Kosten incontinentie fiscaal aftrekbaar

Wie te maken krijgt met incontinentie ervaart niet alleen veel overlast, maar ook extra kosten. Er zal extra kleding en beddengoed aangeschaft moet worden en bovendien vaker moeten worden gereinigd. Zijn deze kosten aftrekbaar als zorgkosten?

Rechter: incontinentie is ziekte

Volgens het gerechtshof in Amsterdam is incontinentie wel degelijk een ziekte. Daarom zijn extra te maken kosten voor kleding en beddengoed aftrekbaar. Bovendien is dit bij het tot stand komen van de wet nadrukkelijk bepaald.

Verklaring huisarts

In deze zaak verklaarde een huisarts dat 80% tot 90% van alle ouderen niet automatisch incontinent wordt. Daarom is incontinentie aan te merken als een ziekte en niet het gevolg van ouderdom.

Forfait

De aftrek voor extra kosten van kleding en beddengoed is geregeld via een forfait. De aftrek is in 2018 bepaald op €300 als de kosten niet meer bedragen dan €600. Zijn de kosten wel hoger, dan is de aftrek €750. met name als de kosten meer dan €600 zijn, zult u dit aannemelijk moeten kunnen maken.

Let op: Drempel Voor de aftrek van zorgkosten geldt wel een drempel, die afhankelijk is van de hoogte van uw inkomen. Alleen als uw kosten boven de drempel uitkomen, is het meerdere aftrekbaar.

Geen cassatie

De staatssecretaris heeft inmiddels besloten geen cassatie in te stellen. Daarmee staat de uitspraak definitief vast.

Heeft u vragen of de aftrek van zorgkosten, neem dan contact met ons op.

(Bron: HLB)

Is de btw op aanschaf zonnepanelen tijdig aangevraagd?

Heeft u in het verleden zonnepanelen aangeschaft, maar geen btw teruggevraagd? Dan biedt een recente uitspraak van de Hoge Raad mogelijk uitkomst.

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad beslist dat het tijdig verzoeken om uitreiking van een btw-aangifte alleen verplicht is als btw moet worden betaald. Dit verzoek moet uiterlijk worden gedaan binnen één maand na afloop van de aangifteperiode (maand of kwartaal) waarover de btw is verschuldigd. Volgt uit de aangifte echter een teruggave, dan geldt die termijn van een maand niet, en kan ook later nog worden verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet. Als de aangifte vervolgens binnen de door de inspecteur gestelde termijn wordt ingediend, is het verzoek om teruggave op tijd gedaan.

Het arrest van de Hoge Raad is van belang voor alle startende ondernemers die te laat hebben verzocht om uitreiking van een aangifte omzetbelasting waaruit een teruggave zou volgen. Zij kunnen alsnog een verzoek om teruggave van btw doen. Dit geldt ook voor particulieren die de omzetbelasting op hun zonnepanelen nog niet hebben teruggevraagd. De Belastingdienst heeft voor deze groep een apart aanvraagformulier ter beschikking gesteld.

In geval van een verzoek om teruggave, is er geen wettelijke termijn voor het verzoek om uitreiking van een aangifte, aldus de Hoge Raad. Toch geeft de Belastingdienst wel een termijn van vijf jaar mee aan het teruggaveverzoek. Heeft u de zonnepanelen in 2013 aangeschaft, dan moet u dat verzoek (volgens de Belastingdienst) uiterlijk in 2018 doen.

(Bron: RB)

Btw op vooruitbetalingsfactuur en fraude?

erricht een ondernemer een vooruitbetaling aan een leverancier? En handelt de leverancier frauduleus en is het onzeker of de vooruitbetaalde goederen worden geleverd? Dan is het in overeenstemming met de btw-richtlijn dat de ondernemer recht op btw-aftrek heeft volgens A-G Wahl. Met een reactie van mr. Carola van Vilsteren.

