Eerder sprake van een”nieuw” gebouw voor de btw na verbouwing

Op 16 november 2017 heeft het Europese Hof van Justitie beslist in een zaak (Kozuba, nr. C-308/16) over onder meer de reikwijdte van het begrip eerste ingebruikneming na een verbouwing. Dit is van belang voor de vaststelling of door een verbouwing voor btw-doeleinden een “nieuw” gebouw is ontstaan. Is een “nieuw” gebouw ontstaan dan begint bij ingebruikneming na de verbouwing een tweejaarsperiode te lopen, waarbinnen de levering van het gebouw belast is met btw. Is door de verbouwing geen ‘nieuw’ gebouw ontstaan, dan is de levering vrijgesteld van btw.

De Nederlandse Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak aangegeven dat na verbouwing slechts sprake is van een “nieuw” gebouw als sprake is van “in wezen nieuwbouw”. Hierbij achtte de Hoge Raad niet van belang of het gebouw een functiewijziging onderging (bijvoorbeeld van kantoor naar woning). Uit het arrest van het Europese Hof kan echter worden afgeleid dat het Hof bij de beoordeling of een verbouwing ingrijpend genoeg is om tot een “nieuw” gebouw te komen, wél de functiewijziging laat meewegen.

In voorkomende gevallen is het met een beroep op dit arrest dan ook pleitbaar dat bij een verbouwing waarbij een functiewijziging speelt, sneller sprake is van een “nieuw” gebouw. Wij verwachten niet dat de belastingdienst deze ruimere zienswijze zal volgen, zodat wellicht een procedure nodig is om het geschil te beslechten.

(Bron: WVDB)

Hoe banken stelselmatig beloftes verbreken

Banken blijven beloftes maken die ze niet nakomen, schrijft Mirjam Bink (ONL). ‘Ondernemers die ik spreek zijn bang dat hun bank van de een op de andere dag de financiering opzegt, de voorwaarden verandert of een giftig product door hun strot duwt.’

Het leek zo mooi in juli 2016. Banken gingen akkoord met het herstelkader rentederivaten en daarmee zouden ondernemers voor zo’n 1,5 miljard gecompenseerd worden. Al ons harde werk op de voor- en achtergrond had echt zin gehad. De stem van ondernemers werd gehoord!

Naïef wellicht van mij, te denken dat als een bank ergens mee akkoord gaat ze het dan ook gaan doen. Banken hebben inmiddels wel laten zien dat afspraken tijdig nakomen niet hun sterkste punt is. Hetzelfde zie je bij de woekerpolissen, bijzonder beheer, de te veel betaalde boete rente en ga zo maar door.

Banken blijven beloftes maken die ze vervolgens niet nakomen en komen daar keer op keer mee weg. Moet ik als ondernemer eens proberen bij mijn opdrachtgevers, dan houdt mijn bestaansrecht snel op. Als je met 3 grote banken een coöperatieve oligopolie in stand kunt houden maakt het blijkbaar niet uit hoe je met je klanten omgaat.

19.000 ondernemers gedupeerd

Ruim 19.000 ondernemers hebben onder druk of valse voorwendselen van bankmedewerkers rentederivaten gekocht. Dit zijn ingewikkelde financiële producten, totaal ongeschikt voor de meeste ondernemers. Maar banken konden er blijkbaar veel aan verdienen en dus stuurden ze sales-mensen met targets op pad om iedere ondernemer een derivaat te verkopen. Het resultaat: miljarden euro’s schade en een grote angst voor banken.

Vele ondernemers hebben wij met ONL inmiddels gesproken. Velen schamen zich ervoor dat ze zo “blind” op het advies van hun banken vertrouwden.

Ondernemers die voor de kredietcrisis op zoek gingen naar (her)financiering kregen van hun bank te horen dat ze echt een rentederivaat moesten kopen. Bij andere ondernemers werd de aankoop van het rentederivaat stilletjes in het contract opgenomen.

Rentederivaten zouden bescherming bieden tegen stijgende rentes en dat was precies wat ondernemers nodig zouden hebben, aldus de banken. Accountants en twijfelende ondernemers werden door ingevlogen mensen van Treasury overtuigd. ‘Een rentederivaat is precies wat je als mkb’er nodig hebt!’ Not.

