Mogelijkheden lijfrentepremieaftrek met terugwerkende kracht verruimd

Zoals eerder bericht is op 30 mei de Wet toekomst pensioenen aangenomen. In dit Perspectief lichten we een deel van deze wetswijziging uit: het arbeidsvormneutraal pensioenkader.

Tweede en derde pijler

Voor de invoering van de Wet toekomst pensioenen waren de verschillen tussen de tweede pijler (arbeidspensioen) en de derde pijler (privépensioen of lijfrente) aanzienlijk en moeilijk uit te leggen. Maar volgens de nieuwe wetgeving worden de fiscale voordelen voor het opbouwen van een toekomstvoorziening in beide pijlers bijna volledig gelijkgetrokken.

Ruimere mogelijkheden voor lijfrenten

Door de gewijzigde wetgeving kunnen zelfstandigen maar ook andere belastingplichtigen haast dezelfde fiscale ruimte gebruiken als werknemers in een pensioenregeling. En dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023.

Jaarruimte

De maximale premieruimte voor lijfrenten wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 verhoogd naar 30% (nu 13,3%) van de premiegrondslag. Dit betekent dat de fiscale mogelijkheden meer dan verdubbeld worden.

Reserveringsruimte

Daarnaast biedt de wetgeving nu aanzienlijk meer ruimte om tekorten uit het verleden in te halen. De zogenaamde reserveringsruimte wordt verhoogd naar maximaal € 38.000, daar waar dit nu ruim € 7.000 is. Deze reserveringsruimte stelt belastingplichtigen in staat om ongebruikte jaarruimte uit het verleden alsnog in te vullen. Onder de huidige wetgeving kon dit alleen voor de laatste 7 jaar, maar dat is nu uitgebreid naar de laatste 10 jaar. Dit biedt dus meer mogelijkheden aan die zijde.

(Bron: BDO)

Willekeurige afschrijving nieuwe bedrijfsmiddelen

Om ondernemers in 2023 extra te stimuleren om te investeren heeft de overheid voor het jaar 2023 een stimuleringsmaatregel in het leven geroepen waardoor willekeurige afschrijving op nieuwe bedrijfsmiddelen mogelijk is. Deze regeling geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting als voor ondernemers in de vennootschapsbelasting.

Hoe werkt willekeurig afschrijven?

Indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de stimuleringsmaatregel is het mogelijk om tot maximaal 50% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten ineens af te schrijven. De resterende 50% dient vervolgens te worden afgeschreven op basis van de normale afschrijvingstermijnen.

Voorwaarden van de regeling

De regeling geldt voor bepaalde nieuwe bedrijfsmiddelen die in 2023 zijn aangeschaft of waarvan in 2023 de voortbrengingskosten zijn gemaakt. De regeling is enkel van toepassing op bedrijfsmiddelen die niet eerder in gebruik zijn genomen. Tweedehands bedrijfsmiddelen zijn uitgesloten. Tevens dient het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2026 in gebruik te zijn genomen. De regeling geldt niet voor bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk zijn bestemd om verhuurd te worden (dus ook niet bij groepsmaatschappijen die niet tezamen een fiscale eenheid VPB vormen).

Daarnaast geldt de regeling niet voor onder andere: gebouwen, bromfietsen, personenauto’s (auto’s zonder CO2 uitstoot komen wel in aanmerking), dieren en immateriële vaste activa.

Voorbeeld

Stel u schaft in 2023 een machine aan voor € 150.000. Deze machine heeft een restwaarde van € 15.000 en een levensduur van vijf jaar. Zonder de toepassing van willekeurige afschrijving wordt op deze machine in totaal € 135.000 (€ 27.000 per jaar) afgeschreven.

Door de toepassing van deze nieuwe regeling dient de investering te worden opgesplitst in twee delen. Op het eerste deel vindt de gebruikelijke afschrijving plaats, namelijk € 67.500 in vijf jaar (€ 13.500 per jaar). Het tweede deel mag u vervolgens in 2023 volledig afschrijven. Dit resulteert in een extra afschrijving van € 67.500 in 2023. In totaal kan daarom in 2023 € 81.000 worden afschreven over deze machine.

Voordeel

Door extra af te schrijven kan de winst van het betreffende jaar worden verminderd. Dit leidt tot een lagere belastingheffing. Hierdoor kan een rente- en/of liquiditeitsvoordeel worden behaald. Daarnaast kan de toepassing van willekeurige afschrijving ervoor zorgen dat er een tariefsvoordeel wordt behaald. Tevens kan er bij een verliesjaar voor worden gekozen om niet of minder af te schrijven. Hierdoor kunnen de afschrijvingskosten worden uitgesteld naar latere jaren waarin hogere resultaten worden behaald.

Om ondernemers in 2023 extra te stimuleren om te investeren heeft de overheid voor het jaar 2023 een stimuleringsmaatregel in het leven geroepen waardoor willekeurige afschrijving op nieuwe bedrijfsmiddelen mogelijk is. Deze regeling geldt zowel voor ondernemers in de inkomstenbelasting als voor ondernemers in de vennootschapsbelasting.

(Bron: Koenen en Co)

Loon voor berekening vakantietoeslag

In de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is opgenomen dat werknemers jaarlijks recht hebben op vakantietoeslag. Dit is 8% over hun brutoloon dat is verdiend gedurende het afgelopen jaar. Tot dit loon behoren ook: provisie, prestatiebeloningen, gevarengeld, fooien, dertiende maand en overwerkloon. Het kan wel zijn dat hier bijvoorbeeld in een cao of personeelsreglement afwijkende afspraken over zijn gemaakt.

Wanneer een werknemer een deel van zijn bovenwettelijke vakantiedagen laat uitbetalen, dient de werkgever hierover vakantietoeslag te berekenen.

Ook een arbeidsongeschikte werknemer bouwt vakantietoeslag op. De vakantietoeslag wordt berekend over het loon dat doorbetaald wordt door de werkgever.

Hoe wordt de vakantietoeslag belast?

Op de vakantietoeslag wordt de tabel voor bijzondere beloningen toegepast. Uit deze tabel komt het zogenoemde percentage bijzonder tarief. Het percentage bijzonder tarief wordt bepaald aan de hand van het fiscale jaarsalaris over het voorgaande jaar (conform de richtlijnen van de Belastingdienst). Wanneer een werknemer in de loop van een jaar in dienst treedt, dan wordt een inschatting gemaakt van het jaarsalaris. Op basis van dit jaarloon wordt het percentage aan loonheffing voor het bijzonder tarief bepaald. Het van toepassing zijnde tarief is te vinden in de witte tabel voor bijzondere beloningen. (bron: wit_bb_nl_std_alg_20230101 (belastingdienst.nl))

Verschillende loonheffingspercentages

Omdat de loonheffingskorting afhankelijk is van de hoogte van het inkomen, wordt er tevens een verrekeningspercentage loonheffingskorting toegepast op bijzondere beloningen zoals de vakantietoeslag. Inkomens tussen € 11.600,- en € 21.483,-  (in 2022) krijgen dan te maken met een korting van wel 29,86%. Het risico hiervan is dat vooral flexwerkers die onregelmatig werken (zoals parttimers, uitzendkrachten en oproepkrachten) op moeten passen. Dit kan ook gelden voor werknemers die meerdere werkgevers hebben. Specifiek degenen die in een bijzonder tarief van 7,07% vallen.  Dit kan ook gelden voor werknemers met recentelijke forse loonsverhoging. Met ‘oppassen’ wordt bedoeld dat als zij meerdere dienstbetrekkingen hebben of gedurende het jaar meer werken en dus meer verdienen bij dezelfde werkgever, ze met het totale inkomen in een hogere belastingschijf terechtkomen. Hierdoor kunnen ze onverwacht met een naheffing te maken krijgen in de inkomstenbelastingaangifte.

