Prinsjesdag 2019: verwachte fiscale wijzigingen voor de auto

Op Prinsjesdag zal de staatssecretaris naar verwachting ook een aantal nieuwe fiscale maatregelen met betrekking tot de auto presenteren. Een overzicht van deze verwachte wijzigingen.

Vermoedelijk zal het pakket belastingmaatregelen de volgende wijzigingen met betrekking tot de auto bevatten:

  • het verhogen van de bijtelling privégebruik elektrische auto van de zaak;
  • (misschien) een aanpassing van de bijtelling voor ‘youngtimers’;
  • een validatie bij de import van tweedehandsauto’s;
  • BPM-tarieven baseren op WLPT-testmethode;
  • een verlenging van de BPM-vrijstelling voor emissieloze auto’s;
  • een verlenging van de MRB-vrijstelling voor emissieloze personenauto’s;
  • verhoging van de MRB voor bestelbussen; en
  • de invoering van een vrachtwagenheffing.

Deze wijzigingen komen hieronder aan de orde.

Verhoging bijtelling privégebruik elektrische auto

In het Klimaatakkoord is een maatregel opgenomen om de bijtelling vanwege het privégebruik van een elektrische auto van de zaak te verhogen. Dit jaar bedraagt deze bijtelling 4% over de cataloguswaarde voor zover deze niet meer bedraagt dan € 50.000. Voor zover de cataloguswaarde hoger is, bedraagt de bijtelling 22%. Voor 2020 moet de fiscale bijtelling voor elektrische auto’s stijgen naar 8% voor zover de cataloguswaarde de € 45.000 niet overschrijdt. In 2021 bedraagt de bijtelling 12% over de eerste € 40.000. De gewone bijtelling blijft 22% bedragen. In de jaren na 2021 stijgt de bijtelling over de eerste € 40.000 totdat in 2026 geen onderscheid meer bestaat tussen elektrische en gewone auto’s van de zaak. Het kabinet moet deze maatregel nog in een wetsvoorstel opnemen.

Aanpassing bijtelling voor ‘youngtimers’

Men moet de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak in beginsel berekenen over de cataloguswaarde van die auto. Een uitzondering geldt als de auto ouder is dan 15 jaar. Met betrekking tot deze zogeheten ‘youngtimers’ is de waarde in het economische verkeer de grondslag voor de bijtelling. Deze waarde wil nogal eens lager uitvallen dan de cataloguswaarde, terwijl de desbetreffende youngtimer vervuilender is dan een nieuwe auto. De staatssecretaris van Financiën wil een en ander laten onderzoeken. Als de youngtimer-regeling het aankopen van youngtimers (te veel) stimuleert, kan de staatssecretaris besluiten deze regeling af te schaffen.

Validatie bij import tweedehandsauto’s

De staatssecretaris constateert dat de laatste jaren relatief meer schadevoertuigen zijn opgegeven bij de import van tweedehandsauto’s, zonder dat de vraag naar beschadigde auto’s in Nederland zo is gestegen. Hij vermoedt dat importeurs soms de schade van de desbetreffende auto’s overdrijven om de BPM te drukken. De staatssecretaris wil dit tegen gaan door het import- en aangifteproces aan te passen. Voordat men de BPM-aangifte indient, moet een validatie plaatsvinden. Bij voorkeur moet een onafhankelijke partij deze validatie uitvoeren. De staatssecretaris is hierover in gesprek met de RDW. Als de validatie slaagt, kan men de aangifte BPM indienen. Na betaling volgt dan direct een fiscaal akkoord en is het kenteken direct te verlenen. Als de validatie niet slaagt, is het niet mogelijk om BPM-aangifte te doen en een kenteken te verkrijgen. Eerst moet een nieuw waarderapport worden opgemaakt en gevalideerd.

BPM-tarieven gebaseerd op WLTP-testmethode

Het bedrag aan BPM dat autobezitters moeten betalen, is mede afhankelijk van de CO2-uitstoot van de desbetreffende auto en de BPM-tarieven. De wetgever zal per 1 juli 2020 de BPM-tarieven baseren op een nieuwe CO2-testmethode: de Worldwide Harmonized Light Vehicle Test Procedure (WLTP). Deze methode moet beter inzicht geven in het werkelijke brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van personenauto’s dan de vorige methode. Onder de nieuwe methode pakt de CO2-uitstoot van auto’s gemiddeld hoger uit. Maar het is niet de bedoeling dat alleen al door deze nieuwe testmethode de BPM stijgt. Daarom wil het kabinet de CO2-tarieven van de BPM per 1 juli 2020 naar beneden bijstellen. Zo blijft de gemiddelde BPM per auto naar verwachting ongeveer hetzelfde. Deze omzetting wordt geregeld via een wetsvoorstel dat op Prinsjesdag naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. De autobranche krijgt vervolgens tot 1 juli 2020 tijd om zich voor te bereiden.

