Pand verkopen aan uw eigen bv? Let op zakelijke voorwaarden

Verkoopt u (onroerende) goederen aan uw eigen bv? Zorg ervoor dat u dan een zakelijke prijs overeenkomt. Doet u dit niet, dan is namelijk sprake van een verkapte dividenduitkering. 

Als u met uw eigen bv zaken doet, dan is het van belang dat u daarbij altijd zakelijke voorwaarden overeenkomt. Zakelijke voorwaarden zijn voorwaarden waarmee een derde partij in dezelfde omstandigheden ook akkoord zou gaan. Verkoopt u (onroerende) goederen aan uw bv? Zorg dan voor een zakelijke prijs. Betaalt de bv een te hoge prijs? Dan is meestal sprake van een verkapte winstuitdeling. 

Wat is een verkapte winstuitdeling?

Van een winstuitdeling is sprake als een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder. Het vermogen van de aandeelhouder moet door de verschuiving toenemen ten laste van het vermogen van de vennootschap. Om te kunnen spreken van een verkapte winstuitdeling, is daarnaast vereist dat de aandeelhouder en de bv zich bewust zijn van de vermogensverschuiving. 

Verkapte winstuitdeling: een voorbeeld uit de praktijk

Een ondernemer heeft in privé een woning gekocht voor € 660.000. Enkele jaren na aankoop wil de ondernemer het huis weer verkopen. De vraagprijs wordt vastgesteld op € 1.020.000. Het huis wordt niet verkocht en twee jaar later verlaagt de ondernemer de vraagprijs naar € 950.000. Vervolgens wordt het huis verkocht aan de eigen bv, voor € 850.000. Daarna wordt  het huis opnieuw te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 675.000; de woning wordt uiteindelijk verkocht aan een derde voor € 500.000.

Volgens de Belastingdienst is het pand op het moment van verkoop aan de bv € 625.000 waard. Het verschil tussen deze waarde en de betaalde prijs van € 850.000 is volgens de Belastingdienst een verkapte winstuitdeling van de bv aan haar aandeelhouder. 

Gerechtshof: verkapte winstuitdeling

Het geschil komt bij het Gerechtshof. Volgens het Hof is inderdaad sprake van een verkapte winstuitdeling. De aandeelhouders waren zich bewust van de vermogensverschuiving die door de verkoop van het pand had plaatsgevonden. Op het moment van verkoop was al enkele jaren sprake van een negatieve marktontwikkeling. De aandeelhouders mochten er daarom niet van uitgaan dat de waarde van het pand hoger was dan de prijs die de aandeelhouders bij aankoop van het pand hadden betaald. Dit blijkt ook uit het feit dat zij het pand in eerste instantie niet verkocht kregen en uit de dalende Woz-waarde in de jaren voordat het pand aan de bv werd verkocht.

De winstuitdeling leidt tot een hogere belastbare winst, en dus heffing van vennootschapsbelasting bij de bv én tot heffing van inkomstenbelasting bij de aandeelhouder.

(Bron: ABAB)

Negatief rendement oudedagsverplichting dga

Heeft u als directeuren-grootaandeelhouder (dga) uw pensioenverplichting fiscaal vriendelijk omgezet in een oudedagsverplichting (ODV)? Dan wordt deze ODV-uitkering jaarlijks geïndexeerd. Door de ontwikkelingen op de financiële markten wordt uw pensioenpotje in 2020 gekort of afgewaardeerd. 

Vanaf uw AOW-leeftijd wordt deze verplichting omgezet in ODV-uitkeringen die in twintig gelijke delen wordt uitgekeerd. De fiscale ODV wordt ieder jaar geïndexeerd met een vastgesteld rentepercentage dat is afgeleid van het zogeheten gemiddelde U-rendement over het voorgaande jaar. De gedachte is altijd geweest dat de ODV-waarde of -uitkeringen hierdoor wat zouden stijgen door de tijd heen.

