Lijfrentepremie in aftrek op premie Zvw?

e adviseur van de Hoge Raad vindt het onjuist dat betaalde lijfrentepremies niet in mindering komen op de verschuldigde premie voor de Zvw. Hierdoor worden zelfstandigen bij hun pensioenopbouw achtergesteld bij werknemers.

Rechter moet ingrijpen
De adviseur vindt dan ook dat de rechter in moet grijpen. In een zaak die nu ter beoordeling voorligt bij de Hoge Raad gaat het om de vraag of door een zelfstandige ondernemer betaalde lijfrentepremies aftrekbaar moeten zijn voor de Zvw-grondslag. Volgens de wet is aftrek nu niet mogelijk.

Rechtsongelijkheid
Omdat pensioenpremies van werknemers wel de af te dragen premie voor de Zvw verminderen, ontstaat er rechtsongelijkheid tussen werknemers en zelfstandige ondernemers.

Dubbele heffing
Omdat betaalde lijfrentepremies de te betalen Zvw-premie niet verminderen, ontstaat ook dubbele heffing. Als de lijfrente te zijner tijd tot uitkering komt, moet over deze uitkeringen namelijk wel premie Zvw worden betaald.

Uitspraak Hoge Raad
Het wachten is nu op de uitspraak van de Hoge Raad. Die volgt in de meeste gevallen het advies van hun adviseur, maar niet altijd.

(Bron: Schipper Groep)

BV en afkoop pensioen in eigen beheer middelen?

Heeft u in 2017 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uw pensioen in eigen beheer af te kopen? Dan staat u wellicht nog een extra voordeel te wachten door het toepassen van de middelingsregeling.

Afkoop pensioen in eigen beheer

De afkoop van het pensioen in eigen beheer is afgehandeld via de salarisadministratie. Het inkomen en daarmee ook het tarief waartegen dit inkomen is belast in de inkomstenbelasting, zal daardoor in 2017 waarschijnlijk hoger zijn dan hetgeen gebruikelijk is.

Middelingsregeling

Met de middelingsregeling mogen de belastbare inkomens van 3 aaneensluitende jaren worden opgeteld en gedeeld door 3. Vervolgens wordt over elk van deze inkomens de belastingheffing berekend. Op het moment dat deze belastingheffing lager is dan de belasting die u daadwerkelijk heeft betaald, kunt u een teruggave krijgen.

DGA BV mag ingegane oudedagsvoorziening toch afstorten in lijfrente

In het nieuwe verzamelbesluit pensioenen worden enkele goedkeuringen opgenomen ten aanzien van de wet uitfasering pensioen eigen beheer. Daarmee is het nu ook mogelijk om een ingegane oudedagsverplichting (ODV) af te storten in een lijfrente, ziet accountantsbedrijf Vallura.

Goedkeuring

Met de invoering van de wet uitfasering pensioen in eigen beheer is het mogelijk om het door de DGA opgebouwde pensioen in de eigen BV om te zetten naar de ODV. Deze voorziening gedraagt zich in de BV als een soort bancaire lijfrente: uitkeren in 20 jaar. Die kan bovendien afgestort worden in een derde pijler lijfrente. In een vraag & antwoord (Vraag & Antwoord 17-008 d.d. 010417) van de belastingdienst is eerder nog expliciet verduidelijkt dat het afstorten in een lijfrente alléén is toegestaan vóórdat de uitkeringen uit de ODV zijn ingegaan. Dankzij een goedkeuring in het verzamelbesluit van 24 november 2017 (publicatie 8 december 2017) is het nu echter ook mogelijk deze uitkerende ODV af te storten in een lijfrente.