Verschillen loonheffingspercentages

In onderstaand voorbeeld hebben wij een 3-tal berekeningen gemaakt om de gevolgen van de verschillen in de loonheffingspercentages te verduidelijken (op basis van de witte jaarloontabel voor bijzondere beloningen 2023):

  1. Iemand geniet op jaarbasis € 18.000 aan salaris, € 1.440,- aan vakantiegeld. Het jaarloon bedraagt € 19.440,-
    € 1.440,- zal tegen het bijzondere tarief berekend worden in dit geval 7,07% = € 102,-
  2. Iemand geniet op jaarbasis € 20.000 aan salaris, € 1.600,- aan vakantiegeld. Het jaarloon bedraagt € 21.600,-
    € 1.600,- zal tegen het bijzondere tarief berekend worden in dit geval 33,84% = € 541,-
  3. Iemand geniet op jaarbasis € 21.000 aan salaris, € 1.680,- aan vakantiegeld. Het jaarloon bedraagt € 22.680,-
    € 1.680 zal tegen het bijzondere tarief berekend worden in dit geval 39,94% = € 671,-

Conclusie

U ziet dat in bovenstaande berekeningen dat bij een geringe stijging van het jaarloon een heel ander percentage bijzonder tarief van toepassing kan zijn.

Het kan dus raadzaam zijn om dit met uw medewerker tussentijds te bespreken. Een werknemer kan u een schriftelijk verzoek doen om een hoger percentage voor het bijzondere tarief vast te laten stellen. Let op: u mag dit niet op eigen initiatief doen. Dit is alleen mogelijk op schriftelijk verzoek van uw medewerker.

(Bron: Van Oers)

Zelfstandige of werknemer? Hoge Raad verduidelijkt regels rondomdienstbetrekking

Lange tijd is uitgekeken naar dit arrest omdat de arbeidsmarkt steeds meer en andere varianten van arbeid kent. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bezorgers van Deliveroo in Nederland werkzaam waren op basis van een arbeidsovereenkomst en dus niet op basis van zelfstandigheid. Dit oordeel zorgt ervoor dat de bezorgers werknemersbescherming krijgen. Denk aan het recht op ontslagbescherming, loondoorbetaling bij ziekte, vakantiegeld en vakantiedagen. De gevolgen voor de praktijk zijn groot. In dit artikel leest u wat dit voor u kan betekenen.

Drie eisen van de arbeidsovereenkomst

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan in de zaak van de bezorgers van het inmiddels uit Nederland vertrokken platform Deliveroo. Er is namelijk voldaan aan de drie eisen die de wet aan een arbeidsovereenkomst verbindt:

  • Persoonlijke arbeidsverrichting door de werknemer.
  • Loonbetaling door de werkgever.
  • Het werken onder gezag van de werkgever.

Dat de bezorgers de vrijheid hadden om wel of niet in te loggen op de app en het feit dat zij de vrijheid hadden zich te laten vervangen, zijn geen reden om niet van een arbeidsovereenkomst te spreken. Volgens de Hoge Raad moeten deze argumenten worden bezien in de context van alle omstandigheden. In deze situatie wegen de aspecten die wél op een dienstbetrekking wijzen zwaarder dan de vrijheden die minder op een dienstbetrekking wijzen. Er is dus sprake van een dienstbetrekking; wezen gaat voor schijn.

Welke omstandigheden noemt de Hoge Raad?

Om het onderlinge verband van alle genoemde omstandigheden te bepalen gaat de Hoge Raad uit van een zogenaamde holistische benadering, waarbij gekeken moet worden naar diverse gezichtspunten. Van belang kunnen onder meer zijn:

  • De aard en duur van de werkzaamheden.
  • De wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald.
  • De inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht.
  • Het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren.
  • De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen.
  • De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd.
  • De hoogte van deze beloningen.
  • De vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.

Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het verwerven van een reputatie, acquisitie, fiscale behandeling,  voor wie hij werkt of heeft gewerkt (-gelet op het aantal opdrachtgevers) en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

Wetgever aan zet

Het is nu aan de wetgever om een en ander tot uitdrukking te brengen in nieuwe wetgeving. Met name de nadere invulling van het begrip ‘organisatorische inbedding’ is van belang voor bedrijven die werken met zzp’ers die werkzaamheden verrichten die tot de normale bedrijfsvoering behoren.

