Btw van gezamenlijke kosten in uw medische praktijk

Werkt u als medicus samen met andere collega’s of praktijken? Dan heeft u vaak gezamenlijke kosten. Denk aan het salaris van een gemeenschappelijke secretaresse of receptioniste in een praktijk van samenwerkende huisartsen die werkzaamheden verricht voor iedere aangesloten huisarts. Deze loonkosten zijn gemeenschappelijke kosten. Bij het verdelen van die kosten bestaan btw-risico’s.

De kostenmaatschap

In de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van een zogenaamde kostenmaatschap om de kosten te verdelen. Echter, als de maatschap alleen wordt gebruikt om kosten te verdelen is dat ‘oneigenlijk gebruik’. Een maatschap is namelijk een overeenkomst tussen twee of meer personen met het doel om het ontstane voordeel met elkaar te delen. De term ‘kostenmaatschap’ bestaat voor de btw niet en is in feite een verwarrend begrip.

Let op! Voor de Belastingdienst bestaat het begrip ‘kostenmaatschap’ niet.

Ook kan de Belastingdienst vinden dat het door belasten van de kosten aan de maten binnen de kostenmaatschap een prestatie tegen vergoeding vormt. De bedragen die de maten aan de kostenmaatschap betalen worden niet als een voor de btw onbelaste kapitaalstorting aangemerkt, maar als een vergoeding voor verrichte diensten waarover btw moet worden betaald.

Tip: U kunt hier mogelijk onder uitkomen met de kleine ondernemingsregeling (KOR). Als medici natuurlijke personen (geen BV of soortgelijke vennootschap)  zijn en de jaarlijks verschuldigde btw minder is dan € 1.345 kunt u op basis van KOR een verzoek indienen bij de Belastingdienst om af te zien van administratieve verplichtingen.

Kosten voor gemene rekening

Een beter alternatief om de gemeenschappelijke kosten te verdelen is om één van de partijen de kosten te laten dragen en daarna een vaste verdeelsleutel overeen te komen. Deze is van tevoren vastgesteld en de verdeling gebeurt zonder winstopslag. Van belang is dat ook degene die de kosten omslaat een deel van de kosten zelf draagt. Als aan deze voorwaarden is voldaan is geen reden tot btw-heffing. Het principe van kosten voor gemene rekening kan zowel voor personeelskosten als voor overige (algemene) kosten toegepast worden.

Model  Afspraken over            Voordeel  Nadeel 
Overeenkomst tot verrekening van voor gemene rekening gemaakte personeelskosten/ algemene kosten. De verdeling van gezamenlijke personeelskosten/algemene kosten. Voorkomt btw- heffing bij de verdeling van gezamenlijke personeelskosten/ algemene kosten. Weinig flexibiliteit bij verdeling van de gezamenlijk personeelskosten/ algemene kosten.

POT-overeenkomst

Een derde mogelijkheid is het gebruik van de POT-overeenkomst. De medici sluiten dan gezamenlijk contracten met een langere looptijd. Ieder van de medici is dan dus contractpartij en moet zijn/ haar handtekening plaatsen onder het contract. Dit kan een arbeidscontract zijn maar bijvoorbeeld ook een leveringscontract voor gas, water en licht. Anders dan bij de kosten voor gemene rekening zijn aan de verdeelsleutel geen voorwaarden verbonden en bestaat er dus meer flexibiliteit.

Model Afspraken over Voordeel Nadeel
POT-overeenkomst De verdeling van gezamenlijke kosten met als basis een langdurig contract. Voorkomt btw- heffing bij de verdeling van gezamenlijke kosten.
Veel flexibiliteit.
Er moeten gezamenlijk contracten worden gesloten.

Tip: Medici die kosten willen delen zonder btw-heffing, kunnen het beste gebruik maken van kosten voor gemene rekening of de POT-overeenkomst.

(Bron: HLB)

Geen laag btw-tarief voor sportactiviteiten van evenementenbureau

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat van terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie slechts sprake kan zijn als X bv daarvan het exclusieve gebruiksrecht heeft.