Toepassing

In feite kan dankzij de wet uitfasering pensioen in eigen beheer een tweede pijler pensioen worden getransformeerd in een derde pijler lijfrente. Iets waar in de praktijk al langer behoefte aan was. Er komt een tijd dat de DGA van haar BV af wil: teveel rompslomp, onnodige accountantskosten of onwetende nabestaanden buiten deze materie houden zijn hiervoor terugkomende argumenten. En als er pensioen in eigen beheer in zit, dan kon ontbinding alleen als dat pensioen extern werd afgestort bij een pensioenverzekering. Er zijn meerdere redenen aan te dragen waarom dit in de praktijk tot veel weerstand leidde, ziet Vallura. In ieder geval het onbehaaglijke gevoel van de gemiddelde DGA dat bij ‘jong’ overlijden kapitaal vervalt aan de verzekeraar. Dit nog bovenop de relatief torenhoge commerciële waarde die moest worden afgestort. Vóór 2008 was dit probleem er ook voor lijfrenten die in de BV zaten. Met de invoering van de bancaire lijfrente zijn er steeds meer BV’s ontbonden onder het afstorten van de lijfrente in een bancaire lijfrente. Hierbij is het zo dat bij overlijden het resterende kapitaal gewoon in de nalatenschap valt. Voor pensioenen bleven de oude argumenten bij afstorting in een verzekering overeind en werd nauwelijks tot afstorting in combinatie met ontbinding van de BV overgegaan.

Hinderlijk

Dat in de nieuwe wetgeving het afstorten vóór de ingangsdatum van de ODV moest gebeuren was volgens Vallura om twee redenen hinderlijk. Ten eerste is de termijn van twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd een erg korte termijn waarbinnen de DGA kan onderkennen dat hij de ODV nog kan afstorten. Vermoedelijk zouden in de praktijk hier veel gevalletjes ‘te laat’ zijn ontstaan. De tweede reden is dat de meeste DGA’s in de praktijk pas op latere leeftijd de behoefte krijgen om de BV te ontbinden. En als die ODV dan gewoon is gaan uitkeren, dan zou je als DGA klem zitten en die 20 jaar moeten afwachten.

Ruimte tot verbetering

Kan daarmee de afstorting in de ODV oneindig lang worden uitgesteld? Daar lijkt het volgens Allura niet op: omdat een ODV niet 1 op 1 is gelijkgesteld met een lijfrente, zal de afstorting moeten gebeuren uiterlijk in het kalenderjaar dat de DGA precies 5 jaar AOW heeft ontvangen. Dat is namelijk het uiterlijke moment dat een lijfrente bedongen kan worden. “Een tip voor de staatssecretaris: keur goed dat de feitelijke ingangsdatum van de ODV gezien mag worden als de datum dat de lijfrente is ingegaan en voorkom dat door deze leeftijdsbarrière de DGA ook die laatste 15 jaar onnodig een BV moet aanhouden.”
Het opgebouwde pensioen in eigen beheer omzetten naar een ODV kan nog tot en met 2019.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Lijfrente-expiratie in december 2017: belast in 2017 of 2018?

In de volgende casus expireert een oud-regime-lijfrente van een man op 21 december 2017. Hij wil geen lijfrente aankopen maar de uitkering in één keer opnemen. In welk jaar moet hij belasting betalen?

De man heeft een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule waarop het oude fiscale regime van toepassing is. Eén van de mogelijkheden die het oude fiscale regime biedt, is dat de man de uitkering ook in een keer kan ontvangen. Hij betaalt wel progressief inkomstenbelasting over de uitkering.
Voor het antwoord op de vraag in welk jaar hij belasting moet betalen is het moment van expiratie van belang. Dit is het moment waarop de uitkering – in fiscale termen – “vorderbaar en inbaar” is. Er is pas sprake van “vorderbaar en inbaar” als er aan drie voorwaarden is voldaan:
  1. De expiratiedatum is bereikt;
  2. Het verzoek tot opname ineens is gedaan; en
  3. Alle relevante stukken om tot uitkering over te kunnen gaan zijn door de verzekeraar ontvangen.
Een uitkering is dan in 2017 belast omdat deze vorderbaar en inbaar is. Dat geldt ook als de uitbetaling pas in 2018 plaatsvindt.