Verlenging BPM-vrijstelling emissieloze auto’s

Op grond van de huidige wettekst geldt tot 1 januari 2021 een vrijstelling van BPM voor auto’s met een CO2-uitstoot van nihil. Op grond van het Klimaatakkoord wordt deze vrijstelling verlengd tot en met 2024. In 2025 zal een vaste voet gaan gelden voor emissieloze auto’s van € 360 per auto. Deze verlenging van de vrijstelling moet nog wel in een wetsvoorstel worden opgenomen. Misschien dat de staatsecretaris deze maatregel opneemt in het belastingpakket dat hij op Prinsjesdag 2019 presenteert.

Verlenging MRB-vrijstelling emissieloze auto’s

Volgens de Wetuitwerking Autobrief II vervalt op 1 januari 2021 de vrijstelling voor het rijksdeel van de motorrijtuigenbelasting voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van nihil. Maar in het Klimaatakkoord wordt deze vrijstelling verlengd tot en met 2024. In 2025 zal men voor emissieloze auto’s een percentage van (het rijksdeel van) de MRB van 25% betalen. Plug-in hybrides betalen MRB met een correctiefactor vanwege het zwaardere gewicht ten opzichte van brandstofauto’s. Ook deze verlenging van de vrijstelling moet nog in een wetsvoorstel worden vastgelegd.

Verhoging MRB voor bestelbussen

Vanaf 2021 zal een geleidelijke verhoging plaatsvinden van de MRB voor bestelbussen. Het moet gaan om een stijging van € 2 euro per maand per bestelbus vanaf 2021 tot en met 2024.

Invoering vrachtwagenheffing

Het kabinet heeft het voornemen om voor 2023 een vrachtwagenheffing in te voeren voor het vrachtverkeer uit binnen- en buitenland. De vrachtwagenheffing zal gelden voor binnenlandse en buitenlandse vrachtwagens van meer dan 3.500 kg. Rijdt een vrachtwagen op een weg waar de heffing geldt, dan registreert een on-board unit de afgelegde kilometers. Het tarief zal naar verwachting minimaal € 0,078 per afgelegde kilometer bedragen. Voor zwaardere en/of minder schone vrachtauto’s kan dit tarief oplopen tot € 0,26 per afgelegde kilometer. Private aanbieders van toldiensten gaan de registratie en inning van de vrachtwagenheffing op zich nemen. Dit plan is al verwerkt in een conceptwetsvoorstel dat voor internetconsultatie is voorgelegd. Maar misschien komt een echt wetsvoorstel wel in beeld op Prinsjesdag 2019.

(Bron: Taxence)

Werkt u met zzp’ers: zorg voor een goed contract! Arbeidsovereenkomsten ZZP

Uit de media heeft u wellicht vernomen dat er ingaande 2021 een en ander gaat wijzigen ten aanzien van zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). U zou kunnen redeneren: ‘als er dan pas iets wijzigt, dan hoef ik nu (nog) niets te doen. Dit is echter een misvatting.

Op dit moment heeft de Belastingdienst, indien zij ‘schijnzelfstandigheid’ constateert, alleen de mogelijkheid om in te grijpen ingeval van kwaadwillendheid. Per 2020, zal de Belastingdienst ook handhaven wanneer opdrachtgevers aanwijzingen van de Belastingdienst over de wijze van werken met zzp’ers niet (of in onvoldoende mate) binnen redelijke termijn opvolgen. Tot het moment dat de nieuwe wet in 2020 in werking treedt, zal de fiscale status van de zzp’er worden bepaald op basis van de feitelijke situatie. Om deze feitelijke situatie aan te tonen is het goed om een fatsoenlijk en degelijk contract met de zzp’er af te sluiten. U kunt gebruik maken van de modelcontracten van de Belastingdienst, maar deze zien alleen op de fiscale verstandhouding tussen u en de zelfstandige. 

Naleving arbeidswetgeving

De Inspectie SZW is niet gehouden aan de beperkingen die wel gelden voor de Belastingdienst op het gebied van sanctionering. De Inspectie SZW houdt toezicht op de naleving van arbeidswetgeving, zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Arbeidsomstandighedenwet, de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Het overtreden van de wetgeving, bijvoorbeeld door een dienstbetrekking met een werknemer ten onrechte als een overeenkomst met een zzp’er te kwalificeren, kan direct leiden tot handhaving door de Inspectie SZW. 

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?

