Geen bijtelling na lagere CO2-uitstoot door aanpassing elektrische personenauto

V X stelde aan haar manager een elektrisch aangedreven personenauto van het model A uit 2012 ter beschikking, die ook privé mocht worden gebruikt. De auto had een cataloguswaarde van € 95.200 en een CO2-uitstoot van 53 gr/km. De fabrikant werkte in 2012 aan een modificatie van model A, waardoor de CO2-uitstoot werd teruggebracht naar 47 gr/km. Voor de modificatie werd een EU-typegoedkeuringscertificaat (ETG) afgegeven door de RDW. De auto van de manager werd vervolgens in januari 2013 gemodificeerd en de RDW stelde daarna de CO2-uitstoot van de auto in het kentekenregister vast op 47 gr/km. BV X ging ervan uit dat de bijtelling hierdoor 0% was, maar de inspecteur stelde dat de bijtelling 14% bedroeg. Het bijtellingspercentage werd volgens de inspecteur bepaald door de CO2-uitstoot op de datum van eerste tenaamstelling van het kenteken in 2012. BV X en de inspecteur spraken af hierover een proefprocedure te voeren. Rechtbank Gelderland besliste dat de invoering van een lager bijtellingspercentage voor schone en energiezuinige auto’s volgens de parlementaire geschiedenis was bedoeld om de aankoop én het gebruik van deze auto’s te stimuleren. Een uitleg van de wet in overeenstemming met doel en strekking ervan bracht volgens de Rechtbank met zich dat een modificatie van de auto daarmee moest worden gelijkgesteld, nu deze had geleid tot een gewijzigde ETG en een aanpassing in het kentekenregister. Het resultaat was namelijk dat gebruik werd gemaakt van een schonere en energiezuiniger auto, die voldeed aan de voorwaarden van artikel 13bis, lid 2, Wet LB. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

(Bron: FUTD)

Statuten BV kunnen niet kwalificeren als stamrechtovereenkomst

X ontving bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking per 1 januari 2007 een
ontslagvergoeding van € 233.784. Zijn ex-werkgever stortte dit bedrag op 1 maart
2007 zonder inhouding van loonheffing op de bankrekening van de op 12 januari
2007 door X opgerichte BV Y. Op 7 maart 2007 werd € 40.000 overgeboekt van BV Y
naar de privérekening van X. In juni 2007 werden ten laste van BV Y twee auto’s
gekocht en vanaf februari 2009 werden werkzaamheden aan een eind 2006
aangekochte woning gefactureerd aan BV Y. De inspecteur legde een
navorderingsaanslag IB over 2007 op aan X met een vergrijpboete van € 43.400,
omdat hij ten onrechte een beroep zou hebben gedaan op de stamrechtvrijstelling
van artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet LB. X ging in beroep. Rechtbank
Noord-Nederland besliste dat X niet had voldaan aan de vereisten voor de
stamrechtvrijstelling. Door het enkel oprichten van een vennootschap die als
doel had het opbouwen en beheren van een stamrechtvoorziening als bedoeld in de
Wet LB was volgens de Rechtbank geen stamrechtovereenkomst gesloten, waaruit
bleek dat de oud-werkgever aan X een aanspraak toekende op periodieke
uitkeringen als vervanging van gederfd of te derven loon, die niet later
ingingen dan in het jaar waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte. De
inhoud van de statuten van BV Y konden volgens de Rechtbank niet kwalificeren
als een stamrechtovereenkomst in de zin van de vereisten van artikel 11, lid 1,
onderdeel g, Wet LB. De Rechtbank verminderde wel de boete met 20% tot € 34.720
wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze boete vond de Rechtbank
passend en geboden.

(Bron: FUTD)

Laat op tijd weten of een tijdelijk contract wel of niet wordt verlengd

Heeft je medewerker een tijdelijk contract van zes maanden of meer? Dan moet je vanaf 1 juli 2014 uiterlijk één maand voor het contract eindigt, schriftelijk laten weten of je het wel of niet gaat verlengen. Anders loop je risico op een boete van maximaal een maandsalaris.