Wat betekent dit voor u?

Het arrest van de Hoge Raad heeft mogelijk ook gevolgen voor uw organisatie. Er zal in de regel eerder sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Op basis van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Inbedding van het werk in de organisatie van de opdrachtgever is slechts één van deze omstandigheden maar neemt geen bijzondere positie in.

Nieuw is dat in deze toets meer aandacht besteed lijkt te gaan worden aan de vraag of de werker zich in het maatschappelijk verkeer gedraagt of kan gedragen als ondernemer. Daarnaast zal meer nadruk komen te liggen op hoe partijen in de praktijk werken zoals de aard en duur van de werkzaamheden, beloning en de werkwijze. Aan contractuele bepalingen, die enkel tot doel hebben het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit te sluiten wordt dus ook weinig waarde aan gehecht. Daarmee roept dit arrest de vraag op wat dit betekent voor de Wet DBA. De toekomst zal dit uitwijzen.

Voor uw organisatie is dus belangrijk om te (laten) toetsen of op basis van dit arrest alsnog sprake is van een dienstbetrekking. Er moet gekeken worden naar alle omstandigheden. De aanwezigheid van een modelovereenkomst van de Belastingdienst, lijkt vanuit deze optiek onvoldoende om een arbeidsrelatie uit te sluiten. Welke aanpassingen zijn noodzakelijk om de risico’s in te perken? Hoe kunt u bijsturen? Onze specialisten helpen u graag.

(Bron: DRV)

VER­HUI­ZEN VOOR HET WERK

Als je werknemer verhuist in het kader van zijn dienstbetrekking, dan is het mogelijk de verhuiskosten belastingvrij te vergoeden. Hiervoor geldt namelijk een gerichte vrijstelling.

Gerichte vrijstelling verhuiskosten

Onder deze gerichte vrijstelling mag je belastingvrij een bedrag van maximaal € 7.750 aan verhuiskosten vergoeden. Daarnaast kun je belastingvrij ook de werkelijke kosten voor het overbrengen van de inboedel vergoeden. Deze vergoeding komt dus boven op het fiscaalvrije bedrag van maximaal € 7.750.

Let op! Deze vergoedingen mag je alleen verstrekken als de verhuizing plaatsvindt in het kader van de dienstbetrekking bij jou. De verhuizing moet daarom voldoende samenhang hebben met de dienstbetrekking.

Wanneer is sprake van ‘in het kader van de dienstbetrekking’

De verhuizing is in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking als:

  • de werknemer binnen 2 jaar verhuist na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen een bestaande dienstbetrekking; én
  • de afstand tussen de woning en de plaats van de dienstbetrekking door de verhuizing minimaal 60% kleiner wordt; én
  • deze afstand vóór de verhuizing minimaal 25 kilometer bedraagt.

Tip! Voldoet de verhuizing van jouw werknemer niet aan deze voorwaarden, dan kan de verhuizing nog steeds plaatsvinden in het kader van de dienstbetrekking. Je moet dat dan wel aannemelijk maken.

Verhuizen, maar niet voor het werk

Vindt de verhuizing niet plaats in het kader van de dienstbetrekking, dan kun je verhuiskosten toch onbelast aan jouw werknemer vergoeden door deze aan te wijzen in de vrije ruimte. Ook kosten die niet onder de gerichte vrijstelling voor verhuiskosten vallen, zoals de aan- en verkoopkosten van de woning, kun je aanwijzen in de vrije ruimte.

Regels vrije ruimte

Voor het aanwijzen in de vrije ruimte gelden regels. Zo moet het bijvoorbeeld gebruikelijk zijn om de vergoedingen aan te wijzen. Bovendien is de vrije ruimte beperkt. In 2023 bedraagt deze 3% over de eerste € 400.000 van de totale loonsom en 1,18% over het meerdere. Komt het totaal van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die je in 2023 aanwijst boven deze vrije ruimte, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing over dit meerdere.