Het is dan ook zaak, indien u werkt met zzp’ers, dat u zekerheid heeft over de feitelijke status van dit contract: is dit een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. U dient dan ook de samenwerking met een zzp’er op een correcte wijze juridisch vorm te geven. Dit begint bij een goede overeenkomst met de zzp’er, en dan niet de modelcontracten van de Belastingdienst, aangezien deze veel te beperkt zijn.

Wij adviseren u om deze samenwerking vast te leggen in een overeenkomst, waarin naast de fiscale situatie tevens de civiel-juridische situatie wordt verankerd. Op deze wijze vangt u twee vliegen in één klap.   

Twijfelt u over een arbeidsrelatie binnen uw onderneming of wilt u een degelijk contract met de zelfstandige zzp’er opstellen, neem dan contact op met ons.

(Bron: Koenen en Co) 

Een werknemer meldt zich ziek tijdens de vakantie. Wat nu?

Eindelijk vakantie! Een tijd waar iedereen naar uitkijkt. Een tijd waarin je zowel lichamelijk als geestelijk tot rust komt. En dan komt het: je wordt ziek. Balen! Weet u wat u als werkgever moet doen als één van uw werknemers zich tijdens de vakantie ziekmeldt? Geen zorgen! Wij geven u alle ‘ins en outs’.

Opstellen van een verzuimreglement

Als eerste is het van belang om regels op te nemen over ziekte tijdens de vakantie in uw verzuimreglement. Zo voorkomt u vervelende situaties. Voorbeelden van regels die u hierin op kan nemen, vindt u hieronder:

  • Als een werknemer tijdens vakantie ziek wordt, dan moet hij dit zo snel mogelijk en uiterlijk binnen 24 uur melden bij u als werkgever (en eventueel ook bij de arbodienst).
  • Uw werknemer moet een adres of telefoonnummer doorgeven waarop hij te bereiken is.
  • In de vakantieplaats moet de werknemer zich onder behandeling van een arts stellen en hiervan bewijzen bewaren.
  • Is de vakantietermijn om en kan uw werknemer op medische gronden nog niet terugkeren naar Nederland, dan zorgt hij ervoor dat hij bewijzen heeft van het feit dat hij niet kan reizen.
  • Uw werknemer neemt bij terugkeer in Nederland zo snel mogelijk contact met u op, zodat u hem kunt laten oproepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts.

Essentieel is om deze regels vooraf bij al uw werknemers kenbaar te maken, anders kunt u zich er niet op beroepen. Betrek ook een OR of personeelsvertegenwoordiging bij het opstellen van de verzuimregels.

Kostenbesparing

Daarnaast is het mogelijk om ziektedagen van zieke werknemers aan te merken als vakantiedagen. Dit kunt u doen om kosten te besparen. De volgende voorwaarden stelt de wet hieraan:

  • Deze afspraak moet zijn gemaakt in een schriftelijke overeenkomst (arbeidsovereenkomst of CAO) of moet de instemming van de werknemer hebben.
  • Het mag uitsluitend gaan om de ‘bovenwettelijke vakantiedagen’. Wettelijke vakantiedagen per jaar kunnen berekend worden door vier keer de wekelijkse arbeidsduur te nemen (dus 20 dagen bij een volle werkweek).

Als van tevoren niets is afgesproken, dan mag u als werkgever op het moment van de ziekmelding tijdens vakantie, met de werknemer afspreken dat die, ondanks ziekte, toch vakantiedagen opneemt. Als de werknemer hiermee niet akkoord gaat en duurt de ziekte tijdens vakantie voort, dan zijn dit ziektedagen.

Regelmatig vakantiedagen opnemen

Als laatste een tip voor u als werkgever: moedig uw werknemers aan om met regelmaat vakantiedagen op te nemen. Zo worden problemen voor de gezondheid en veiligheid van uw werknemers voorkomen. Het regelmatig opnemen van vakantiedagen bevordert de ‘herstelfunctie’ van de vakantie. Kortom, door regelmatig vakantiedagen op te nemen, voorkomt u verzuim.

Tips voor uw werknemers

Naast het kenbaar maken van het verzuimreglement bij uw werknemers, kunt u ze ook tips meegeven over ziekte tijdens de vakantie. Hieronder sommen we er een aantal voor u op:

  • Als u ziek bent op vakantie, meld dat dan altijd gelijk aan uw werkgever. Het is daarnaast aan te raden om naar een dokter te gaan en een officiële doktersverklaring te vragen. Op die verklaring moeten de diagnose, het advies van de arts en een verwachting van hoe lang u ziek bent staan. Mocht u discussies krijgen met uw werkgever, dan kunt u altijd de doktersverklaring overhandigen.
  • Laat uw werkgever weten waar u bent (het vakantieadres of het adres waar u wordt verpleegd). Zorg ervoor dat u bereikbaar bent voor uw werkgever. Is uw toestand ernstig? Waarschijnlijk willen zowel uw werkgever als uw collega’s dan graag op de hoogte gehouden worden. Geef ze daarom af en toe een update of vraag een reisgenoot om dat te doen.
  • Geef het door aan uw werkgever als u weer beter bent. Net zoals u dat zou doen als u thuis bent.