In twee gevoegde procedures voor het Hof van Justitie EU (HvJ) was sprake van ondernemers die een blokverwarmingscentrale bestelden en van de leverancier een vooruitbetalingsfactuur ontvingen. Zij betaalden de leverancier en vroegen de omzetbelasting terug. Wanneer de blokverwarmingscentrale geleverd zou worden, was niet bekend. Uiteindelijk leverde de leverancier de blokverwarmingscentrale niet. De leverancier werd strafrechtelijk veroordeeld. De Duitse belastingdienst accepteerde de gevraagde teruggave vanwege de betaalde facturen voor de blokverwarmingscentrale niet. De hoogste federale rechter in belastingzaken in Duitsland heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. De eerste vraag was de vraag hoe dat in het kader van de btw-richtlijn moet worden bepaald of een ondernemer recht heeft de in rekening gebrachte btw in aftrek te brengen in een geval waarin onzeker is of vooruitbetaalde goederen worden geleverd. Advocaat-Generaal (A-G) N. Wahl heeft het HvJ geadviseerd als volgt te beslissen. Als een ondernemer een vooruitbetaling heeft gedaan voor goederen of diensten die uiteindelijk niet worden geleverd, de ondernemer recht heeft op aftrek als hij onwetend was dat de leverancier niet de bedoeling had om de overeenkomst na te leven.

 

Herziening aftrek afhankelijk van terugbetaling vooruitbetaalde factuur

De tweede prejudiciële vraag betrof de vraag of een nationale wettelijke regeling die een herziening van de aftrek vereist en deze afhankelijk stelt van de terugbetaling van de vooruitbetaling in strijd is met de richtlijn. De A-G heeft het HvJ geadviseerd te beslissen dat dit niet het geval is. Een nationale regeling mag herziening van de aftrek van voorbelasting afhankelijk stellen van een door de leverancier aan de afnemer betaalde vergoeding.

 

Reactie mr. Carola van Vilsteren

Taxence vroeg Carola van Vilsteren, fiscalist bij Van Vilsteren BTW advies B.V. om een reactie:

‘Zoals inmiddels vaker staat het recht op aftrek van btw in een kwestie die riekt naar fraude in de spotlights van het Europese Hof. De btw op vooruitbetalingsfacturen die niet gestoeld zijn op een overeenkomst tot het verrichten van een prestatie is niet aftrekbaar, zoveel is wel duidelijk. In het grijze gebied waarin wel sprake is van een overeenkomst maar de prestatie uiteindelijk niet geleverd wordt neemt de Advocaat Generaal de ter goeder trouw handelende afnemer terecht in bescherming. Er van uitgaande dat het Hof de conclusie volgt is er een praktisch arrest beschikbaar wat gebruikt kan worden bij een eventuele discussie over recht op aftrek van btw bij vooruitbetalingen.’

(Bron: Taxlive)

Hof oordeelt voor het eerst over gebruikelijkheidstoets in de werkkostenregeling

Voor het eerst sinds de invoering van het gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling heeft een gerechtshof er uitspraak over gedaan. Voor de werkgever pakt deze uitspraak ongunstig uit: hij moet fikse naheffingsaanslagen betalen over aandelenopties die hij aan werknemers verstrekte.

Sinds de invoering van de werkkostenregeling (WKR) speelt de gebruikelijkheidstoets (tool)een belangrijke rol. Die houdt namelijk in dat alleen vergoedingen en verstrekkingen waarvan het gebruikelijk is dat ze worden ondergebracht in de vrije ruimte (e-learning), daadwerkelijk als zulk eindheffingsloon mogen worden aangemerkt. In 2016 oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat een werkgever aandelenopties zonder verder bewijs mocht onderbrengen in die vrije ruimte. Het gerechtshof oordeelde onlangs echter anders.

Niet voldaan aan uitgangspunt WKR

De waarde van de aandelenopties in deze zaak was veel hoger dan € 2.400. Volgens de rechtbank was alleen die hoge waarde niet voldoende bewijs dat het onderbrengen ervan in de vrije ruimteongebruikelijk was. De Belastingdienst ging in hoger beroep en kreeg van het hof wel gelijk: er was sprake van oneigenlijk gebruik van de vrije ruimte. Dat was volgens het hof het geval, omdat er niet voldaan werd aan het uitgangspunt van de WKR dat blijkt uit de wetsgeschiedenis. Dat uitgangspunt is dat het moet gaan om vergoedingen en verstrekkingen met een acceptabele omvang die naar algemeen maatschappelijke opvattingen (deels) onbelast kunnen blijven.

Bijna een ton aan naheffingsaanslagen

In deze zaak ging het echter om aandelenopties met een hoge waarde die aan een heel select groepje werknemers werden uitgedeeld. Deze aandelenopties waren geen vergoeding voor kosten die door de werknemer zijn gemaakt, maar zuiver loon. Dat maakte volgens het hof dat de aandelen niet ondergebracht mochten worden in de vrije ruimte. De Belastingdienst had dus voldoende aannemelijk gemaakt dat het ging om oneigenlijk gebruik van de vrije ruimte en de werkgever moest ongeveer € 100.000 aan naheffingsaanslagen  alsnog betalen.

(Bron: Rendement)

Kan premievrije pensioenopbouw de transitievergoeding vervangen?

Een werkgever hoeft bij ontslag geen transitievergoeding te betalen als in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Of zo’n cao-bepaling te gebruiken is, blijkt af te hangen van haar geschiedenis.

Een werknemer die na een dienstverband van twee jaar of langer uit dienst treedt, heeft recht op de transitievergoeding. In de cao kan een vervangende voorziening voor deze transitievergoeding worden opgenomen. Zo’n voorziening moet minimaal gelijkwaardig zijn aan de transitievergoeding (al wil het kabinet voor bedrijfseconomisch ontslag de gelijkwaardigheidseis laten vervallen). In een recente zaak stond dit ter discussie.

Geen recht op transitievergoeding volgens cao

Een werkneemster was volledig arbeidsongeschikt geraakt en kreeg daarom een IVA-uitkering. UWV kende daarna de werkgever een ontslagvergunning toe. De werkneemster ontving echter geen transitievergoeding. In de cao voor de periode 2015-2017 was namelijk bepaald dat als een arbeidsovereenkomst eindigde vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, de werknemer in aanmerking kwam voor een arbeidsongeschiktheidspensioen als aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor een premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen. Deze aanspraken merkte de cao aan als gelijkwaardige vervanger van de transitievergoeding. De werkneemster was het daar niet mee eens en startte een rechtszaak.

Cao-voorziening kan transitievergoeding niet vervangen

De kantonrechter gaf de werkgever gelijk, maar in hoger beroep oordeelde het hof dat de werkgever toch de portemonnee moest trekken voor een transitievergoeding. Het hof stelde vast dat de voorziening ook al ruim vóór de invoering van de transitievergoeding van de Wet werk en zekerheid was opgenomen in de cao. Met deze voorziening kan vóór 1 juli 2015 niet zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen, want die bestond toen nog niet. De premievrije voortzetting van de pensioenopbouw kon niet later ‘het equivalent vormen’ van de wettelijke regeling voor de transitievergoeding. De werknemer kreeg alsnog de transitievergoeding van € 24.673 uitbetaald.

(Bron: Rendement)

Aanpassing eigenwoningverleden bij partners

De Staatssecretaris van Financiën keurt goed dat partners die gezamenlijk voor elk de helft een eigen woning kopen en voor elk de helft de eigenwoningschuld aangaan, niet te maken krijgen met een niet-beoogde beperking van de aftrekbare eigenwoningrente.

De Staatssecretaris van Financiën vindt het ongewenst dat partners van wie tenminste één voorafgaand aan de gezamenlijke aankoop van de eigen woning een eigenwoningverleden heeft, worden geconfronteerd met een niet-beoogde beperking van de renteaftrek. Die niet beoogde beperking van de renteaftrek kan het gevolg zijn van een bestaande eigenwoningreserve (EWR) of het niet volledig kunnen voortzetten van een bestaande eigenwoningschuld (BEWS). Daarom keurt hij onder bepaalde voorwaarden goed dat het eigenwoningverleden van beide partners bij helfte wordt verdeeld over beide partners om daarna de individuele eigenwoningschuld (EWS) en het eigenwoningverleden te bepalen. De goedkeuring geldt vanaf belastingjaar 2013.

Eén van de voorwaarden is dat de partners de eigen woning aankopen in een 50%-50%-verhouding en de schuld voor de financiering van de woning eveneens in een 50%-50%-verhouding aangaan.