Negatief rendement oudedagsverplichting

Het te hanteren rentepercentage voor 2020 is bekend en is negatief: -0,107%. In de wet is geen minimum te hanteren percentage van 0% opgenomen. Als we de wet volgen, betekent dit het volgende:

  • Voor ODV-uitkeringen die al ingegaan zijn, vindt er een lagere uitkering plaats.
  • Voor ODV-uitkeringen die nog niet zijn ingegaan, wordt de waarde op de balans verlaagd per 31 december 2020 (bij een boekjaar dat gelijk loopt aan een kalenderjaar) ten opzichte van de stand per 1 januari 2020. De verlaging zorgt voor een kleine vrijval in de winst voor het boekjaar 2020. 

Korten of afwaarderen van oudedagsverplichting

In plaats van indexeren zal er dus gekort of afgewaardeerd moeten worden in 2020. Het is niet de verwachting dat de wet wordt aangepast en dat er een minimum van 0% rente zal gaan gelden.

(Bron: ABAB)

Geen naheffing mogelijk bij een ambtshalve teruggave omzetbelasting

De Belastingdienst kan eerder teruggegeven btw niet naheffen als de teruggave er niet toe heeft geleid dat er te weinig belasting is betaald. Dat uitgangspunt is ook van toepassing als de teruggave ambtshalve is verleend, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad.

De casus

X is dirigent. In 2013 dient X naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank bezwaarschriften omzetbelasting in over de jaren 2008 tot en met 2011. De rechtbank oordeelde in die uitspraak dat het verlaagde btw-tarief ook van toepassing is op repetities als deze nauw samenhangen met uitvoeringen. De bezwaarschriften worden vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze te laat zijn ingediend. X staat dan met lege handen.
X geeft echter niet op en dient toch suppleties omzetbelasting in. Naar aanleiding van deze suppleties worden in 2013 ambtshalve teruggaven aan X verleend. De inspecteur stelt in 2013 echter ook een boekenonderzoek in en legt btw-naheffingsaanslagen op ter zake van de eerder teruggegeven btw, omdat de teruggaven verleend zouden zijn in strijd met het beleid van de Belastingdienst. De bezwaarschriften waren immers eerder al niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur stelt daarbij dat aan de uitspraak van de rechtbank geen terugwerkende kracht mag worden ontleend. Uiteindelijk komt de vraag op of naheffing mogelijk is bij eerder, volgens intern beleid van de Belastingdienst, onterecht teruggegeven btw.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad heeft een uitspraak gedaan in deze zaak waaruit volgt dat naheffing door de Belastingdienst niet mogelijk is wanneer de (ambtshalve) teruggaaf niet ertoe heeft geleid dat te weinig btw is betaald. Ook niet als een inspecteur de teruggave heeft verleend in strijd met intern beleid van Belastingdienst.

(Bron: Van Oers)

Kosten implantaten en kronen aftrekbaar

De kosten van kronen en implantaten zijn aftrekbaar als zorgkosten, aldus gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Volgens het hof zijn het namelijk kosten voor hulpmiddelen en komen ze daarom voor aftrek in aanmerking.

Hulpmiddelen

Hulpmiddelen zijn onder andere middelen die een persoon in staat stellen tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Volgens het hof is hiervan sprake bij kronen en implantaten. Het ontbreken van een tand in een gebit zorgt volgens het hof voor een dusdanige functionele beperking, dat iemand zonder implantaat en kroon onvoldoende in staat is om vast voedsel te verwerken. Dit is volgens de rechters zeker het geval als meerdere tanden of kiezen ontbreken. Kronen en implantaten zijn niet aan te merken als tandheelkundige hulp, maar als hulpmiddel. Dit betekent dat lagere inkomens hierdoor voor de kosten van kronen en implantaten een extra aftrek krijgen. Deze zouden ze niet krijgen als kronen en implantaten wel als tandheelkundige hulp zouden kwalificeren. 

U kunt pas vanaf een bepaald bedrag, het drempelbedrag, specifieke zorgkosten aftrekken. Wat de bedragen zijn, vindt u op de site van de Belastingdienst. 

(Bron: KoenenCo

Failliete dga mag geen borgstellingsverlies aftrekken

Rechtbank Gelderland oordeelt dat een dga geen verlies uit borgstelling mag aftrekken als hij door zijn eigen slechte financiële positie nooit zijn borgstellingsverplichting kan vervullen.