(Bron: Schipper)

“Een beetje genot is ook genot”, zegt het Hof Den Haag

Een erflater verkoopt een woning aan de toekomstige erfgenamen. Vervolgens blijft hij er zelf in wonen. Toch kunnen de erfgenamen bij zijn overlijden alsnog erfbelasting verschuldigd zijn over de waarde van de woning, ook al behoort deze niet tot de nalatenschap. Hoe zit dit? En is dit te voorkomen?

Moeder en dochter woonden gezamenlijk in een woning die eigendom was van moeder. Eind 2014 verkoopt moeder de woning aan dochter voor 155.000 euro. De WOZ-waarde was op dat moment 204.000 euro. De volledige koopsom wordt vervolgens kwijtgescholden. Deze schenking is voor een bedrag van 100.000 euro vrijgesteld op grond van de verhoogde vrijstelling voor een eigenwoningschenking, de zogenaamde ‘jubelton’. Het resterende bedrag is belast en dochter betaalt 5.500 euro aan schenkbelasting.  Moeder en dochter blijven de woning samen bewonen. Binnen 180 dagen na de eigendomsoverdracht komt moeder te overlijden.

Fictieve verkrijging

Na het overlijden van moeder wordt er aangifte erfbelasting gedaan. De woning wordt niet in de aangifte opgenomen omdat deze niet meer haar eigendom is. De inspecteur ziet dit anders. Op grond van een bepaling in de Successiewet wordt de woning aangemerkt als een fictieve verkrijging door de dochter. Het woongenot van moeder heeft immers voortgeduurd tot aan haar overlijden.   

De zaak komt voor de rechter. De rechtbank stelt de inspecteur in het ongelijk: “Noch uit de akte van levering noch uit de aangifte blijkt dat de woning is verkocht onder het voorbehoud van gebruik en bewoning, zodat geen sprake is van een in juridische zin gevestigd vruchtgebruik.” Er is slechts sprake van een persoonlijk gebruiksrecht.

Beperkt uitleg vruchtgebruik

Vervolgens komt de vraag in hoger beroep terecht bij Hof Den Haag. Het Hof oordeelt dat de woning – fictief – wel tot de nalatenschap van moeder behoort. Vast staat dat moeder na de verkoop tot haar overlijden in de woning is blijven wonen. Daardoor had zij het genot van de woning. De rechtbank heeft een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip ‘vruchtgebruik’. Dit is ook van toepassing wanneer er sprake is van een beperkt genot: “Een beetje genot is ook genot.” De woning wordt belast tegen de WOZ-waarde. De koopsom van 155.000 euro mag niet in aftrek worden gebracht, omdat deze geheel is kwijtgescholden.  

Hoe dit te voorkomen?

De heffing van erfbelasting had gemakkelijk kunnen worden voorkomen als moeder een vergoeding (huur) aan dochter had betaald. Die vergoeding moet ten minste 6% van de WOZ-waarde van de woning bedragen. Voor de erfbelasting wordt de waarde van een woning gesteld op de WOZ-waarde. Door het betalen van 12.240 euro aan huur per jaar aan dochter had deze tot maximaal 35.300 euro aan erfbelasting kunnen besparen.

Verder is er ook geen sprake van een fictieve verkrijging wanneer het genot uiterlijk 180 dagen voor overlijden eindigt.

(Bron: Alfa)

Deponeringsverplichting stichtingen in aantocht

Op 30 juni jl. is de brief van de ministers van Financiën en Veiligheid, waarin ingrijpende wijzigingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (wwft) en aanverwante regelgeving staan, bekend gemaakt. Deze wijzigingen kunnen voor stichtingen lastenverzwaring met zich meebrengen.

Verplicht de balans bij het handelsregister deponeren

Stichtingen zijn in het algemeen niet verplicht jaarlijks een financiële verantwoording bij het handelsregister te deponeren, tenzij sprake is van commerciële stichtingen. Een aantal jaren geleden is voorgesteld om hier verandering in te brengen, maar uiteindelijk zijn de veranderingen toen beperkt gebleven tot Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s ). Om voor fiscale faciliteiten in aanmerking te komen dienen ANBI’s aan bepaalde eisen te voldoen, onder andere publicatie van de financiële gegevens.

