Kennisgroepstandpunt over co-ouderschapsregeling en inkomensafhankelijke combinatiekorting

De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst heeft de vraag beantwoord wanneer in situaties van co-ouderschap voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan aan art. 44b Uitv.reg. IB 2001 (versie 1 januari 2021) na het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, 22/00188, V-N 2022/42.3.

Na het arrest bestaat in situaties van co-ouderschap recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wanneer het kind in een periode van zes maanden ten minste 78 dagen in een doorgaans repeterend ritme in elk van beide huishoudens verblijft en aan de overige voorwaarden voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan. Deze periode van zes maanden hoeft niet aaneengesloten plaats te vinden.

(Bron: Belastingdienst)(

Kennisgroepstandpunt over vervreemden KEW/SEW in kader van echtscheiding

De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft een aantal vragen beantwoord voor de inkomstenbelasting over het vervreemden of splitsen van een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) of spaarrekening eigen woning (SEW) in het kader van echtscheiding.

De kennisgroep gaat in op de situatie waarbij in het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man de eigen woning en de eigenwoningschuld krijgt toebedeeld en de vrouw de KEW/SEW maar waarbij nog geen wijziging in de tenaamstelling van de KEW/SEW heeft plaatsgevonden. In dat geval komt de KEW/SEW niet volledig fictief tot uitkering, maar slechts voor de helft, namelijk voor het aandeel van de vrouw in de SEW/KEW. De vrouw kan voor haar aandeel in de KEW/SEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. In de situatie dat de eigen woning en de eigenwoningschuld al op naam van de man zijn gezet, maar de KEW nog niet volledig op naam van de vrouw is gezet, kan de man voor zijn aandeel in de KEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. Wel moet aan voorwaarden worden voldaan.

(Bron: Belastingdienst)

Correctiebeleid Belastingdienst leidt tot verlaging aanslag

Hof Amsterdam oordeelt dat een redelijke uitleg van het correctiebeleid meebrengt dat een van de aangifte afwijkende aanslag niet zal worden opgelegd, als de met de correctie gemoeide belasting minder dan € 225 bedraagt, ook niet als de inkomenscorrectie meer dan € 500 beloopt.

X geeft in haar aangifte IB/PVV 2016 een belastbaar bedrag aan van € 26.230 aan brengt daarbij € 2105 aan specifieke zorgkosten in aftrek. Conform de aangifte is aan X een voorlopige aanslag opgelegd met een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 2445. De inspecteur wijkt vervolgens van de aangifte af en laat de specifieke zorgkosten slechts voor € 1482 in aftrek toe. Het definitieve aanslagbiljet van X vermeldt een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 2676 en een te betalen bedrag van € 167. X betoogt dat het correctiebeleid van de Belastingdienst meebrengt dat de aanslag dient te worden vastgesteld conform de aangifte.

Hof Amsterdam oordeelt dat een redelijke uitleg van het correctiebeleid meebrengt dat een van de aangifte afwijkende aanslag niet zal worden opgelegd, als de met de correctie gemoeide belasting minder dan € 225 bedraagt. Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat een redelijke uitleg van het beleid meebrengt dat dit niet anders wordt als de inkomenscorrectie meer dan € 500 beloopt.

[Bron Uitspraak] Hof Amsterdam

Stijgende hypotheekrente, profiteer ervan bij een spaarhypotheek

In 2021 bereikte de hypotheekrente het laagste niveau ooit en was het lenen van geld bijna gratis. Veel woningeigenaren hebben hiervan geprofiteerd door bijvoorbeeld het rentecontract aan te passen. Hierdoor wordt de maandelijkse rentebetaling over het geleende bedrag lager. Toch is het niet altijd voordelig om een rentecontract met een lage rente te hebben. Soms kan een lagere rente zelfs ervoor zorgen dat u minder inkomen te besteden hebt. 

(Bank)Spaarhypotheek 

Afhankelijk van de hypotheekvorm, kan een hogere rente gunstig uitpakken voor uw maandlasten. Dit is vooral het geval als u een (bank)spaarhypotheek heeft. Bij deze hypotheekvorm is het rentebedrag dat u krijgt over uw (bank)spaarproduct vaak hetzelfde als de het bedrag dat u betaalt voor de gekoppelde hypothecaire lening. U bouwt het doelkapitaal dan ook op uit de te ontvangen rente en de periodieke inleg/premie. Samen vormen deze de waarde van het eindkapitaal. 

