UBO-register blijft op slot voor het grote publiek

De gegevens in het zogeheten UBO-register blijven voor het grote publiek achter slot en grendel. Dat heeft het kabinet besloten na een analyse van een arrest van het Europese Hof voor Justitie. Onder meer de Belastingdienst en banken krijgen wel weer toegang.

In het register staan gegevens van de ultimate beneficial owners (UBO’s) van onder meer ondernemingen en stichtingen. De UBO van een bv is bijvoorbeeld een natuurlijk persoon met meer dan 25% van de aandelen (zie ook het bericht Wanneer is iemand een UBO?) Organisaties moeten zelf de inschrijving van hun UBO (artikel) regelen. Het register is onderdeel van het Handelsregister en wordt beheerd door de Kamer van Koophandel (KvK).

Privacyzorgen rondom UBO-register

Sinds de start van het register is een deel van de gegevens voor iedereen in te zien, tegen een kleine vergoeding. Bevoegde instanties, zoals opsporingsdiensten en de Belastingdienst kunnen meer informatie van de UBO bekijken.
Dat een deel van de UBO-gegevens voor iedereen toegankelijk is, zorgt ook al sinds de start van het register voor felle kritiek. Onder meer familiebedrijven vrezen voor hun privacy. Inmiddels hebben zij ook gehoor gevonden bij het Europese Hof. Dat heeft eind vorig jaar geoordeeld dat de openbaarheid een te grote inbreuk is op de grondrechten van UBO’s. In reactie op dat arrest heeft het kabinet de KvK toen gevraagd om direct alle informatieverstrekkingen te staken.

Openbaarheid register beperkt

Inmiddels heeft het kabinet besloten hoe Nederland nu omgaat met het UBO-register, zo meldt minister Kaag van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer (pdf). Op basis van een analyse van het arrest en een verduidelijking van het Hof concludeert het kabinet dat het register niet opnieuw voor iedereen opengesteld kan worden. De toegang wordt beperkt tot drie groepen: bevoegde autoriteiten (zoals de Belastingdienst), meldingsplichtige instellingen (zoals banken) en organisaties en personen die een ‘legitiem belang’ kunnen aantonen. Er komt spoedig een wetsvoorstel aan dat de openbaarheid van het UBO-register beperkt, schrijft Kaag.

Registreren UBO blijft verplicht

Tegelijkertijd krijgen bevoegde autoriteiten en meldingsplichtige instellingen weer zo snel mogelijk toegang tot de gegevens in het register. Ook voor hen is de informatieverstrekking namelijk eerder opgeschort. Dat maakt het bijvoorbeeld voor een bank lastig om onderzoek te doen naar een onderneming die een nieuwe lening aanvraagt. Voor partijen die een legitiem belang kunnen aantonen – dat zouden bijvoorbeeld onderzoeksjournalisten kunnen zijn – onderzoekt Kaag nog hoe zij toegang kunnen krijgen.
De minister merkt in haar brief wel op dat oordeel van het Hof nadrukkelijk niet gaat over de registratieplicht voor organisaties en ondernemingen. De plicht om een UBO in te schrijven blijft dus onverkort gelden en ook de handhaving via steekproeven zet het kabinet door. Wel zal het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst tot 1 februari 2023 geen sancties opleggen voor ontbrekende registraties.

(Bron: Rendement)

De fiscale eenheid in 2023

Onderneemt u vanuit meerdere bv’s? Dan kan het fiscaal aantrekkelijk zijn om de bv’s een fiscale eenheid te laten vormen. Zowel in de vennootschapsbelasting als in de omzetbelasting is een fiscale eenheid mogelijk. De voorwaarden luisteren nauw en alhoewel een fiscale eenheid zeker voordelen kent, zijn er ook enkele belangrijke nadelen. In dit uitgebreide artikel komt zowel de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting als de fiscale eenheid in de omzetbelasting aan bod.

Fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Op verzoek kan een holding (moedervennootschap) samen met een of meer dochtervennootschappen (werk-bv’s) voor de vennootschapsbelasting worden aangemerkt als een fiscale eenheid. Juridisch blijven de vennootschappen gescheiden, maar fiscaal worden zij gezien als één belastingplichtige. De resultaten van de dochtervennootschap(pen) worden namelijk toegerekend aan de moedervennootschap.

Let op! Een verzoek om een fiscale eenheid moet schriftelijk worden ingediend bij de Belastingdienst. Hiervoor moeten een aantal formulieren worden ingevuld. Het verzoek moet binnen drie maanden na de gewenste ingangsdatum zijn ingediend.

Voorwaarden aangaan fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Niet alle bv’s kunnen zomaar een fiscale eenheid met elkaar vormen. Er gelden een aantal eisen:

  • De moedervennootschap bezit ten minste 95% van het gehele juridische en economische eigendom van het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de dochtervennootschap. Dit aandelenbezit vertegenwoordigt ten minste 95% van de statutaire stemrechten in de dochtervennootschap. In alle gevallen geeft het aandelenbezit recht op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van deze dochtervennootschap.
  • De boekjaren van de deelnemende bv’s moeten samenvallen. Er geldt een uitzondering wanneer een bv in de loop van het jaar wordt opgericht.
  • Alle deelnemende bv’s moeten dezelfde winstbepalingsregels hanteren.
  • Zowel de moedervennootschap als de dochtervennootschap(pen) moet(en) feitelijk in Nederland zijn gevestigd.