Geen zorgen

Toen de kredietcrisis in omvang toenam, daalde de rente waardoor de negatieve waarden van de derivaten bleef stijgen. Ondernemers ontvingen geautomatiseerde e-mails vanuit het banksysteem, waarin stond dat hun negatieve waarden te groot waren. Ondernemers die navraag deden, kregen van hun accountmanagers te horen dat ze zich geen zorgen hoefden te maken: ‘welnee, ik begrijp de mail ook niet helemaal, verwijder ze maar, ik zal zorgen dat je geen verdere e-mails krijgt’. Verder bleef het stil.

Ineens kregen ondernemers te horen dat ze meer rente moesten gaan betalen. De opslagpercentages werden eenzijdig door de banken verhoogd. Overstappen naar een andere bank was niet mogelijk. Niemand wilde in de crisis nog financieringen verstrekken. Geld lenen van de enkeling die dit nog aanbood, werd onmogelijk gemaakt door de torenhoge negatieve waarde van de derivaten. Ondernemers zaten in de val en moesten alles doen wat banken eisten om hun onderneming niet kwijt te raken.

Bang voor banken

Ondernemers zijn in grote mate afhankelijk van ‘hun’ bank. Onze goede ideeën, plannen en groeiambities moeten gefinancierd worden. Als ondernemers geld zoeken dan zijn banken van oudsher de aangewezen instanties. Het spaargeld en vermogen dat ze beheren willen ze investeren en daar hebben ze ondernemers nodig. Banken leveren het kapitaal en ondernemers maken er meer geld van, dat is het idee.

Oudere ondernemers kunnen zich wellicht nog herinneren dat banken en ondernemers vroeger nauw samenwerkten. De bankier was een betrouwbare adviseur en sparring partner. Samen werden mogelijkheden bekeken, kansen benut en werd er geld verdiend. Die tijd lijkt voorbij. De ondernemers die ik spreek zijn bang dat hun bank van de een op de andere dag de financiering opzegt, de voorwaarden verandert of een giftig product door hun strot duwt.

Terecht

Dat is een terechte angst, banken zijn oppermachtig en ondernemers hebben geen enkele bescherming. Ik ken veel ondernemers met derivaten, maar niemand durft met naam en toenaam in de media te vertellen wat ‘hun’ bank geflikt heeft. Ze zijn als de dood om hun (toekomstige) financiering te verliezen, van de een op de andere dag meer zekerheden te moeten geven, of zomaar meer rente te moeten betalen. Al deze narigheid kan een bank zonder enige waarschuwing of reden over een ondernemer uitstorten.

Tijd voor herstel

Recent blijkt dat ondernemers die een procedure durven te starten tegen hun bank steeds vaker door de rechter in het gelijk worden gesteld. Maar de meeste ondernemer durven vaak geen procedure te beginnen tegen “hun” bank. De bank heeft gewoonweg te veel macht.

Ik zou ook niet zomaar naar de rechter gaan als ik weet dat de bank uit wraak mijn krediet kan korten of zelfs helemaal opschorten. Lange dure procedures tegen een onuitputtelijk leger Zuidas-advocaten is voor de meeste ondernemers ook niet aantrekkelijk. Daarom was het onder maatschappelijke druk tot stand gekomen Herstelkader voor velen een opluchting.

Vaart maken

Dit uniforme herstelkader rentederivaten is tot stand gekomen samen met banken, onder leiding van een onafhankelijke derivatencommissie waar ook wij de stem van de ondernemer hebben laten horen. Bij de vaststelling van dit herstelkader (juli 2016!) is benadrukt dat de banken vaart moeten maken bij het compenseren van de schade. Vervolgens hebben banken herhaaldelijk beloofd voor juni 2017 iedereen te compenseren conform het herstelkader.

Ik ken weinig mensen die in de Tweede Kamer gedane beloften durven te breken, maar banken hebben er geen enkele moeite mee. Op 27 september 2016 beloofden de voorzitters van de NVB, de Rabobank en de ABN AMRO in de Kamer dat alle ondernemers met rentederivaten voor de zomer van 2017 volledig gecompenseerd zouden zijn. Ik weet niet wat ik erger vind, dat ze nog niet eens een fractie gecompenseerd hebben of dat het niemand uitmaakt dat de belofte van een bankier geen waarde meer heeft.