X bv exploiteert een evenementenbureau. Zij organiseert buitenactiviteiten voor de particuliere en de zakelijke markt. De activiteiten vinden voornamelijk plaats op zee, op het strand en in de duinen. Het betreft onder meer beachvolleybal, powerkiten, boogschieten, survival, mountainbiken, trailrunning en kanoën op binnenwater. Voor de omzetbelasting is in geschil of X bv voor deze activiteiten het lage 6% (standpunt X bv) of het hoge algemene (standpunt inspecteur) is verschuldigd. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat bij de meeste activiteiten wordt voldaan aan twee cumulatieve eisen: het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie en het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Ten aanzien van het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie is voldoende dat de deelnemers gelegenheid wordt gegeven om zich ergens om te kleden. De inspecteur gaat in hoger beroep.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat van terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie slechts sprake kan zijn als X bv daarvan het exclusieve gebruiksrecht heeft. Het is dus niet voldoende dat X bv toestemming heeft op grond van de Strandnotitie om haar activiteiten op het strand te verrichten en dat zij van Staatsbosbeheer activiteiten in het bos mag verrichten. X stelt vergeefs dat de door haar als kleedruimte gebruikte trailer, een door haar gebruikte auto en een snel op te bouwen spelsituatie als accommodatie kunnen worden aangemerkt. X beroept zich ook vergeefs op het gelijkheidsbeginsel. Volgens X bv zouden belastingplichtigen op Texel en op Terschelling wel het lage tarief deelachtig zijn geworden. Het is namelijk niet duidelijk wie die belastingplichtigen zijn, waaruit hun activiteiten specifiek bestaan, en in hoeverre die activiteiten voldoende vergelijkbaar zijn om te kunnen spreken van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Het beroep van de inspecteur is gegrond.

(Bron: Taxlive)

Btw-gevolgen modelovereenkomsten Wet DBA

De Belastingdienst heeft modelovereenkomsten op haar site geplaatst voor de situatie waarin de opdrachtgever zeker wil weten dat hij geen loonheffingen hoeft in te houden en af te dragen. De voorbeeldovereenkomsten van de Belastingdienst zeggen niets over de aanwezigheid van btw-ondernemerschap en of er een vrijstelling kan worden toegepast.

De modelovereenkomsten zijn geen werkgeversgezag; meestal is sprake van opdrachtverstrekking. De opdrachtnemer stuurt een factuur waarbij hij/zij per tijdseenheid of afgerond project wordt betaald. In deze situatie zal al gauw sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar dit moet per geval afzonderlijk worden beoordeeld.

Btw-vrijstelling

Bij een aantal overeenkomsten is een btw-vrijstelling van toepassing, bijvoorbeeld omdat er medische prestaties worden verricht waarbij een BIG-registratie vereist is. Bij toepassing van de voorbeeldovereenkomst voor muziekonderwijzer, is de leeftijd van de leerling van belang voor vaststelling van de btw-heffing. Is de leerling jonger dan 21 jaar, dan is er een vrijstelling voor de btw. Is de leerling ouder dan 21 jaar, dan is er 21% btw over de muzieklessen verschuldigd. Bij toepassing van de overeenkomsten dient per geval beoordeeld te worden of er sprake is van btw-ondernemerschap. Dit is afhankelijk van de feitelijke situatie. Over het algemeen zal snel sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar kunnen specifieke vrijstellingen van toepassing zijn waardoor er geen btw hoeft te worden vermeld op de factuur.

(Bron: HLB)

Ongewenst neveneffect van Wet DBA voor BTW

Bij gebruik van de nieuwe DBA-modelovereenkomsten van de Belastingdienst kunnen btw-vrijstellingen in gevaar komen, aldus Carola van Vilsteren in Tax Talks.

Bij het uitlenen van personeel is btw een belangrijk punt, omdat de btw een kostenverhogend effect heeft. Het uitlenen van personeel is volgens een besluit in beginsel een belaste prestatie ter zake waarvan btw in rekening dient te worden gebracht, al kan de heffing in een aantal situaties toch achterwege blijven.

Opdrachtverstrekking en btw

Vanuit btw-perspectief lijken de nieuwe DBA-modelovereenkomsten van de Belastingdienst ook tot nieuwe problemen te kunnen leiden. Om een dienstbetrekking te voorkomen, streeft men naar een opdrachtverstrekking. Een opdrachtverstrekking is normaal gesproken belast met btw, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Kijkend naar de modellen voor bijvoorbeeld medici, dan is er geen btw-probleem als het om een BIG-er gaat die een medische dienst verricht omdat hij onder een vrijstelling valt. Als het gaat om een gastdocent die wordt ingezet voor het verzorgen van wettelijk geregeld onderwijs, wordt het een ander verhaal. Er kunnen in dat geval wel goedkeuringen gelden, maar juist de school moet dan de lead hebben. Dat wringt met de arbeidsrelatie en dat gaat voor de btw niet goed, aldus Carola van Vilsteren in de aflevering van Tax Talks van 19 januari 2016.