In het geval zich een andere situatie voordoet dan de 50%-50% eigendomsverhouding en schuldverhouding kunnen de partners zich gezamenlijk wenden tot de Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Team Brieven en Beleidsbesluiten. Dan zal de staatssecretaris beoordelen of er in die situaties ook sprake is van een niet-beoogde beperking van de aftrek van eigenwoningrente.

(Bron: Taxlive)

Geen fiscale partners dus geen bezwaar en beroep mogelijk tegen aanslag van vroegere echtgenote

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X tegen de aanslag IB ten name van zijn vroegere echtgenote, die in het desbetreffende jaar geen fiscale partner was, geen bezwaar kan maken. De inspecteur heeft het bezwaar van X terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende X meent over het jaar 2002 recht te hebben op 100% aftrek van de eigenwoningrente terwijl hij maar recht heeft op 50% aftrek. De inspecteur en de rechtbank stellen X niet in het gelijk. Vervolgens gaat X op 20 augustus 2014 in bezwaar tegen de aan zijn vroegere echtgenote Y opgelegde aanslag IB 2002. De inspecteur verklaart zijn bezwaar op 27 januari 2016 niet-ontvankelijk. X gaat in beroep. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X en Y in 2002 niet elkaars fiscaal partner waren, omdat zij al vanaf eind 2000 duurzaam gescheiden leven. De rechtbank oordeelt dat door de regels voor fiscaal partnerschap de negatieve inkomsten uit eigen woning van X niet zijn begrepen in de aanslag van zijn vroegere echtgenote Y. Volgens de rechtbank heeft Y alleen aangifte kunnen doen van haar eigen inkomens- en vermogensbestanddelen, zodat X geen beroep kan instellen tegen de aanslag van Y.

Hof Arnhem-Leeuwarden is het daarmee eens. X kwalificeert noch als belanghebbende, noch als medebelanghebbende ten aanzien van de aan Y opgelegde aanslag. Hij heeft niet het recht van beroep. Omdat het recht van bezwaar uitsluitend openstaat aan degene aan wie het recht is toegekend om beroep in te stellen, heeft de inspecteur het bezwaar van X terecht niet-ontvankelijk verklaard.

(Bron: Taxlive)

Werkbare kwalificatie arbeidsrelatie nú nodig – Bied een heldere, betrouwbare en werkbare oplossing voor opdrachtnemers en opdrachtgevers

Werkbare kwalificatie arbeidsrelatie nú nodig – Bied een heldere, betrouwbare en werkbare oplossing voor opdrachtnemers en opdrachtgevers

Zelfstandig professionals en hun (vooral grote) opdrachtgevers hebben te maken met grote onzekerheid sinds besloten is de Wet DBA op te schorten en niet te handhaven. Ondanks alle toezeggingen en beloften om geen boetes uit te delen, is de Wet DBA nog steeds van kracht. Opdrachtgevers die zich niet aan de wet houden hebben compliance problemen en lopen het risico dat het niet-handhaven-besluit wordt teruggedraaid.

De 800.000 tot 1,5 miljoen zelfstandig professionals leveren een grote bijdrage aan de Nederlandse economie en zijn essentieel voor hun opdrachtgevers, zowel bedrijven als overheden. Het opstellen van een wettelijk kader voor deze arbeidsrelaties duurt naar verwachting minimaal een aantal jaren, zolang kunnen de opdrachtgevers en zelfstandigen niet wachten. Het voortduren van de onzekerheid is schadelijk voor de Nederlandse economie.

ONL onderschrijft de doelstellingen van de Wet DBA en het Regeerakkoord om schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden aan te pakken, maar ziet in beiden geen verlichting brengen op de korte termijn. De markt vraagt nú een werkbare kwalificatie van arbeidsrelaties om de onzekerheid weg te nemen. ONL pleit daarom voor een kortetermijnoplossing, in de vorm van een snel te realiseren antimisbruikbepaling, terwijl gewerkt wordt aan een duurzame oplossing. Een eigen wettelijke en fiscale grondslag voor zelfstandigen lijkt de beste duurzame oplossing.

