Loon inclusief vakantiegeld toegestaan

De kantonrechter in Amsterdam heeft kortgeleden bepaald dat dit niet in strijd is met de wet. In de betreffende zaak stapte een werknemer nadat zijn dienstverband was afgelopen naar de kantonrechter om van zijn ex-werkgever (nogmaals) uitbetaling van vakantiedagen en vakantiebijslag te eisen. Dit zat al in zijn loon verwerkt, maar volgens de werknemer was dit wettelijk niet toegestaan.

De rechter stelde vast dat in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag staat dat de werkgever de vakantiebijslag van de werknemer in principe in de maand juni moet uitbetalen. Wel mag er in de cao of arbeidsovereenkomst worden afgesproken dat de vakantiebijslag op een ander tijdstip wordt uitgekeerd, zolang dit minstens één keer per jaar gebeurt. In deze zaak stond in de arbeidsovereenkomst van de werknemer dat hij zijn vakantiebijslag maandelijks verwerkt in zijn salaris zou ontvangen. Op dit punt wees de rechter de vordering van de werknemer dus af.

De uitbetaling van vakantiedagen mag ook worden meegenomen in het uurloon.
Wel moet de werkgever de werknemer in de gelegenheid stellen om vakantie op te nemen. De werknemer moet dus het recht behouden om op vakantie te gaan. Daarnaast moet op de loonstrook zichtbaar zijn welk deel van het loon als salaris, vakantiedagen en vakantiebijslag kwalificeert.

Ook nam de kantonrechter in zijn oordeel mee dat de werkgever een modelcontract uit de cao had gebruikt, waarin de afspraak over het all-in uurloon was opgenomen. De vordering van de werknemer om de vakantiedagen nogmaals uit te betalen werd afgewezen.

(Bron: Logihuis)

Na 1 april eerst AOW’ers eruit bij afspiegelen

Bij ontslag om bedrijfseconomische redenen moet u vanaf 1 april eerst afscheid nemen van de AOW-gerechtigden voordat u het afspiegelingsbeginsel verder toepast. Dit is het gevolg van een recente wijziging in het Ontslagbesluit.

Onlangs is een wijziging van het Ontslagbesluit (pdf) in de Staatscourant gepubliceerd. Hieruit blijkt dat u per 1 april 2014 bij ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen eerst moet bekijken of er in de uitwisselbare functiegroepen werknemers zitten die AOW-gerechtigd zijn. Is dat het geval, dan moet u als eerste afscheid nemen van deze medewerkers.

Objectieve rechtvaardiging voor wijziging Ontslagbesluit

Als er méér AOW-gerechtigden in een functiegroep vallen dan er in die groep ontslagen moeten worden, komt de AOW-gerechtigde met het kortste dienstverband als eerste in aanmerking voor ontslag. Als er juist méér werknemers moeten worden ontslagen dan er AOW-gerechtigden zijn, past u vervolgens de normale regels van het afspiegelingsbeginsel toe. De wijziging in het Ontslagbesluit moet ervoor zorgen dat medewerkers die een inkomensvoorziening hebben op grond van hun AOW eerder voor ontslag in aanmerking komen dan werknemers die dit niet hebben. Door deze objectieve rechtvaardiging is de wijziging niet in strijd met de Wet gelijke behandeling. Bij ontslagaanvragen die u vóór 1 april 2014 indient, kunt u de normale regels voor het afspiegelingsbeginsel nog hanteren.

Leeftijdscategorie wordt ’55 jaar tot AOW-gerechtigde leeftijd’

Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel verdeelt u uw medewerkers in groepen met uitwisselbare functies. Dit zijn functies die wat betreft functie-inhoud, kennis, competenties, niveau en beloning vergelijkbaar met elkaar zijn. Per groep uitwisselbare functies verdeelt u uw medewerkers vervolgens onder in leeftijdscategorieën. Hierbij geldt dat de leeftijdscategorie van ‘55 jaar en ouder’ wordt gewijzigd in ‘55 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd’. Per leeftijdscategorie moet u de werknemer met het kortste dienstverband ontslaan. De bedoeling hiervan is dat de leeftijdsopbouw binnen de categorieën uitwisselbare functies vóór en na de ontslagrondes zo veel mogelijk gelijk blijft.