Werken met personeel zonder btw-heffing?

Een oplossing voor gezamenlijk werken met personeel zonder btw is bijvoorbeeld via een overeenkomst ‘kosten voor gemene rekening’. Het nadeel hierbij is echter dat ieder een deel van de kosten volgens een vooraf vastgestelde verdeelsleutel voor zijn rekening moet nemen, en deze verdeelsleutel kan niet meer gewijzigd worden. Partijen kunnen bijvoorbeeld ook een zogenaamde ‘pot-overeenkomst’ aangaan. Het gezamenlijke personeelslid wordt dan van een gemeenschappelijke bankrekening betaald en er zit geen vaste verdeelsleutel in.

(Bron: Taxence)

Geen BTW-aftrek op appartementen omdat deze behoorden tot privévermogen

X en zijn echtgenote Y kochten in 2006 vijf appartementsrechten in een appartementencomplex. Voor de levering van de appartementsrechten op 10 oktober 2007 was op 16 mei 2007 € 93.004 aan BTW in rekening gebracht die X pas in het tweede kwartaal 2008 in aftrek bracht als voorbelasting. X had de appartementsrechten in 2007 in gebruik genomen. Hij gebruikte het woonappartement ook voor werkzaamheden ten behoeve van zijn onderneming, vooral voor het voeren van de administratie daarvan. De teruggaaf was aan hem verleend. De inspecteur stelde later dat X de appartementsrechten tot zijn privévermogen had gerekend zodat hij geen recht had op aftrek van voorbelasting. X ging in beroep tegen de opgelegde naheffingsaanslag BTW. Hij stelde dat hij al in 2007 de appartementsrechten als ondernemingsvermogen had geëtiketteerd en dat het hem niet kon worden tegengeworpen dat de in rekening gebrachte BTW door een omissie pas in een later tijdvak in aftrek was gebracht. Hof Den Bosch verwees naar een arrest van 8 oktober 2010 waarin de Hoge Raad had beslist dat een aftrek waarop direct aanspraak bestond, maar die in eerste instantie ten onrechte niet was gerealiseerd, niet alsnog via herziening kon worden teruggevraagd. Als laatste tijdstip waarop de keuze om een goed al dan niet als ondernemingsvermogen aan te merken, gold het tijdstip waarop het goed in gebruik was genomen. Het tijdstip van ingebruikname was volgens het Hof het laatste tijdstip waarop X de appartementsrechten tot zijn ondernemingsvermogen kon rekenen. Uiterlijk op dat moment moest X uitdrukking geven aan zijn keuze. Het stond volgens het Hof niet precies vast wanneer de ingebruikname had plaatsgevonden, maar het stond wel vast dat dit in 2007 had plaatsgehad. Het Hof besliste dat X er niet voor had gekozen om de appartementsrechten in 2007 tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen omdat hij de in rekening gebrachte BTW niet uiterlijk in de aangifte BTW over het vierde kwartaal 2007 als voorbelasting in aftrek had gebracht. De beslissing dat X de appartementsrechten niet tot zijn ondernemingsvermogen had gerekend, bleek volgens het Hof ook uit het feit dat X in de jaren 2007 tot en met 2010 geen BTW wegens een fictieve dienst in zin van artikel 4, lid 2, onderdeel a, Wet OB had aangegeven.

(Bron: FUTD)

Zorggroepen vrijgesteld van btw-heffing

Zorggroepen, gezondheidscentra en geboortezorgcentra in de eerste lijn betalen vanaf komend jaar geen 21 procent btw meer over de vergoeding voor de overheadkosten die zij maken. Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer stemde woensdagmiddag in met een amendement op het Belastingplan 2016 van de parlementariërs Neppérus (VVD) en Groot (PvdA), dat deze btw-vrijstelling per 1 januari 2016 moet regelen. Het Belastingplan van staatssecretaris Wiebes moet overigens nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer, waar de coalitie van PvdA en VVD geen vanzelfsprekende meerderheid heeft.