Met de nieuwe Wet Werk en Zekerheid verandert er een en ander op het gebied van ontslagrecht en flexibele arbeidscontracten. Als de wet Werk en Zekerheid ook door de eerste kamer wordt aangenomen gaan de eerste veranderingen al op 1 juli in.

Nieuw: aanzegtermijn

Een van de nieuwe regels is dat er een aanzegtermijn komt van één maand voor tijdelijke contracten van zes maanden of langer. Je moet je medewerker dan uiterlijk een maand voor het contract afloopt schriftelijk laten weten of het wel of niet wordt verlengd.

Vergoeding

Ook al eindigt het contract van rechtswege nog wel automatisch, als je niet aanzegt loop je het risico op een boete. Je medewerker heeft dan namelijk recht op een vergoeding van maximaal een maandsalaris. Alleen als je werknemer zelf een beroep doet op de vergoeding binnen twee maanden na het einde van het contract, ben je verplicht deze te betalen.
Bij niet aanzeggen geldt een vergoeding van een maandsalaris. Ben je te laat dan geldt de vergoeding naar rato, bijvoorbeeld drie weken te laat, is recht op drie weken salaris.

Voorwaarden

Om een eventuele boete te voorkomen geef je schriftelijk aan of het tijdelijk contract ook echt stopt, of dat je met diegene doorgaat en ook onder welke voorwaarden. Leg je die voorwaarden niet van tevoren vast, dan loopt het contract automatisch met dezelfde arbeidsvoorwaarden door, met een maximum van een jaar.

Overgang

Omdat de nieuwe regels ingaan vanaf 1 juli, geldt de aanzegtermijn nog niet voor contracten die tussen 1 juli en 31 augustus aflopen. Voor alle contracten die erna aflopen geldt het wel. Als een contract bijvoorbeeld op 1 september eindigt, moet je dit uiterlijk 31 juli laten weten.

M.m.v. Carolijn Krens, jurist bij Randstad Nederland.

Ontwikkelingen bedrijfopvolgingsproblematiek vastgoed-bv’s

Een tweede gerechtshof (Hof Arnhem-Leeuwarden) heeft geoordeeld dat de
aandeelhouders van een vastgoed-bv een beroep kunnen doen op de fiscaal
voordelige bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet. Volgens het Hof kan
vastgoedexploitatie onder omstandigheden namelijk als een ‘onderneming’ worden
aangemerkt.

Hof Arnhem-Leeuwarden zit hiermee op één lijn met Hof Den Haag dat in een
vergelijkbare zaak in dezelfde zin oordeelde. Over laatstgenoemde uitspraak
bereikt ons het bericht dat het ministerie van Financiën het cassatieberoep
heeft ingetrokken, vermoedelijk vanuit tactisch oogpunt omdat men geen succes
verwacht van de gang naar de Hoge Raad.

Weigering toepassing BOF

Allereerst een korte schets waar het allemaal om draait. Bij de overdracht
krachtens schenking of erfrecht van de aandelen in een vastgoed-bv weigert de
fiscus in de meeste gevallen de toepassing van de fiscaal voordelige
bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (BOF). Deze faciliteiten zijn in het leven
geroepen om te voorkomen dat de belastingheffing bij een bedrijfsopvolging leidt
tot liquiditeitsproblemen waardoor de continuïteit van het familiebedrijf in
gevaar komt. Volgens de fiscus zijn deze faciliteiten alleen maar bedoeld voor
ondernemingsvermogen en in de ogen van de fiscus vormt vastgoedexploitatie geen
onderneming.

Bedrijfsopvolging bij vastgoed-bv’s

Het belang van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor aandeelhouders in
vastgoed-bv’s kan dan ook zeer groot zijn. Zonder de
bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kan de belastingheffing bij een bedrijfsopvolging
(bijvoorbeeld in geval van overlijden) namelijk oplopen tot 40%
(inkomstenbelasting en erfbelasting). De wetgeving voorziet ook niet in een
betalingsregeling. Juist bij vastgoed-bv’s zal de belastingheffing bij een
bedrijfsopvolging dan ook leiden tot liquiditeitsproblemen waardoor de
continuïteit van het familiebedrijf in gevaar komt.

Activiteiten vastgoed-bv

In de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden zijn aandelen in een vastgoed-bv met
een omvangrijke vastgoedportefeuille geschonken door vader aan zoon. De
vastgoedportefeuille bestaat uit 20 tot 25 onroerende zaken in de verhuur met
een waarde van enkele miljoenen. Het Hof oordeelt dat sprake is van een
onderneming vanwege de aard en de omvang van de arbeid die door de vader wordt
verricht, die onmiskenbaar is gericht op een hoger rendement dan een belegger
zou nastreven. Het zakelijke netwerk en de expertise van de vader (een voormalig
makelaar) zijn daarbij belangrijke omstandigheden.

De werkzaamheden die in de vastgoed-bv worden verricht bestonden o.a. uit:
• aan- en verkoop van vastgoed;
• realiseren van bouwprojecten;
• het doen van marktonderzoek naar goede huurmarkten;
• onderhandelingen met huurders over huurprijzen en andere condities;
• inspecties bij huurders;
• regelen van verbouwingen, onderhoud;
• regelen van herfinancieringen;
• verzorgen van huurcontracten;
• innen van de huur;
• administratie.

Tevens oordeelt het Hof Arnhem-Leeuwarden dat de door de fiscus aangevoerde
vergelijking van de behaalde rendementen met het rendement van de ROZ/IPD
Nederlandse vastgoedindex niet relevant is. Het gaat er namelijk om dat een meer
dan normaal vermogensrendement wordt verwacht. De reeds behaalde resultaten
spelen daarbij geen rol.

Toch onderneming

Het Hof is dan ook van mening dat bij het geheel van activiteiten van de
vastgoed-bv, op grond van de aard en omvang daarvan en de expertise van de
vader, de beoogde continuïteit van de werkzaamheden voorop staat. Volgens het
Hof werd dan ook een materiële onderneming gedreven binnen de vastgoed-bv.
Gevolg: de belanghebbende kan een beroep doen op de fiscaal voordelige
bedrijfsopvolgingsfaciliteit(en).

Beroep op BOF bij vastgoedexploitatie niet op voorhand kansloos

De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden en het intrekken van het cassatieberoep
tegen de uitspraak van Hof Den Haag bevestigen opnieuw dat men bij een beroep op
de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in geval van vastgoedexploitatie niet op
voorhand kansloos is, ondanks de starre houding van de fiscus. Wil men kans van
slagen hebben dan is het van groot belang een zorgvuldige analyse te maken van
de feiten en omstandigheden. Uiteraard kunnen wij u daarin bijstaan.

Mr drs O. (Onno) Adriaansens en drs. A. (Aad) Rozendal zijn beiden werkzaam als
belastingadviseur bij RSM Niehe Lancée Kooij. Laatstgenoemde is tevens Hoofd
Bureau Vaktechniek Fiscaal bij RSM Niehe Lancée Kooij en als docent verbonden
aan de leerstoelgroep belastingrecht van de Universiteit van Amsterdam.

(Bron: Taxence)

Bezwaren btw-correctie auto aan de kant gezet

Rechtbank Gelderland oordeelt in verschillende uitspraken over diverse vragen rondom de btw-correctie voor privégebruik van een auto van de zaak. De zaken spelen alle vier in 2011, toen op 1 juli de regeling werd aangepast. De fiscus wordt in alle zaken in het gelijk gesteld.

