de elektrische auto ouder is dan 15 jaar).
Zonnecel- en waterstofauto blijven buiten schot De verhoging van de bijtelling geldt niet voor auto’s die rijden op waterstof of op zonnecellen. Voor deze auto’s blijft de bijtelling 16% over de gehele catalogusprijs.
De betaalpauze van 3 maanden, voor het aflossen van de opgebouwde belastingschuld in verband met corona, is onlangs verlengd naar zes maanden. Lees hier wat dit voor jou betekent.
Vanaf 1 oktober 2022 moeten bedrijven starten met het aflossen van hun opgebouwde belastingschuld in verband met corona. Besloten was dat, onder voorwaarden, een betaalpauze van drie maanden kan worden ingelast. Deze betaalpauze is onlangs verlengd naar zes maanden.
Aflossen
Het aflossen van de belastingschuld moet in beginsel plaatsvinden vanaf 1 oktober 2022 in zestig maandelijks gelijke termijnen. Dat betekent dat de schuld in vijf jaar moet zijn afgelost.
Tip! Voor sommige bedrijven staat de Belastingdienst, onder voorwaarden, een termijn van zeven jaar toe.
Op verzoek is het, onder voorwaarden, ook mogelijk om de schuld per kwartaal af te lossen. Daarnaast kan de ondernemer eenmalig schriftelijk verzoeken om een betaalpauze. Deze betaalpauze bedroeg in eerste instantie maximaal drie maanden, maar is onlangs verlengd naar maximaal zes maanden.
Voorwaarden betaalpauze zes maanden
Voorwaarden voor de betaalpauze van maximaal zes maanden is dat uit het schriftelijke verzoek blijkt waaruit de aflossingsproblemen bestaan. Daarnaast moeten vanaf 1 april 2022 alle reguliere belastingschulden op tijd zijn voldaan.
Let op! De termijn waarbinnen moet zijn afgelost, wordt door de betaalpauze niet verlengd. Dit betekent dat na de betaalpauze de maand- of kwartaalbedragen verhoogd worden.
Digitaal
Staatsecretaris Van Rij heeft toegezegd dat verzoeken om gebruik te maken van de versoepelingen vanaf november 2022 via een digitaal loket bij de Belastingdienst kunnen worden ingediend. Hij gaf verder aan dat de wens van verdergaande digitalisering voor de toekomst hoog op de agenda staat.
Vanaf 2023 geldt 0% btw voor de levering en installatie van zonnepanelen op en in de onmiddellijke nabijheid van woningen. De staatssecretaris beantwoordde een 5-tal vragen over de toepassing van het nultarief.
0% BTW OP LEVERING EN INSTALLATIE VAN ZONNEPANELEN
De staatssecretaris beantwoordde onlangs een 5-tal vragen over de toepassing van het nultarief op de levering en installatie van zonnepanelen.
Voor toepassing van 0% btw moeten de zonnepanelen geïnstalleerd worden op of in de onmiddellijke nabijheid van een woning. Elke onroerende zaak die bestemd is voor permanente bewoning door een particulier is een woning. Ook elk pand dat niet voldoet aan deze definitie, maar welke volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) mede een woonfunctie heeft of een vakantiewoning is, wordt voor het 0% btw-tarief echter aangemerkt als woning.
Let op! Het maakt niet uit wie de afnemer is van de zonnepanelen. Het nultarief geldt daarom ook voor woningcorporaties die zonnepanelen (laten) installeren op of in de onmiddellijke nabijheid van hun woningen.
2. Wat is een zonnepaneel?
Een zonnepaneel wekt uit zonlicht via zonnecellen elektriciteit op. Toepassing van 0% btw is alleen mogelijk voor zonnepanelen en niet voor andere producten die gebruikmaken van de zon maar daar geen elektriciteit mee opwekken of voor zogenaamde combiproducten. Zo geldt het nultarief niet voor:
zonnecollectoren die zonlicht in warmte omzetten;
PTV-panelen;
zonneramen;
zonwering met zonnecellen.
Let op! Op zonnepanelen als dakbedekking is ook 0% btw van toepassing. Zonnepanelen als dakbedekking zijn dakpannen of dakpanelen die naast een energieopwekkende functie ook het dak wind- en waterdicht maken.
3. Waarop geldt het 0% btw-tarief?
Toepassing van 0% btw is alleen mogelijk voor levering en installatie van zonnepanelen. Dit omvat alle leveringen en diensten die direct noodzakelijk zijn voor het aanbrengen en functioneren van de zonnepanelen.
Let op! Verhuur van zonnepanelen blijft belast met 21% btw, dus ook wanneer deze zonnepanelen op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen zijn geïnstalleerd.
4. Hoe werkt de regeling op nieuwbouwwoningen?
Nieuwbouwwoningen die met zonnepanelen worden opgeleverd, kennen straks twee regimes:
Zonnepanelen zonder een functie als dakbedekking (niet-geïntegreerde zonnepanelen) worden afgesplitst van de bouwsom en belast met 0% btw.
Zonnepanelen met ook een functie als dakbedekking (geïntegreerde zonnepanelen) gaan mee in de bouwsom tegen 21% btw.
5. Kun je vooruitbetalen in 2022?
Betaalt een afnemer in 2022 al voor zonnepanelen die in 2023 geleverd en geïnstalleerd worden op of in de onmiddellijke nabijheid van een woning, dan is hierover in beginsel 21% btw verschuldigd en dus niet 0% btw. De leverancier/installateur moet in die situatie een factuur verstrekken met 21% btw.
Tip! De regels rondom de btw op vooruitbetaling zijn afhankelijk van het tijdstip waarop een factuur wordt uitgereikt of had moeten worden uitgereikt. Dit laatste moet vóór het tijdstip van opeisbaarheid van de vooruitbetaling. Neem bij vragen over uw specifieke situatie contact met ons op.
Let op! Het plan om de btw op de levering en installatie van zonnepanelen op of in de nabijheid van woningen terug te brengen naar 0% moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen.