Mogelijkheden lijfrentepremieaftrek met terugwerkende kracht verruimd

Zoals eerder bericht is op 30 mei de Wet toekomst pensioenen aangenomen. In dit Perspectief lichten we een deel van deze wetswijziging uit: het arbeidsvormneutraal pensioenkader.

Tweede en derde pijler

Voor de invoering van de Wet toekomst pensioenen waren de verschillen tussen de tweede pijler (arbeidspensioen) en de derde pijler (privépensioen of lijfrente) aanzienlijk en moeilijk uit te leggen. Maar volgens de nieuwe wetgeving worden de fiscale voordelen voor het opbouwen van een toekomstvoorziening in beide pijlers bijna volledig gelijkgetrokken.

Ruimere mogelijkheden voor lijfrenten

Door de gewijzigde wetgeving kunnen zelfstandigen maar ook andere belastingplichtigen haast dezelfde fiscale ruimte gebruiken als werknemers in een pensioenregeling. En dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023.

Jaarruimte

De maximale premieruimte voor lijfrenten wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 verhoogd naar 30% (nu 13,3%) van de premiegrondslag. Dit betekent dat de fiscale mogelijkheden meer dan verdubbeld worden.

Reserveringsruimte

Daarnaast biedt de wetgeving nu aanzienlijk meer ruimte om tekorten uit het verleden in te halen. De zogenaamde reserveringsruimte wordt verhoogd naar maximaal € 38.000, daar waar dit nu ruim € 7.000 is. Deze reserveringsruimte stelt belastingplichtigen in staat om ongebruikte jaarruimte uit het verleden alsnog in te vullen. Onder de huidige wetgeving kon dit alleen voor de laatste 7 jaar, maar dat is nu uitgebreid naar de laatste 10 jaar. Dit biedt dus meer mogelijkheden aan die zijde.

(Bron: BDO)

Het belang van een samenlevingscontract voor ondernemers

U bent ondernemer en wilt gaan samenwonen. Dan is het verstandig een samenlevingscontract te laten opstellen. U wilt immers de zaken goed geregeld hebben.

Het belang van een samenlevingscontract

In een samenlevingscontract legt u verschillende afspraken vast die gelden tijdens de samenwoning, zoals afspraken over betaling van de kosten van de huishouding of een vergoedingsregeling als de ene partner geld investeert in bijvoorbeeld het woonhuis of de onderneming van de ander. Maar u kunt ook regelingen opnemen die gelden bij einde van de samenwoning, zoals afspraken over de verdeling van inboedelgoederen, een woonrecht als uw relatie eindigt of een verblijvingsbeding voor het geval een van u komt te overlijden. 
Daarnaast kunt u door het opstellen van een samenlevingscontract recht krijgen op de grote partnervrijstelling van erfbelasting, zodat u fiscaal gunstig van uw partner kunt erven. 

Goed geregeld voor de toekomst

Uiteraard kunnen er in een samenlevingscontract regelingen worden getroffen die langere tijd naar wens zijn. Maar mocht uw situatie veranderen, bijvoorbeeld door het oprichten van of toetreden tot een onderneming, de geboorte van kinderen, de aankoop van een (ander) (gezamenlijk) woonhuis of als een van beide partners minder gaat werken, dan is het van belang om de regelingen daarop af te stemmen.  Laat uw samenlevingsovereenkomst op tijd opnieuw beoordelen.

Trouwen of geregistreerd partnerschap

Het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap kan verstrekkende juridische gevolgen hebben, zeker voor ondernemers. De afspraken die u in uw samenlevingscontract hebt gemaakt, zijn niet automatisch van toepassing op uw huwelijk of geregistreerd partnerschap. Laat u daarom vooraf adviseren over de gevolgen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap voor uw bedrijf door een jurist personen- en familierecht. Zo nodig kunt u huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden laten opstellen.

(Bron: ABAB)

Bent u al op de hoogte van de wijzigingen van het minimumloon per 1 juli?

Houdt u zich bezig met loonadministratie? Graag delen we met u de belangrijkste aanpassingen die van kracht zijn per 1 juli 2023. Deze wijzigingen hebben betrekking op het minimum(jeugd)loon, het dagloon en het jeugd-LIV.

Wijziging wettelijk minimumloon

In de rekenregels vanaf 1 juli 2023 wijzigt het bruto wettelijk minimumloon. De aanpassing heeft ook gevolgen voor uitkeringsbedragen en grondslagen op het minimumniveau. Met behulp van de rekenregels die we delen, krijgt u inzicht in deze veranderingen.

Flinke stijging brutominimumloon

Ten opzichte van januari 2023 is er een stijging van 3,13% in het brutominimumloon per maand. Het brutominimumloon per 1 juli 2023 is vastgesteld op: € 1.995,00 per maand, € 460,40 per week en € 92,08 per dag. Als gevolg van deze aanpassing worden de daglonen van de uitkeringen WAO/WIA, WW en ZW ook verhoogd met 3,13% vanaf 1 juli 2023. Het maximumdagloon is per 1 juli 2023 € 264,57.

Opbouw minimumloon

Vanaf 1 juli 2023 gelden de volgende bedragen (bruto per maand, per week en per dag, in euro’s, exclusief vakantietoeslag):

leeftijdper maandper weekper dag
vanaf 21 jaar€ 1995,-€ 460,40€ 92,08
20 jaar€ 1596,-€ 368,30€ 73,66
19 jaar€ 1197,-€ 276,25€ 55,25
18 jaar€ 997,50€ 230,20€ 46,04
17 jaar€ 788,05€ 181,85€ 36,37
16 jaar€ 688,30€ 158,85€ 31,77
15 jaar€ 598,50€ 138,10€ 27,62

Wijziging lage inkomensvoordeel (LIV)

Het jeugd-LIV is een compensatie voor werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon. De criteria voor het jeugd-LIV worden per juli 2023 aangepast op basis van het gemiddelde minimumloon van januari 2023 en juli 2023. 

Hieronder vindt u de resulterende uurlooncriteria voor het jeugd-LIV in 2023:

leeftijd op 31-12-2022ondergrensbovengrens
20 jaar€ 9,97€ 12,04
19 jaar€ 7,34€ 10,89
18 jaar€ 6,12€ 8,17

Maximumpremieloon blijft gelijk

Het maximumpremieloon voor werknemersverzekeringen blijft gedurende 2023 onveranderd op € 66.956 per jaar. Het maximumbijdrageloon voor de Zorgverzekeringswet blijft ook € 66.956 per jaar.

Het jaarbedrag wordt naar beneden afgerond op hele euro’s. Dat herleiden we als volgt naar andere tijdvakken:

Per maand€ 5579,66
Per 4 weken€ 5150,46
Per week€ 1287,61
Per dag € 257,52

(Bron: ABAB)

Studiekostenbeding: voorwaarden en mogelijkheden?

Wilt u als werkgever graag de ontwikkeling en kennis van uw werknemers stimuleren? Dan kunt u aanbieden om de studiekosten van uw werknemer te betalen. Het is dan wel verstandig om een studiekostenbeding op te stellen, waarin u afspraken met uw werknemers vastlegt. Bijvoorbeeld over wat er gebeurt als de werknemer vertrekt tijdens de studie of binnen bepaalde tijd na afronding van de studie. De Hoge Raad heeft bepaald aan welke voorwaarden een studiekostenbeding moet voldoen. 

Voorwaarden studiekostenbeding

Om een beroep te doen op het studiekostenbeding, moet het aan een aantal voorwaarden voldoen. Allereerst moet in het studiekostenbeding staan dat de werknemer de studiekosten moet terugbetalen als hij vertrekt tijdens of binnen bepaalde tijd na afronding van de studie. Als werkgever haalt u uiteindelijk voordeel uit de kennis en vaardigheden die een werknemer opdoet in de studie. Daarom moet in het beding ook de tijd worden vermeld waarin dat voordeel voor de werkgever wordt gerealiseerd. Hoe langer de werkgever dit voordeel kan benutten, hoe minder de werknemer hoeft terug te betalen bij zijn vertrek. Bovendien moet de werknemer minimaal het wettelijke minimumloon overhouden na de terugbetaling. Daarnaast moet de terugbetaling in alle redelijkheid gebeuren. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als u als werkgever zelf besluit het dienstverband te beëindigen. En niet geheel onbelangrijk, het beding moet op papier staan, duidelijk zijn voor de werknemer en voorzien zijn van zijn handtekening.