 

Bij Rechtbank Gelderland kwamen in vier verschillende zaken diverse vragen aan de orde over de toepassing van twee verschillende fiscale regelingen in één kalenderjaar. Het ging in alle gevallen om auto’s die aan werknemers ter beschikking waren gesteld, in sommige gevallen tegen betaling van een eigen bijdrage. Met de auto’s werd privé gereden, zonder dat een kilometeradministratie werd bijgehouden.

 

Eerste halfjaar 2011

Over het eerste halfjaar in 2011 was onder meer in geschil of de wijzigingsdatum van 1 juli betekende dat geen omzetbelasting was verschuldigd over het privégebruik van de auto door een werknemer. Dit was niet het geval, oordeelde de rechtbank (ECLI 2014:2198). De correctie van het privégebruik voor de werknemer was tot 1 juli gebaseerd op het BUA. De werkgever gaf aan dat nu de toepassing van het BUA verviel op 1 juli, ook de correctieverplichting verviel. Maar in het BUA was niet bepaald dat de correctie pas aan het einde van het kalenderjaar moest plaatsvinden. Op 1 juli was de btw over het eerste halfjaar al van aftrek uitgesloten. Bovendien maakte de werkgever gebruik van de forfaitaire regeling die gold tot 1 juli (correctie van 12% van 25% van de cataloguswaarde). In het betreffende besluit was goedgekeurd dat de correctie mocht plaatsvinden in het laatste tijdvak van het kalenderjaar.

Door gebruik te maken van de forfaitaire regeling was het aan de werkgever om aannemelijk te maken dat hij te veel btw had voldaan, zoals hij vond. Hij moest de uitgaven die hij daadwerkelijk had gedaan voor het privégebruik van de auto aannemelijk maken. Hierin slaagde hij niet, omdat hij alleen kwam met een raming van de zakelijk en privé gereden kilometers en een berekening op basis van gegevens uit de jaarrekening. Dit was onvoldoende.

 

Strijd met Zesde Richtlijn?

In een van de andere zaken (ECLI 2014:2200) oordeelde de rechtbank dat de regeling die gold in het eerste halfjaar van 2011 niet in strijd was met de Zesde Richtlijn. Deze Europese richtlijn staat niet in de weg aan een uitsluiting of beperking van btw-aftrek voor bepaalde categorieën uitgaven die zowel voor bedrijfsdoeleinden als privé worden gebruikt. Dat er in sommige gevallen een eigen bijdrage werd gevraagd aan de werknemers maakte het niet anders. En omdat ook deze werkgever gebruik had gemaakt van de forfaitaire regeling, was het aan hem om aannemelijk te maken dat hij te veel btw had voldaan, mede omdat hij beschikte over de relevante informatie hiervoor. Maar een verwijzing naar de kosten die waren opgenomen in de jaarrekening was onvoldoende om de rechter te overtuigen.

 

Tweede halfjaar 2011

Over het tweede halfjaar van 2011 was onder meer in geschil of de correctie beperkt kon blijven tot de btw die drukte op gemaakte autokosten voor het privégebruik. Ook dit was niet het geval, oordeelde de rechtbank (ECLI 2014:2198). Omdat de werkgever voor het tweede halfjaar gebruik maakte van de forfaitaire correctie (correctie van 2,7% van de cataloguswaarde), moest de werkgever aannemelijk maken dat de voldane btw te hoog was. Ook hierin slaagde de werkgever niet, volgens de rechter.

 

Terugwerkende kracht

In een andere zaak (ECLI 2014:2200) meende de werkgever dat ten aanzien van de auto’s waarvoor geen eigen bijdrage werd ontvangen de correctie beperkt moest blijven tot 3/184 van het over het tweede halfjaar aangegeven en ontvangen bedrag. Het betreffende besluit over de goedkeuring was namelijk op 29 december in het Staatsblad geplaatst en terugwerkende kracht tot 1 juli zou niet zijn toegestaan. De rechtbank oordeelde dat er helemaal geen sprake was van terugwerkende kracht. Het (fictieve-)dienstenartikel waarop de nieuwe correctie is gebaseerd stond immers al sinds 2007 in de wet.

 

Geen strijd met Unierecht

In een andere zaak (ECLI 2014:2199) meende de werkgever dat de forfaitaire regeling zoals die geldt vanaf 1 juli 2011 in strijd is met het Unierecht. Volgens de rechtbank had een eventuele strijdigheid met de Btw-richtlijn van het besluit waarin de goedkeuring staat geen gevolgen voor de geldigheid van het besluit als zodanig. De rechter wees daarbij naar het arrest Van Laarhoven. Het was nu aan de werkgever om aannemelijk te maken dat hij meer btw had voldaan dan hij op grond van de btw-richtlijn verschuldigd zou zijn. De werkgever slaagde hierin niet.

(Bron: Taxence)

Ingrijpende btw-wijzigingen voor digitale B2C-diensten

Verleent u telecommunicatiediensten, omroepdiensten of elektronische diensten aan buitenlandse consumenten in de Europese Unie die niet btw-plichtig zijn? Dan krijgt u per 1 januari 2015 met nieuwe btw-regels te maken. Regels die grote impact op uw onderneming hebben en een tijdige voorbereiding vragen. Wacht daarom niet langer en onderneem actie. Mazars helpt u graag!

Wat verandert er?

Vanaf 2015 bent u als ondernemer die digitale diensten verleend aan buitenlandse particuliere afnemers (B2C) btw verschuldigd in meerdere landen. U bent dan namelijk btw-plichtig in het land waar uw particuliere afnemer woont. Heeft u afnemers in meerdere Europese lidstaten? Dan zult u in deze lidstaten btw-plichtig zijn. De nieuwe regeling brengt een administratieve last met zich mee. De btw-tarieven verschillen veelal per land en als uw afnemers in meerdere landen wonen, zult u al deze tarieven toe moeten passen. Dit gaat u veel hoofdbrekens kosten.

plichtig   zijn?Dan wordt het voor u tijd om actie te ondernemen!Voorkom te late registratie en onderneem actie!

Wilt u voorkomen dat u tegen een boete aanloopt? Of dat u zich te laat registreert? Begin dan tijdig met het voorbereiden van uw administratie. Dit betekent dat u moet nagaan:

In welke EU-lidstaten uw consumenten wonen   Welke btw-tarieven deze landen hanteren   Of leveringscondities gewijzigd moeten worden   Hoe u uw IT systemen aan de verschillende btw-tarieven en -aangiften kunt   aanpassen   Hoe u zich voor kunt bereiden op een mogelijke buitenlandse belastingplicht.

De impact van de gewijzigde regelgeving op uw onderneming mag niet onderschat worden.  Denk bijvoorbeeld aan het structureren van uw financiële administratie: uw software zal aangepast moeten worden. Hoe zorgt u ervoor dat de buitenlandse consument een prijs met het juiste btw-tarief ontvangt voor uw diensten? Wat betekent dit voor uw prijsstelling?

Btw registratie

Moet u zich nu in elk land waar uw afnemers wonen afzonderlijk voor de btw registreren? Nee, zeker niet. De Mini One Stop Shop (MOSS) is geïntroduceerd om dit te voorkomen. Het MOSS-systeem biedt u de mogelijkheid om de verschuldigde btw voor digitale diensten via een webportal aan te geven in de lidstaat waar de ondernemer voor de btw geregistreerd is of wil zijn. Vervolgens worden de aangiften, samen met de betaalde btw, door het land van registratie doorgezonden naar de lidstaten waar uw klanten wonen. Per 1 oktober 2014 kunt u zich voor het MOSS-systeem registreren. Binnenkort informeren wij u hier verder over.

Registreren voor het MOSS-systeem is niet verplicht. U mag er ook voor kiezen om in ieder land afzonderlijk aangifte te doen.