Bankensmoesjes

Inmiddels is duidelijk dat banken slechts 390 van de 19.000 gedupeerde ondernemers een aanbod voor compensatie hebben gedaan. Een schrikbarend laag aantal. Falende IT-systemen, gebrekkige administratie en moeite met externe beoordelaars, dit zijn de bankensmoesjes die het gebrek aan voortgang moeten verklaren.

De Rabobank framet het zelfs als een fabriek. We zouden toch bijna medelijden krijgen met de banken dat ze dit ingewikkelde dossier moeten oplossen. Dat banken als geen ander zouden moeten weten wat ze verkocht hebben dat lijken ze even te vergeten.

Het begint nu pijnlijk duidelijk te worden hoe machteloos ondernemers zijn tegenover hun banken. Herhaaldelijk is hun schadevergoeding beloofd, maar die beloftes worden steeds gebroken. Niemand kan de banken dwingen om de afgesproken schadevergoeding uit te betalen. De minister, Tweede Kamerleden en de AFM kunnen allemaal doen wat ze willen, het lijkt niets uit te halen. De meeste ondernemers hebben nog geen cent ontvangen.

Oplossing en bescherming zijn nodig

Banken moeten gedwongen worden om zo snel mogelijk schadevergoedingen uit te betalen. Onder politieke en maatschappelijke druk moeten we harde deadlines met sancties vaststellen. Ik vind dat banken 7% rente per dag moeten betalen over alle schadevergoedingen die pas na 1 juni 2017 uitbetaald zijn. Misschien dat het dan ineens wat minder ingewikkeld wordt allemaal.

Tot slot moeten we nu zorgen dat banken die ondernemers iets verkopen dat niet in het belang is van die ondernemer aangepakt kunnen worden. Dit betekent bescherming voor ondernemers én een toezichthouder met tanden die kan ingrijpen bij misstanden. Het is nu tijd om te voorkomen dat we in de toekomst weer machteloos staan.

(Bron: Sprout.nl)

Gerechtshof: vermogensheffing kon in 2014 niet door de beugel

Belastingplichtigen hebben in 2014 te veel belasting betaald over hun vermogen. De omstreden vermogensrendementsheffing op basis van een verondersteld rendement van 4% leidde in dat jaar tot een buitensporige last voor individuele burgers.

Dat heeft het Amsterdamse gerechtshof dinsdag bepaald in een uitspraak in hoger beroep tegen de vermogensrendementsheffing. Volgens het hof droegen individuele burgers in 2014 meer dan hun ‘fair share’ bij aan de schatkist met de heffing van 1,2% op spaargeld, beleggingen en vastgoed (30% belasting over een forfaitair rendement van 4%).

Het feitelijk rendement dat belastingbetalers in dat jaar en voorafgaande jaren hadden behaald, maakte dat de heffing niet in verhouding stond met het belang van de Staat om voldoende belasting te innen, aldus de raadsheren. Volgens het hof was er sprake van een schending van de ‘fair balance’.

Geen gevolgen

Het gerechtshof verbindt echter geen gevolgen aan dit oordeel. De rechters stellen dat het niet aan het hof is om de schade te herstellen die individuele burgers hebben geleden. Regering en parlement moeten dat doen en dienen daar voldoende tijd voor te krijgen, aldus de uitspraak.

Met ingang van 1 januari 2017 is de vermogensrendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting aangepast. Het kabinet zei hiermee tegemoet te komen aan de bezwaren. In het kader van de behandelde zaak achtte het hof het niet zijn taak om te beoordelen of dat in voldoende mate is gebeurd.

Blij met arrest

Het hof deed uitspraak in een rechtszaak die is aangespannen door de Bond voor Belastingbetalers namens een gedupeerde. De bond heeft meerdere proefprocessen aangespannen die bepalend zijn voor de uitkomst van het massaal bezwaar dat belastingplichtigen hebben aangetekend tegen de rendementsheffing.