Let op! Doordat de moedervennootschap ten minste 95% van het gehele juridische en economische eigendom van de aandelen in de dochtervennootschap moet bezitten, is het niet mogelijk om een fiscale eenheid te vormen als de aandelen in de dochtervennootschap zijn ondergebracht en gecertificeerd in een Stichting Administratiekantoor (STAK).

Het is ook mogelijk om in bepaalde ‘buitenlandsituaties’ een fiscale eenheid te vormen tussen Nederlandse vennootschappen. Zo is bijvoorbeeld een fiscale eenheid mogelijk tussen een Nederlandse moedermaatschappij en een Nederlandse kleindochtermaatschappij, wanneer de tussenliggende dochtermaatschappij is gevestigd in een ander EU-land, Noorwegen, IJsland of Liechtenstein. Ook kunnen twee in Nederland gevestigde zustermaatschappijen met elkaar een fiscale eenheid aangaan als de moedermaatschappij is gevestigd in de EU of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein.

Einde fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Een fiscale eenheid eindigt uiteraard automatisch als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.

Zo eindigt de fiscale eenheid bijvoorbeeld als de moedervennootschap een deel of alle aandelen in de dochtervennootschap verkoopt en daardoor minder dan 95% van de aandelen bezit. Ook op gezamenlijk verzoek van de moedervennootschap en de dochtervennootschap kan een fiscale eenheid worden verbroken (ontvoeging). Verbreking kan niet eerder plaatsvinden dan op de datum van het verzoek aan de Belastingdienst (dus niet met terugwerkende kracht). Door liquidatie en vereffening van een vennootschap binnen de fiscale eenheid, komt de fiscale eenheid ten aanzien van de vereffende vennootschap uiteraard ook ten einde. Dit wordt formeel echter niet aangemerkt als een ontvoeging. Dat is van belang, omdat sommige antimisbruikmaatregelen alleen in werking treden bij een ontvoeging en dus niet bij een vereffening.

Voordelen fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kent enkele belangrijke voordelen. We noemen hier een aantal voordelen. Zo kunnen verliezen en winsten direct onderling worden verrekend.

Let op! Dit voordeel is minder groot geworden, omdat de voorwaartse verliesverrekening per 1 januari 2022 onbeperkt mogelijk is. De verrekening is daarnaast beperkt tot maximaal € 1 miljoen plus 50% van de belastbare winst. Bij een winst van € 2 miljoen kan dus € 1,5 miljoen verrekend worden. Dit geldt zowel voor de voorwaartse als de achterwaartse verliesverrekening. De achterwaartse verliesverrekening is één jaar gebleven.

Ook kan er zonder fiscale gevolgen tussen de bv’s ‘geschoven’ worden met activa waarop een stille reserve rust. Reorganisatie is daardoor onder voorwaarden binnen de fiscale eenheid zonder belastingheffing mogelijk en is er geen winstneming op transacties binnen de fiscale eenheid. Wel geldt in dergelijke gevallen de voorwaarde dat de fiscale eenheid zes jaar (soms drie jaar) in stand moet blijven. Anders kan mogelijk alsnog belastingheffing over de stille reserves plaatsvinden.

Tip! Bij een fiscale eenheid hoeft er maar één aangifte vennootschapsbelasting in worden gediend.

Nadelen fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Naast voordelen zijn er ook een aantal belangrijke nadelen. Er kan bijvoorbeeld maar eenmaal geprofiteerd worden van het 15%-vennootschapsbelastingtarief over de eerste € 395.000 belastbare winst (tarieven 2022). Over het meerdere is 25,8% belasting verschuldigd. Zijn er binnen de fiscale eenheid meerdere bv’s met een winst boven de € 395.000, dan wordt er dus maar één keer gebruik gemaakt van het 15%-tarief.

Let op! Ook voor de investeringsaftrek kan een nadeel optreden. Deze wordt namelijk beperkt doordat de investeringen van alle deelnemende bv’s bij elkaar worden opgeteld. Hierdoor bereikt de fiscale eenheid eerder de grenzen waarbij de investeringsaftrek gelijk blijft, respectievelijk afneemt of er zelfs helemaal geen recht meer op bestaat. Alleen bij investeringen door de individuele bv’s van niet meer dan € 2.400 per jaar kan een voordeel ontstaan. Ook kan een voordeel ontstaan als  binnen de fiscale eenheid onderling investeringsgoederen aan elkaar ter beschikking worden gesteld.

Een ander belangrijk nadeel is dat iedere bv hoofdelijk aansprakelijk is voor de totale belastingschuld van de fiscale eenheid. De bv is dus niet alleen aansprakelijk voor het gedeelte van de vennootschapsbelastingschuld dat betrekking heeft op de winst die zij zelf heeft behaald.

Verder kunnen bij het verbreken van de fiscale eenheid problemen ontstaan. Zo zal in bepaalde gevallen moeten worden afgerekend over de meerwaarde van activa. Ook de verrekening van verliezen van voor en na de fiscale eenheidsperiode met winsten uit deze periode is aan beperkingen gebonden.

Een nadeel kan verder optreden als binnen de fiscale eenheid één onderdeel failliet gaat. De onbetaalde schulden kunnen tot belaste winst binnen de fiscale eenheid leiden, omdat deze anders onbelast zouden blijven.