(Bron: Mazars)

Gebruikelijk loon dga als BV overig personeel heeft

Het gebruikelijk loon mag niet worden vastgesteld met de afroommethode als een BV ander personeel heeft naast de dga. Dat is de strekking van een arrest van de Hoge Raad uit 2012. Na dit arrest moest Hof Amsterdam beoordelen of de inspecteur de hoogte van het loon van de dga terecht had gecorrigeerd op grond van de gebruikelijkloonregeling.

De inspecteur wilde het gebruikelijk loon vervolgens berekenen door de gehele omzet van de BV toe te rekenen aan de arbeidsprestaties van de dga. Het bedrijfsresultaat van de BV voor aftrek van het loon van de dga en verminderd met een vergoeding voor het kapitaal nam de inspecteur als uitgangspunt voor het gebruikelijk loon van de dga. Volgens de inspecteur kon dat bedrag in zijn geheel aan de arbeid van de dga worden toegerekend. Het loon van de dga kwam in die visie uit op € 260.000. Subsidiair berekende de inspecteur een marktconforme arbeidsbeloning op 50% van de omzet van de BV. Rekening houdend met de wettelijke doelmatigheidsmarge diende het loon van de dga minimaal € 245.000 te bedragen.

Volgens Hof Amsterdam heeft de inspecteur zich niet gehouden aan het arrest van de Hoge Raad. Omdat hij de afroommethode niet mocht toepassen, had hij het door hem te leveren bewijs van een hoger gebruikelijk loon moeten baseren op andere gegevens dan de opbrengsten van de BV. De inspecteur heeft dat bewijs echter niet geleverd. Anders dan de inspecteur veronderstelde is er, wanneer een BV ook ander personeel heeft dan de dga, geen sprake van het weerlegbaar vermoeden dat de opbrengsten van de BV niet geheel voortvloeien uit de door de dga verrichte arbeid.

(Bron: Schuiteman Accountants)

Rechter maakt ‘dode’ btw-letter springlevend

Nederlandse (tussen)houdstermaatschappijen die voor de btw niet kwalificeren als ondernemer zijn wel verlegde btw verschuldigd over adviesdiensten die zij inkopen van non-EU ondernemers. Met deze recente uitspraak maakt hof Amsterdam een wellicht door de praktijk ervaren dode bepaling in de Wet OB 1968 in één klap springlevend. Wie met het uit 2009 stammende HvJ EU-arrest Athesia Druck in de hand er van uit is gegaan dat adviesdiensten zonder btw mogen worden ingekocht van buiten de EU, zou weleens bedrogen kunnen uitkomen als de Hoge Raad zich aansluit bij de uitspraak van hof Amsterdam.

Uitspraak hof Amsterdam

In de zaak voor hof Amsterdam draait het om een in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij die geen prestaties verricht als btw-ondernemer. In 2006 maakt deze tussenhoudster voor de aankoop en financiering van een in Canada gevestigde deelneming gebruik van adviesdiensten van diverse buiten de EU gevestigde advocaten. De tussenhoudstermaatschappij is van mening dat zij geen btw verschuldigd is over de adviesdiensten en dat een bepaling in de Wet OB 1968 op dat punt in strijd is met de destijds geldende Zesde richtlijn. Een en ander zou ook blijken uit een uitspraak van het HvJ EU uit 2009 (arrest Athesia Druck). Uit dit arrest zou volgen dat de betreffende bepaling alleen toepassing kan vinden op adviesdiensten van buiten de EU aan binnen de EU gevestigde btw-ondernemers.

Korte metten

Hof Amsterdam heeft in zijn uitspraak vooralsnog korte metten gemaakt met een wellicht door de praktijk positieve interpretatie van het arrest Athesia Druck. Volgens het hof is de bepaling in de Wet OB 1968 niet in strijd met de Btw-richtlijn. De betreffende bepaling in de Wet OB 1968 schrijft voor dat de verleggingsregeling van toepassing is op het moment dat het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie van de van non-EU ondernemers  ingekochte adviesdiensten plaatsvindt in Nederland. Kortgezegd is volgens hof Amsterdam de Nederlandse houdster “gewoon” verlegde btw verschuldigd.