Uitzondering

Als de man pas in januari 2018 aangeeft dat hij de uitkering in een keer wenst te ontvangen en/of hij ook dan alle relevante stukken aanlevert, dan is de uitkering belast in 2018. Hijvoldoet namelijk pas in 2018 aan de drie voorwaarden.

Belang voor de praktijk

In december komen van oudsher veel kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule tot uitkering. Het betreft zogenaamde oud fiscaal-regime-lijfrentepolissen tegen betaling van een koopsom van vóór 1 januari 1992 of premiebetalende lijfrentepolissen van vóór 16 oktober 1990. Onder het oude fiscale regime besloten namelijk veel belastingplichtigen pas in december, als de inkomsten van het betreffende jaar bekend waren, of zij nog wat (extra) oudedagsvoorziening en fiscale aftrek wilden realiseren.
Als deze oud-regime-lijfrentepolissen tot uitkering komen, wordt wel overwogen om geen lijfrente aan te kopen maar om de uitkering ineens te genieten. Er is uiteraard wel progressief inkomstenbelasting verschuldigd maar toch kunnen er goede redenen zijn om geen lijfrente aan te kopen. Om fiscale redenen kan het interessant zijn om de afkoopsom nog in 2017 te ontvangen. De praktijk leert echter dat verzekeraars rond de feestdagen niet altijd in staat zijn om de afkoopsom eind december uit te keren, maar pas in januari van het daaropvolgende kalenderjaar.
De hoofdregel is duidelijk: er is sprake van belastbaarheid in het jaar waarin de afkoopsom “vorderbaar en inbaar” is. Het tijdstip van indienen van het afkoopverzoek en alle relevante stukken bepaalt in welk belastingjaar de afkoopsom wordt genoten.
Afhankelijk van de hoogte van het inkomen, kan er ook een bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd zijn over (een deel van) de uitkering. Ook kunnen er effecten zijn voor eventuele toeslagen. Voor de toeslagen geldt namelijk dat deze lager zijn of zelf helemaal vervallen als het inkomen hoger is.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Afkoop pensioen in eigen beheer zonder uitbetaling

Heeft u ervoor gekozen om uw pensioen in eigen beheer af te kopen, dan is deze afkoop belast. Wel profiteert u van een belastingkorting. Hoe hoog die is, hangt af van het afkoopmoment.

Maar wat nu als uw bv de netto afkoopsom niet aan u uitbetaalt maar schuldig blijft? Uit antwoorden van de Belastingdienst blijkt dat deze schuldigerkenning geen effect heeft op het te betalen belastingbedrag bij afkoop.

Afkoop met belastingkorting

Nu het niet langer is toegestaan om pensioen in eigen beheer op te bouwen, heeft u de keuzemogelijkheid om u reeds in eigen beheer opgebouwde pensioen in 2017, 2018 of 2019 tegen de fiscale waarde af te kopen. Deze afkoop is belast, maar u krijgt wel een belastingkorting. In 2017 is dit 34,5%. Er is dan loonheffing verschuldigd over 65,5% van de fiscale waarde van de pensioenaanspraak op 31 december 2015. De waardestijgingen na die datum zijn volledig belast. In 2018 bedraagt de belastingkorting 25% en in 2019 19,5%.

De bv moet over het afkoopbedrag (afkoopwaarde minus de belastingkorting) loonheffing inhouden en afdragen aan de Belastingdienst. Dit afkoopbedrag kwalificeert als loon uit vroegere dienstbetrekking. Bovendien moet uw bv de netto afkoopsom aan u uitbetalen.