Het kabinet heeft recent aangekondigd dat alle stichtingen verplicht zullen zijn de balans en de staat van baten en lasten bij het handelsregister te deponeren. De veronderstelling van het kabinet is dat daarmee misbruik van financieel-economische aard kan worden tegen gegaan. Dit voorjaar is al een conceptwetsvoorstel transparantie maatschappelijke organisaties geconsulteerd, waarin een dergelijk voorstel was opgenomen. Het wetsvoorstel wordt na de zomer verwacht.

Ons advies

Wij adviseren not-for-profit organisaties de ontwikkelingen goed te volgen en mede met het oog op de lastenverzwaring die dit voorstel met zich mee kan brengen tijdig richting de politiek te reageren.

(Bron: Mazars)

Vanaf 30 december 2019 een nieuwe geharmoniseerde uitzend-cao

Er is een akkoord bereikt over een vernieuwde geharmoniseerde cao voor uitzendkrachten. De verschillen tussen de twee huidige uitzend-cao’s, de ABU-cao en de NBBU-cao, zijn gelijkgetrokken. Al blijven er weliswaar twee cao’s bestaan, de inhoud wordt vanaf 30 december 2019 gelijkluidend. De harmonisatie heeft een aantal wijzigingen tot gevolg.

Werkingssfeerbepaling

Aan de werkingssfeerbepaling wordt een lid toegevoegd dat relevant is voor uitzendondernemingen die hoofdzakelijk uitzenden in de bouw. Dit lid bepaalt dat de uitzend-cao niet meer van toepassing is op uitzendondernemingen die niet lid zijn van de ABU of de NBBU en geen dispensatie hebben én voor meer dan de helft van de totale loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen aan werkgevers in de zin van de cao Bouw & Infra.

Rechtspositie

Partijen hebben afspraken gemaakt over de minimale contractduur van uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd in fase A. Als binnen een maand na afloop van een eerdere uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding voor bepaalde tijd een nieuwe uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding voor bepaalde tijd wordt aangegaan bij dezelfde uitzendonderneming en dezelfde opdrachtgever, dan bedraagt de contractduur minimaal vier weken.

Verder is overeengekomen dat de telling van de fasen doorloopt als een uitzendkracht overgaat naar en in dienst treedt bij een andere uitzendonderneming binnen hetzelfde concern, tenzij de nieuwe uitzendonderneming aan de hand van de inschrijving, sollicitatie of andere feiten en omstandigheden laat zien dat dit op initiatief van de uitzendkracht is gebeurd. Wanneer een uitzendkracht overgaat naar een andere uitzendonderneming om zijn werkzaamheden bij dezelfde opdrachtgever te kunnen voortzetten, is zijn rechtspositie gelijk aan de rechtspositie bij de vorige uitzendonderneming en wordt bij inschaling rekening gehouden met eerder toegekende en / of nog toe te kennen periodieken. Let op: deze wijziging gaat in per 1 september 2019.

Inlenersbeloning

De inlenersbeloning wordt uitgebreid met toeslagen voor het werken onder fysiek belastende omstandigheden samenhangend met de aard van het werk (waaronder werken onder lage of hoge temperaturen, werken met gevaarlijke stoffen of vuil werk) en de regeling voor de vergoeding van reisuren en –tijd zoals deze bij de opdrachtgever geldt. Let op: deze wijziging gaat in per 2 september 2019.

Indien er voor wisselende opdrachtgevers wordt gewerkt in functies die (nagenoeg) hetzelfde zijn, dient er bij de toekenning van periodieken aan de uitzendkracht rekening gehouden te worden met al deze vergelijkbare uitzendingen. Let op: deze wijziging gaat in per 1 september 2019.

Vaststelling uurloon en / of ADV-compensatie

Op grond van de nieuwe cao krijgt de uitzendonderneming een ruimere onderzoeksplicht naar de vaststelling van de juiste beloning. De informatie zoals bevestigd of verstrekt door de opdrachtgever blijft leidend, maar indien nodig dienen andere bronnen geraadpleegd te worden om tot een juiste vaststelling van het uurloon en / of de ADV-compensatie te komen.

Compensatie-uren

In de geharmoniseerde cao geldt dat enkel de toeslag voor onregelmatige werktijden en / of overuren kan worden omgezet in tijd die de uitzendkracht als verlof kan opnemen. Overuren kunnen niet meer worden opgespaard als compensatie-uren.