Wanneer de rente daalt, zult u dus periodiek meer geld moeten storten om het eindkapitaal te kunnen bereiken. Ondanks dat de brutolasten wellicht gelijk blijven, kunt u hier netto een nadeel van ondervinden. Dit komt omdat de betaalde hypotheekrente fiscaal aftrekbaar is, maar de periodieke storting niet. Hieronder een rekenvoorbeeld. 
 

Hypothecaire lening   Rentepercentage 1% 3% 5% 
Hoofdsom  €   200.000    Rente   €       2.000   €        6.000   €    10.000  
Looptijd 30   Periodieke inleg  €       6.440   €        3.544   €          718  
Resterende looptijd 12   Bruto  €       8.440   €       9.544   €     10.718  
Gespaard kapitaal  €   105.000    Hypotheekrenteaftrek   €          740   €        2.220   €       3.700  
    Netto  €       7.700   €        7.324   €       7.018  
Voorbeeldberekening, eenheden in jaren.    

Extra storten 

Vaak kunt u binnen het spaarproduct extra stortingen te doen. Over deze stortingen betaalt u meestal dezelfde rente als die van de gekoppelde hypothecaire lening. Met een extra storting kunt u op het spaargeld een gegarandeerd rendement halen, Kunt u de hypothecaire lening eerder aflossen en komt  het eindkapitaal eerder in zicht. Ook kunt u ervoor kiezen om in de toekomst eerder te stoppen met het betalen van de periodieke inleg/premie. Extra bijkomend voordeel is dat het vermogen niet meer meetelt in box 3. Voor het doen van extra stortingen gelden wel fiscale voorwaarden. 

Toeslagen en kortingen 

Als u recht hebt op hypotheekrenteaftrek, betekent dit dat u de hypotheekrente mag aftrekken van uw verzamelinkomen. Als de rente stijgt en uw verzamelinkomen door de renteafrek dus daalt, kan het zijn dat u recht krijgt op een toeslag of een verhoging van de toeslag. Ook een lager vermogen in box 3 kan hiervoor zorgen. Met name bij kinderopvangtoeslag kan dit een groot verschil opleveren, maar ook voor de zorgtoeslag of het kindgebonden budget kan dit voordeel opleveren.  

(Bron: Flynth)

Tweede Kamer stemt in met afschaffen salderingsregeling zonne-energie 

Eigenaren van zonnepanelen kunnen nu hun opgewekte energie nog salderen met de afgenomen energie. De Tweede Kamer stemde echter in met het vanaf 2025 afbouwen en het vanaf 2031 volledig afschaffen van de salderingsregeling op zonne-energie.

Eerste kamer

Of de salderingsregeling ook daadwerkelijk wordt afgeschaft, hangt af van de Eerste Kamer, die ook nog met het voorstel moet instemmen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de vergoeding voor aan de energieleverancier geleverde stroom die niet gesaldeerd wordt, tot 2027 minimaal 80% van het leveringstarief (exclusief belastingen en heffingen) bedraagt dat de eigenaar van de zonnepanelen afspreekt met de energieleverancier. Vanaf 2027 stelt de minister op basis van advies van de Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) iedere twee jaar de minimale vergoeding vast.

(Bron: Van Oers)