Fiscaal jurist Cor Overduin, die de bond bijstaat in zijn juridische strijd, zegt blij te zijn met het arrest, ook al verbindt het hof daar geen consequenties aan zijn conclusie. ‘Het hof deelt de analyse dat het forfaitaire rendement van 4% onjuist is en dat box 3 in strijd is met artikel 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens’, zegt de partner bij Grant Thornton Accountants. Artikel 1 Eerste Protocol beschermt het ongestoord genot van eigendom.

Druk op Hoge Raad

Volgens Overduin zet de uitspraak de Hoge Raad onder druk. De Bond van Belastingbetalers gaat daar in cassatie. Het oordeel van de hoogste rechter in belastingzaken is bepalend voor de uitkomst van het massaal bezwaar. Individuele zaken staat daarna de weg naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens nog open. Daar kan het Amsterdamse arrest ook goed van pas komen, aldus Overduin.

De Belastingdienst laat weten het arrest nog te bestuderen.

(Bron: vd.nl)

Kleine lettertjes: Gemengde kosten vragen aandacht

Een ondernemer voor de inkomstenbelasting (IB), maar ook een onderneming die belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (VPB) is, mag niet alle kosten in aftrek brengen bij het bepalen van de winst. Sommige kosten leveren namelijk ook een privévoordeel op. Dit zijn de zogenoemde gemengde kosten.

In de Wet op de inkomstenbelasting, artikel 3.15, zijn de gemengde kosten opgenomen, die niet volledig aftrekbaar zijn voor een IB-ondernemer en VPB-onderneming. Het gaat daarbij om de volgende kosten:

  • kosten van voedsel, drank en genotmiddelen;
  • representatiekosten, waaronder recepties en feesten;
  • kosten van congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen.

Gemengde kosten inkomstenbelasting

Een ondernemer voor de IB mag deze gemengde kosten tot een bedrag van € 4.500 niet in aftrek brengen in de IB. Heeft hij meer gemengde kosten, dan is aftrek dus wel mogelijk. Stel dat een ondernemer in 2018 in totaal € 8.000 aan gemengde kosten heeft gemaakt. De eerste € 4.500 van deze kosten mag hij niet in aftrek brengen. Aftrek is dus alleen toegestaan voor het restant van € 3.500 (€ 8.000 -/- € 4.500). De ondernemer kan echter ook gebruikmaken van een alternatief en standaard 80% van de gemengde kosten in aftrek brengen. Dit moet hij in de aangifte aangeven.

Loonsom voor de vennootschapsbelasting

Ook de bv kan ervoor kiezen een vast bedrag van € 4.500 niet in aftrek te brengen, of 0,4% van de loonsom van de bv als dit hoger is (artikel 10 van de Wet op de VPB). Indien dus de totale loonsom vermenigvuldigd met 0,4% hoger is dan € 4.500, is de drempel gelijk aan dat bedrag. De bv kan ook standaard 73,5% (lager dus dan de IB-ondernemer) van de gemengde kosten in aftrek brengen.

(Bron: Rendement)

Zonder redelijkheid geen gebruikelijkheid in de werkkostenregeling

De Belastingdienst ziet het als eindheffingsloon aanwijzen van vergoedingen en verstrekkingen van maximaal € 2.400 per persoon per jaar als gebruikelijk. Dan moet het aanwijzen wel redelijk zijn. Maar wat beschouwt de Belastingdienst als niet redelijk?

Gebruikelijkheidstoets

De werkkostenregeling kent een gebruikelijkheidstoets. Deze toets legt een beperking op aan de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u onder kunt brengen in de vrije ruimte. Kort gezegd houdt de gebruikelijkheidstoets in dat u vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet in de vrije ruimte kunt onderbrengen als deze voor meer dan 30% afwijken van hetgeen normaal vergoed of verstrekt wordt.

Niet alleen de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling zelf moet gebruikelijk zijn, maar het moet ook gebruikelijk zijn dat uw werknemer deze belastingvrij van u krijgt en dat u de belasting via eindheffing voor uw rekening neemt. Zo is het bijvoorbeeld niet gebruikelijk om de belasting over het maandloon van uw werknemers voor uw rekening te nemen.