(Bron: De Jong en Laan)

TEK: wat zijn de voorwaardenen hoe vraagt u die aan?

Het kabinet gaat energie-intensieve mkb-bedrijven (met terugwerkende kracht) voor de periode van 1 november 2022 tot 31 december 2023 financieel ondersteunen. Daarvoor is de Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief mkb (TEK) in het leven geroepen. Energie-intensieve mkb-ondernemers kunnen vanaf 21 maart 2023 de TEK aanvragen. In dit artikel zetten we de hoogte van de tegemoetkoming, de voorwaarden en hoe u de TEK aanvraagt voor u uiteen.

Energieverbruik en omzet als uitgangspunt voor TEK

De TEK wordt berekend op basis van standaard verbruiks- en prijsgegevens en dus niet op basis van het werkelijke gebruik en de actuele prijs. De TEK vergoedt maximaal 50% van het verschil boven de minimumprijs en bedraagt maximaal € 160.000.

Voorwaarden voor de TEK

  • Uw bedrijf voldoet aan de Europese mkb definitie.
  • Uw bedrijf is gevestigd in Nederland en staat ingeschreven bij het Handelsregister.
  • Uw bedrijf verbruikt jaarlijks tenminste 5.000 m3 gas of 50.000 KWh elektriciteit.
  • Minimaal 7% van de omzet bestaat uit energiekosten.
  • Terug geleverde elektriciteit aan het net, gaat van het totaalverbruik af. Dit noemen we de standaard jaarinvoeding (SJI).

De energiekosten worden berekend aan de hand van modelprijzen voor gas en elektra voor 2022. Deze modelprijzen zijn inmiddels bekendgemaakt en bedragen voor gas € 2,41 per kuub en voor elektra € 0,59 per kWh.

Tip! U kunt zelf uitrekenen of u voor de TEK in aanmerking komt. Op de site van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn enkele rekenvoorbeelden opgenomen.

Let op! Het maximum van € 160.000 geldt per onderneming en niet per energiecontract of vestiging. Heeft uw onderneming dus meerdere vestigingen? Dan kunt u niet maximaal € 160.000 per vestiging ontvangen.

TEK aanvragen in het tweede kwartaal 2023

De tegemoetkoming kunt u vanaf 21 maart tot 2 oktober 2023 aanvragen bij de RVO. Hiervoor is eHerkenning op niveau eH3 nodig. Zzp’ers en ondernemers met een eenmanszaak kunnen ook met DigiD terecht. Uiteraard kunnen wij u helpen met het beoordelen of u voldoet aan de voorwaarden en de TEK voor u aanvragen. Ook kunnen we de hoogte van de tegemoetkoming voor u in verschillende scenario’s voor u berekenen.

Voorschot van 35%, vaststellingsverzoek voor definitieve TEK

Op basis van uw aanvraag ontvangt u vooralsnog een voorschot van 35% van het te verwachten subsidiebedrag. Om de definitieve TEK te kunnen berekenen moet een vaststellingsverzoek worden ingediend. Ook dit moet bij de RVO gebeuren, uiterlijk op 31 mei 2024. Natuurlijk kunnen wij u ook helpen bij het bepalen van de definitieve TEK en het vaststellingsverzoek indienen.

(Bron: Moore DRV)

Lager gebruikelijk loon vanwege beperkte resultaten bv

Als de resultaten van een bv vóór de toepassing van het gebruikelijk loon vaak lager zijn dan het vaste minimum, is dat in beginsel reden om het gebruikelijk loon te matigen.

Een man en zijn echtgenote houden in 2018 elk 50% van de aandelen in een holding. De man is tevens directeur van deze holding. De holding is bestuurder en voor 50% aandeelhouder van twee dochtervennootschappen. Voor al deze vennootschappen verricht de man werkzaamheden. Vanwege deze werkzaamheden neemt de Belastingdienst bij de dga over het jaar 2018 een bedrag van € 45.000 aan gebruikelijk loon in aanmerking. Dit is in dat jaar het vaste minimumbedrag. De dga weet echter voor Hof Den Haag overtuigend aan te tonen dat zijn gebruikelijk loon lager moet zijn dan dit minimum. Zo blijkt uit de jaarstukken en aangiften vennootschapsbelasting van de holding dat haar winsten in de jaren 2015 – 2021 gemiddeld genomen zeer bescheiden zijn. In de jaren 2019 en 2020 verlies heeft de holding zelfs verlies geleden. Daarnaast heeft de holding in alle jaren een negatief ondernemingsvermogen en een forse schuld aan de dga.