Vakantiebijslag, vakantiedagen en feestdagen

De vakantiebijslag wordt verhoogd van 8,00% naar 8,33% van het feitelijk loon. Voor zowel de ABU- als de NBBU-cao wordt het aantal vakantiedagen vastgesteld op 25 dagen per jaar. De vervaltermijn voor wettelijke vakantiedagen in fase A en B / 1, 2 en 3 bedraagt één jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. De bovenwettelijke vakantiedagen en de wettelijke vakantiedagen in fase C verjaren na vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Bovendien wordt Bevrijdingsdag in lustrumjaren aangemerkt als feestdag. Op verzoek van de uitzendkracht kan worden overeengekomen dat de reserveringen voor bovenwettelijke vakantiedagen, kort verzuim / bijzonder verlof, feestdagen en vakantiebijslag periodiek worden uitgekeerd. .

  2019 2020
  NBBU-cao ABU-cao Nieuwe cao
Reservering Vakantiedagen 10,39 % 10,87 % 10,87%
  waarvan wettelijke vakantiedagen 8,66 % 8,70 % 8,70 %
  waarvan bovenwettelijke vakantiedagen 1,73 % 2,17 % 2,17 %
Reservering feestdagen 2,60 % 2,61 % 3,04 %
Reservering kort verzuim 0,60 % 0,60 % 0,60 %

Regeling voor extraterritoriale kosten

De ET-regeling blijft behouden. Wel is er een belangrijke wijziging aangebracht in de nieuwe cao-tekst. Met ingang van 30 december 2019 vindt de pensioenopbouw plaats over het loon voor uitruil.

Loon bij ziekte

De uitzendkracht heeft gedurende het eerste ziektejaar recht op 90% van het vastgestelde uitkeringsdagloon. Gedurende het tweede jaar heeft de werknemer recht op 80% van het vastgestelde uitkeringsdagloon.

CAO en AVV

De ABU- en de NBBU-cao kenden een looptijd tot 1 juni 2019. Aangezien de cao’s niet zijn opgezegd, zijn deze stilzwijgend met een jaar verlengd. De AVV (Algemeen verbindendverklaring) van de ABU-cao is ook verlengd met ingang van 1 juni 2019 en vervalt met ingang van 1 september 2019. Naar verwachting zal er voor de periode van 1 september 2019 tot 30 december 2019 geen nieuw verzoek tot verlenging van de algemeen verbindend verklaring worden ingediend. Dit betekent dat de ABU-cao in deze maanden niet algemeen verbindend zal zijn. Wilt u weten welke gevolgen dit voor u heeft, neem dan contact met ons op.

(Bron: Mazars)

Wijziging WW-premie: zo komt u in aanmerking voor het lage tarief

Vanaf 1 januari 2020 wijzigt de wachtgeldpremie (WW). Vanaf dan betaalt u als werkgever een hoge WW-premie bij een tijdelijk dienstverband en een lage premie bij een vast dienstverband. Het verschil tussen het hoge en lage tarief zal 5% zijn. Ontdek hoe u in aanmerking kunt komen voor het lage tarief.

De wijziging in de WW-premie maakt onderdeel uit van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB). De overheid wil zo het aanbieden van vaste arbeidscontracten aantrekkelijker maken.

Wilt u voor het lage WW-tarief in aanmerking komen? Zorg er dan voor dat:

  • arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd worden afgesloten,
  • deze arbeidsovereenkomsten zwart-op-wit staan, én
  • er vaste uren in de arbeidsovereenkomst staan (dus geen flexwerk).

Dus heeft uw medewerker een contract voor bepaalde tijd, een flexcontract en/of heeft u geen arbeidsovereenkomst zwart-op-wit? Dan geldt voor u het hoge tarief. Dit kost u 5% extra over het salaris van de medewerker, dus dit zorgt voor een flinke kostenpost.

Wel in vaste dienst, geen schriftelijke arbeidsovereenkomst?

Heeft u een medewerker in vaste dienst, maar is er geen arbeidsovereenkomst op papier vastgelegd? Dat kan bijvoorbeeld ontstaan doordat diegene na meerdere tijdelijke contracten in vaste dienst is gekomen. Zorg er dan voor dat u deze overeenkomst alsnog opstelt, vóór 1 januari 2020.

Het is raadzaam om hierover het gesprek aan te gaan met uw medewerker. Voor hem kan dit een belangrijk en spannend moment zijn. U kunt samen elkaars rechten en plichten vastleggen. En wie weet wilt u in het contract ook eventuele onderlinge afspraken opnemen, zoals over vrije uren en flexibel werken.

Een medewerker met min-maxcontract?

Heeft u een medewerker in dienst met nu nog een min-maxcontract? Ook dan kunt u ervoor zorgen dat u in 2020 in aanmerking komt voor het lagere tarief. Denk er bijvoorbeeld eens aan om uw medewerker dit jaar een vaste arbeidsovereenkomst aan te bieden, met het minimale aantal uren dat hij of zij werkt.