Fiscale eenheid in de omzetbelasting

De fiscale eenheid in de omzetbelasting kent zo haar eigen regels. Voor het vormen van een fiscale eenheid gelden de volgende voorwaarden:

  • Alle deelnemers moeten in beginsel btw-ondernemer zijn.
  • Alle deelnemers moeten in Nederland wonen of gevestigd zijn of een vaste inrichting in Nederland hebben.
  • Alle deelnemers moeten op financieel, organisatorisch en economisch gebied dusdanig verweven zijn dat zij een eenheid vormen. Op financieel gebied betekent dit dat meer dan 50% van de aandelen van elk van de vennootschappen direct of indirect in dezelfde handen is. Van organisatorische verwevenheid is sprake als de vennootschappen onder één overkoepelende leiding staan. Economische verwevenheid wil zeggen dat de deelnemers bijvoorbeeld een gemeenschappelijke klantenkring hebben of dat de ene vennootschap in belangrijke mate aanvullende activiteiten verricht voor de andere vennootschap.

Tip! Het is ook mogelijk om een fiscale eenheid te vormen met een andere rechtsvorm, bijvoorbeeld een cv of een stichting, maar ook met een natuurlijk persoon. Zo kan er dus een fiscale eenheid bestaan tussen de bv en haar directeur-grootaandeelhouder (dga) als deze dga bijvoorbeeld een pand verhuurt aan zijn bv.

Aangaan fiscale eenheid in de omzetbelasting

Indien wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden, bestaat de fiscale eenheid automatisch. De Belastingdienst hoeft daarvoor niet per se een beschikking af te geven. Er moet dan toch al worden gehandeld als fiscale eenheid. Op verzoek kunnen vennootschappen ook een beschikking voor de fiscale eenheid vragen aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur kan ook op eigen initiatief een fiscale eenheid vaststellen. In allebei de gevallen zal de inspecteur een beschikking afgeven en staat de fiscale eenheid als zodanig bij de Belastingdienst geregistreerd.

Tip! Indien twijfel bestaat of er wel of niet wordt voldaan aan de voorwaarden terwijl de fiscale eenheid wel wenselijk is, is het verstandig om de fiscale eenheid bij beschikking te laten vaststellen.

De voor- en nadelen fiscale eenheid omzetbelasting

De fiscale eenheid in de omzetbelasting kent als belangrijk voordeel dat de deelnemende vennootschappen geen btw betalen over onderlinge leveringen van goederen en diensten. Dit kan financieel voordelig zijn, als zonder fiscale eenheid de door een van de vennootschappen in rekening gebrachte btw bij de andere vennootschap niet (volledig) aftrekbaar zou zijn. Bijvoorbeeld omdat die andere vennootschap btw-vrijgestelde prestaties verricht.

Ook hoeft er maar één btw-aangifte te worden gedaan. Niet iedere vennootschap hoeft dus meer apart een aangifte omzetbelasting te doen. Als dit wenselijk is, kan dat overigens wel. Er vindt dus een (gecombineerde) aangifte op naam van de fiscale eenheid plaats. De fiscale eenheid krijgt één btw-nummer.

Op het moment dat gekozen is om namens de fiscale eenheid één btw-aangifte te doen, heeft dit ook gevolgen voor de ICP-aangifte. Bij keuze voor één btw-aangifte is ook maar één ICP-aangifte vereist. Let wel, het is in deze situatie noodzakelijk, middels een formulier van de website van de Belastingdienst, de intracommunautaire verwervingen en diensten per onderdeel van de fiscale eenheid te specificeren.

Let op! Op facturen moeten de individuele vennootschappen gewoon het eigen btw-nummer vermelden, niet het nummer van de fiscale eenheid.

Een belangrijk nadeel is dat alle deelnemende vennootschappen in de fiscale eenheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de fiscale eenheid te betalen btw. Dit geldt echter pas zodra een beschikking is afgegeven door de Belastingdienst. Zo is het dus mogelijk om te handelen als fiscale eenheid zonder beschikking, zodat ook geen onderlinge aansprakelijkheid bestaat. Wel zal het bestaan van de fiscale eenheid dan eerder onder de aandacht van de Belastingdienst komen, waardoor de Belastingdienst uit zichzelf een beschikking kan afgeven. Daarom kan het soms verstandig zijn om – ondanks dat aan de voorwaarden is voldaan – toch niet als fiscale eenheid te handelen (mits er geen beschikking is uiteraard).

Let op! Omdat de fiscale eenheid in de omzetbelasting van rechtswege bestaat als wordt voldaan aan de voorwaarden, kan een fiscale eenheid niet op verzoek worden verbroken. Er vindt pas een verbreking plaats zodra niet meer wordt voldaan aan een of meerdere van de drie verwevenheden.

Tip! Voldoet een van de vennootschappen niet meer aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid, meld dit dan zo snel mogelijk bij de Belastingdienst. Die vennootschap kan dan niet langer deel uitmaken van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Zonder melding is de fiscale eenheid wel verbroken, maar blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de btw-schulden bestaan.

(Bron: Abab)

Auto en fiscus 2023

Fiscaal vriendelijk autorijden wordt steeds lastiger! Zeker nu de autobelastingen de laatste jaren zijn aangescherpt. Het kan nog wel. Maar de voordelen zijn voor een steeds kleinere groep berijders beschikbaar. Wij zetten voor u de regels uiteen en geven een blik op de fiscale toekomst van de auto.

Rijdt u in een milieuvriendelijke auto? Dan heeft u kunnen genieten van een groot aantal fiscale voordelen. De afgelopen jaren zijn deze voordelen steeds verder teruggeschroefd. Maar u kunt ook in 2023 gebruikmaken van een aantal fiscale voordelen.

Bijtelling privégebruik auto: de algemene regels

Voor de meeste nieuwe auto’s van de zaak waarmee ook privé wordt gereden, geldt een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Maar voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een korting op de bijtelling. Die korting geldt in de maand van tenaamstelling en in de volgende 60 volle maanden. Daarna wordt de bijtelling jaarlijks opnieuw bepaald aan de hand van de dan geldende tarieven. Auto’s zonder uitstoot die in 2018 op kenteken zijn gezet hebben in een deel van 2023 nog een bijtelling van 4%. In de loop van 2023 zal voor deze auto’s de bijtelling moeten worden herzien op basis van de regels van 2023 (zie hierna).

Auto’s :De cijfers en regels van 2019

Elektrische auto’s die in het jaar 2019 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 4%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 50.000. Is de cataloguswaarde meer dan €50.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Auto’s zonder CO2-uitstoot op waterstof hebben ook een bijtelling van 4% over de gehele cataloguswaarde.

De cijfers en regels van 2020

Elektrische auto’s die in het jaar 2020 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 8%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 45.000. Is de cataloguswaarde meer dan €45.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Auto’s op waterstof hebben ook een bijtelling van 8% over de gehele cataloguswaarde.

De cijfers en regels van 2021

Elektrische auto’s die in het jaar 2021 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 12%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 40.000. Is de cataloguswaarde meer dan €40.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2021 een bijtelling van 12% over de gehele cataloguswaarde.

De cijfers en regels van 2022

Elektrische auto’s die in het jaar 2022 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 16%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 35.000. Is de cataloguswaarde meer dan €35.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2022 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.

De cijfers en regels van 2023

Elektrische auto’s die in het jaar 2023 op naam zijn gesteld, hebben een bijtelling van 16%. Die bijtelling geldt echter tot een cataloguswaarde van € 30.000. Is de cataloguswaarde meer dan €30.000? Dan betaalt u 22% bijtelling over het meerdere.  Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2023 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde. Voor nieuwe auto’s gelden in 2023 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

Soort autoBijtellingCO2-uitstoot
Elektrisch16% tot € 30.000/22% over meerdere0
Waterstof16%0
Zonnecel16%0
Overig22%>0

Het aanscherpen van de CO2-grenzen heeft niet tot gevolg dat u elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage wordt geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende 60 maanden geldig. Na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.

Let op! Het verlaagde percentage van 16% geldt voor auto’s op waterstof en voor auto’s die volledig worden aangedreven door geïntegreerde zonnecellen. De zonnecellen moeten een vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek en de accu mag geen lood bevatten.

Let op! Is het kenteken van uw auto voor 31 december 2016 geregistreerd? Dan krijgt u auto na 60 maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%.  Dit is niet het geval als het een auto betreft die geen CO2 uitstoot.

Let op! Auto’s die geen CO2 uitstoten, krijgen in 2023 een korting van 6% op de normale bijtelling tot een cataloguswaarde van €30.000. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor een elektrische auto uit 2016 in 2023 een bijtelling geldt van 19% (25% -/- 6%) tot een cataloguswaarde van € 30.000. Daarboven is de bijtelling 25%. Voor een elektrische auto die in 2017 voor het eerst op kenteken is gezet, gaat in 2023 een bijtelling gelden van 16% (22% -/- 6%) tot een cataloguswaarde van €30.000 en van 22% over het meerdere. Auto’s die de periode van 60 maanden achter de rug hebben, lopen dus jaarlijks mee met de wettelijke wijzigingen in de bijtelling.

Tip! Voor ondernemers in de inkomstenbelasting blijft de bijtelling beperkt tot maximaal het bedrag dat in een jaar aan autokosten ten laste van de winst is gebracht.

Let op! Is uw auto ouder dan 15 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling niet 22% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Vanaf 2026 is er maar één bijtellingspercentage

Vanaf 2026 is er nog maar één bijtellingspercentage van 22%. Er is dus geen voordeel meer voor auto’s zonder CO2-uitstoot. Tot die tijd wordt de bijtelling voor auto’s zonder CO2-uitstoot in 2025 nog één maal verhoogd van 16% naar 17% over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde. Uiteraard geldt dit niet voor auto’s van voor die datum die nog in hun 60-maandentermijn zitten.

Minder dan 500 kilometer privé?

Een bijtelling kan overigens helemaal achterwege blijven indien u kunt bewijzen dat u op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto heeft gereden. Woon-werkkilometers worden daarbij gezien als zakelijk, ook als u thuis gaat lunchen.

Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige afschrijving via de VAMIL-regeling voor waterstofpersonenauto en zonnecelpersonenauto

Er bestaat in 2023 geen recht op de voor personenauto’s, wel voor bestelauto’s. Voor de waterstofpersonenauto heeft u recht op maximaal 75% willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL) over een bedrag van maximaal € 75.000.

In 2023 geldt de van 45% over een bedrag van maximaal €75.000 voor de waterstofpersonenauto en de milieu-investeringsaftrek van 36% voor de zonnecelpersonenauto met een CO2-uitstoot van 0 gr/km.