Mogelijkheden studiekostenbeding

Daarnaast biedt het studiekostenbeding ook een aantal mogelijkheden. Zo kunt u de studiekosten die geleid hebben tot een betere arbeidsmarktpositie van de werknemer verrekenen met de transitievergoeding. Let op: dit kan alleen als u deze afspraak vooraf met de werknemer heeft gemaakt. Als u uw werknemer de gelegenheid heeft gegeven om tijdens diensttijd te studeren, dan kunt u de terugbetaling van het loon over deze studietijd ook opnemen in het studiekostenbeding.

Bovendien mag u een vast bedrag rekenen voor terugbetaling. Dit bedrag mag uiteraard niet hoger zijn dan de daadwerkelijke gemaakte kosten. Verder is het goed om per opleiding een studiekostenbeding aan te gaan met uw werknemer, zodat voor beide partijen duidelijk is wat de consequenties zijn. Daarnaast is dit ook een voorwaarde om de studiekosten af te mogen trekken van de transitievergoeding. Tenslotte is het sowieso verstandig om een algemeen studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst op te nemen, zodat u als werkgever recht heeft op terugbetaling van de studiekosten, ook als u bent vergeten met een werknemer individueel een beding af te sluiten.

(Bron: ABAB)

Zorg voor een volledige registratie van uw UBO’s

Sinds 27 september 2020 moeten organisaties ervoor zorgen dat zij een juiste en volledige registratie bij de Kamer van Koophandel bijhouden van hun uiteindelijk belanghebbenden ofwel Ultimate Beneficial Owners (UBO). Deze regelgeving is ingevoerd ter bestrijding en voorkoming van fraude en witwassen.

Wie zijn verplicht om de UBO-registratie bij te houden?

  • Besloten vennootschappen en naamloze vennootschappen; met uitzondering van de beursgenoteerde vennootschappen
  • Stichtingen
  • Commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma, maatschappen en rederijen
  • Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen;
  • Verenigingen; met uitzondering van de verenigingen van eigenaren en verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid die geen onderneming drijven;
  • Kerkgenootschappen die een brief krijgen van de Kamer van Koophandel.

Wie zijn de UBO’s van de organisatie?

Als uw organisatie onder de bovengenoemde rechtsvormen past, bent u verplicht om UBO’s te registreren. U moet bepalen wie de UBO’s van de organisatie zijn. Let op, een UBO is altijd een natuurlijk persoon.

Bij de besloten vennootschap en naamloze vennootschap zijn dit:

  • de natuurlijke personen die direct of indirect (bijvoorbeeld via een tussenholding) meer dan 25% van de aandelen houden;
  • de natuurlijke personen die direct of indirect meer dan 25% stemrecht en/of zeggenschap hebben;
  • de natuurlijke personen die meer dan 25% economisch belang hebben bij de organisatie, zoals certificaathouders.

Als geen van bovenstaande belangen een rol speelt, dan schrijft u de statutaire bestuurders in als UBO.

Bij de stichting, de commanditaire vennootschap, de vennootschap onder firma, de maatschap, de rederij, de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij zijn de UBO’s:

  • de natuurlijke personen die direct of indirect recht hebben op meer dan 25% van het vermogen van de organisatie;
  • de natuurlijke personen die direct of indirect meer dan 25% stemrecht en/of zeggenschap hebben;
  • de natuurlijke personen die op een andere manier (feitelijke) zeggenschap hebben, zoals financierders;

Als geen van de bovenstaande belangen een rol speelt, dan schrijft u de hoger leidinggevende in als UBO. Dit kunnen de statutaire bestuurders, vennoten, maten of leden van de rederij zijn.

Wanneer moet u de UBO’s registreren?

Als uw organisatie net opgericht is, moet u uw organisatie de UBO’s registeren bij de eerste inschrijving in het handelsregister. Wijzigingen en uitschrijvingen van UBO’s van de organisatie moet u binnen 7 dagen laten aanpassen in het register bij de Kamer van Koophandel.

Wie is verantwoordelijk voor de registratie?

Uw organisatie is zelf verantwoordelijk voor de registratie van de UBO’s. Dit houdt in dat de bestuurders of de eigenaren van uw organisatie de verantwoordelijk zijn voor een juiste en volledige registratie.

Zijn deze gegevens toegankelijk voor iedereen?