In het amendement stellen beide coalitiegenoten voor om de verbruiksbelasting op onder meer frisdrank, limonade en vruchtensap (frisdrankaccijns) te verhogen. Het geld dat deze fiscale maatregel de schatkist oplevert, zo’n 30 miljoen euro per jaar, moet worden ingezet om een btw-vrijstelling te kunnen bekostigen voor zorggroepen. Staatssecretaris Wiebes (VVD, Financiën) kan aan de wens van de Kamer tegemoetkomen door het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting uit 1968 aan te passen. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. Wiebes deed vorige week in een debat over het Belastingplan al de toezegging dat hij de btw-vrijstelling voor zorggroepen per 1 januari volgend jaar zou regelen, mits het amendement door een meerderheid van de Kamer gesteund zou worden.

‘Het ei is gelegd’, zegt Theo Bisschops, fiscaal jurist en directeur van zorggroep RCH Midden-Brabant. ‘Waarschijnlijk regelt de staatssecretaris via een beleidsbesluit nu dat zorggroepen en gezondheidscentra voortaan erkend worden als sociale en culturele instellingen. Volgens Europese regels zijn zij vrijgesteld van het betalen van btw. Deze weg is onlangs ook in de wijkverpleging bewandeld. Hiermee erkent de politiek dat als de zorg onderdeel is van een geheel, zoals bij ketenzorg het geval is, de belastingdienst niet zomaar een knip kan maken.’

Al enkele jaren komen zorggroepen en gezondheidscentra in het geweer tegen de btw-heffing op de vergoeding voor de administratieve kosten die zij maken om de kwaliteit van en de samenwerking in de zorg te handhaven en te verbeteren. De fiscus oordeelde tot op heden dat bij het maken van overheadkosten door zorggroepen er geen directe zorgrelatie is met de patiënt en dat er daarom geen sprake kan zijn van btw-vrijgestelde medische zorgverlening. Een standpunt dat in het voorjaar van 2014 nog door het Amsterdamse Hof werd bevestigd in een zaak die was aangespannen door zorggroep Zaanstreek-Waterland.

Al stelde Christel van Vugt, accountmanager bij brancheorganisatie InEen, onlangs in een artikel in Medisch Contact dat de fiscus in de afgelopen jaren niet één lijn heeft getrokken bij het aanslaan van de zorggroepen. ‘Sommige zorggroepen hebben (..) nooit btw betaald. Sommige hebben een vrijstelling, andere weer niet. Weer andere hebben, na de uitspraak van het Amsterdamse Hof in 2014, een forse aanslag met terugwerkende kracht opgelegd gekregen. ’

Een interessante vraag is nu of de fiscus besluit om met terugwerkende kracht de btw-aanslagen voor zorggroepen kwijt te schelden. Nika Stegeman, belastingadviseur, reageert terughoudend. ‘Het grootste struikelblok is dat de btw-vrijstelling gekoppeld is aan de verhoging van de verbruiksbelasting op frisdrank. Er is dus pas per 1 januari 2016 budgettaire dekking voor het schrappen van de btw-heffing op zorggroepen. Aan de andere kant merk je ook dat de Kamer vindt dat deze vrijstelling echt nodig is. De Kamer kan de staatssecretaris dan ook opdragen om zorggroepen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 vrij te stellen van het betalen van btw. Een regeling waarbij zorggroepen ook een btw-vrijstelling krijgen voor de jaren tot 2015, is uitvoeringstechnisch lastig. Je hebt het hier dan namelijk over gesloten boekjaren.’

Bisschops: ‘Met deze uitspraak van de Kamer in de hand heeft de belastingdienst het recht om tot 1 januari 2016 btw te heffen op de overheadkosten van zorggroepen. In theorie zou de fiscus na dit aangenomen amendement dus zelfs extra werk kunnen gaan maken van het met terugwerkende kracht aanslaan van zorggroepen. Onder de belastinginspecteurs zitten hele eigengereide personen en de wettelijke naheffingstermijn is vastgesteld op vijf jaar. Daarna ben je pas veilig. Aan de andere kant kan staatssecretaris Wiebes ook besluiten om de btw-aanslagen op zorggroepen over de afgelopen vijf jaar juist terug te draaien. Dit is ook in de wijkverpleging gebeurd. Het is allemaal heel verwarrend. De champagne kan nog niet open.’