Doelmatigheidsgrens en redelijkheid

De gebruikelijkheidstoets is bedoeld om excessen tegen te gaan. Daarom is er een doelmatigheidsgrens. Zolang de vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen per werknemer per jaar niet meer zijn dan € 2.400, gaat de Belastingdienst ervan uit dat dit in ieder geval gebruikelijk is.

Let op:De afwijking van 30% geldt niet voor het bedrag van de doelmatigheidsgrens, deze is maximaal € 2.400 en niet 30% hoger.

Een aanvullende eis is dat ook binnen deze € 2.400 de toepassing van de werkkostenregeling redelijk blijft. De Belastingdienst heeft nu twee voorbeelden gegeven van onredelijke situaties. Zo is het niet redelijk om een deel van de stagevergoeding waar een stagiaire recht op heeft, aan te wijzen als eindheffingsloon. De Belastingdienst vindt het evenmin redelijk dat als een werknemer het minimumloon verdient, een werkgever een deel van dat loon aanwijst als eindheffingsloon.

(Bron: HLB)

Geen ondergrens aan ondernemersactiviteiten bij fiscale eenheid

Ook een stichting die voor een zeer gering percentage BTW-vrijgestelde activiteiten verricht, kan ondernemer zijn voor de omzetbelasting en deel uitmaken van een fiscale eenheid omzetbelasting.

De Rechtbank Gelderland kwam tot dat oordeel in een zaak van een onderwijsstichting, die de schoonmaakwerkzaamheden had ondergebracht in een aparte BV en liet uitvoeren door een schoonmaakbedrijf, met alles wat daarbij komt kijken (inclusief werving en ontslag personeel, salarisadministratie, boekhouding). De stichting dacht om deze manier een oplossing te hebben gevonden voor de hoge kosten voor schoonmaakpersoneel dat op de loonlijst stond en onder de voor de stichting (ongunstige) onderwijs-cao viel.

Fiscale Eenheid

In geschil was of de BV kon worden opgenomen in de Fiscale Eenheid Omzetbelasting (FE OB), met name of de BV voldeed aan de verwevenheidsvereisten, en als dat het geval was of sprake was van misbruik van recht. De Belastingdienst betwistte dat de stichting deel kon blijven uitmaken van de FE OB, omdat zij slechts voor 1% (vrijgestelde) ondernemersactiviteiten verrichtte. De rechtbank kwam tot de conclusie dat geen eisen worden gesteld aan de omvang van de ondernemersactiviteiten en bovendien bleek door de stichting aan alle verwevenheidseisen voor een FE OB te zijn voldaan. Zij vond niet dat deze constructie uitsluitend was opgezet om een belastingvoordeel te verkrijgen. Het behalen van btw-voordeel was niet het hoofdmotief. Er waren namelijk ook andere redenen voor de gekozen handelwijze, zoals een mogelijkheid om schoonmakers niet onder de onderwijs-CAO te laten vallen en het vermijden van een vierjaarlijkse aanbestedingsplicht. Ook was geen sprake van een zuiver kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. Het schoonmaakpersoneel is namelijk in dienst bij de BV en niet bij het externe schoonmaakbedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van de stichting gegrond en de fiscus beet voorlopig in het stof. .

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Fiscale eenheid: ‘Hold your horses’

De toekomst van het fiscale eenheidsregime staat op het spel als straks het Europese Hof van Justitie oordeelt dat Nederland de per-elementbenadering moet toestaan. Het is nu zaak om de rust te bewaren, of zoals Michel Ruijschop het noemt: ‘hold your horses’. Volgens Ruijschop lijkt Financiën de strijd nu al op te geven, voordat de wedstrijd is begonnen. “We hebben hier te maken met een gezamenlijk probleem dat vraagt om een gezamenlijke oplossing.”