Als een dga borg staat voor zijn B.V. en als borg wordt aangesproken, mag hij in principe in het desbetreffende jaar een voorziening vormen met betrekking tot de regresvordering op zijn B.V. Het is niet verplicht dat de dga de borg al in dat jaar daadwerkelijk heeft betaald. In de praktijk komt het vaak voor dat de Belastingdienst de vorming van zo’n voorziening niet accepteert omdat de dga zich puur uit aandeelhoudersmotieven borg stelt. Maar soms voldoet de dga al niet aan de normale voorwaarden voor het vormen van een voorziening. Dga’s en ondernemers vormen namelijk voorzieningen voor een toekomstige uitgave. Deze toekomstige uitgave moet haar oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voor de balansdatum hebben voorgedaan. Deze feiten en omstandigheden moeten ook toerekenbaar zijn aan die periode.

Geen voorziening

Ten slotte moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgave zich zal voordoen. Men mag geen voorziening vormen voor kosten waarvan (bijna) vaststaat dat de dga of ondernemer ze nooit zal maken. In de zaak voor de rechtbank was de financiële positie van de desbetreffende dga op de balansdatum zo slecht dat hij zijn borgstellingsverplichting niet kon voldoen. De dga stelde dat hij voldoende verdiencapaciteit had en nog tantièmes verwachtte te ontvangen. Hij wist dit echter onvoldoende te onderbouwen. De rechtbank oordeelt daarom dat de man voor zijn regresvordering op zijn B.V. geen voorziening mag vormen.

(Bron: Taxence)

Door wijziging economisch belang bij aandelen vrijval HIR

Een B.V. kan een herinvesteringsreserve niet afboeken op nieuwe bedrijfsmiddelen als voor aanschaf van de nieuwe bedrijfsmiddelen het belang bij de aandelen in de B.V. voor meer dan 30% is gewijzigd.

Een vastgoed B.V. had een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd vanwege de verkoop van vastgoed. Op 16 december 2011 kocht de B.V. nieuw vastgoed en wenste daarop de HIR af te boeken. Begin 2011 waren onderhandelingen begonnen over de verkoop van de aandelen in de vastgoed B.V. Daarvoor was een stappenplan opgesteld op 1 juli 2011. Op 20 november 2011 was een koopbevestiging opgesteld waarin stond wie de nieuwe aandeelhouders zouden worden. Uiteindelijk vond na uitvoering van het stappenplan 2012 de levering van de aandelen in de vastgoed B.V. plaats aan de nieuwe aandeelhouders op 24 mei 2012.

Feitelijk economisch belang bij aandelen al eerder bij kopers

In geschil bij Rechtbank Gelderland is de vorming van de HIR. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn betoog. De inspecteur stelt dat het economische risico bij de aandelen in de vastgoed B.V. feitelijk op of rond 20 november 2011 al is overgegaan op de nieuwe aandeelhouders. Dit was voordat de B.V. het nieuwe vastgoed op 16 december 2011 aankocht. De rechtbank wijst daarvoor op een e-mailbericht van 2 januari 2011 waarin al een voornemen tot overname van de aandelen stond. Dit voornemen is vervolgens verder concreet gemaakt door een uitgewerkt stappenplan van 1 juli 2011 dat later in 2011 en 2012 daadwerkelijk is uitgevoerd. Ook de bank wilde dat de aandelen werden overgedragen, omdat verdere financiering voor aankoop van het nieuwe vastgoed afhankelijk was van de overdracht van de aandelen.

Al op 20 november 2011 overeenstemming koopprijs aandelen

Belangrijk verder voor de stelling van de inspecteur was ook dat de prijs van de aandelen al was bepaald op 20 november 2011. Verder kent de rechtbank gewicht toe aan het feit dat door het stappenplan vast stond welke beslissingen genomen zouden gaan worden tot het feitelijke moment van aandelenlevering. Daardoor hadden de kopers van de aandelen al vanaf 20 november 2011 het feitelijke belang bij de aandelen in de vastgoed B.V. Tot slot wijst de rechtbank nog op het bepaalde in de leveringsakte van de aandelen. Hierin staat dat de aandelen vanaf 1 januari 2011 voor rekening en risico komen van de kopers. Conclusie is dat de gevormde HIR al voor aanschaf van het vastgoed in 2011 moest vrijvallen.