Hierbij geldt het lage tarief. Dit biedt u als werkgever financieel voordeel én uw medewerker meer vastigheid. U kunt daarbij een tweede contract opstellen: een flexcontract. Hierin staan de overige, flexibele uren. Voor dit contract geldt het hoge tarief.

(Bron: Accon AVM

Hoe zit het met vergoedingsrechten tussen samenwoners?

De vermogensrechtelijke verhouding tussen echtgenoten en geregistreerd partners wordt in het Burgerlijk Wetboek nauwgezet vastgelegd. Maar deze verhouding tussen ongehuwde samenwoners laat de wetgever grotendeels ongeregeld.

Aantrekkelijk, natuurlijk, voor wie niet veel opheeft met regels en wetten. Toch laat een recente uitspraak van de Hoge Raad zien dat het ontbreken van een samenlevingscontract niet (meer) betekent dat er geen aanspraken ontstaan van de ene partner op de ander.

Uitspraak Hoge Raad

De uitspraak van de Hoge Raad betrof een man en vrouw die een periode ongehuwd met elkaar samenwoonden, zonder samenlevingscontract. Tijdens de relatie financierde de vrouw uit eigen vermogen een verbouwing van de woning. De woning was echter eigendom van de man. Hierover maakten zij geen bijzondere afspraken. Na het verbreken van de relatie wilde de vrouw de kosten die zij had gemaakt voor de verbouwing, terugkrijgen. Tussen echtgenoten zou in dit geval meestal een vergoedingsrecht ontstaan: de vrouw zou een recht hebben gehad op een bepaalde vergoeding van de man. De waarde van de investering kwam immers alleen hem, als eigenaar van de woning, ten goede. De Hoge Raad maakte in deze uitspraak echter duidelijk dat de wettelijke regelingen die gelden voor echtgenoten, niet vanzelfsprekend ook gelden voor ongehuwde samenwoners. De vrouw kreeg geen recht op vergoeding.

Ongerechtvaardigde verrijking

Dit betekent niet dat een partner die geld steekt in bijvoorbeeld de woning van de andere partner, per definitie met lege handen staat. Als de man in de eerdergenoemde situatie verrijkt was door de verbouwing zónder rechtvaardiging, had de vrouw mogelijk wel op een vergoeding kunnen rekenen. Hiervoor is volgens de Hoge Raad vereist dat, als de vrouw niet had betaald, de man de verbouwing zelf zou hebben betaald. Maar de man in kwestie had de verbouwing zelf nooit kunnen betalen. Dus ook een beroep op ongerechtvaardigde verrijking hielp de vrouw niet verder.

Redelijkheid en billijkheid

De uitspraak opende echter wel de deur voor een vergoedingsrecht op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. ‘Tussen “informeel samenlevenden” bestaat een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt bepaald,’ aldus de Hoge Raad. Ook als de partijen er bewust voor hebben gekozen geen afspraken te maken over hun samenleving, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid een vergoedingsrecht doen ontstaan. De vrouw in deze casus voerde hier echter niets over aan, waardoor de Hoge Raad haar hierin niet tegemoet kon komen. Maar wie in een ander, vergelijkbaar geval meent een vergoedingsrecht te hebben, doet er dus goed aan te betogen dat in zijn of haar specifieke omstandigheden sprake is van een vergoedingsrecht op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

De makkelijkste oplossing

De beste optie blijft uiteraard om zelf het roer in handen te houden en uitdrukkelijke afspraken te maken met de partner. Dit kan bijvoorbeeld door een samenlevingscontract op te stellen, maar ook het simpelweg vastleggen van enkele afspraken kan al veel onzekerheid en onduidelijkheid voorkomen.

(Bron: Flynth)

Meerdere wijzigingen van het wettelijk minimumloon per 1 juli

Heeft u jongeren, studenten of scholieren in dienst? Let dan op. Naast een verhoging van het wettelijk minimumloon wordt de leeftijd voor het wettelijk minimumloon (WML) opnieuw aangepast. Ditmaal van 22 naar 21 jaar. Tegelijk gaat het minimumjeugdloon voor jongeren opnieuw omhoog. Een kort overzicht van de wijzigingen van het wettelijk minimumloon per 1 juli

Op 1 juli 2017 trad de eerste wijziging in het wettelijk minimumloon in werking. Per 1 juli 2019 volgt de reeds eerder aangekondigde tweede wijziging.

Een kort overzicht

1)         Leeftijd minimumloon naar 21

De leeftijd voor het wettelijk minimumloon gaat van 22 naar 21 jaar. Al uw medewerkers vanaf 21 jaar  hebben dan recht op het wettelijk minimumloon.