Lage resultaten van dochtervennootschappen

Hoewel in 2018 de belastbare winst van de holding met een bedrag van € 35.617 relatief hoog is geweest, is dat te weinig om het vaste minimum aan gebruikelijk loon te hanteren. Daardoor zou immers de winst direct negatief worden. Ook zou de holding dan niet meer in staat zijn bescheiden investeringsbeslissingen te nemen. Dit zou de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen. Verder zijn de resultaten van de dochtervennootschappen zo laag geweest, dat zij de financiële positie van de holding niet hebben versterkt. Op 9 augustus 2019 is een van de dochtervennootschap zelfs ontbonden vanwege een gebrek aan baten. Het hof accepteert echter geen gebruikelijk loon van nihil. Dat komt onder meer doordat de holding wel een bedrag aan loonkosten heeft opgegeven. Uiteindelijk stelt het hof het gebruikelijk loon vast op € 10.240.

(Bron: Taxence)

Nieuwe vragen en antwoorden over uitbetaalde bedragen aan derden (UBD)

De Belastingdienst heeft het document ‘Vragen en Antwoorden Uitbetaalde Bedragen aan Derden (UBD)’ uitgebreid. De nieuwe vragen en antwoorden op een rij.

De regeling waarbij de Belastingdienst van administratieplichtigen informatie over uitbetalingen aan derden wil ontvangen is vanaf het belastingjaar 2022 uitgebreid. De oude regeling stond ook wel bekend als ‘de IB47-regeling’.

Met ingang van 2022 moeten inhoudingsplichtigen en collectieve beheersorganisaties (cbo’s) verplicht en op eigen initiatief die gegevens aanleveren, dus zonder expliciete uitnodiging van de Belastingdienst.

De Belastingdienst heeft een document gepubliceerd met vragen en antwoorden over de uitbetaalde bedragen aan derden (UBD). Hieronder vind je de vragen en antwoorden die de Belastingdienst recent heeft toegevoegd.

Bewaartermijn

Vraag 24. Wat is de bewaartermijn voor de gegevens van de personen aan wie de bedragen zijn uitbetaald?

Je hebt als administratieplichtige een bewaartermijn van 7 jaren na afloop van het belastingjaar.

Facturen met en zonder btw

Vraag 25. Een opdrachtnemer stuurt afwisselend facturen met en zonder btw. Moet ik de betalingen van de facturen zonder btw in de UBD opgeven?

Ja. Volgens de regeling moet je een UBD-opgaaf doen voor betalingen zonder dat btw is gefactureerd. Je hoeft geen UBD-opgaaf te doen voor de betalingen van de facturen met btw.

Betaaldatum factuur

Vraag 26. De factuurdatum van de betaling die ik gedaan heb ligt in 2022. Ik heb de factuur in 2023 betaald. Moet ik deze betaling opgeven met de UBD van het jaar 2022 of van 2023?

Je moet uitgaan van de betaaldatum. Dus deze betaling in 2023 geef je op met de UBD van het jaar 2023 (vóór 1 februari 2024).

Bsn opgeven

Vraag 27. Als ondernemer laat ik mij soms vervangen door een waarnemer die mij factureert zonder btw (vanwege vrijgestelde prestaties). Deze waarnemers hebben weerstand tegen het aan mij verstrekken van het bsn en een kopie van het ID-bewijs. Is dat verstrekken van die gegevens echt nodig?