Tegen deze uitspraak is inmiddels cassatie ingesteld. Het is nu aan de Hoge Raad om een eindoordeel over deze kwestie te vellen.

Van ‘dode’ naar ‘springlevende’ letter

“Het HvJ EU en daaropvolgend de Nederlandse rechters hebben gezorgd voor een hoop onduidelijkheid voor wat betreft de btw-behandeling van adviesdiensten van non-EU ondernemers aan onder andere Nederlandse houdstermaatschappijen”, zo legt Roderick Knipsael, btw-specialist bij Baker Tilly Berk uit. “Daar waar het in de procedures voornamelijk gaat om een interpretatieverschil van richtlijnbepalingen en wetsartikelen, gaat het in de praktijk om de btw-positie van Nederlandse houdstermaatschappijen. De uitspraak van het hof zou kunnen betekenen dat niet btw-plichtige houdstermaatschappijen toch verlegde btw op buiten de EU ingekochte adviesdiensten moeten aangeven in Nederland. Deze houdstermaatschappijen hebben geen recht op aftrek van voorbelasting waardoor deze btw direct een kostenpost vormt. Het kan zijn dat de Nederlandse houdster-praktijk hierop gaat anticiperen, bijvoorbeeld door middel van het btw-belast doorberekenen van de gemaakte advieskosten aan een vennootschap binnen het concern. Het kan ook zijn dat het concern ervoor kiest een andere vennootschap binnen het concern (of een nieuw op te richten vennootschap) de adviesdiensten te “laten” afnemen. Of dit definitief tot een aftrekrecht leidt valt nog te bezien.”

Werkelijk gebruik blijft onduidelijk

De huidige werkelijk-gebruikbepaling staat in artikel 6j van de Wet OB 1968. Dit artikel is alleen van toepassing wanneer ‘het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie’ van de diensten in Nederland plaatsvinden. “Een ander net zo belangrijk punt is wat nu precies bedoeld wordt met het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie” aldus Knipsael. “Helaas is dat tot op de dag van vandaag niet duidelijk. Voor bepaalde diensten is het werkelijke gebruik makkelijk te bepalen maar bij management- en adviesdiensten binnen een internationaal concernverband is dit heel wat lastiger. Voornamelijk bij moederbedrijven gevestigd buiten de EU is het niet duidelijk of zij advocaten, accountants en adviseurs inschakelen ten behoeve van (een werkelijk gebruik en exploitatie van) hun dochtermaatschappijen in de EU, of voor henzelf. Kan naar mijn mening beide kanten opgaan.”

Eenzijdige heffing

Knipsael betreurt het ook dat de Nederlandse wetgever destijds heeft besloten om de werkelijk-gebruikbepalingen uit de btw-richtlijn slechts gedeeltelijk te implementeren. “Doel van de richtlijnbepalingen is het voorkomen van niet-heffing dan wel het voorkomen van dubbele heffing. De wetgever heeft alleen gekozen om de niet-heffing te implementeren in artikel 6j van de Wet op de omzetbelasting. Dat terwijl artikel 59 bis onderdeel a van de Btw-richtlijn lidstaten de mogelijkheid biedt om diensten niet te belasten met Nederlandse btw ingeval van dubbele heffing en concurrentievervalsing. Jammer, want elk land buiten de EU heeft wel een consumptiebelasting, die vergelijkbaar is met de btw. In het licht van de groeiende continent-overschrijdende samenwerking, bijvoorbeeld met Amerika, kan dit leiden tot concurrentieverstoring.”