(Bron: Taxence)

Meeste zonnepaneelhouders ontsnappen aan herziening BTW

De invoering van de nieuwe kleineondernemersregeling (KOR) kan ook gevolgen hebben voor particulieren die BTW op hun zonnepanelen proberen terug te krijgen. Zij zouden mogelijk de BTW die ze eerder hebben teruggekregen moeten herzien, ofwel terugbetalen. Maar volgens het kabinet ontsnappen ‘vrijwel alle’ zonnepaneelhouders daaraan.

Nu is de KOR nog gekoppeld aan het bedrag aan BTW dat een ondernemer in een jaar afdraagt. Maar vanaf 2020 verandert dat. Voor de KOR ‘nieuwe stijl’ geldt een grens van € 20.000 aan in Nederland belaste omzet. Ondernemers die onder dat grensbedrag blijven kunnen ervoor kiezen om de regeling te gebruiken.

Vrijstelling van BTW-administratie

De KOR scheelt ondernemers nogal in het papierwerk voor de BTW. Onder voorwaarden hoeven zij namelijk geen BTW-administratie bij te houden en hoeven ze ook geen BTW-aangifte meer te doen. De regeling is dus een uitkomst voor particulieren die zonnepanelen aanschaffen en de BTW daarop willen terugvragen. Zij melden zich wel aan als ondernemer, maar zitten in de regel niet te wachten op alle administratieve verplichtingen die horen bij het BTW-ondernemerschap.

Van BTW-belast naar BTW-vrijgesteld

Onder de huidige KOR zijn deze ondernemers nog ‘BTW-belast’, maar als zij de nieuwe regeling gaan gebruiken zijn zij ‘BTW-vrijgesteld’. Dat wil zeggen dat zij BTW op aangeschafte spullen niet in aftrek mogen brengen. Dit zou betekenen dat ondernemers die vóór 2020 de BTW op hun zonnepanelen hebben teruggevraagd nu tegen een ‘herziening’ aanlopen.
Om dat te voorkomen is er een herzieningsdrempel van € 500 per jaar, benadrukt staatssecretaris Snel van Financiën. In de memorie van antwoord bij het Belastingplan 2020 die hij naar de Eerste Kamer heeft gestuurd rekent hij voor dat hierdoor investeringen tot € 11.904 exclusief BTW per jaar buiten de herziening vallen. Volgens de staatssecretaris komt het erop neer dat ‘vrijwel alle’ particuliere zonnepaneelhouders onder die grens blijven. Wel moeten zij er rekening mee houden dat de keuze voor de nieuwe KOR geldt voor drie jaar. De BTW op eventuele nieuwe investeringen in zonnepanelen kunnen zij in die periode dus niet in aftrek brengen.

Straks ook nog BTW terugvragen op zonnepanelen

Los van de herziening blijven de mogelijkheden onder de nieuwe KOR hetzelfde voor zonnepaneelhouders, schrijft Snel. Als zij kiezen voor deelname aan de KOR in het jaar ná de aanschaf van de zonnepanelen, hoeven zij maar één keer BTW-aangifte te doen. In die aangifte kunnen zij de BTW op de aanschafkosten terugvragen. Daar gaat de BTW op de opgewekte stroom (volgens een forfait) vanaf. De Belastingdienst heeft hiervoor een speciaal aanmeldformulier en ook meer uitleg op zijn website staan.

(Bron: Rendement)

Verbod op contante betalingen handelaar vanaf € 3.000

De openbare consultatie van het wetsvoorstel plan van aanpak witwassen is op 2 december van start gegaan. Een van de maatregelen in dit voorstel is een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000 voor handelaren.