2)         Verhoging minimumjeugdloon

Het minimumjeugdloon voor 18-,19- 20-jarigen wordt verhoogd met een staffel in procenten.      

           huidige percentage *      vanaf 1 juli 2019

18        47.5 %                         50 %

19        55 %                            60 %

20        70 %                            80 %

21        85 %                            100 %

*   Percentage van het wml 22 jaar

De uitzondering voor de leerwerkplekken in verband met een beroepsbegeleidende leerweg ( BBL ) geldt nog steeds, voor leerlingen van 18, 19 en 20 geldt het verhoogde WML niet

(Bron: Flynth)

Bewijslast ongebruikelijkheid aanwijzing als eindheffingsbestanddeel bij inspecteur; vuistregel € 2.400 toets Belastingdienst gestrand!

De Hoge Raad heeft arrest gewezen in de procedure over de vraag of de toekenning van (bonus)aandelen als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling mag worden aangewezen. Hierbij geeft de Hoge Raad ook zijn visie op de € 2.400 vuistregel van de Belastingdienst.

Casus

Nog even ter herinnering de casus: een groep werknemers neemt deel aan een aandelenplan. Onder voorwaarden krijgen de werknemer om niet aandelen toegekend. Al voor de invoering van de werkkostenregeling kwamen de verschuldigde loonheffingen over de toegekende aandelen voor rekening van de werkgever. Ook ná invoering van de werkkostenregeling komen de verschuldigde loonheffingen voor rekening van de werkgever. De werkgever besluit dan namelijk om het voordeel dat voortvloeit uit de toekenning van de bonusaandelen als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling aan te wijzen en ten laste van de vrije ruimte te brengen. De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat de aanwijzing van dit voordeel de zogenoemde gebruikelijkheidstoets niet doorstaat, met name vanwege de hoogte van de verstrekking.

Rechtbank Noord-Holland stelt werkgever in het gelijk

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur in het geheel niet duidelijk heeft kunnen maken waarmee hij de onderhavige situatie heeft vergeleken. Dat een doelmatigheidsgrens van € 2.400 in het Handboek Loonheffingen is opgenomen en dat de meeste inhoudingsplichtigen deze grens accepteren, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de inspecteur daarmee het van hem gevraagde bewijs heeft geleverd. Er is derhalve niet komen vast te staan dat belanghebbende de door haar verrichte verstrekkingen niet mocht aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. De Belastingdienst moet aantonen dat iets ongebruikelijk is en heeft dat in de onderhavige casus nagelaten.

Gerechtshof Amsterdam

Gerechtshof Amsterdam is een tegengestelde mening toegedaan. Het Hof stelt dat dat bij het aanwijzen als eindheffingsbestanddeel rekening moet worden gehouden met “naar algemene maatschappelijke opvatting gebruikelijke normen”. Het Hof oordeelt dat de toekenning van hoge bonussen, te weten de bonusaandelen aan een beperkte groep van werknemers, naar algemene maatschappelijke opvatting ongebruikelijk is. Om die reden kan het beloningsvoordeel niet als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling worden aangewezen.

Hoge Raad legt bewijslast ongebruikelijkheid aanwijzing eindheffingsloon bij inspecteur neer

De Hoge Raad maakt korte metten met het standpunt van het Hof en stelt dat is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de wettekst. Een redelijke bewijslastverdeling brengt met zich mee dat de inspecteur feiten en omstandigheden dient te stellen die het standpunt kunnen dragen dat niet aan het gebruikelijkheidsvereiste wordt voldaan. De bewijslast dat het aanwijzen van een beloningsvoordeel als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling ongebruikelijk is, komt hiermee bij de inspecteur te liggen. Daarnaast stelt de Hoge Raad dat gelet op de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling aan deze stelplicht niet worden voldaan door uitsluitend te verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidstoets van € 2.400 per werknemer per jaar. De doelmatigheidstoets van de Belastingdienst strandt hiermee.

Bewijslast

De Hoge Raad stelt voorts dat, buiten de omstandigheid dat de gebruikelijkheidstoets er in algemene zin op is gericht om oneigenlijk gebruik van de werkkostenregeling als eindheffing te beperken en extreme situaties te voorkomen, de totstandkomingsgeschiedenis van de werkkostenregeling nauwelijks aanknopingspunten biedt over de wijze waarop aan de genoemde stelplicht kan worden voldaan. Hierover is dan naar onze mening kennelijk bij de invoering van de werkkostenregeling niet voldoende nagedacht. De Hoge Raad poogt nog handvatten mee te geven voor de wijze waarop aan de bewijsplicht kan worden voldaan, maar die zijn naar onze mening nog weinig zeggend. Verwijzing van de zaak naar het Hof volgt voor een nieuwe behandeling van de vraag of aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.

(Bron: BDO)