(Bron: OCRendement)

Foutieve aangifte is uw verantwoordelijkheid

Besteedt u de administratie liever uit aan een administratie- of accountantskantoor, dan moet u er rekening mee houden dat uw onderneming altijd eindverantwoordelijke blijft voor het doen van een juiste belastingaangiften. Als het dus helemaal mis gaat, moet u op de blaren zitten. Dit bleek uit een recente uitspraak van Rechtbank Noord-Holland.

De onderneming in deze zaak kreeg, naar aanleiding van een boekenonderzoek, een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd over de periode 2007-2010. De fiscus vond dat de aangiften loonheffingen veel te laag waren.. De onderneming stapte naar de rechter. Het klopte namelijk wel dat er te weinig loonheffingen waren afgedragen, maar de onderneming stelde dat schuld lag bij het administratiekantoor dat haar loonaangifte deed. Vanaf 2005 was de onderneming ineens veel minder kwijt aan loonheffingen. Dit was de ondernemer wel opgevallen en hij had daarom regelmatig contact gehad met de Belastingdienst. Hij vermoedde zelf dat de veel langere loonheffing te maken zou kunnen hebben met de veranderde regels omtrent de AOW en de fiscus gaf aan dat dit inderdaad een mogelijkheid was.

Softwarefout was de boosdoener

Achteraf bleek echter dat het aan een fout lag in de software van het administratiekantoor dat zijn loonaangifte verzorgde. De ondernemer stelde dat deze fout hem niet kon worden verweten. Ook bij de Belastingtelefoon hadden ze hem niet gewaarschuwd dat het om een fout zou kunnen gaan. Hij stelde daarom dat de fiscus de naheffingsaanslag niet op zijn onderneming moest verhalen, maar op het administratiekantoor. Daar ging de rechter niet in mee. Ook als de loonadministratie wordt uitbesteed, blijft een onderneming namelijk altijd eindverantwoordelijk voor een juiste en volledige aangifte en afdracht van de loonheffingen.

Termijn boekenonderzoek mag niet te lang duren

Het boekenonderzoek waardoor deze zaak aan het rollen kwam, begon op 21 december 2009 en was afgerond op 12 juni 2012. Volgens de ondernemer had dit te lang geduurd, waardoor de fiscus geen naheffingsaanslag meer op mocht leggen. Hij beriep zich hierbij op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hier kon de rechter wel begrip voor opbrengen, maar de inspecteur had zelf de naheffingsaanslag al aangepast. Hoewel de naheffing bleef staan, had hij wel de termijn waarover de heffingsrente berekend werd, verminderd tot 1 juli 2010. Dat was volgens de rechter een voldoende tegemoetkoming. De naheffingsaanslag was wel gewoon binnen de wettelijke termijn opgelegd.

(Bron: FA Rendement)

Controlethema’s aangifte inkomstenbelasting 2013 bekend.

De Belastingdienst controleert (service- en controlethema’s) bij de aangifte
inkomstenbelasting over 2013 extra streng op een aantal onderdelen. Deze
onderdelen zijn:
zorgkosten, zoals dieetkosten en medicijnen
gastouders
zorgverleners die zorg verlenen aan houders van een persoonsgebonden budget
hypotheekverhoging
giften
vermogen in het buitenland en Belgisch pensioen
echtscheiding

Vooraf ingevulde aangifte:

Vanaf 1 maart 2014 kan een belastingplichtige aangifte inkomstenbelasting doen
over 2013 met de vooraf ingevulde aangifte. Dit jaar zijn weer meer gegevens
vooraf ingevuld. Nieuw is dat de Belastingdienst dit jaar ook de aftrekbare
premies arbeidsongeschiktheidsverzekeringen vooraf invult. Mede daardoor is dit
jaar de aangifte voor ongeveer zes miljoen particulieren volledig vooraf
ingevuld. Voor ongeveer vier miljoen mensen is de aangifte gedeeltelijk
ingevuld.