Willekeurige afschrijving 2023 (WKA) voor beroepspersonenvervoer, auto’s zonder CO2 en nieuwe bestelauto’s

In 2023 geldt voor de aanschaf van nieuwe bedrijfsmiddelen een eenmalige mogelijkheid om maximaal 50% van de aanschafkosten willekeurig af te schrijven. Een deel van de afschrijving wordt daarmee naar voren gehaald, waardoor het fiscale voordeel van de afschrijving eerder tot uitvoering komt. Deze willekeurige afschrijving geldt voor personenauto’s, echter moeten die auto’s worden gebruikt in het beroepspersonenvervoer (bijvoorbeeld taxi’s) en voor auto’s zonder CO2-uitstoot (inclusief elektrische auto’s). Nieuwe bestelauto’s (ongeacht hun brandstof) komen hiervoor ook in aanmerking.

Let op! Schrijft u door een andere regeling al willekeurig af, zoals de of een ander bedrijfsmiddel? Dan kunt u geen gebruikmaken van de regeling voor willekeurige afschrijving die voor 2023 geldt.

Elektrische bestelauto of waterstofbestelauto: MIA

Voor een elektrische bestelauto heeft u in 2023 recht op 45% MIA. Het bedrijfsmiddel komt echter voor ten hoogste het investeringsbedrag minus € 11.000 in aanmerking voor de MIA. Voor een elektrische bestelauto van bijvoorbeeld € 50.000 krijgt u dus MIA over € 39.000. Voor een waterstofbestelauto heeft u ook recht op 45% MIA. U krijgt dan MIA over een investeringsbedrag van maximaal € 125.000.

Onderstaand de regelingen op een rij.

Soort autoMIA %VAMILMaximaal investeringsbedragWKA 2023
Elektrische personenautoNeeNeen.v.t.Ja
Waterstofpersonenauto34%Ja€ 75.000Ja
Zonnecelpersonenauto36%Nee€ 100.000Geen samenloop met VAMIL
Elektrische bestelauto45%NeeGeen; wel € 11.000 aftrekJa
Waterstofbestelauto36%Nee€ 125.000Ja

Oplaadstation

Ook voor het oplaadstation van uw elektrisch aangedreven auto die op uw eigen bedrijfsterrein staat, geldt in 2023 de MIA. Het aftrekpercentage voor het oplaadstation bedraagt 45%. Laadpalen waarvan de investeringskosten minder dan € 2.500 bedragen, komen niet in aanmerking voor de MIA/VAMIL, tenzij deze samen met de elektrische (bestel)auto worden aangemeld.

Melding RVO noodzakelijk MIA en VAMIL

Wilt u in aanmerking te komen voor MIA en/of VAMIL? Dan is een tijdige melding van de investering bij RVO noodzakelijk. De investering moet worden gemeld binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting. Het moment van ingebruikname of facturering is daarbij niet van belang.

Motorrijtuigenbelasting

De hoogte van de motorrijtuigenbelasting (mrb) is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de CO2-uitstoot van uw auto. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km geldt tot 2025 een vrijstelling. Voor plug-in hybrides met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km geldt tot 2025 een halftarief (dat wil zeggen de helft van het tarief dat voor een gewone personenauto geldt).

Ondernemers betalen voor een bestelauto die op diesel rijdt minder mrb. Voorwaarde is dat de bestelauto meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dit moet u desgevraagd aannemelijk kunnen maken, maar een kilometeradministratie is niet vereist.

Bpm personenauto’s

Als uw auto op kenteken wordt gezet, wordt bpm geheven. De hoogte van de bpm is voor personenauto’s gebaseerd op de CO2-uitstoot. Tot 2025 geldt nog een vrijstelling bpm voor auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Voor personenauto’s waarvoor geen vrijstelling geldt, is de bpm hoger naarmate de CO2-uitstoot groter is.

Tip! Ondernemers kunnen voor een bestelauto een beroep doen op een vrijstelling bpm. De belangrijkste voorwaarde is dat meer dan 10% van de jaarlijks gereden kilometers zakelijke kilometers zijn. Deze vrijstelling wordt per 2025 afgeschaft.

(Bron: Moore DRV)

Versoepeling toepassing anoniementarief

Vanaf 2023 gaat de Belastingdienst soepeler om met de toepassing van het anoniementarief. Dit is het tarief dat u moet toepassen als een werknemer niet (meteen) zijn volledige of juiste persoonsgegevens aan u opgeeft. Wat houdt deze versoepeling in?

Anoniementarief

Als werkgever moet u het anoniementarief toepassen als:

  • Uw werknemer niet zijn volledige of juiste gegevens opgeeft en u dit wist of had kunnen weten. Denk aan naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer (BSN).
  • U de identiteit van uw werknemer niet op de juiste wijze heeft vastgesteld en/of u het kopie identiteitsbewijs niet op een juiste manier bewaart in uw administratie.
  • Uw werknemer geen geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning heeft.

Moet u het anoniementarief toepassen? Dan moet u 52% loonbelasting/premies volksverzekeringen op het loon inhouden, zonder rekening te houden met:

  • de loonheffingskorting;
  • het maximumpremieloon voor de premies werknemersverzekeringen;
  • het maximumbijdrageloon voor de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw).

Herstellen toegepast anoniementarief

Leverde uw werknemer in de loop van het jaar alsnog de ontbrekende gegevens aan? Dan was het tot voor kort niet mogelijk om een eerdere inhouding op basis van het anoniementarief te herstellen. Uw werknemer kon de (te hoge) inhouding later wel verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting. Voor u als werkgever was het echter niet mogelijk om een bedrag aan teveel afgedragen premies werknemersverzekeringen of werkgeversheffing Zvw terug te ontvangen.