Sinds november 2022 is het UBO-register slechts nog toegankelijk voor bevoegde autoriteiten, zoals het Openbaar Ministerie en Financiële Inlichtingen Eenheid naar aanleiding van een uitspraak van het Hof van Justitie. Het UBO-register is dus niet meer toegankelijk voor iedereen.

Wat gebeurt er als een organisatie zijn UBO’s niet registreert?

Het niet tijdig registreren van de UBO’s van de organisatie of opzettelijk verkeerde informatie registeren in het UBO register is verboden. De Belastingdienst houdt het toezicht hierop en kan handhaven als een organisatie zich niet houdt aan deze verplichting en kan een boete of een last onder dwangsom op leggen. Als een organisatie opzettelijk verkeerde informatie heeft geregistreerd, kan er ook strafrechtelijke handhaving worden opgelegd.

(Bron: ABAB)

Zo voorkomt u onduidelijkheid over de benutting van vakantiedagen

Vanaf 1 juli 2023 vervallen de wettelijke vakantiedagen die uw werknemers in 2022 hebben opgebouwd. U bent verplicht om uw werknemers hiervan op tijd op de hoogte te stellen en hen de mogelijkheid te geven om de vakantiedagen nog wel te benutten. Hoe zit het precies?

Juridische richtlijnen vakantiedagen

Informeer uw werknemers op tijd en duidelijk over de vervaltermijn. Informeert u uw werknemers niet op tijd? Dan behoudt uw werknemer zijn of haar recht op de nog niet-opgenomen wettelijke vakantiedagen ná afloop van de vervaltermijn. Deze wettelijke vakantiedagen verjaren dan pas vijf jaar na het jaar van opbouw, net als bovenwettelijke vakantiedagen.

Hoe kunt u uw medewerkers informeren over de vervaltermijn?

Hoe kunt u uw werknemers op de hoogte brengen van de naderende vervaltermijn? Stuur bijvoorbeeld een schriftelijke herinnering over de vervaltermijn van de vakantiedagen. Als u uw werknemers nog niet schriftelijk heeft geïnformeerd voor de naderende vervaltermijn van 1 juli 2023, doe dit dan alsnog. Als u uw werknemers al wel heeft gewaarschuwd, overweeg dan om hen binnenkort nogmaals via de mail te herinneren aan de wettelijke vervaltermijn.

Bevestiging van ontvangst

Een andere tip: laat uw werknemers bevestigen dat ze het bericht hebben ontvangen. Op deze manier kunt u achteraf bewijzen dat u hen tijdig op de hoogte heeft gesteld. Als een werknemer zijn wettelijke dagen niet op tijd opneemt, kunt u ervan uitgaan dat hij dat met opzet niet heeft gedaan.

Creëer aantrekkelijke omstandigheden

Het is niet toegestaan om wettelijke vakantiedagen tussentijds uit te betalen of te verrekenen met ziektedagen. U kunt uw werknemers niet dwingen om vakantiedagen op te nemen. U kunt het echter wel aantrekkelijk maken, bijvoorbeeld door werk bij de werknemer weg te nemen. Zorg voor goede interne afstemming en laat bijvoorbeeld leidinggevenden een belangrijke rol spelen.

Zorgvuldig implementeren bedrijfsregeling

U kunt collectieve vakantiedagen vaststellen volgens de wet, maar alleen als dit is geregeld in de cao of arbeidsovereenkomst. Vaak wordt de vrijdag na Hemelvaart gekozen. Als u een bedrijfsregeling wilt invoeren, heeft u de goedkeuring van uw werknemers nodig.

(Bron: ABAB)

SUB­SI­DIE­RE­GE­LING PRAK­TIJK­LE­REN VA­NAF 2 JU­NI WEER VAN START

De Subsidieregeling praktijkleren is een tegemoetkoming voor de kosten die je maakt voor de begeleiding van een leerling of student. Ook de loon- of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio) komen voor subsidie in aanmerking. Je kunt nu een aanvraag indienen voor het studiejaar 2022-2023.

Wil je als werkgever een praktijk- of werkleerplaats aanbieden zodat mensen beter voorbereid zijn op de arbeidsmarkt? Kijk dan of je in aanmerking komt voor de Subsidieregeling praktijkleren.

De Subsidieregeling praktijkleren is een tegemoetkoming voor de kosten die je maakt voor de begeleiding van een leerling of student. Ook de loon- of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio) komen voor subsidie in aanmerking. Je kunt nu een aanvraag indienen voor het studiejaar 2022-2023.