Welke gegevens vult de Belastingdienst zoal vooraf in?
Loon, uitkeringen, pensioenen
De meeste heffingskortingen
Hypotheeksaldo en hypotheekschuld en WOZ-waarde van de eigen woning
Gegevens van overige onroerende zaken in Nederland
Ingehouden dividendbelasting
Lijfrentepremies
Ontvangen studiefinanciering en de studieperiode
Banksaldi en spaartegoeden
Waarde effectenportefeuilles
Leningen en andere schulden
Buitenlandse (Belgische en Duitse) pensioenen
Premies AOV (Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen)
Buitenlandse rekeningen
De naam van degene van wie u een persoonsgebonden budget ontvangt
Ondanks het feit dat de vooraf ingevulde belastingaangiftes elk jaar completer
worden, bent u nog steeds verantwoordelijk voor eventuele fouten. Controleren
van de door de Belastingdienst ingevulde gegevens blijft dus belangrijk.

Inspecteur moet wachten met opleggen aanslag totdat informatiebeschikking onherroepelijk vaststaat

Rechtbank Den Haag oordeelt dat nu de inspecteur al een aanslag IB/PVV 2009 heeft opgelegd, terwijl de informatiebeschikking over dat jaar nog niet onherroepelijk vaststond, deze informatiebeschikking van rechtswege komt te vervallen.

Aan X wordt een informatiebeschikking opgelegd voor het jaar 2009. X is het niet eens met deze informatiebeschikking en gaat in bezwaar en beroep.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur moet wachten met het opleggen van een aanslag over een bepaald jaar totdat de informatiebeschikking over dat jaar onherroepelijk vaststaat. In dit geval heeft de inspecteur dit niet gedaan bij de aanslag IB/PVV 2009. Gevolg is dat de informatiebeschikking over dat jaar van rechtswege komt te vervallen. Dit op grond van art. 52a lid 3 AWR. De rechtbank verklaart het beroep van X wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk, omdat X door het instellen van beroep niet in een gunstiger positie kon komen. Omdat de informatiebeschikking ten tijde van het instellen van beroep nog niet van rechtswege was komen te vervallen, is X wel terecht in bezwaar en beroep gegaan. De rechtbank kent daarom een proceskostenvergoeding toe van € 1.217.

(Bron: Taxlive)

Hof legt celstraf op voor gebruiken van valse jaarrekeningen

In hoger beroep is de voormalig eigenaar van een vleesbedrijf in Oss (57) veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf voor flessentrekkerij (het stelselmatig kopen van goederen zonder te betalen) en het gebruiken van valse jaarrekeningen. Ook moet hij ruim 400.000 euro schadevergoeding betalen. De directeur van het bedrijf (65) krijgt een voorwaardelijke celstraf van 4 maanden alleen voor het gebruiken van valse jaarrekeningen. Het hof spreekt een medewerker (48) vrij wegens gebrek aan bewijs.

In de periode van 1 september 2006 tot en met 18 juli 2007 werkten de mannen voor een bedrijf in Oss, dat handelt in vlees en andere levensmiddelen. De 57-jarige man ontdeed zich formeel van zijn slapende onderneming maar is daar in de praktijk gewoon mee doorgegaan. Hij zocht een stroman en die vond hij in de nu 65-jarige man. Deze man heeft het bedrijf op zijn naam gekregen en werd op papier directeur. Vervolgens heeft de 57-jarige man opzettelijk valse jaarrekeningen over dat bedrijf in het verkeer gebracht en deze zijn verstrekt aan drie kredietverzekeraars en een bank. Op basis van die valse stukken hebben die kredietverzekeraars aan de latere leveranciers hoge kredieten afgegeven en is de bank een hypotheek gevraagd, zodat de 65-jarige man het pand (destijds gehuurd van een BV van de echtgenote van de 57-jarige man) kon kopen.

Flessentrekkerij

De 57-jarige man zorgde er ook voor dat het bedrijf weer bestellingen kon plaatsen bij andere bedrijven. Nadat die bestelde goederen werden geleverd heeft het bedrijf de facturen nooit betaald, maar een groot deel van die goederen zo snel mogelijk en vaak onder de aankoopprijs doorverkocht.

Straffen

Bij het bepalen van de straf heeft het hof er rekening mee gehouden dat de 57-jarige man al diverse keren is veroordeeld, onder meer voor douanefraude in 2008. Door zijn toedoen zijn zeker 15 bedrijven benadeeld voor een totaalbedrag dat in de tonnen loopt. Het hof vindt daarom een gevangenisstraf van 27 maanden passend.