Vanaf 2023 is het wél toegestaan om – na ontvangst van de volledige juiste gegevens – een eerdere inhouding op basis van het anoniementarief te herstellen. Dit herstel mag alleen plaatsvinden in het jaar waarin de werknemer alsnog de juiste gegevens heeft aangeleverd. U herstelt een eerdere inhouding op basis van het anoniementarief door correcties van eerdere loonaangiften van dat jaar naar de Belastingdienst te verzenden.

Ontbreken van BSN

Soms komt het voor dat het ontbreken van een BSN buiten de invloedsfeer van de werknemer of werkgever ligt. Denk aan een vertraagde behandeling door de gemeente. Kunt u dit aantonen? Dan hoeft u vanaf dit jaar de het anoniementarief niet meer toe te passen.

(Bron: Abab)

Dividend uitkeren naar privé?

Bent u aanmerkelijkbelanghouder in een bv en wilt u geld uitkeren aan uzelf? Dat kan, bijvoorbeeld door het uitkeren van dividend door de bv aan u in privé. Daar zitten wel wat haken en ogen aan. De mogelijkheden én aandachtspunten op een rij.

Tarief box 2 inkomstenbelasting

Als de bv dividend uitkeert aan u als aanmerkelijkbelanghouder (aandelenbelang van minstens 5%), dan moet u in box 2 inkomstenbelasting betalen over dit dividend. Het tarief in box 2 blijft in 2023 gelijk aan het tarief in 2022. Keert u in 2023 dividend uit naar privé, dan betaalt u daarover een tarief van 26,9%.

Let op: houd bij het uitkeren van dividend altijd de wettelijke regels in de gaten. Denk bijvoorbeeld aan de uitkeringstoets, die zeker nu, tijdens de coronacrisis, extra aandacht behoeft. Om aansprakelijkheid van u als aandeelhouder en/of bestuurder te voorkomen, is het belangrijk deze uitkeringstoets zorgvuldig uit te voeren en dit goed vast te leggen.

Plannen om uw bv op te heffen?

Heeft u een bv en overweegt u om deze te ontbinden? Dan is de liquidatie-uitkering die u daarbij ontvangt van uw bv, net als een dividend, belast met inkomstenbelasting in box 2.

Inkopen van eigen aandelen

Ook als uw bv haar eigen aandelen inkoopt, leidt dit voor u als aandeelhouder tot belastingheffing in box 2. Het verschil tussen de economische waarde van de ingekochte aandelen en het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal is belastbaar.

Wet excessief lenen

Op 1 januari 2023 trad de Wet excessief lenen in werking. Deze wet moet het voor aanmerkelijkbelanghouders (dga’s) onaantrekkelijk maken om overmatig te lenen bij hun eigen bv. Alle schulden aan uw bv – met uitzondering van bepaalde eigenwoningschulden – worden boven een drempelbedrag van € 700.000 belast in box 2 van de inkomstenbelasting (dus alsof er sprake is van een dividenduitkering). Het drempelbedrag geldt voor fiscale partners samen en niet per persoon. De eerste peildatum is 31 december 2023. Tip: breng vóór deze datum de schulden aan uw bv zoveel mogelijk terug, zo mogelijk tot onder het bedrag van € 700.000.

Voorlopige aanslag aanpassen

Keert uw bv dividend uit? Dan moet uw bv daarop 15% dividendbelasting inhouden én afdragen aan de Belastingdienst. Omdat u over het dividend in privé 26,9% inkomstenbelasting verschuldigd bent in 2023, moet u per saldo nog bijna 12% van het uitgekeerde (bruto) dividend bijbetalen. De door de bv afgedragen dividendbelasting mag u namelijk verrekenen met uw inkomstenbelasting in box 2. Zorg ervoor dat uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting tijdig wordt aangepast. Zo voorkomt u dat u belastingrente verschuldigd bent over de later bij te betalen inkomstenbelasting.

(Bron: Abab)

VAST BEDRAG NIET-AFTREKBARE GEMENGDE KOSTEN GESTEGEN

Gemengde kosten zijn slechts beperkt aftrekbaar van de winst. Ondernemers kunnen kiezen om een percentage van de gemengde kosten of een vast bedrag niet in aftrek te brengen. Het vaste bedrag is gestegen van € 4.800 (2022) naar € 5.100 (2023).

Gemengde kosten zijn kosten met ten dele een privékarakter. Een bekend voorbeeld zijn de kosten van voedsel. Ondernemers die bijvoorbeeld met relaties dineren, besparen immers op hun kosten die ze in privé aan voedsel uitgeven.

Welke kosten?

De volgende kosten zijn als gemengde kosten aan te merken:

  • voedsel, drank en genotmiddelen;
  • representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak;
  • congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.
  • Percentage of vast bedrag: inkomstenbelasting
  • Ondernemers in de inkomstenbelasting kunnen 20% van deze kosten niet ten laste van de winst brengen. Ze kunnen er in 2023 echter ook voor kiezen een vast bedrag van € 5.100 niet ten laste van de winst te brengen. Een snelle rekensom leert dat deze laatste optie aantrekkelijk is als de totale gemengde kosten meer dan € 25.500 bedragen.
  • Percentage of vast bedrag: vennootschapsbelasting
  • Ondernemingen in de vennootschapsbelasting kunnen 26,5% van genoemde kosten niet ten laste van de winst brengen. Ze kunnen echter ook kiezen voor een vast bedrag. Dit bedraagt € 5.100 of 0,4% van de loonsom als dit hoger is. Dit is het geval bij een loonsom van meer dan € 1.275.000.
  • Voorbeeld
  • Een bv heeft een loonsom van  € 1.500.000. Het vaste bedrag voor de berekening van de niet-aftrekbare kosten bedraagt dan 0,4% x € 1.500.000 = € 6.000. Dit betekent dat de bv beter voor dit vaste bedrag kan kiezen als de gemengde kosten in 2023 meer dan € 22.641 bedragen (26,5% x € 22.641 = € 6.000).