De grote onzekerheid onder zelfstandigen en (grote) opdrachtgevers moet snel weggenomen worden. De Wet DBA laten voortbestaan in afwachting van een nieuw wettelijk kader in onacceptabel. Er moet een heldere, betrouwbare en werkbare korte termijnoplossing komen conform de doelstellingen van de Wet DBA en het Regeerakkoord totdat de wettelijke kaders en systemen gewijzigd zijn. De beste kortetermijnoplossing is een wettelijke antimisbruikbepaling.

  • De Wet DBA moet zo snel mogelijk vervangen worden. Het in stand houden van deze wet levert compliance-problemen op bij opdrachtgevers en blijft voor onzekerheid op de markt zorgen. Opdrachtgevers geven aan niet te durven inhuren en opdrachtnemers geven aan nog steeds opdrachten mis te lopen.
  • De oplossing die het Regeerakkoord voorstelt is in de praktijk makkelijk te omzeilen, lastig te realiseren en is uitvoeringstechnisch bijzonder lastig.
  • De beste korte termijn oplossing is een antimisbruikbepaling. Het voordeel is dat de Belastingdienst zich volledig kan toeleggen op handhaven waar misbruik van het systeem gemaakt wordt. Opdrachtnemers en opdrachtgevers die zich aan de spelregels houden hoeven zich geen zorgen te maken en worden niet onnodig gehinderd tot er een permanente oplossing gerealiseerd is.
  • De antimisbruikbepaling kan gemakkelijk vormgegeven worden in de Wet op de Loonbelasting 1964. Artikel 6a (oud), dat door de Wet DBA is verdwenen, kan in gewijzigde vorm terugkomen. Het eerste lid bepaalt dat een opdrachtgever niet als inhoudingsplichtige wordt gezien indien de opdrachtnemer zich ingeschreven heeft in het handelsregister, er gewerkt wordt op basis van een overeenkomst van opdracht én er geen sprake is van misbruik zoals omschreven in het tweede lid. In het daaropvolgende tweede lid kan een enge omschrijving van misbruik neergelegd worden.

(Bron: ONL)

Werkwijze bij overhevelen oude premiekortingen

Sinds 1 januari 2018 zijn de premiekortingen voor oudere en arbeidsgehandicapte werknemers voltooid verleden tijd. Daarvoor in de plaats zijn de loonkostenvoordelen (LKV’s) gekomen. Hoe zorgt uw organisatie ervoor dat de overgang naadloos verloopt?

Kwam uw organisatie in 2017 in aanmerking voor korting op de premies werknemersverzekeringen in verband met een arbeidsgehandicapte werknemer of een uitkeringsgerechtigde werknemer van 56 jaar of ouder? Waarschijnlijk heeft uw organisatie in 2018 dan voor deze werknemer recht op loonkostenvoordeel. Om hiervoor in aanmerking te komen, is het belangrijk dat de laatste loonaangifte van 2017 correct is ingevuld.

Gegevens in de laatste loonaangifte van 2017

In de laatste loonaangifte van 2017 – die uiterlijk 31 januari 2018 moet zijn ingediend en betaald – moet in elk geval staan:

  • dat uw organisatie voor een werknemer de premiekorting oudere werknemer of arbeidsgehandicapte werknemer toepast;
  • het bedrag aan premiekorting waarop uw organisatie recht heeft.

Is dat allemaal correct ingevuld, dan heeft uw organisatie in 2018 voor de resterende duur van de premiekorting recht op één van de vier loonkostenvoordelen. De resterende duur is de maximale duur van de premiekorting min de duur van het dienstverband van de werknemer bij uw organisatie vóór 2018. De premiekorting duurt altijd één of drie jaar. De salarisadministrateur moet de LKV’s in 2018 wel via de loonaangifte per werknemer aanvragen.