Het hof spreekt de 65-jarige man vrij van flessentrekkerij, omdat niet bewezen kan worden dat hij destijds de bedoeling had om goederen te kopen zonder daarvoor te betalen. Hij is wel betrokken geweest bij het gebruiken van valse jaarrekeningen, aangezien hij toen inmiddels wist dat er twee versies van de jaarrekeningen in omloop waren. Het hof houdt rekening met zijn slechte gezondheidstoestand en legt hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden op.

Het hof spreekt de medewerker helemaal vrij. Het kan niet worden vastgesteld dat hij wist dat de stukken vals waren. Ook kan niet bewezen worden dat hij op de hoogte was van de malafide gang van zaken binnen het bedrijf en evenmin dat de man zelf de bedoeling had om deze goederen te kopen zonder daarvoor te betalen.

Op 24 mei 2011 legde de rechtbank Oost-Brabant de directeur, eigenaar en medewerker respectievelijk 10, 27 en 15 (waarvan 5 voorwaardelijk) maanden gevangenisstraf op.

(Bron: Accountancynieuws)

Slechte documentatie lening dga leidde tot verkapt dividend

Wie een lening verstrekt aan zijn bv, doet er in beginsel verstandig aan deze overeenkomst goed te documenteren. Zo niet, dan zal de Belastingdienst ‘aflossingen’ op de schuld aanmerken als verkapte winstuitdelingen.

Dit overkwam ook een dga die aan het hoofd stond van zes bv’s: een moedermaatschappij, een dochtermaatschappij en vier kleindochtermaatschappijen. In eerste instantie had de dga geen aangifte inkomstenbelasting ingediend. De inspecteur legde hem daarop een ambtshalve aanslag op. Daarbij ging hij ervan uit dat de dga een gebruikelijk loon had genoten. Ook merkte de inspecteur de bedragen die de dga had opgenomen bij één van zijn bv’s aan als een verkapt dividend. Daarop overlegde de man alsnog diverse stukken. Deze waren echter niet helemaal compleet. Zo stelde de dga dat de opgenomen bedragen feitelijk aflossingen vormden op een verstrekte lening, maar hij kon geen stukken overleggen over het afsluiten van die lening. De inspecteur daarentegen had zijn berekening van de verkapte winstuitkering gebaseerd op werkelijk opgenomen gelden. Het hof oordeelde dan ook dat de inspecteur een redelijke schatting had gemaakt van de belastbare inkomsten.

(Bron: Taxence)

Bv moet ook na zetelverplaatsing aangifte indienen

Doordat de wet een vestigingsfictie kent, moet een bv ook een aangifte vennootschapsbelasting indienen als haar zetel is verplaatst naar het buitenland. Dit is zelfs het geval als de binnenlandse winst nihil is, zo oordeelde Rechtbank Noord-Holland.

Dit oordeel zag op drie bv’s die waren gevoegd in een fiscale eenheid. De directeur-grootaandeelhouder van de bv’s emigreerde naar het buitenland. Dit bracht een zetelverplaatsing van de bv’s met zich. Hierdoor werd de fiscale eenheid verbroken. Na deze ontvoeging moesten de bv’s ieder hun eigen aangifte vennootschapsbelasting indienen. Omdat een lichaam wordt geacht te zijn gevestigd in Nederland als het is opgericht naar Nederlands recht, stelde de fiscus dat de bv’s binnenlands belastingplichtigen waren. De aangiften mochten dan wel leiden tot nihilaanslagen, de bv’s moesten de aangiften nog wel indienen. Door dit na te laten kregen de bv’s verzuimboeten opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur in beginsel juist had gehandeld. Wel verminderde de rechter de boetes voor de twee dochtervennootschappen met nihil omdat zij lege vennootschappen waren zonder enig vermogen.

(Bron: Taxence)

6 dingen die je moet weten over het nieuwe ontslagrecht

Terwijl de kranten bol stonden van de schaatsmedailles en het communicatieprobleem van Plasterk, werd en passant een de grootste wijzigingen in het ontslagrecht in de afgelopen 60 jaar door de Tweede Kamer geloodst.