Voor jou geldt de wettelijke verplichting om het bsn op te geven van degene aan wie je uitbetaalt als je een zogenoemde inhoudingsplichtige uitbetaler bent (artikel 22a uitvoeringsbesluit IB). Die persoon moet aan jou het bsn verstrekken. Daarnaast geldt er voor jou een ‘vergewisplicht’ dat het bsn hoort bij degene aan wie je uitbetaalt (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer). Deze vergewisplicht is vormvrij zolang dit zorgvuldig gebeurt. Daarbij kan een kopie van het ID-bewijs dienst doen.

Art. 53 Awr

Vraag 28. Op grond waarvan mag de Belastingdienst bij niet-inhoudingsplichtige uitbetalers (waaronder dus ook eenmanszaken zonder personeel) informatie vragen over betalingen aan derden?

Dat is op grond van artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarbij geldt wel dat dat niet uit eigen beweging hoeft te gebeuren, maar op uitnodiging van de Belastingdienst. Zie ook vraag 29.

Verschil (niet-)inhoudingsplichtige uitbetalers

Vraag 29. Inhoudingsplichtige uitbetalers moeten uit eigen beweging UBD-opgaven doen. Daarnaast moeten zij het bsn opgeven. Niet-inhoudingsplichtige uitbetalers doen de opgaven pas na uitnodiging van de Belastingdienst. Zij hoeven geen bsn op te geven. Waarop is dit verschil gebaseerd? Dit leidt tot de vreemde situatie dat een ondernemer die wel personeel in dienst heeft administratief zwaarder wordt belast dan een ondernemer zonder personeel.

Voor inhoudingsplichtige uitbetalers en cbo’s is het opgeven van het bsn geregeld in artikel 22a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting. Voor niet-inhoudingsplichtige uitbetalers is dat niet geregeld. Dat leidt inderdaad tot een verschil voor ondernemers met en zonder personeel.

Belastingkantoor

Vraag 30. Is het belastingkantoor van de aanleveraar de juiste instantie om uitstel te vragen. Zo ja, welke afdeling? Is er niet een centraal e-mailadres?

Je kunt jouw verzoek richten aan de inspecteur van jouw belastingkantoor. Daar wordt jouw verzoek verwerkt.

Je vindt het document ‘Vragen en Antwoorden Uitbetaalde Bedragen aan Derden (UBD)’ op: gegevensportaal.belastingdienst.nl/ubdper2022.

Bron: Forum Salaris

Kennisgroepstandpunt over co-ouderschapsregeling en inkomensafhankelijke combinatiekorting

De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst heeft de vraag beantwoord wanneer in situaties van co-ouderschap voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan aan art. 44b Uitv.reg. IB 2001 (versie 1 januari 2021) na het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, 22/00188, V-N 2022/42.3.

Na het arrest bestaat in situaties van co-ouderschap recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wanneer het kind in een periode van zes maanden ten minste 78 dagen in een doorgaans repeterend ritme in elk van beide huishoudens verblijft en aan de overige voorwaarden voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan. Deze periode van zes maanden hoeft niet aaneengesloten plaats te vinden.

(Bron: Belastingdienst)(

Kennisgroepstandpunt over vervreemden KEW/SEW in kader van echtscheiding

De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft een aantal vragen beantwoord voor de inkomstenbelasting over het vervreemden of splitsen van een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) of spaarrekening eigen woning (SEW) in het kader van echtscheiding.

De kennisgroep gaat in op de situatie waarbij in het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man de eigen woning en de eigenwoningschuld krijgt toebedeeld en de vrouw de KEW/SEW maar waarbij nog geen wijziging in de tenaamstelling van de KEW/SEW heeft plaatsgevonden. In dat geval komt de KEW/SEW niet volledig fictief tot uitkering, maar slechts voor de helft, namelijk voor het aandeel van de vrouw in de SEW/KEW. De vrouw kan voor haar aandeel in de KEW/SEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. In de situatie dat de eigen woning en de eigenwoningschuld al op naam van de man zijn gezet, maar de KEW nog niet volledig op naam van de vrouw is gezet, kan de man voor zijn aandeel in de KEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling. Wel moet aan voorwaarden worden voldaan.

(Bron: Belastingdienst)