Schuldigerkenning

Stel nu dat de bv niet voldoende financiële middelen heeft en daarom deze afkoopsom aan u schuldig blijft. U krijgt dan een vordering op uw bv. Gezien de financiële situatie is deze vordering lager dan de nominale waarde van de netto afkoopsom. Dat roept de vraag op of voor de berekening van de verschuldigde loonheffing bij afkoop mag worden uitgegaan van deze lagere waarde. Het antwoord is nee. De lagere waarde is niet van invloed op de verschuldigde belasting. Er moet gewoon loonheffing worden ingehouden en afgedragen over de afkoopwaarde van de pensioenaanspraak minus de belastingkorting, ongeacht de beperkte financiële middelen van de bv.

(Bron: HLB)

CAP verduidelijkt oprenting oudedagsverplichting in de BV

Volgens de wettekst wordt de oudedagsverplichting (ODV) jaarlijks verhoogd met het wettelijk vastgestelde percentage. In de praktijk was onduidelijk hoe men de rente moest bepalen wanneer een dga in de loop van het jaar zijn pensioenaanspraak had omgezet in een ODV en hoe men de rente moest bepalen bij het ingaan van de uitkeringen in de loop van het jaar.

Ook was niet duidelijk hoe men de rente moest bepalen  in voornoemde situaties voor de fiscale winstbepaling. In een Vraag & Antwoordbesluit van 29 september 2017 (V&A 17-027) heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst (CAP) een handreiking gegeven om de oprenting in diverse situaties te bepalen.

Gewogen gemiddeldes

Uitgangspunt is de jaarlijkse oprenting op de omzettingsverjaardag. Bij omzetting van het pensioen in eigen beheer  in een ODV op 1 juli 2017, is de eerste omzettingsverjaardag 1 juli 2018. Bij het bepalen van de oprenting moet men uitgaan van de gewogen gemiddeldes van de rente voor de jaren 2017 en 2018. Voor de fiscale winstberekening per 31 december 2017 kan men de tijdsevenredige wettelijke rente voor 2017 nemen gedurende de maanden juli tot en met december 2017.

Als de uitkeringen bijvoorbeeld ingaan op 1 maart 2019, moet eerst de rente berekend worden vanaf de laatste omzettingsverjaardag, 1 juli 2018, tot 1 maart 2019. Hiervoor geldt dat men moet uitgaan van het gewogen gemiddelde van de rente voor 2018 en 2019.

Voor de fiscale winstberekening over het jaar 2019 moet er nog een aanvullende renteberekening plaatsvinden vanaf 1 januari 2019 tot 1 maart 2019.

Bij het ingaan van de uitkeringen, moet het ODV saldo op de uitkeringsverjaardag worden opgerent. Stel dat 1 maart 2019 de uitkeringen zijn ingegaan, dan is de eerste uitkeringsverjaardag 1 maart 2020. De grondslag voor de oprenting is de stand van de ODV per 1 maart 2019 minus de na die datum vervallen termijnen.

Als de oprenting niet op de balansdatum plaatsvindt, kan het deel van de eerstvolgende oprenting dat betrekking heeft op de periode tot (fiscale) balansdatum, bij het bepalen van de fiscale winst van het betreffende boekjaar in aanmerking worden genomen door op de fiscale eindbalans een transitorische passiefpost op te nemen.

(Bron: Taxence)

Stamrecht waaruit geen uitkeringen vloeien is prijsgegeven

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de stamrechtaanspraak terecht tot het loon heeft gerekend. Aangezien geen stamrechtuitkeringen zijn gedaan, is de aanspraak prijsgegeven, en moet de aanspraak tot het loon worden gerekend.