Doelgroep Subsidieregeling praktijkleren

De subsidieregeling is bedoeld voor:

  • kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt voor wie toegang tot de arbeidsmarkt een probleem is;
  • studenten die een opleiding volgen in sectoren waar een tekort ontstaat aan gekwalificeerd personeel;
  • wetenschappelijk personeel, dat onmisbaar is voor de Nederlandse kenniseconomie.

Niet elke opleiding, onderwijsvorm of leerweg komt in aanmerking. De voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen, verschillen per onderwijscategorie.

Aanvraag indienen bij de RVO

De aanvraag dien je in bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Op de website van de RVO staan alle voorwaarden per onderwijscategorie. Aanvragen is mogelijk vanaf vrijdag 2 juni a.s. om 9.00 uur. De subsidieregeling sluit op vrijdag 15 september 2023 om 17.00 uur.

Let op! Voor het indienen van de aanvraag is eHerkenning nodig (minimaal niveau 3 met machtiging RVO-diensten op niveau eH3).

Wanneer je voldoet aan de voorwaarden, kun je een subsidie ontvangen van maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats. De RVO neemt alle op tijd ingediende aanvragen in behandeling. Als er meer subsidie wordt aangevraagd dan beschikbaar is in een onderwijscategorie, dan wordt het budget evenredig over de ingediende aanvragen in die categorie verdeeld. Uiterlijk 30 december 2023 neemt de RVO een besluit over jouw aanvraag.

Administratie bijhouden

Tijdens de begeleidingsperiode moet je als werkgever een administratie bijhouden. Je moet onder andere van elke leerling of student in het bezit zijn van de praktijkleerovereenkomst en de aanwezigheids- en begeleidingsadministratie. Deze moet je op verzoek kunnen verstrekken. De RVO voert steekproefsgewijs controles uit.

(Bron: De Jong en Laan)

NIEUWE VER­PLICH­TING­EN BIJ ZIEK­TE­VER­ZUIM VAN­AF 1 JU­LI 2023

Werkgever en werknemer zijn vanaf 1 juli 2023 verplicht om schriftelijk hun visie te geven op het ziekteverzuimproces. Zij zijn immers gezamenlijk verantwoordelijk voor de re-integratie. Het betreft hier een wettelijke vastlegging van hetgeen in de praktijk al vaak gebeurde.

(Bijstellingen) plan van aanpak en eerstejaarsevaluatie

Een bedrijfsarts of arbodienst dient bij dreigend langdurig verzuim na 6 weken een probleemanalyse op te stellen. Hierin is opgenomen een advies over de mogelijkheden van de werknemer en de verwachting ten aanzien van herstel en werkhervatting.

Deze probleemanalyse vormt de basis voor het op te stellen plan van aanpak. Het plan van aanpak stelt de werkgever op in overeenstemming met de werknemer op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts of arbodienst. Dit plan van aanpak dient periodiek – minimaal één keer per 6 weken – aangepast te worden als daartoe aanleiding is.

De visie, die vanaf 1 juli verplicht is, is gericht op zowel de kortere als de langere termijn. Deze kan evenals het plan van aanpak zelf, regelmatig bijgesteld worden als daar aanleiding toe is.

Het is aan de werkgever en werknemer om te bespreken welke mogelijkheden voor werkhervatting zij zien, er afspraken over te maken en deze vast te leggen in het plan van aanpak. Aangezien deze visie enige kennis van wet- en regelgeving vergt, kunnen werkgever en werknemer desgewenst ondersteuning inroepen van bijvoorbeeld een arbeidsdeskundige, een casemanager of een jobcoach.

Doel wijziging

De wijziging beoogt het gesprek over de re-integratie te bevorderen waardoor de betrokkenheid van werkgever en werknemer wordt vergroot en de re-integratie succesvol is.

Zo kunnen werkgever en werknemer bijvoorbeeld afspraken maken over ander passend werk als het eigen werk niet meer geschikt is. Ook het ontbreken van re-integratieactiviteiten moet gemotiveerd worden vastgelegd.

Bij twijfels aan het advies van de bedrijfsarts kan de werknemer een second opinion aanvragen bij een andere door de werkgever gecontracteerde bedrijfsarts of een deskundigenoordeel bij het UWV aanvragen. Dit laatste kan de werkgever ook doen.