(Bron: De Jong & Laan)

REN­SEIG­NE­RINGS­VER­PLICH­TING/­OP­GAAF UBD VER­ZOEK UIT­STEL MO­GE­LIJK

Betaalde je in 2022 bedragen aan natuurlijke personen? Geef dan uiterlijk 31 januari 2023 deze bedragen door aan de Belastingdienst. De Belastingdienst gaat soepel om met verzoeken om uitstel.

Het verplicht doorgeven van de betaalde bedragen aan de Belastingdienst wordt ook wel de renseigneringsverplichting genoemd. Voor de jaren vanaf 2022 zijn inhoudingsplichtigen en bepaalde collectieve beheersorganisaties verplicht uit eigen beweging de betalingen aan natuurlijke personen door te geven (de opgaaf Uitbetaalde Bedragen aan Derden, ook wel opgaaf UBD genoemd). Aan deze verplichting moet uiterlijk 31 januari 2023 worden voldaan als het gaat om betalingen in 2022.

Uitzonderingen

Voor bepaalde betalingen geldt een uitzondering, die hoef je niet door te geven. Dit geldt bijvoorbeeld voor betalingen aan natuurlijke personen voor werkzaamheden en diensten waarvoor een factuur is uitgereikt met btw.

Let op! De Belastingdienst is van mening dat deze uitzondering niet geldt voor betalingen aan natuurlijke personen voor werkzaamheden en diensten waarvoor een btw-vrijstelling geldt. Ook voor de ondernemer die de kleineondernemersregeling (KOR) toepast, geldt de uitzondering niet. De betalingen die je in 2022 deed aan deze natuurlijke personen moet je daarom ook uiterlijk 31 januari 2023 doorgeven aan de Belastingdienst.

Uitstel voor het doen van de opgaaf UBD

Lukt het niet om uiterlijk 31 januari 2023 de opgaaf UBD te doen? Dan kun je bij het belastingkantoor waaronder je valt om uitstel vragen. Je moet daarbij wel de reden vermelden waarom je uitstel nodig hebt. De Belastingdienst heeft toegezegd soepel om te gaan met verzoeken om uitstel voor het doen van de opgaaf UBD. 

Tip! Weet je niet precies welk belastingkantoor je moet aanschrijven? Op bijvoorbeeld de aangiftebrief loonheffingen of de uitnodiging om opgaven UBD te doen staat het betreffende belastingkantoor vermeld.

(Bron: De Jong & Laan)

AAN­VRA­GEN DE­FI­NI­TIE­VE BE­RE­KE­NING NOW UI­TER­LIJK 22 FE­BRU­ARI

Heb jij in de derde, vierde, vijfde en/of zesde periode de tegemoetkoming NOW aangevraagd, dien dan uiterlijk 22 februari 2023 je definitieve aanvraag in bij het UWV.

De NOW (Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid) is een tegemoetkoming in de loonkosten voor werkgevers die tijdens de coronacrisis geconfronteerd werden met forse omzetverliezen. De NOW werd in eerste instantie verstrekt als voorschot, op basis van het geschatte omzetverlies. 

Definitie omzetverlies

Nu jouw definitieve omzetverlies bekend is, moet de definitieve NOW aangevraagd worden. Dit moet voor de derde tot en met de zesde periode van de NOW uiterlijk op 22 februari 2023 gebeuren. 

Het betreft de periodes:

  • Oktober t/m december 2020: NOW derde periode)
  • Januari t/m maart 2021 (NOW vierde periode)
  • April t/m juni 2021 (NOW vijfde periode)
  • Juli t/m september 2021 (NOW zesde periode)

Aanvragen

Het aanvragen van de definitieve berekening van de NOW doe je digitaal bij het UWV. Aanvragen kan mét en zonder gebruik te maken van eHerkenning.

Derdenverklaring of accountantsverklaring

In bepaalde gevallen heb je een derdenverklaring of een accountantsverklaring nodig. Een derdenverklaring is nodig als jouw voorschot of definitieve tegemoetkoming € 40.000 of meer bedraagt. Je hebt een accountantsverklaring nodig als jouw voorschot of definitieve tegemoetkoming € 125.000 of meer bedraagt.

Tip! Met de NOWchecker op de site van het UWV kun je uitrekenen hoe hoog jouw definitieve tegemoetkoming ongeveer wordt. Zo kun je zien of je een accountantsverklaring of derdenverklaring nodig hebt. 

Neem contact op met je accountant voor een exacte berekening.

Tip! Een dergelijke verklaring kost tijd. Wacht hier dus niet te lang mee.

Definitieve berekening

Op basis van jouw werkelijke omzetverlies wordt je definitieve tegemoetkoming NOW berekend. Dit kan leiden tot een nabetaling of tot een terugbetaling. In het laatste geval is het mogelijk een betalingsregeling af te spreken met het UWV.

(Bron: De Jong & Laan)

Willekeurig afschrijven op investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen

Op nieuwe bedrijfsmiddelen is gedeeltelijke willekeurige afschrijving mogelijk, mits de investeringsverplichting is aangegaan in 2023. Is dit relevant voor jou?