Het jaar van de fiscale eenheid

Het jaar 2018 is nog maar amper begonnen maar op fiscaal gebied is dit nu al haast het jaar van de fiscale eenheid te noemen. Europeesrechtelijk ligt het fiscale eenheidsregime al wat langer onder vuur, maar sinds 25 oktober 2017 lijkt de weegschaal pas echt in negatieve zin door te slaan. Op die dag verschenen niet alleen de ‘beruchte’ conclusies van de Advocaat-Generaal bij het Europese Hof van Justitie (HvJ EU), maar werden door Financiën ook in allerijl spoedreparatiemaatregelen aangekondigd voor het geval dit Hof straks oordeelt dat Nederland in een grensoverschrijdende situatie de per-elementbenadering voor specifieke fiscale eenheidsvoordelen moet toestaan.
De rechtvaardiging en met name ook de terugwerkende kracht van deze spoedreparatiemaatregelen is voer voor discussie. Nog voor het kerstreces beantwoordde staatssecretaris Snel van Financiën de nodige Kamervragen hierover. Die antwoorden maken een paar dingen duidelijk:  Het kabinet houdt, met name om budgettaire redenen door mogelijk anticipeergedrag, vast aan de aangekondigde spoedreparatiewetgeving, het kabinet voelt niets voor een grensoverschrijdende fiscale eenheid en de spoedreparatiemaatregelen vormen de opmaat tot een concernregeling die uitvoeringstechnisch en juridisch toekomstbestendig is.

Pleister

Ruijschop, die ook verbonden is aan de afdeling belastingrecht van de Universiteit Leiden, ziet de op handen zijnde spoedreparatiewetgeving als een pleister op de wond. “Je kunt discussiëren of de maatregelen met bijbehorende terugwerkende kracht terecht zijn, op een nette manier tot stand zijn gekomen en rechtvaardig. Maar dan verzanden we met z’n allen in een welles-nietes-discussie. Alhoewel het nog even wachten is op het oordeel van het HvJ EU, de uitkomst niet op voorhand te voorspellen is en het tij nog ten gunste kan keren, ben ik het met de staatssecretaris eens dat de kans niet zo heel groot is dat het Hof afwijkt van de conclusie van de A-G. De spoedreparatiemaatregelen dichten in ieder geval voorlopig het gat in de dijk, als het finale oordeel straks negatief uitpakt. Dat is dan beslist een ‘zure appel’ voor enkele bestaande fiscale eenheden. Voor de huis-tuin-en-keuken fiscale eenheid in binnenlandse situaties zal het allemaal wel meevallen.”

Voorbarig

Om ervoor te zorgen dat de dijk niet alsnog doorbreekt is een tijdelijke dichting van het gat niet voldoende. Met de uitlating dat de spoedreparatiemaatregelen binnen afzienbare termijn moeten worden opgevolgd door een concernregeling die – uitvoeringstechnisch en juridisch – toekomstbestendig is, realiseert Financiën zich dit terdege. Het lijkt erop dat het Ministerie de fiscale eenheid wil afschaffen en beperken tot een veel minder vergaand consolidatieregime. Ruijschop zou dat voorbarig vinden. “Door nu al voor te sorteren op een veel beperktere concernregeling zou de staatssecretaris voor wat betreft het behoud van de fiscale eenheid de handdoek nu al in de ring gooien, terwijl de strijd nog moet beginnen. Het fiscale eenheidsregime is, zowel voor bedrijven als voor de Belastingdienst zelf, te belangrijk om zomaar overboord te gooien. Het is een systeem dat op nationaal niveau al decennialang van grote waarde is voor het bedrijfsleven, ondanks de complexiteit uitvoeringstechnisch nauwelijks voor praktische problemen zorgt en in de praktijk enorm veel wordt gebruikt.”

‘Hold your horses’

Belastingadviserend Nederland en de fiscale wetenschap willen graag meedenken, zo blijkt onder andere uit het door Daniël Smit geboden alternatief op TaxLive en de door de NOB geschetste contouren van een toekomstbestendige concernregeling, in de vorm van een grensoverschrijdende fiscale eenheid. Uit alle Kamerbrieven sijpelt echter door dat Financiën er niets voor voelt om het fiscale eenheidsregime ook open te stellen voor in de EU gevestigde bedrijven van Nederlandse concerns. Ruijschop: “Wie tussen de regels van de reactie van de staatssecretaris doorleest, merkt een vrees op van Financiën voor een echte grensoverschrijdende fiscale eenheid. Men is kennelijk bang voor uitvoeringstechnische problemen en voor misbruik. Voor wat betreft een concernregeling wordt de aandacht gevestigd op een systeem van verliesoverdracht of winstoverdracht tussen groepsmaatschappijen, oftewel een soort ‘group relief’-regeling. Maar het is de vraag of die vrees voor een echte grensoverschrijdende fiscale eenheid niet koudwatervrees is. En misschien zijn er nog andere mogelijkheden waar nu niet aan is gedacht. Het is juist nu belangrijk om met een pas op de plaats allereerst rust te creëren en alle mogelijkheden goed te onderzoeken.”