(Bron: Taxlive)

Toch Milieuinvesteringsaftrek op demo

Voor de milieu-investeringsaftrek geldt dat er sprake moet zijn van een niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel. Een nieuw besluit van de staatssecretaris geeft een goedkeurende regeling voor demo’s.

De staatssecretaris schrijft dat gebleken is dat milieuvriendelijke voertuigen die als demonstratiemodel zijn gebruikt, niet in aanmerking kunnen komen voor milieu-investeringsaftrek omdat zij gelden als gebruikt. Met name bij deze voertuigen met een relatief nieuwe techniek bestaat echter wel behoefte aan demonstratiemodellen. Hij keurt daarom goed dat demo’s die op de milieulijst staan, gelden als niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen als deze voldoen aan de vereisten voor nieuwe vervoermiddelen in de Wet op de omzetbelasting 1968. Dat komt neer op maximaal zes maanden na eerste ingebruikneming of ten hoogste 6000 kilometer.

Daarnaast geeft de staatssecretaris uitleg over eis dat het bedrijfsmiddel niet eerder in gebruik mag zijn genomen voor gevallen waarin een koopoptie wordt uitgeoefend. Of er dan sprake is van een ongebruikt bedrijfsmiddel, hangt af van de intentie die de verkoper had met dit activum.
Als bijvoorbeeld bij huur of lease een optie tot koop na een relatief korte periode na de ingebruikneming van de zaak is opgenomen, en deze optie ook daadwerkelijk in die korte periode wordt uitgeoefend, zal er voor de verkoper in het algemeen eerder sprake zijn van voorraad dan van een bedrijfsmiddel. De koper investeert dan in een niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel omdat voorheen bij de verkoper sprake was van voorraad terwijl bij de gebruiker nog geen sprake was van een bedrijfsmiddel.
Als in het huur- of leasecontract geen koopoptie is opgenomen, zal voor de verkoper in het algemeen sprake zijn van een bedrijfsmiddel dat hij exploiteert. Als de huurder of lessee daarna (al dan niet binnen korte tijd) tot koop van het gehuurde overgaat, is dan ook sprake van een investering in een eerder gebruikt bedrijfsmiddel.

Het besluit treedt met terugwerkende kracht tot 17 maart 2014 in werking.

(Bron: Auto en fiscus)

Uitgestelde levering drukt waarde aandelen

Het is mogelijk dat tussen het uitoefenmoment van aandelenopties en de feitelijke levering van de aandelen verlies wordt geleden wegens een
koersdaling. In dat geval kan men een korting toepassen op de beurswaarde op het uitoefenmoment. De hoogte van de korting hangt af van de omstandigheden.

Een bestuurder van een Nederlandse bv die de opties in de Zweedse moedermaatschappij van de bv had uitgeoefend, wilde een kortingspercentage van
25% in aanmerking nemen. Hij had de opties in oktober 2007 uitgeoefend en behaalde daarmee een voordeel van € 326.475. Maar hij ontving de aandelen pas
twee maanden later. Zijn voordeel bedroeg op dat moment € 240.084 als gevolg van een koersdaling. De man gaf dit verlies in zijn aangifte inkomstenbelasting aan
als negatief loon en ging daarbij uit van de beurswaarde van de aandelen op het uitoefenmoment. Het hof stelde de bestuurder gedeeltelijk in het gelijk. Het hof
was het met de bestuurder eens dat het door hem gelopen koers- en valutarisico en het gemis aan rendement op het geïnvesteerde vermogen een waardedrukkende
effect hadden. Maar een korting van 25% was gelet op de omstandigheden wel aan de hoge kant. Het hof stelde de korting in goede justitie vast op 2% van de
beurswaarde op het uitoefenmoment. Verder oordeelde de rechter dat toepassing van het lock-up beleid niet mogelijk was, omdat de situatie van de bestuurder op
een aantal belangrijke punten verschilde van een ‘lock-up situatie’. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de man ongegrond.

(Bron: Taxence)