De wet passeerde de Kamer zonder noemenswaardige wijzigingen. Dat is opmerkelijk, omdat in kringen van kenners tal van vragen en kanttekeningen waren opgeworpen.

Wat verandert er per 1 juli 2015 als de wetswijzigingen ook de Eerste Kamer zullen passeren?

1. Ontslag óf via de rechter, óf via het UWV Er kan geen keuze meer worden gemaakt tussen het beëindigen van de arbeidsovereenkomst via het UWV of de kantonrechter. Ontslag op grond van bedrijfseconomische redenen gaat straks standaard via het UWV Werkbedrijf. Ontslag op grond van disfunctioneren of andere redenen die verband houden met de persoon die ontslagen wordt, loopt via de rechter.

2. Huidige ontslagvergoeding verdwijnt Bij ontslag wordt de huidige ontslagvergoeding op grond van de kantonrechtersformule vervangen door de transitievergoeding. Na een arbeidsovereenkomst van ten minste twee jaar ontstaat recht op deze vergoeding, die gebruikt kan worden voor scholing en om over te stappen naar een andere baan, of een ander beroep. Het bedrag mag je overigens wel vrij besteden. Van belang is dat het geen ontslagvergoeding meer is, maar een ‘uit dienst-vergoeding’. Dat betekent dat ook de werknemer wiens contract van rechtswege eindigt (doordat de afgesproken duur afloopt) er aanspraak op kan maken als hij of zij langer dan twee jaar in dienst is geweest.

3. Hoogte nieuwe vergoeding bij uit dienst treden De hoogte van de vergoeding is een derde maandsalaris per gewerkt dienstjaar en een half maandsalaris per dienstjaar dat men langer dan tien jaar in dienst is geweest. Er komt een overgangsregeling voor werknemers van 50-plus die langer dan 10 jaar in dienst zijn. Overigens geldt die overgangsregeling alleen voor bedrijven met meer dan 25 werknemers. De uit dienst-vergoeding wordt maximaal 75.000 euro, of maximaal een jaarsalaris voor mensen die meer dan 75.000 euro per jaar verdienen. Wel zal de mogelijkheid worden geboden een billijke vergoeding te vorderen bij ernstig verwijtbaar handelen van de kant van de werkgever. Het lijkt er op dat het dan moet gaan om ernstige verwijtbare aangelegenheden, zoals discriminatie, pesten en andere ernstige handelingen. Ook kan de rechter een lagere vergoeding toekennen als de werknemer nalatig is geweest.

4. Hoger beroep na ontslag Werknemers kunnen straks in hoger beroep als zij het niet eens zijn met de beslissing van het UWV Werkbedrijf of de kantonrechter een ontslagvergunning te verlenen. Dat is op dit moment niet het geval, en het is de vraag hoe dat gaat uitwerken. Een procedure kan immers een stuk langer worden.

5. Bedenktijd In de praktijk worden nu vaak geen procedures gevoerd maar spreken werkgever en werknemer samen af onder welke voorwaarden ze uit elkaar gaan. Dat wordt vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst en daarmee kunnen partijen uit elkaar op een wijze die bijvoorbeeld de rechten op een WW-uitkering niet aantast. Nieuw is de introductie van twee weken bedenktijd. De werknemer krijg de mogelijkheid om binnen twee weken terug te komen op een vaststellingsovereenkomst. In theorie kan dit een bron van problemen zijn. De werknemer die tekent en zich bedenkt, heeft in ieder geval weer twee weken extra salaris ‘gewonnen’.

6. Beperking WW-duur Tenslotte komt er beperking van de WW-uitkering. Deze wordt vanaf 2016 stapsgewijs afgebouwd tot maximaal 24 maanden in 2020. Het is een ingrijpende reeks wijzigingen en de uitwerking in de praktijk is ongewis. De wetswijzigingen zijn echter hard op weg om – op enkele amendementen door de Eerste Kamer na – aangenomen te worden.