Eerst ingediende aangifte lattende partners bepalend voor eigenwoningaftrek

De heer X en mevrouw Y hadden sinds 22 december 2014 een geregistreerd partnerschap. Zij woonden in 2016 ieder in hun eigen woning op verschillende adressen. X bezat nog een tweede woning, die aan een derde was verhuurd. Tot het vermogen van X behoorden verder investeringen in twee bedrijven € 20.000 (in 2016) en € 37.225 (in 2017). X bezat verder 5.033 aandelen in een NV met een intrinsieke waarde van € 602.313 (2016). Het partnerschap tussen X en Y eindigde op 27 november 2018. Y diende haar aangifte IB 2016 een maand eerder in dan X. X en Y gaven ieder de woning waarin zij woonden aan als eigen woning in box 1. De inspecteur corrigeerde de aangifte IB 2016 van X omdat X en Y volgens hem in 2016 fiscale partners waren. X ging in beroep en stelde dat hij en Y geen fiscale partners waren. Verder stelde hij dat de (tweede) woning in box 3 als zijn eigen woning in box 1 moest worden aangemerkt. Daarnaast bepleitte hij lagere waarden voor alle bezittingen in box 3. Rechtbank Noord-Holland stelde X deels in het gelijk en besliste dat X de leegwaarderatio kon toepassen op de woning in box 3. X ging in hoger beroep maar Hof Amsterdam bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. X en Y waren heel 2016 geregistreerde partners en daarmee waren zij in 2016 ook elkaars fiscale partners, ook al stonden zij niet op hetzelfde adres ingeschreven in BRP en voerden zij geen gezamenlijke huishouding. X kon volgens het Hof maar één woning tot hoofdverblijf en als eigen woning aanmerken. Omdat X en Y beiden hun “eigen” woning in hun aangiften als eigen woning hadden aangemerkt en geen gezamenlijke keuze hadden gemaakt voor één van beide woningen moest de woning van degene die als eerste zijn aangifte had ingediend als eigen woning worden aangemerkt, en dat was Y. Met betrekking tot de overige bezittingen besliste het Hof dat X de leegwaarderatio mocht toepassen op de woning in box 3, dat de investeringen in de bedrijven door X zelf  waren bevestigd en dus niet te hoog waren opgenomen en dat de waarde van de aandelen in de NV voor het juiste bedrag in box 3 waren opgenomen omdat dit de waarde was ingevolge een door de accountant van deze NV gecontroleerde jaarrekening 2016. Het Hof verwierp tot slot de stelling van X dat € 4.000 van de privé ASN-spaarrekening moest worden toegerekend aan zijn IB-onderneming als reserve of een buffer voor zijn privéuitgaven in een periode waarop het minder goed ging met deze onderneming. X had volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat hij in het kader van de vermogensetikettering een deel van privébezittingen kon toerekenen aan de onderneming. Het bedrag was niet dienstbaar aan zijn onderneming zodat het volledige saldo van de ASN-bankrekening terecht tot het box 3-vermogen was gerekend. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Kritisch advies Raad van State  initiatiefwetsvoorstel vermogensbelasting

De Raad van State heeft een kritisch advies gepubliceerd over het initiatiefwetsvoorstel vermogensbelasting 2024.

Het wetsvoorstel wil een belasting over vermogen tegen een progressief tarief invoeren. De heffingsgrondslag is beperkt tot het vermogen dat in de inkomstenbelasting in box 3 in aanmerking wordt genomen. Box 1 en box 2-vermogen telt niet mee. Met het voorstel willen de initiatiefnemers de vermogensongelijkheid verminderen en een stabiele belastingopbrengst over vermogen met een regeling die uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en die begrijpelijk en uit te leggen is.

Middengroepen aangepakt, zeer vermogenden ontzien

De RvS concludeert dat de beoogde doelen maar in zeer beperkte mate worden bereikt. De beperking van de grondslag tot het vermogen in box 3 kan tot gevolg hebben dat het beeld ontstaat dat middengroepen worden aangepakt en zeer vermogenden worden ontzien. Aan de Belastingdienst is een uitvoeringstoets gevraagd. Hieruit bleek dat met het voorstel er geen sprake is van een uitvoerbare regeling voor de Belastingdienst.

Eigendomsrecht

Verder merkt de RvS op dat de initiatiefnemers het voorstel nader moeten motiveren in het licht van het eigendomsrecht. De voorgestelde tarieven zijn hoog, niet alleen vergeleken met de vroegere Nederlandse vermogensbelasting (0,7%), maar ook vergeleken met het buitenland. Er is bovendien niet voorzien in een anticumulatieregeling. Niet uitgesloten is dat de combinatie van een box 3 inkomstenbelastingheffing en een vermogensbelasting over dezelfde grondslag ertoe leidt dat deze gecombineerde heffing op stelselniveau de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan. Dit risico kan mogelijk worden beperkt door de som van beide belastingen te maximeren, vergelijkbaar met de vroegere zogenoemde 68%-regeling. Maar maximeren maakt de heffing wel complexer, wat extra druk legt op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.

Internationale aspecten

In de toelichting wordt onvoldoende ingegaan op de internationaalrechtelijke aspecten van de invoering van een vermogensbelasting in Nederland, op de (on)mogelijkheden om deze heffing in internationale verhoudingen te effectueren en – gelet op de ervaringen uit het verleden – op mogelijke gedragseffecten in internationaal verband. Een belangrijke reden voor de afschaffing van de vermogensbelasting per 2001 was dat deze in internationale verhoudingen eenvoudig kon worden vermeden. De RvS adviseert het wetsvoorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast.