Gezamenlijk en met open vizier

“Ja er is een probleem”, benadrukt Ruijschop, “maar het is niet gepast om bij voorbaat al bepaalde varianten van een toekomstbestendig consolidatieregime, zoals een grensoverschrijdende fiscale eenheid, af te serveren. Financiën, Belastingdienst, de belastingadviespraktijk en het bedrijfsleven hebben een gezamenlijk probleem en daarvoor is een gezamenlijke oplossing nodig. Het instellen van een brede onderzoekscommissie waarin alle partijen zijn vertegenwoordigd lijkt mij de aangewezen route. Dan kunnen alle mogelijke varianten in objectiviteit en met een open vizier de revue passeren. Daarna kan Financiën een weloverwogen keuze presenteren voor een nieuw EU-proof consolidatieregime.” Ruijschop hoopt dat hieruit een systeem komt dat in belangrijke mate gebouwd is op wat er staat, dat uitvoerbaar blijft voor alle partijen en misbruikbestendig is.
(Bron: Taxlive)

Hostels BTW verschuldigd over doorberekende toeristenbelasting bij all-inprijs

BV X exploiteerde hostels in diverse gemeenten in Nederland. De gemeenten brachten in verband daarmee toeristenbelasting in rekening aan BV X. BV X berekende de toeristenbelasting door aan haar gasten via een all-in kamerprijs. Op de afrekening vermeldde BV X de kamerprijs en de vergoedingen voor de overige diensten die zij aan de gast had verleend. De toeristenbelasting werd daarbij niet vermeld. De inspecteur stelde dat BTW moest worden voldaan over de bedragen aan toeristenbelasting. BV X ging in beroep tegen de naheffingsaanslagen BTW. Zij stelde dat de toeristenbelasting een uitschot van belastingen was als bedoeld in artikel 4, lid 1, onderdeel c, Wet OB. Rechtbank Noord-Holland besliste dat de specificatie van het in rekening gebrachte bedrag als zijnde “toeristenbelasting” noodzakelijk was om de toeristenbelasting te kunnen rekenen tot de uitschotten van belasting. BV X had de door haar verschuldigde toeristenbelasting per overnachting echter ongespecificeerd doorberekend aan de gasten; op de afrekeningen werd de toeristenbelasting niet als zodanig vermeld. Het slechts op de afrekening of facturen vermelden van het bedrag van de toeristenbelasting met de toevoeging BTW 0% kon volgens de Rechtbank niet worden aangemerkt als het afzonderlijk in rekening brengen van die belasting. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Geen box 3-heffing bij buitengewone last

Advocaat-Generaal (A-G) Niessen van de Hoge Raad heeft in een advies aangegeven dat de vermogensrendementsheffing van box 3 in sommige gevallen een buitensporige last kan zijn voor een belastingplichtige. Hiervan kan sprake zijn als iemands vermogen is onteigend door de Staat der Nederlanden.

Het ging in deze zaak om een man die op 31 januari 2013 zijn vermogen had geïnvesteerd in aandelen van SNS Reaal. Een dag later, op 1 februari, nam de Staat de aandelen van het financiële concern over om het van de ondergang te redden. De toenmalige aandeelhouders moesten hun stukken afgeven en accepteren dat ze daar geen compensatie voor kregen. Dat was al een schok, maar bij de aangifte over het jaar 2013 kreeg de man nog een negatieve verrassing te verwerken. Hij had namelijk voor het inkomen uit sparen en beleggen ‘nihil’ opgegeven, omdat hij immers vrijwel het hele jaar geen rendement had behaald op de aandelen SNS. De inspecteur corrigeerde dit echter. Hij keek namelijk naar het vermogen op 1 januari 2013, de waardepeildatum. Toen had de man nog voor zo’n € 275.000 aan aandelen in een andere nv in portefeuille, die hij eind januari dus omzette in SNS Reaal-aandelen. Door de correctie kwam de man ook nog met zijn inkomen boven de grens voor huurtoeslag. De al ontvangen toeslag van dik € 2.600 moest hij dus ook terugbetalen.