Afschrijven op bedrijfsmiddelen

Normaal schrijf je bedrijfsmiddelen in meerdere jaren af. Fiscaal geldt dat er tenminste 5 jaar over de afschrijving moet worden gedaan (maximaal 20 procent per jaar afschrijven). Feitelijk moet je kijken naar de technische of economische levensduur. Voor bijvoorbeeld een investering in zonnepanelen denk je eerder aan afschrijven in 15 of 20 jaar, dan aan afschrijven in 5 jaar.

Gedeeltelijk willekeurig afschrijven in 2023

De mogelijkheid van willekeurig afschrijven voor investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen in 2023 werd eerst aangekondigd als beleidsvoornemen, maar is inmiddels vastgelegd in regelgeving. Het gaat gelden voor 50 procent van de afschrijvingskosten, dus maximaal 50 procent van de investering mag je direct ten laste van je fiscale winst brengen. De resterende 50 procent moet je regulier afschrijven. Deze maatregelen levert je (desgewenst) liquiditeitsvoordeel op. De regeling gaat zowel gelden voor de inkomstenbelasting (voor ondernemers in de inkomstenbelasting) als vennootschapsbelasting (ondernemingen gedreven in een bv).

Welke bedrijfsmiddelen gaat de regeling voor willekeurige afschrijving voor gelden?

De mogelijkheid van willekeurige afschrijving die in de regeling is opgenomen ziet op aangewezen bedrijfsmiddelen die niet eerder in gebruik zijn genomen (en dus nieuw zijn).

Sommige nieuwe bedrijfsmiddelen zijn alsnog van de regeling uitgesloten:

  • Vliegtuigen, gebouwen, (woon)schepen, vervoermiddelen zoals bromfietsen, motoren, personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer over de weg (tenzij elektrische personenauto’s);
  • Immateriële activa, zoals quota, goodwill, vermogensrechten etc.;
  • Dieren;
  • Bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor verhuur aan derden (dit kan ook tussen bv’s zijn in je eigen bv-structuur zijn als er geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is!)
  • Bedrijfsmiddelen die om een andere reden willekeurig afschrijfbaar zijn.

Alleen voor investeringsverplichtingen 2023!

De mogelijkheid van gedeeltelijke willekeurige afschrijving gaat alleen gelden voor investeringsverplichtingen die in 2023 zijn aangegaan of waarvoor de voortbrengingskosten in 2023 zijn gemaakt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het tekenen van een opdrachtbevestiging of offerte.

Voorbeeld willekeurige afschrijving 

Stel dat in januari 2023 een investeringsverplichting wordt aangegaan van 50.000 euro voor nieuwe zonnepanelen (restwaarde 5.000 euro). De afschrijving vindt normaal plaats in 15 jaar, dus 3.000 euro afschrijving per jaar.

Doordat er willekeurig mag worden afgeschreven mag in 2023 ineens maximaal 22.500 euro worden afgeschreven en daarnaast nog een stukje reguliere afschrijving over de resterende 50 procent. Zonder willekeurige afschrijving zou jaarlijks 3.000 euro afgeschreven mogen worden. De liquiditeitsverbetering is afhankelijk van je belastingtarief. Ook is het mogelijk dat er progressievoordeel optreedt, omdat je helemaal zelf mag bepalen wanneer je die 50 procent af wil schrijven.

Het eventuele aangaan van investeringsverplichtingen kan ook neveneffecten hebben. Denk daarbij aan het optimaliseren van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), of aan het afboeken van een herinvesteringsreserve in 2023.

Verhoging budget EIA /MIA

Let ook op de structurele verhoging van het budget voor de EIA/MIA vanaf 2023. De energie- en milieulijst zijn beschikbaar gekomen, waardoor we nu ook weten welke bedrijfsmiddelen zijn aangewezen voor de EIA/MIA 2023.

(Bron: Alfa)

Lage Premie Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) corrigeren?

De Belastingdienst attendeert werkgevers op het herzien van de lage AWf-premie over 2022. De premie moet worden herzien als je jouw werknemers in 2022 meer dan 30 procent méér uren hebt betaald dan het aantal contracturen voor dat jaar. Dit staat bekend als de zogenaamde 30 procent-herzieningsregeling. Je kunt de premie herzien door de aangiften loonheffingen over 2022 te corrigeren.

Premie Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf)

De AWf kent een lage AWf-premie van 2,7 procent en een hoge AWf-premie van 7,7 procent (cijfers 2022). Welke premie jij als werkgever betaalt, is afhankelijk van het soort arbeidscontract dat je met jouw werknemer hebt gesloten.

Wanneer lage  of hoge AWf-premie?

Je betaalt voor jouw werknemer de lage AWf-premie wanneer de arbeidsovereenkomst aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • het gaat om een arbeidscontract voor onbepaalde tijd,
  • het contract is schriftelijk vastgelegd, én
  • het arbeidscontract is geen oproepcontract.

Voldoet het contract niet aan alle voorwaarden, dan betaal je de hoge AWf-premie, tenzij er sprake is van een uitzondering.

Wanneer herzien?

Je mag de lage AWf-premie herzien bij de aangifte loonheffingen over het laatste tijdvak van 2022 (december of 13e vierwekenperiode). Wie de herzieningsberekening pas na de laatste aangifte van het jaar maakt, kan in januari of februari 2023 eerdere aangiften loonheffingen over 2022 corrigeren. Dat kan met zogenoemde losse correcties.

(Bron: Alfa)