In het plan van de ministers van Financiën en Justitie en Veiligheid voor een gezamenlijke aanpak van witwassen zijn drie maatregelen opgenomen. In de eerste maatregel is een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000 opgenomen. Dit verbod gaat gelden voor handelaren, dit zijn beroeps- of bedrijfsmatige verkopers van goederen. Hierdoor moet het moeilijker worden om geld wit te wassen door dure goederen te kopen.

Makkelijker gegevens uitwisselen

Door de tweede maatregel moeten instellingen zoals banken makkelijker gegevens met elkaar kunnen uitwisselen over verdachte transacties. Deze regel maakt het mogelijk om gezamenlijk transacties te monitoren.
In de derde maatregel is opgenomen dat instellingen, die voldoen aan de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, informatie met elkaar kunnen uitwisselen als er bij hun cliënten tekenen zijn van integriteitsrisico’s. Zij moeten door deze maatregel altijd onderzoeken of hun cliënt gebruik maakt (of eerder gebruik heeft gemaakt) van de dienstverlening bij andere instellingen. Is dit zo, dan moeten zij nadere informatie opvragen. Zij zijn ook verplicht om deze informatie te verstrekken. Criminelen kunnen hierdoor niet meer ongezien steeds naar andere financiële instellingen stappen om hun financiële handel en wandel te verdoezelen.
Op het plan kan tot en met 13 januari 2020 gereageerd worden.

(Bron: Rendement)

Oordeel EHRM over box 3 geldt voor iedereen

Staatssecretaris Snel van Financiën heeft aangegeven dat als de procedure over de box 3-heffing bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het voordeel van de belastingplichtige wordt beslecht, deze uitkomst ook zal gelden voor alle anderen. De belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure 2013 en 2014 vallen hoeven dan niet ook nog naar het EHRM te stappen om hun gelijk te krijgen.

In juni 2019 heeft de Hoge Raad aangegeven dat de box 3-heffing over 2013 en 2014 in strijd was met artikel 1 van het EVRM, maar onze hoogste rechter vond wel dat er dan ten aanzien van de heffing sprake moest zijn van een buitensporig zware last.  De Bond voor Belastingbetalers is hierop in opdracht van een aantal belastingplichtigen een procedure gestart bij het EHRM. Zij wil van het EHRM weten of de box 3-heffing over 2013 en 2014 een schending is van artikel 1 van het EVRM.

Eenzelfde financiële vergoeding krijgen

Krijgen deze belastingplichtigen gelijk dan zouden in principe alle andere belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen ook een individueel verzoekschrift bij het EHRM moeten indienen om gelijk te krijgen. Dit vindt de staatssecretaris echter ongewenst. Hij belooft daarom dat als het EHRM concludeert dat de box 3-heffing een schending van artikel 1 van het EVRM is in de zaak van de Bond voor Belastingbetalers, alle deelnemers aan de massaalbezwaarprocedure uit de aanwijzing eenzelfde financiële vergoeding krijgen als de belastingplichtigen uit de EHRM-zaak.

(Bron: Rendement)

Vragen over: voorbereiding op de Brexit

De verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk hebben aan in elk geval op één vlak een eind gemaakt aan onduidelijkheid: de Brexit komt er. Nu premier Boris Johnson af is van een dwarsbomend parlement, kunnen de Britten op 31 januari 2020 afscheid nemen van de Europese club. Tegelijkertijd blijft op andere vlakken de onzekerheid bestaan. Want: hoe gaat de toekomstige handelsrelatie tussen eruit zien? Voorbereiding blijft dus nodig.

Johnson heeft de Brexit-moeheid bij de Britten weten te verzilveren. Met de slogan ‘Get Brexit done’ heeft hij de felbegeerde meerderheid in het Britse Lagerhuis binnen. Dat betekent dat Johnson ook de nieuwe deal die hij in oktober heeft gesloten met de Europese Unie soepeltjes door het parlement moet kunnen loodsen. Ook het Europees Parlement moet daarna nog instemmen met de overeenkomst. Maar als alles loopt zoals verwacht, zijn de Britten op 31 januari 2020 daadwerkelijk formeel vertrokken uit de EU. 

What’s next?