Nooit rendement kunnen behalen

De man kwam met zijn inkomen onder de armoedegrens terecht en vond dan ook dat er voor hem sprake was van een buitensporige last. Hij stelde voor om de heffing alleen over de maand januari te berekenen, omdat hij de rest van het jaar nooit rendement had kunnen halen op de aandelen. De inspecteur vond ook wel dat het een ‘bijzonder sneu’ verhaal was. Maar hij bleef erbij dat er geen andere mogelijkheid was, omdat de wet nu eenmaal geen rekening houdt met de ontwikkelingen na de waardepeildatum. Het hof  vond echter dat hier voor de man wel degelijk sprake was van een buitensporige last. De heffing had nu zulke verstrekkende gevolgen dat ze in geen verhouding meer stond tot het doel. De Staat ging tegen deze uitspraak in cassatie.

Individuele belang te weinig gewicht gekregen

In zijn advies heeft de A-G nu aangegeven dat volgens hem het individuele belang te weinig gewicht heeft gekregen ten opzichte van het algemene belang. Hij adviseert de Hoge Raad de zaak te verwijzen om te onderzoeken of na berekening van de waarde in het economische verkeer van de schadevergoeding sprake is van een individuele en buitensporige last. Als dan wordt geconcludeerd dat het eigendomsrecht is geschonden, kan ten aanzien van de man de box 3-heffing in het aan betreffende jaar niet worden geheven.

(Bron: rendenment)

Overzicht maatregelen Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2018

Per 1 januari 2018 is een aantal regels op SZW-terrein veranderd. Het ministerie van SZW geeft een overzicht van de nieuwe maatregelen.

Arbeidsomstandigheden
Sinds het begin van het nieuwe jaar gelden nieuwe eisen van kracht waar certificerende instellingen aan moeten voldoen om certificaten af te mogen geven die op grond van de arbeidsomstandighedenregelgeving vereist zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de certificatie van arbodiensten, kraanmachinisten, duikers en asbestverwijdering. De nieuwe voorschriften houden in dat certificerende instellingen moeten beschikken over een accreditatie van de Raad voor Accreditatie. Deze wijzigingen zorgen voor een verdere professionalisering van de wettelijk verplichte certificering. Er geldt een overgangsregeling tot eind 2019.

Kinderopvang
Iedereen die werkt of woont op een locatie waar kinderen worden opgevangen, moet zich vanaf 1 maart 2018 inschrijven in het personenregister. Zonder inschrijving in het personenregister mag je niet in de kinderopvang werken. Met het personenregister worden medewerkers continu gescreend op strafbare feiten die belemmerend of bezwaarlijk zijn bij het werken met kinderen. Met de komst van het register zullen ook tijdelijke medewerkers zoals stagiairs, uitzendkrachten en vrijwilligers onder de continue screening vallen. Deze groep moet op 1 maart 2018 ingeschreven staan in het register.

Wajong
Per 1 januari is de uitkering van Wajongers met arbeidsvermogen 70% van het WML. De uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen wordt daardoor meer gelijk aan die van jonggehandicapten in de Participatiewet, vanuit de gedachte dat beide groepen jonggehandicapten zijn met arbeidsmogelijkheden. Beide groepen vallen onder de banenafspraak. Anders dan de jonggehandicapten in de Participatiewet is er voor Wajongers geen partner- of vermogenstoets.

Minimumloon
Vanaf dit jaar hebben meer werkenden recht op minimaal het minimumloon. Drie veranderingen gelden vanaf 1 januari. In de eerste plaats de verplichting om bij het werken met stukloon ten minste het minimumloon te betalen. Daarnaast gaat die verplichting ook gelden voor het overwerk, inclusief vakantiegeld. Ten slotte wordt het minimumloon ook de minimumnorm voor werkzaamheden op basis van een overeenkomst (anders dan een arbeidsovereenkomst). Het minimumloon stijgt per 1 januari 2018 van € 1.565,40 naar € 1.578,00 bruto per maand.

(Bron: Rijksoerheid)