Werkgever en werknemer dienen zaken te bespreken om zo een succesvolle re-integratie te bevorderen. De visie is een hulpmiddel om dit doel te bereiken en is daarmee een waardevolle toevoeging voor zowel de werkgever als de werknemer.

Let op! Deze wijziging geldt ook voor de werkgever die eigenrisicodrager is voor de Ziektewet en zijn (ex-)werknemer. Deze heeft immers dezelfde re-integratieverplichtingen als iedere andere werkgever.

Overgangsrecht

De re-integratievisie geldt voor stukken die na 1 juli 2023 zijn opgesteld. Bij samengesteld ziekteverzuim worden de ziekteperiodes bij elkaar opgeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Ligt hierdoor de eerste ziektedag voor 1 juli 2023 dan geldt de maatregel alleen voor de stukken die na die datum zijn opgesteld.

(Bron: De Jong en Laan)

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregeling (DSR): versoberingen op komst

De bedrijfsopvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting (DSR) liggen al een tijd onder het vergrootglas en er zitten versoberingen aan te komen. Dat maakt dat sommige families haast maken met de bedrijfsopvolging. Maar is inmiddels duidelijk wat er wel en niet staat te veranderen? We zetten het in dit artikel voor u op een rij.

Samenvatting:

  • Het Centraal Planbureau zei vorig jaar mei dat de vrijstelling in de BOR niet doelmatig is.
  • GroenLinks en de PvdA willen de regelingen fors versoberen en hebben daarvoor een initiatiefwetvoorstel ingediend.
  • Het kabinet wil de BOR en de DSR ook gaan versoberen, maar gaat niet zo ver als GroenLinks en PvdA.
  • Een van de aangekondigde kabinetsmaatregelen: onroerende zaken die aan derden worden verhuurd worden standaard aangemerkt als beleggingsvermogen. Die maatregel zal waarschijnlijk per 1 januari 2024 ingaan.
  • De andere maatregelen die het kabinet wil doorvoeren gaan waarschijnlijk vanaf 1 januari 2025 in.

BOR: financiële problemen bij overdracht voorkomen

De BOR en de DSR hebben als doel om te voorkomen dat het voortbestaan van een (familie)bedrijf in gevaar komt op het moment dat het wordt overgedragen. Op dat moment moet er namelijk erf- en schenkbelasting en (mogelijk) inkomstenbelasting worden betaald. Dat kunnen zodanig forse bedragen zijn dat ze in het uiterste geval zonder dempende maatregelen kunnen leiden tot het einde van een bedrijf. Die demping wordt geregeld via een (voorwaardelijke) -gedeeltelijke- vrijstelling van schenk- en erfbelasting (BOR) en via het doorschuiven van de inkomstenbelastingclaim naar de bedrijfsopvolgers (DSR).

De discussie over deze fiscale regelingen loopt al jaren. Op verzoek van het kabinet heeft het Centraal Planbureau (CPB) de regelingen vorig jaar onder de loep genomen. Toen de conclusies in mei vorig jaar werden gepubliceerd, laaide die discussie weer vol op. Het CPB zegt namelijk dat de fiscale faciliteiten in veel gevallen niet nodig zijn. Bij driekwart van de overdrachten zijn er bij de erflaters, schenkers of verkrijgers voldoende vrije financiële middelen om de belasting direct te betalen. En volgens het CPB is in de andere gevallen een ruime betalingsregeling over het algemeen een prima manier om de continuïteit van een bedrijf te waarborgen.

GroenLinks en PvdA willen snoeien in de BOR

Een maand later, in juni 2022, kwamen GroenLinks en de PvdA met een initiatiefwetsvoorstel om de BOR en de DSR flink te versoberen. Zij noemen de regelingen een cadeau voor met name rijke erfgenamen. Ze wijzen er ook op dat de BOR in 1996 begon met een vrijstelling van 25 procent van het ondernemingsvermogen. Dat is in de loop der jaren in stappen verhoogd naar de huidige vrijstelling van 100% tot ruim 1,2 miljoen euro en 83% daarboven.