(Bron: Taxence)

Auto privé of zakelijk kopen?

Wat je moet weten om optimaal te profiteren van de belastingregels

Als het gaat om mobiliteit moet je een belangrijke keuze maken: ga je een auto van de zaak rijden of gebruik je een privéauto zakelijk? Hoe zit het met de kosten in beide scenario’s. In dit artikel helpen we je een goed onderbouwde keus te maken.

Ondernemen houdt onder andere in dat je slimme keuzes moet maken. Ook als het gaat om je vervoer. Waar kies je voor? Laten we eerst bekijken welke scenario’s er zijn en welke gevolgen die scenario’s hebben op jouw onderneming. De focus in dit artikel: kies je voor een auto van de zaak of ga je een privéauto zakelijk rijden.

Auto van de zaak

Het eerste scenario is: je auto zakelijk kopen. Je zoekt een auto uit waar je graag in gezien wordt, boekt hem in op de zaak en voila: een auto van de zaak. Als je een auto op de zaak koopt, gaat de auto bij het vermogen van de onderneming horen.

Voordelen auto van de zaak

Als je kiest voor een auto van de zaak, heb je het voordeel dat je alle autokosten kunt opvoeren als bedrijfskosten. Je kunt onder andere de volgende kosten aftrekken van je winst:

  • Wegenbelasting (Motorrijtuigenbelasting)
  • Brandstof
  • Onderhoud
  • Parkeren
  • Verzekeringen
  • Afschrijving

Dat betekent dat je relatief voordelig in een mooie auto je zakelijke ritten kunt afwerken. Dat is het comfortabele en aantrekkelijke van een auto zakelijk kopen.

Btw zakelijke auto

Als je een auto volledig zakelijk rijdt, mag je de btw op alle kosten die je maakt voor je auto, terugvragen.

Nadelen auto van de zaak

Het grote nadeel van een auto van de zaak is de bijtelling voor zakelijke auto’s. Als je de auto van de zaak meer dan 500 kilometer per jaar privé rijdt, moet je een percentage bijtelling betalen over de nieuwwaarde van de auto. Dat kan flink oplopen, want het standaard bijtellingstarief is 22%. Bij je beslissing of je een auto van de zaak neemt, is het dus goed om na te gaan hoeveel zakelijke kilometers per jaar je rijdt. Als je maar weinig zakelijke ritten hebt, is het misschien beter om een privéauto zakelijk te rijden.

Als je kiest voor een duurzame zakelijke auto, zoals een volledig elektrische auto, kom je op dit moment nog in aanmerking voor een lager bijtellingstarief. Dat is dus niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor je portemonnee.

Youngtimer-regeling

Er is ook nog een andere manier om voordelig een auto zakelijk te rijden: via de youngtimer-regeling. In het kort komt het erop neer dat je een auto van 15 jaar of ouder op de zaak rijdt en bijtelling betaalt over de dagwaarde. Deze regeling is bij zzp’ers en andere ondernemers geliefd, want je kunt een luxe auto van de zaak rijden tegen een aantrekkelijk tarief.

Bijtelling voorkomen

Er zijn ook manieren om geen bijtelling voor je auto te betalen. Maar dan moet je aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals een sluitende rittenregistratie en een puur zakelijk gebruik van de auto. Lees hier alles over bijtelling voorkomen (inclusief handige tips).

Leasen of kopen?

Dan nog een laatste afweging als je een zakelijke auto overweegt: kopen of leasen? In de praktijk zijn er maar weinig ondernemers die in één keer een auto aanschaffen. Maar het kan voordelen hebben om dat te doen, bijvoorbeeld: je kunt aanspraak maken op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en afschrijving. De meeste ondernemers kiezen echter voor een vorm van zakelijk leasen, omdat ze daarmee geen dure investeringen hoeven doen en verder ontzorgd worden door de leasemaatschappij.

Privéauto zakelijk gebruiken

Een andere optie is: je gaat je privéauto zakelijk gebruiken. Een privéauto zakelijk gebruiken komt hierop neer: geen bijtelling, maar wel een vergoeding per zakelijke kilometer: € 0,19 per kilometer (vanaf 1-1-2023: € 0,21 per kilometer). Als je niet al te veel zakelijke kilometers per jaar rijdt, is dit vaak de voordeligste optie. Zeker omdat er naast de zakelijke kilometervergoeding meer mogelijk is. 