Belanghebbende, X, heeft een stamrecht-bv (B bv). X geniet tot 2007 uitkeringen van B bv. De uitkeringen worden als loon uit dienstbetrekking aangegeven. De bv brengt de uitkeringen als loon ten laste van haar winst. In 2007 wordt X 65 jaar. X laat in dat jaar een pensioenkapitaal van € 630.000 aan B bv overdragen. B bv brengt de uitkeringen aan X in 2007 ten laste van de pensioenvoorziening. Er zijn geen uitkeringen ten laste van de stamrechtvoorziening gebracht. In 2012 legt de inspecteur een IB-navorderingsaanslag aan X op over 2007. Hij verhoogt het inkomen van X met de waarde van de stamrechtaanspraak. Volgens de inspecteur moet de waarde van de stamrechtaanspraak namelijk op grond van art. 3.82 Wet IB 2001 juncto art. 19b Wet LB 1964 tot het loon worden gerekend. X is het hier niet mee eens. In eerste instantie is in geschil of de inspecteur beschikt over een voor navordering noodzakelijk nieuw feit. Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit en vernietigt de navorderingsaanslag. De staatssecretaris gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van een ambtelijk verzuim. De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar Hof Amsterdam om de geschilpunten waaraan Hof Den Haag niet is toegekomen te behandelen.

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de stamrechtaanspraak terecht tot het loon heeft gerekend. Volgens het hof maakt X namelijk niet aannemelijk dat vóor 2007 stamrechtuitkeringen zijn gedaan. Aangezien ook vanaf 2007, afgezien van een uitkering van € 5950, geen stamrechtuitkeringen zijn gedaan, heeft X volgens het hof zijn aanspraak prijsgegeven, en moet de aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking worden gerekend op het onmiddellijk aan dat prijsgeven voorafgegane tijdstip. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Belastingdienst benadeelt dga’s met onbepaald extern verzekerd pensioendeel

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst (CAP) zadelt veel dga’s met een onbepaald extern verzekerd pensioendeel op met een sanctie als dit deel tot uitkering komt. Valt de pensioenuitkering uit die verzekering lager uit dan eerder vastgesteld dan zou de bv het tekort niet vanuit eigen beheer mogen compenseren. Dat klopt niet, zegt Bas Kortenbach van Next Level Pensioenadvies uit Den Haag. “Het CAP zadelt dga’s op met allerlei extra handelingen om aan die sanctiebepaling te ontkomen terwijl het overgangsrecht hierop van toepassing hoort te zijn. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?”

Handreiking

Nu pensioenopbouw in eigen beheer is gestopt, levert het extern verzekerde pensioendeel heel wat kopzorgen op. Dat de materie verre van eenvoudig is, blijkt uit de vele Kamervragen en de onlangs verschenen handreiking hierover van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst. Die handreiking – de versie van 30 juni is inmiddels al weer vervangen door een nieuwe versie van 7 juli − is speciaal geschreven voor de situatie dat het in eigen beheer verzekerde pensioen na de coulancetermijn (tot 1 juli 2017) wordt gehandhaafd en het extern verzekerde pensioen niet binnen die termijn naar eigen beheer is overgedragen.

Kwestie van vaststellen

Het probleem vangt direct aan bij de door het CAP voorgeschreven splitsing van pensioenen. Voor het einde van de coulancetermijn (1 juli 2017), moet de hoogte van de pensioenaanspraak in eigen beheer zijn vastgesteld rekening houdend met het extern verzekerde deel.
Die herleiding is volgens het CAP nodig omdat daarmee de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak kan worden vastgesteld waarop het overgangsrecht van toepassing is. Dit is het verschil tussen de totale opgebouwde pensioenaanspraak per 1 juli en de herleide extern verzekerde uitkering. Kortenbach: “Het CAP geeft zelf aan dat het extern verzekerde pensioen en het in eigen beheer gehouden pensioen communicerende vaten zijn en dat pas op het moment dat het verzekerde kapitaal wordt omgezet in een pensioenuitkering, komt vast te staan welk deel van de pensioenaanspraken uiteindelijk wordt verzekerd door de eigenbeheer-bv. Desondanks eist het CAP nu een vaststelling van wat er straks aan uitkering volgt uit de pensioenpolis. Dat is onmogelijk! Pas op pensioendatum ontstaat duidelijkheid welk deel van het pensioen wordt gedekt door de externe verzekeringspolis en welk deel door de eigenbeheer-bv zelf. Het heet niet voor niets een onbepaald verzekerd pensioendeel. Je kunt dus wel een inschatting maken van de in de toekomst te ontvangen pensioenuitkeringen uit het elders verzekerd deel, maar dit nu al vaststellen is onmogelijk. Niemand kan immers in de toekomst kijken.”