Hoe kijkt de rest van de Kamer naar dat wetsvoorstel? In maart 2023 werd dat inzichtelijk toen de Tweede Kamer voor het eerst over het initiatiefwetsvoorstel debatteerde. Toen bleek dat een groot deel van de Kamer kritisch is. Vooral VVD en CDA zijn tegen de aanpassing waarmee de fiscale regelingen in feite grotendeels zouden worden afgeschaft. D66 en ChristenUnie zijn kritisch op de ruime mogelijkheden van de BOR om erf- en schenkbelasting te ontwijken, maar vinden dat het voorstel van GroenLinks en de PvdA te ver gaat. Een forse aanpassing van de BOR vanuit de Tweede Kamer zal dus zo’n vaart niet lopen.

Kabinet wil BOR en DSR versoberen 

Dan is er nog het kabinet. In de reactie op het rapport van het CPB schreef minister Adriaansens dat het kabinet nog steeds achter de doelstelling van de fiscale bedrijfsopvolgingsregelingen staat. Maar het vindt ook dat oneigenlijk gebruik van de BOR en DSR moet worden beperkt. Hoe het kabinet dat wil doen, werd in mei van dit jaar al enigszins duidelijk. Toen stuurde het kabinet de plannen voor het Belastingplan van 2024 naar de Tweede Kamer.

Vrijstelling omlaag

En daarin wordt duidelijk dat het kabinet de BOR en de DSR wil gaan versoberen. Een van de maatregelen die het kabinet wil nemen, is dat aan derden verhuurde onroerende zaken standaard worden aangemerkt als beleggingsvermogen. Die maatregel zal waarschijnlijk per 1 januari 2024 in werking treden.

Een andere maatregel die werd aangekondigd, gaat over de omvang van de BOR-vrijstelling. De grens van de BOR-vrijstelling van 100% van de goingconcernwaarde van de onderneming wil het kabinet weliswaar verhogen van 1,2 miljoen euro naar 1,5 miljoen euro. Maar let op: over het meerdere aan ondernemingsvermogen gaat de vrijstelling omlaag, van 83% nu naar 70%. Daarnaast wil het kabinet nog andere wijzigingen in de regelingen doorvoeren. Die hebben met name tot doel om de regeling te vereenvoudigen en oneigenlijk gebruik van de BOR en DSR tegen te gaan. Het kabinet wil dat die maatregelen vanaf 1 januari 2025 in werking treden.

(Bron: Flynth)

Belastingrente gaat op 1 juli 2023 omhoog van 4% naar 6%

Het belastingrentepercentage voor alle belastingen behalve vennootschaps- en bronbelasting stijgt per 1 juli 2023 van 4 naar 6 procent. Eerder dit jaar werd ook een verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting en bronbelasting aangekondigd (van 8 naar 10,5 procent), maar die werd teruggedraaid omdat het kabinet de gehele belastingrenteregeling opnieuw gaat bekijken. Vooralsnog zijn er geen berichten bekend dat de verhoging voor de andere belastingen nu ook niet doorgaat.

Wat is belastingrente?

Belastingrente is een vergoeding aan of van de overheid voor gemiste rente. Als sprake is van een te betalen bedrag, kan rente verschuldigd zijn. Krijgt u een belastingteruggaaf, dan ontvangt u meestal geen rentevergoeding. Alleen in uitzonderingsgevallen kunt u een rentevergoeding ontvangen.

Hoe kunt u het in rekening brengen van belastingrente zo veel mogelijk beperken?

Voor de inkomstenbelasting kunt u ervoor zorgen dat uw (voorlopige) aanslagen zo realistisch mogelijk worden vastgesteld. Dat voorkomt of beperkt bijbetalingen met rente. Zijn uw (voorlopige) aanslagen over 2022 of eerder mogelijk te laag vastgesteld? Neem dan contact op met uw belastingadviseur om de gevolgen voor de belastingrente in kaart te brengen.

Voor de erfbelasting geldt het volgende. Indien erfgenamen binnen 8 maanden na het overlijden aangifte doen of verzoeken om een voorlopige aanslag en deze aangifte of dit verzoek wordt door de inspecteur gevolgd, wordt geen belastingrente in rekening gebracht. U kunt de belastingrente beperken door tijdig een zo realistisch mogelijke voorlopige aanslag erfbelasting aan te vragen. Wij raden u daarom aan om zo spoedig mogelijk na een overlijden contact op te nemen met uw belastingadviseur. Voor de erfbelasting geldt dat nooit belastingrente wordt vergoed. Belastingrente is niet van toepassing op aanslagen schenkbelasting.

(Bron: BDO)