(Bron: Pellicaan)

Regels omtrent verzuimboete bij aangifte

Wanneer een aangifte niet binnen de daarvoor (in de aanmaning) gestelde tijd wordt ingediend, legt de Belastingdienst een verzuimboete op. De inspecteur mag geen verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen enkel verwijt treft (‘afwezigheid van alle schuld’ of avas). In de regel is het inschakelen van een ‘gerenommeerd kantoor’ voor het verzorgen van de aangifte voldoende voor een beroep op avas door een belastingplichtige. Dit tenzij, zoals in deze zaak wordt geconstateerd, de adviseur in het verleden al eerder steekjes heeft laten vallen en belanghebbende er niet voldoende ‘bovenop’ heeft gezeten.

De belanghebbende heeft zijn belastingadviseur gevraagd zijn aangifte inkomstenbelasting voor hem te verzorgen. Twee weken voor de datum waarop de aangifte ingediend moet zijn, ontvangt hij een brief van de Belastingdienst dat indieningdatum nadert. Wanneer ruim een maand later de aangifte niet bij de fiscus is binnengekomen, wordt de belastingplichtige door de fiscus gemaand zijn aangifte alsnog binnen twee weken in te dienen. Bij het niet tijdig doen van de vereiste aangifte zal, zo geeft de Belastingdienst aan, een boete worden opgelegd.

Bezwaar door adviseur Belanghebbende heeft de herinnering en de aanmaning naar zijn belastingadviseur gestuurd. Een jaar later ontvangt hij een aanslag. De Belastingsdienst heeft de aanslag ‘ambtshalve’ vastgesteld en voorzien van boete omdat er geen aangifte is ingediend. De adviseur maakt namens zijn cliënt bezwaar tegen de aanslag en de boete. In het bezwaar meldt hij dat hij de aangifte heeft opgesteld, maar dat blijkbaar is verzuimd een laatste aanvullende handeling te verrichten om de aangifte daadwerkelijk elektronisch te verzenden. Bij de ontvangst van de herinnering en de aanmaning was de adviseur er nog van overtuigd dat de aangifte was verzonden. Eerst bij de ambtshalve aanslag kwam aan de orde dat dat (toch) niet het geval was.

Vertrouwen niet gerechtvaardigd De belastingplichtige is het niet eens met de verzuimboete die de inspecteur hem heeft opgelegd. Hij stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn gemachtigde – die in dienst was bij een gerenommeerd kantoor – de aangifte op tijd zou indienen, zodat hem in dezen geen schuld treft. Rechtbank Breda en ook Hof ’s-Hertogenbosch oordelen dat hoewel een belastingplichtige er inderdaad op mag vertrouwen dat een gerenommeerd kantoor zijn aangifte op tijd indient, er zich omstandigheden kunnen voordoen, waarbij dit vertrouwen niet gerechtvaardigd is. De adviseur heeft al eerder aangiften te laat ingediend. Onder deze omstandigheden mocht belanghebbende er volgens het hof niet op vertrouwen dat het enkel doorsturen van een herinnering en aanmaning voldoende was om ervoor te zorgen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend. Het hof is van oordeel dat daarom niet kan worden gezegd dat hij alle in redelijkheid te verlangen zorg heeft betracht om de aangifte tijdig te doen. Het beroep op afwezigheid van alle schuld faalt.

Tot slot De Belastingdienst legt een verzuimboete op wanneer een belanghebbende de aangifte niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan. Aan de aanmaning gaat overigens altijd een herinnering vooraf.  Alleen wanneer er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) zal de Belastingdienst geen verzuimboete opleggen. Het is daarbij van belang of de belastingplichtige kan laten zien dat hij alle in de gegeven omstandigheden, in redelijkheid van hem of haar te vergen zorg heeft betracht om er voor te zorgen dat de aangifte tijdig wordt ingediend. Het alleen maar, en zonder overleg, toezenden van de herinnering en de aanmaning aan de belastingadviseur is in dit geval onvoldoende om te concluderen dat belanghebbende aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Helemaal omdat in het verleden zijn adviseur al eerder te laat is geweest met het indienen van aangiften. Hoewel dus het enkele inschakelen van een gerenommeerd advieskantoor in beginsel voldoende is voor het vermoeden dat een belastingplichtige de benodigde zorg voor het indienen van een juiste, tijdige en volledige aangifte in acht heeft genomen, wordt zeker gekeken naar de zorgvuldigheid en taakvervulling van de individuele adviseur. (Hof ‘s-Hertogenbosch, 23 juli 2013, Zaaknummer 12-00310)