Correctie kan tot en met 1 mei 2018

Soms is het nog niet mogelijk om bij het indienen van de laatste loonaangifte van 2017 aan te geven dat uw organisatie premiekorting voor een werknemer toepast of op welk bedrag uw organisatie recht heeft. Bijvoorbeeld omdat de werknemer nog maar net in dienst is en de doelgroepverklaring van een oudere werknemer nog niet binnen is. Voor een arbeidsgehandicapte werknemer heeft u bij deze overgangsregeling nog geen doelgroepverklaring nodig.
Het is dan zaak om dit uiterlijk op 1 mei 2018 te corrigeren. In dat geval kan uw organisatie toch gewoon voor de overgangsregeling in aanmerking komen.

(Bron: Rendement)

BTW-feest zonnepanelen! Claim de maximale BTW-teruggave, ook over de investering in het dak, en vraag die tijdig terug!

De aanleiding van het BTW-feest ligt in een uitspraak van het Hof en een arrest van de Hoge Raad van eind 2017. De mogelijkheden voor BTW-aftrek zijn groter dan u denkt. Toets aan de hand van een voorbeeld uit de praktijk of een hogere BTW-aftrek verdedigbaar is.

Volgens het Hof ook aftrek van BTW op dak

Volgens een uitspraak van het Hof van 27 november 2017 bestaat voor het deel van het dak waarop de zonnepanelen zijn geplaatst, deels recht op BTW-aftrek. Het deel van het dak waarop de zonnepanelen zijn bevestigd telt dan mee als nuttige zakelijke ruimte en verhoogt het zakelijk gebruik van de woning. Dit zijn de ruimtes in de woning, maar ook onderdelen van de woning die dienstig zijn aan de nuttige ruimtes (bijvoorbeeld de muren, de fundering en het dak). De muren, fundering en het dak worden naar evenredigheid aan de nuttige ruimtes toegerekend en zijn daarom van belang bij de berekening van de verhouding privégebruik/zakelijk gebruik. Het gedeelte van het dak waarop de zonnepanelen zijn geplaatst, wordt gezien als zakelijke nuttige ruimte en verhoogt het zakelijk gebruik van de woning. De ondernemer die de woning tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend kan daardoor nog een BTW-voordeel behalen.

Praktijkvoorbeeld uitspraak Hof

Stel dat in 2018 een woning wordt gebouwd met een totale woonoppervlakte van 237m2  waarvan zakelijk 53m2, dan is 22% (53/237) van de BTW op de bouwkosten aftrekbaar. Indien de oppervlakte van het zakelijk deel van het schuindakvlak 66m2 bedraagt, waarvan 11m2 in gebruik voor de zonnepanelen dan is het percentage zakelijk gebruik 26% (53 m2 + 11 m2)/(237m2 + 11m2). Uitgaande van bouwkosten van € 400.000 plus € 84.000 BTW kan dan € 3.360 (4% van € 84.000) meer BTW in aftrek worden gebracht.

In welke situaties bestaat recht op extra BTW-aftrek?

Dit extra recht op BTW-aftrek doet zich voor bij de bouw van een woning waarbij op het dak direct zonnepanelen worden gelegd, maar deels ook indien de zonnepanelen worden geplaatst binnen 9 jaar na afloop van het jaar waarin de woning in gebruik is genomen. Stel dat de zonnepanelen in voorgaand voorbeeld pas op 31 december 2020 worden geplaatst, dan kan in de jaren 2021 t/m 2027 elk jaar € 336 BTW teruggevraagd worden.

Ook voor particulieren

Voor particulieren met zonnepanelen op het dak kan de uitspraak van het Hof aanleiding zijn bij onderhoud of vervanging van het dak een deel van de BTW terug te vragen.

Volgens de Hoge Raad ook teruggave van BTW op zonnepanelen uit 2013

Door een arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017 is het mogelijk om alsnog BTW over de aankoop van zonnepanelen voorafgaande aan het Fuchs-arrest van 20 juni 2013 terug te vragen. Voor investeringen in het jaar 2013 kan tot 31 december 2018 BTW teruggevraagd worden.

Conclusie

Ondernemers en particulieren met zonnepanelen raden wij aan eens kritisch te kijken of nog extra BTW teruggevraagd kan worden. Een verzoek om teruggave van BTW over het jaar 2013 moet voor 31 december 2018 ingediend zijn. Van belang hierbij is nog wel dat nog de Hoge Raad zich nog moet buigen over de BTW op het dak.

(Bron: fiscaalconsult(