Tip: auto privé kopen en zakelijk boeken voor de btw

Wist je dat je een auto die je voor de inkomstenbelasting privé aanschaft, voor ‘zakelijke’ btw-aftrek kunt inschalen? Dat zit zo: bij de aanschaf van een auto kun je kiezen om de auto voor de inkomstenbelasting tot het zakelijke of het privévermogen te rekenen. De keuze die je maakt voor de btw staat hier los van. Je kunt de btw op de aanschaf van een privéauto dus aftrekken. 

Wanneer is die btw op de aanschaf van een privéauto aftrekbaar? Als je de auto tot het btw-ondernemingsvermogen rekent. Dat maakt het in veel gevallen interessant voor ondernemers om een privéauto zakelijk in te boeken voor de btw. Goed om te weten: je kunt dit alleen doen als je onderneemt als natuurlijke persoon, dus niet als dga van een bv of nv.

Als je kiest voor een zakelijk gebruik van je privéauto en je wilt de btw op zakelijke kosten terugvragen, moet je een sluitende kilometeradministratie bijhouden om aan te kunnen tonen wat je aandeel zakelijke ritten is. 

Keuzehulp: auto op de zaak of privé?

Soms is het voordeliger om de auto op de zaak te zetten, soms kun je beter voor privé kiezen. Wanneer is een bedrijfsauto voordeliger? Om hierin een goede keuze te maken, moet je de volgende dingen op een rijtje hebben:

  • De aanschafkosten
  • Het aantal zakelijke- en privékilometers
  • Het bijtellingspercentage
  • De leeftijd van de auto
  • De winstverwachting van de onderneming

Wat in jouw geval het meest gunstig is hangt heel erg af van jouw situatie, maar er zijn wel een paar vuistregels.

  1. Koop je een oude auto met een hoge cataloguswaarde en maak je veel zakelijke kilometers? Dan is het vaak voordeliger om je auto tot je privévermogen te rekenen, tenzij het een youngtimer is.
  2. Koop je een nieuwe auto met een laag bijtellingspercentage en rijd je voldoende zakelijk en ook privé? Dan is het vaak voordeliger je auto op te geven als ondernemingsvermogen.

Tip: zakelijk rijden doorrekenen

Afhankelijk van al de bovengenoemde factoren kun je berekenen wat uiteindelijk voor jou het meest voordelig is. Om dit exact te berekenen, is niet de makkelijkste klus. Online tools kunnen je hierbij helpen, maar die geven een beperkt beeld. Het is daarom slimmer om een accountant in te schakelen om je exacte voordeel te berekenen. 

Let op: de keuze die je maakt voor de inkomstenbelasting hoeft niet per se ook te gelden voor de btw. Daar kan het voordeel weer net anders liggen. Een boekhouder of accountant kan je daar meer over vertellen.

(Bron: MKB Servicedesk)

Definitieve percentages box 3 bekendgemaakt

Staatssecretaris Van Rij heeft op 15 maart de definitieve percentages voor 2022 voor bank- en spaartegoeden en schulden van de Wet rechtsherstel box 3 in het Staatsblad gepubliceerd. De percentages gaan per 16 maart 2023 in en gelden met terugwerkende kracht.

De rente op bank- en spaartegoeden is vastgesteld op 0,00%. (Was 0,01%). Voor schulden bedraagt het percentage 2,28%. Dit was 2,46%. Voor beleggingen/andere bezittingen is het nu 5,53%. Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 maart 2023 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 (voor bank- en spaartegoeden) en tot 1 januari 2022 voor schulden.

Wet bankenbelasting

Op grond van artikel 12 van de Wet bankenbelasting wordt het bedrag van de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet bankenbelasting opgenomen doelmatigheidsvrijstelling iedere vijf kalenderjaren startend per 1 januari 2018 geïndexeerd. Het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling is abusievelijk nog niet geïndexeerd per 1 januari 2023. De onderhavige regeling bewerkstelligt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 de vereiste indexatie van het bedrag van de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet bankenbelasting opgenomen doelmatigheidsvrijstelling. Daarbij wordt als correctiefactor het product van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de laatste vijf kalenderjaren genomen. Bij de berekening wordt het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling naar boven afgerond op een veelvoud van € 100 miljoen. De tabelcorrectiefactoren van de laatste vijf kalenderjaren zijn als volgt:

JaarTabelcorrectiefactor
20191,012
20201,016
20211,016
20221,013
20231,063

De Wet rechtsherstel box 3 stelt regels voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen (het box 3-inkomen) over de kalenderjaren 2017 tot en met 2022, om de heffing in box 3 in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.1 In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het op dat moment, sinds 1 januari 2017, geldende box 3-stelsel in bepaalde gevallen in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor die situaties vindt op grond van de Wet rechtsherstel box 3 rechtsherstel plaats.