De EU en de Britten gaan na de Brexit in gesprek over de toekomstige handelsrelatie. In eerste instantie geldt er een overgangsperiode, dus op 1 februari 2020 verandert er eigenlijk nog weinig. Deze overgangsperiode duurt tot eind 2020, maar kan nog met twee jaar verlengd worden. De eerstvolgende belangrijke datum daarbij is 1 juli 2020. Dan moeten de partijen besluiten of er genoeg schot in de zaak zit om het nieuwe handelsakkoord al per 2021 te laten ingaan. Zo niet, dan moet er dus een verlenging komen van de transitieperiode. Johnson ziet zo’n verlenging helemaal niet zitten, zo vertelt hij overal. Maar experts vinden één jaar voor het uitonderhandelen van zo’n ingewikkeld akkoord op zijn zachtst gezegd nogal krap. Stel dat er geen uitstel komt maar ook geen akkoord, dan ligt alsnog het chaotische ‘no deal-scenario’ op de loer. Ook als het niet zo ver komt, zullen het pittige onderhandelingen zijn. Belangrijke vraag daarbij is bijvoorbeeld hoeveel EU-regels de Britten moeten volgen.

Op welke gebieden kan de Brexit impact hebben?

Voor een deel hangt dat er nog vanaf hoe de toekomstige handelsrelatie eruit komt te zien. Niettemin kunnen organisaties en ondernemingen in kaart brengen waar de knelpunten zitten. Daarbij kunnen zij onder meer de volgende aandachtsgebieden nalopen:

  • verkeer van werknemers, goederen en diensten (zijn vergunningen en registratienummers binnen?);
  • douanetarieven (moeten de prijzen omhoog om import- of exporttarieven te compenseren?);
  • fiscale regelingen, zoals de artikel 23-vergunning en de verleggingsregeling in de BTW;
  • opslag van persoonsgegevens in het Verenigd Koninkrijk;
  • bepalingen in contracten met klanten en leveranciers (geldigheid, bevoegde instanties, kunt u beloofde levertijden waarmaken als er meer controles komen aan de grens?);
  • werken met buitenlandse werknemers en de salarisadministratie;
  • de bescherming van merken en octrooien.

Wat te doen?

Als de overgangsperiode afloopt, krijgen ondernemers die zakendoen met het Verenigd Koninkrijk te maken met grenscontroles. Het Europese vrije verkeer van personen en goederen is dan namelijk niet meer van toepassing. De vraag is dus wat dat betekent voor de logistieke keten. Exporteurs moeten bijvoorbeeld ook aangifte gaan doen, en daar hebben zij een zogeheten EORI-nummer voor nodig. De Nederlandse douane heeft voor organisaties die zich willen voorbereiden een stappenplan op zijn website gezet en een speciale toolkit (pdf) ontwikkeld.
Daarnaast is het nuttig om de teksten van contracten, voorwaarden en regelingen die u gebruikt voor het werken met buitenlandse werknemers uit te pluizen. Staat daar dat ze geldig zijn ‘in het buitenland’ of alleen ‘binnen de EU’? In dat laatste geval gelden ze straks dus niet meer automatisch voor het Verenigd Koninkrijk.

Kan ik hulp krijgen bij de voorbereiding?

Zeker. De overheid en belangenorganisaties hebben een hele reeks hulplijnen opgetuigd. Zo kunt u bij het speciale ‘Brexit-loket’ van de Rijksoverheid terecht voor een ‘Brexit Impact Scan’. Dat laat zien welke invloed de maatregelen hebben op de bedrijfsvoering en geeft adviezen. Ook is er een site (checkjebrexit.nl) waar ondernemers virtueel goederen of diensten kunnen transporteren van en naar het Verenigd Koninkrijk. Zo kunnen ondernemers checken of alles op orde is of dat er nog gaten in de voorbereiding zitten. Organisaties die advies inwinnen kunnen de kosten daarvoor mogelijk deels terugkrijgen via de speciale Brexit-vouchers. Voor specifieke vragen over een sector staat de Nederlandse ambassade in Londen paraat.

(Bron: Rendement)