Risicovolle herleiding

Die herleiding is behoorlijk risicovol. Het kan goed zijn dat de uiteindelijk op pensioendatum te ontvangen externe pensioenuitkering lager zal zijn dan de nu herleide uitkering. Dit risico kan volgens het CAP worden beperkt door voor de herleiding uit te gaan van actuele tarieven van verzekeringsmaatschappijen. “Desondanks kan de uiteindelijke pensioenuitkering uit de externe pensioenverzekering lager uitvallen,” geeft Kortenbach aan. “Het CAP geeft dan als optie dat de dga genoegen kan nemen met een lager pensioen. Die optie kan volgens mij niet omdat de pensioenovereenkomst (die nota bene meestal is goedgekeurd door het CAP zelf) geen ruimte biedt voor een verlaging van de pensioenuitkering. Neemt de dga ondanks dat genoegen met een lagere pensioenuitkering dan is dit naar mijn mening een prijsgeven van pensioen waarop de strafheffing – een sanctie van maximaal 52% loonheffing en 20% revisierente over de economische waarde van de gehele pensioenaanspraak – staat.”
Kortenbach vervolgt: “De eigenbeheer-bv is overigens op grond van de pensioenovereenkomst verplicht het tekort, doordat het verzekerd pensioen lager uitvalt dan verwacht, aan te vullen tot de toegezegde pensioenaanspraak. Sla je de handreiking erop na, dan kan er echter vanuit eigen beheer geen extra aanvulling op de pensioenuitkeringen meer plaatsvinden. Dit valt volgens het CAP namelijk niet onder het overgangsrecht. Vult de eigen beheer-bv wel aan dan betekent die visie van het CAP eveneens een confrontatie met de strafheffing. Om dit te voorkomen stelt het CAP voor dat de verplichte aanvulling moet plaatsvinden door een extra premie- of koopsomstorting in de polis, zodat het totaal van de toegezegde pensioenaanspraken verzekerd blijft. Daarmee zadelt het CAP dga’s op met allerlei extra handelingen. Voor de extra premie- of koopsomstorting zal veelal een nieuwe polis moeten worden afgesloten, want veel bestaande polissen zijn al premievrij gemaakt. Ik ben benieuwd naar de wettelijke grondslag voor deze hele rekenexercitie. Het CAP geeft daar in ieder geval in de handreiking geen duidelijkheid over.”

Overgangsrecht

Kortenbach is ervan overtuigd dat het overgangsrecht hierop gewoon van toepassing is. “Als de eigenbeheer-bv het pensioen moet aanvullen, dan komt dat voort uit de reeds op 31 december 2016 bestaande (en meestal door het CAP goedgekeurde!) toezeggingen in eigen beheer. Het feit dat uit de verzekeringspolis op pensioendatum wellicht minder uitkering komt en de eigenbeheer-bv in dat geval extra moet bijdragen vloeit rechtstreeks voort uit die bestaande afspraken. Omdat dit stelsel van rechten en verplichtingen bij een onbepaald verzekerd pensioendeel al bestond op 31 december 2016 valt een dergelijke verschuiving binnen dit stelsel onder het overgangsrecht. Als het inderdaad de bedoeling van het overgangsrecht is dat de dga met een lager pensioen komt te zitten als gevolg van een tegenvallend pensioen uit de polis, dan vereist dit een goedkeurend beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën. Zonder een goedkeuring is immers de strafheffing van toepassing bij het prijsgeven van pensioenrechten door de dga. Dat zal toch niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.”
(Bron: Taxlive)

Kan extern verzekerd pensioen partner naar eigen beheer?