Zelf probeert Bisschops de heffing van ongeveer een half miljoen euro (inclusief naheffing) die zijn zorggroep RCH Midden-Brabant kreeg opgelegd ongedaan te maken via een bodemprocedure bij de rechtbank Zeeland/West-Brabant. ‘Ondanks dit besluit van de Kamer gaan wij onze procedure gewoon doorzetten. Of de fiscus moet ineens een draai make. Voor mij is dit een principekwestie.’

(Bron: Medisch-contact)

Zakelijk gebruikt pand is nog geen pand van maatschap voor de omzetbelasting

Het feit dat een maatschap gebruik maakt van een werkkamer in een pand van de maten, betekent niet automatisch dat die maatschap het pand mag rekenen tot haar ondernemingsvermogen. De Hoge Raad heeft dit onlangs bevestigd.

Drie natuurlijke personen, onder wie een echtpaar, dreven binnen maatschapsverband een champignonkwekerij. Het echtpaar had een pand laten bouwen dat zij na oplevering voor een deel als woning ging gebruiken. De rest van het pand werd ter beschikking gesteld aan de maatschap zonder dat het echtpaar een vergoeding vroeg. Het echtpaar had het pand niet ingebracht in het vermogen van de maatschap. De vraag was of de maatschap het pand voor de btw volledig mocht rekenen tot haar ondernemingsvermogen en daarmee de btw op dat pand kon aftrekken. Zowel Hof Amsterdam als de Hoge Raad meende van niet. De Hoge Raad wees erop dat twee maten het pand hadden gekocht. Dat de maatschap een deel van dit pand gebruikte voor bedrijfsdoeleinden betekende niet dat het pand behoorde tot het bedrijf van de maatschap. De maatschap mocht daarom de btw op dit pand niet aftrekken.

(Bron: Taxence)

Snellere btw registratieplicht bij internetverkopen

Ondernemers moeten zich voor hun internetverkopen van goederen sneller dan voorheen voor btw-doeleinden registreren in Frankrijk, als zij goederen leveren aan in Frankrijk woonachtige vrijgestelde ondernemers of particulieren. Het drempelbedrag wordt vanaf 2016 verlaagd van € 100.000 naar €  35.000 en is dan even hoog als in België. Het drempelbedrag voor Duitsland bedraagt € 100.000. Blijft btw registratie ten onrechte achterwege? Dan loopt u het risico op een btw naheffingsaanslag en een fikse boete.

 

Regeling voor afstandsverkopen

De regeling voor afstandsverkopen geldt voor verkopen op afstand. Dit zijn verkopen vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke levering aan een btw-ondernemer leidt normaal gesproken tot een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending.

 

De levering aan de volgende afnemers leidt echter niet tot een verwerving:

  • Particulieren (= niet-btw-ondernemers).
  • Landbouwregelaars (= toepassing landbouwregeling).
  • Btw-ondernemers die uitsluitend btw-vrijgestelde prestaties verrichten.
  • Niet-btw-plichtige rechtspersonen, die uit de lidstaat minder afnemen dan

o    € 10.000 (lidstaat van verwerving: Nederland)

o    € 11.200 (lidstaat van verwerving: België)

o    € 12.500 (lidstaat van verwerving: Duitsland)

o    € 10.000 (lidstaat van verwerving: Frankrijk).

 

Doordat in de lidstaat van aankomst geen heffing btw plaatsvindt, bepaalt de lidstaat van verzending het btw-tarief. De leveranciers doen er dus goed aan om zich in de lidstaat te vestigen met het laagste btw-tarief. Zij zorgen ervoor, dat het voor de afnemers niet uitmaakt vanwaar de goederen worden verzonden. Dit bereiken de leveranciers door zorg te dragen voor de verzending van de goederen.

 

Concurrentie voorkomen

De regeling voor afstandsverkopen moet voorkomen, dat er concurrentie optreedt tussen lidstaten. Boven een bepaalde omzetdrempel bepaalt de lidstaat van aankomst het btw-tarief. Er moet dan btw worden voldaan in de lidstaat van aankomst van de verzending. De leverancier is deze btw verschuldigd.