Wet rechtsherstel box 3

Bij de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van de Wet rechtsherstel box 3 wordt het vermogen in box 3 onderverdeeld in drie categorieën: banktegoeden, schulden en overige bezittingen. Na de verdeling van het vermogen over de drie verschillende vermogenscategorieën wordt het rendement over het vermogen forfaitair bepaald. Voor elke vermogenscategorie geldt een eigen forfaitair rendementspercentage. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet rechtsherstel box 3 worden de forfaitaire rendementspercentages voor de categorieën banktegoeden en schulden voor het kalenderjaar 2022 na afloop van het kalenderjaar 2022 vastgesteld. Dit wordt door middel van deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 bewerkstelligd.

Bron: Ministerie van Financiën

Fiscale hardheidsclausule kan soms uitweg bieden

Als de belastingregels in specifieke situaties onevenredig hard uitpakken, kan de belastingplichtige soms nog een beroep doen op de ‘hardheidsclausule’. Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft op verzoek een overzicht van deze clausules naar de Tweede Kamer gestuurd.

Kamerlid Omtzigt had de staatssecretaris om een overzicht gevraagd in een debat over oplossingen voor gedupeerden van de toeslagenaffaire. De parlementaire commissie die dit debacle eerder onderzocht concludeerde namelijk onder meer dat uitvoerders rekening moeten kunnen houden met omstandigheden van mensen. Een hardheidsclausule is daar één van de mogelijkheden voor, zo erkent Van Rij.

Hardheidsclausule voor specifieke situaties

De hardheidsclausule is bedoeld voor specifieke situaties waarin de regels onevenredig nadelig uitpakken, en die de wetgever niet heeft voorzien of bedoeld. Was dat wel zo geweest, dan had de wetgever die nadelige gevolgen voorkomen, zo is de gedachte. De lat voor het toepassen van de hardheidsclausule ligt dus vrij hoog. Als de belastingwet vanwege persoonlijke omstandigheden nadelig uitpakt of als de belastingplichtige de wet persoonlijk onredelijk vindt, biedt een beroep op de clausule geen soelaas. En dus ook niet als de wetgever bepaalde gevolgen wel heeft voorzien, maar die voor lief heeft genomen.

Tegen afwijzing geen bezwaar en beroep mogelijk

Toch komt het nog wel geregeld voor dat het ministerie van Financiën een beroep op de hardheidsclausule goedkeurt. Zo is afgelopen februari een verzoek gehonoreerd voor een situatie waarbij een belastingplichtige revisierente moest betalen over vrijgekomen lijfrentekapitaal. En in december 2022 heeft Financiën ook een verzoek ingewilligd van een belastingplichtige die vanwege een specifieke situatie geen inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) kreeg.
Belastingplichtigen die een beroep willen doen op de hardheidsclausule kunnen dit sturen naar: Ministerie van Financiën, Corporate Dienst Vaktechniek, Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Overigens is tegen een eventuele afwijzing van een verzoek geen bezwaar en beroep mogelijk.

Invorderingswet krijgt ook hardheidsclausule

Niet alle wetten bevatten een hardheidsclausule. Op fiscaal gebied staat er al jarenlang een dergelijke clausule in de Algemene wet rijksbelastingen (AWR), zo schrijft Van Rij aan de Tweede Kamer. In de AWR staan de algemene regels voor de belastingheffing op landelijk niveau, zoals aan welke voorwaarden een aangifte moet voldoen. Ook in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) staat sinds medio 2020 een hardheidsclausule. De Awir bevat algemene regels voor het toekennen van toeslagen. Momenteel wordt er nog gewerkt aan het invoeren van een hardheidsclausule in de Invorderingswet, zo meldt Van Rij. In deze wet staan de regels waar de Belastingdienst zich aan moet houden bij het invorderen van bijvoorbeeld belastingschulden.

(Bron: Rendement)