Tot 1 januari 1995 kon de partner van de dga, zonder aandelen in de vennootschap, bij de B.V. pensioen opbouwen. Dit is vanaf voornoemde datum niet meer mogelijk. Heeft een partner het tot 1 januari 1995 opgebouwde pensioen verzekerd bij een verzekeringsmaatschappij? Dan is het niet meer mogelijk dit naar de eigen B.V. over te hevelen.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst heeft haar mening gegeven in V(raag) & A(ntwoord) 17-033 van 28 juni 2017. Het CAP geeft aan dat vanaf 1 januari 1995 een B.V. geen toegelaten verzekeraar is voor een pensioen als de gerechtigde niet tenminste 10% van de aandelen in bezit heeft. Het is daarom niet mogelijk om een extern verzekerd partnerpensioen naar eigen beheer over te hevelen.

(Bron: Taxence)

Waardering verplichting partnerpensioen in eigen beheer na echtscheiding

Hoe vindt de waardering van een in eigen beheer gehouden verplichting voor het uitkeren van een partnerpensioen plaats indien er geen aanwijsbare partner is die in aanmerking komt voor de uitkeringen van het partnerpensioen?

Het antwoord op deze vraag heeft de Belastingdienst onlangs op de Belastingdienstpensioensite geplaatst:

Het ontbreken van een aanwijsbare (volgende) partner die in aanmerking kan komen voor de uitkeringen van het partnerpensioen levert problemen op voor het waarderen van de verplichting van de BV tot het uitkeren van een partnerpensioen. Er is immers geen partner die als maatstaf kan dienen voor de waardering van die partnerpensioenverplichting.

In de praktijk wordt in dergelijke situaties veelal de aanspraak op partnerpensioen (al dan niet tijdelijk) omgezet in een aanspraak op hoger ouderdomspensioen. Op het moment dat er weer een (voor partnerpensioen kwalificerende) partner is, kan het extra ouderdomspensioen door middel van ruil weer worden gebruikt voor een partnerpensioen ten behoeve van de nieuwe partner.

Het is ook mogelijk om – zolang geen sprake is van een aanwijsbare partner – in de hiervoor beschreven situaties de partnerpensioenverplichting op de fiscale balans te waarderen op basis van een fictieve partner met de geboortedatum en het geslacht van de ex-partner. Vanaf het moment dat er weer een partner is die aanspraak kan maken op de uitkeringen van het partnerpensioen, moet de waardering van het partnerpensioenverplichting weer plaatsvinden aan de hand van de gegevens van die partner.

Indien uiterlijk op de pensioeningangsdatum nog geen sprake is van een voor het partnerpensioen kwalificerende partner, zal de DGA de aanspraak op partnerpensioen alsnog moeten uitruilen in een hogere aanspraak op ouderdomspensioen. Voor deze uitruil zal voor het partnerpensioen moeten worden uitgegaan van een waarde die is gebaseerd op een fictieve partner met de geboortedatum en het geslacht van de ex-partner. Zonder een tijdige uitruil naar het ouderdomspensioen ziet de DGA feitelijk af van de aanspraak op partnerpensioen. Indien geen sprake is van prijsgeven van een niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB of van prijsgeven van een pensioenaanspraak op het ingangstijdstip van het pensioen in verband met de vermogenspositie van de verzekeraar als bedoeld in artikel 19b, achtste lid, Wet LB, wordt de waarde van de pensioenaanspraak in dat geval op grond van artikel 19b Wet LB direct volledig in de belastingheffing betrokken en is de DGA revisierente verschuldigd.

(Bron: Belastingdienstpensioensite)