 

Btw-registratie in ander EU-lidstaat

Bij overschrijding van de drempelwaarde (of het jaar ervoor) bent u verplicht tot btw-registratie in de andere EU-lidstaat. Doet u dit niet? Dan riskeert u een naheffingsaanslag en een fikse boete van de buitenlandse Belastingdienst. De kans op een dergelijke buitenlandse naheffing wordt namelijk steeds groter.

 

Tip

Levert u goederen aan vrijgestelde ondernemers of particulieren in andere lidstaten? Ga dan na of u uw onderneming moet registreren in de andere lidstaat.

(Bron: ABAB)

Door cliënten betaalde bedragen niet van belang bij BUA correctie

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het BUA terecht en correct heeft toegepast. Volgens de Hoge Raad kunnen bij de BUA-correctie de bijdragen voor privégebruik en de aan cliënten doorbelaste bedragen niet in mindering worden gebracht.

X bv stelt auto’s ter beschikking aan haar personeel. Het personeel is een eigen bijdrage verschuldigd. In 2008 en 2009 bedragen de uitgaven voor de auto’s ruim € 1,4 mln en ruim € 1,8 mln. De daarop drukkende btw van € 272.803 en € 345.740 brengt X bv volledig in aftrek, hierbij wordt geen rekening gehouden met de ontvangsten uit de eigen bijdragen. Verder brengt X bv aan haar cliënten een extra bedrag in rekening als een werknemer met een auto wordt ingeschakeld. Bij de correctie voor het privégebruik in haar aangiften maakt X bv gebruik van de forfaitaire regeling. Na toepassing van het BUA, verleent de inspecteur teruggaven van € 155.276 en € 187.912. X bv is het hier niet mee eens. Volgens X bv bieden de jurisprudentie van het HvJ EU en de btw-richtlijnen geen ruimte voor een correctie op grond van het BUA, omdat haar werknemers een meer dan symbolische vergoeding aan haar hebben betaald. Verder stelt X bv dat er rekening moet worden gehouden met de bijdragen die haar werknemers hebben betaald en de vergoedingen die door de cliënten zijn betaald. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur het BUA terecht en correct heeft toegepast. Volgens het hof leidt het feit dat de werknemers een eigen bijdrage hebben betaald er niet toe dat het BUA niet mag worden toegepast. Verder merkt het hof nog op dat geen rekening wordt gehouden met de door de werknemers en cliënten betaalde bijdragen. Volgens het hof mag namelijk slechts rekening worden gehouden met bijdragen voor ‘het gelegenheid geven tot privévervoer’. Daar is volgens het hof geen sprake van. Het gelijk is aan de inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het BUA correct heeft toegepast. De Hoge Raad overweegt hierbij onder andere dat X bv niet aannemelijk maakt in hoeverre zij recht heeft op aftrek van de in rekening gebrachte btw. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat er geen kilometeradministratie is bijgehouden, zodat niet kan worden uitgegaan van de werkelijke kosten van het privégebruik en aansluiting kan worden gezocht bij het percentage van 27. Verder merkt de Hoge Raad nog op dat X bv niet kan volstaan met de stelling dat zij recht heeft op volledige aftrek, omdat de eigen bijdragen ten minste gelijk zijn aan de door X bv gedragen kosten van het privégebruik door de werknemers. X bv dient dan namelijk aannemelijk te maken in hoeverre zij recht op aftrek heeft van de in rekening gebrachte btw voor het gebruik van de personenauto’s. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof.

(Bron: Taxlive)

Pro rata-methode geldt ook bij verlegging

Rechtbank Den Haag bevestigt dat bij de berekening van de aftrekbare voorbelasting men de pro rata-methode niet alleen moet toepassen op gefactureerde btw, maar ook op verlegde btw.

In deze zaak had een lichaam facturen ontvangen van twee beheermaatschappijen voor het verrichten van managementdiensten. De btw over de managementfees was verlegd. Het lichaam meende dat de managementfees moesten worden aangemerkt als kosten zonder omzetbelasting. De verlegde btw zou daardoor volledig aftrekbaar zijn. Maar de rechtbank wees dit standpunt af. Ook voor verlegde btw geldt de pro rata-methode. Het lichaam moest deze methode toepassen omdat het zowel belaste als vrijgestelde prestaties verrichtte en de beheerswerkzaamheden op al deze prestaties zag.

(Bron: Taxence)