Is de btw op aanschaf zonnepanelen tijdig aangevraagd?

Heeft u in het verleden zonnepanelen aangeschaft, maar geen btw teruggevraagd? Dan biedt een recente uitspraak van de Hoge Raad mogelijk uitkomst.

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad beslist dat het tijdig verzoeken om uitreiking van een btw-aangifte alleen verplicht is als btw moet worden betaald. Dit verzoek moet uiterlijk worden gedaan binnen één maand na afloop van de aangifteperiode (maand of kwartaal) waarover de btw is verschuldigd. Volgt uit de aangifte echter een teruggave, dan geldt die termijn van een maand niet, en kan ook later nog worden verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet. Als de aangifte vervolgens binnen de door de inspecteur gestelde termijn wordt ingediend, is het verzoek om teruggave op tijd gedaan.

Het arrest van de Hoge Raad is van belang voor alle startende ondernemers die te laat hebben verzocht om uitreiking van een aangifte omzetbelasting waaruit een teruggave zou volgen. Zij kunnen alsnog een verzoek om teruggave van btw doen. Dit geldt ook voor particulieren die de omzetbelasting op hun zonnepanelen nog niet hebben teruggevraagd. De Belastingdienst heeft voor deze groep een apart aanvraagformulier ter beschikking gesteld.

In geval van een verzoek om teruggave, is er geen wettelijke termijn voor het verzoek om uitreiking van een aangifte, aldus de Hoge Raad. Toch geeft de Belastingdienst wel een termijn van vijf jaar mee aan het teruggaveverzoek. Heeft u de zonnepanelen in 2013 aangeschaft, dan moet u dat verzoek (volgens de Belastingdienst) uiterlijk in 2018 doen.

(Bron: RB)

Btw op vooruitbetalingsfactuur en fraude?

erricht een ondernemer een vooruitbetaling aan een leverancier? En handelt de leverancier frauduleus en is het onzeker of de vooruitbetaalde goederen worden geleverd? Dan is het in overeenstemming met de btw-richtlijn dat de ondernemer recht op btw-aftrek heeft volgens A-G Wahl. Met een reactie van mr. Carola van Vilsteren.

In twee gevoegde procedures voor het Hof van Justitie EU (HvJ) was sprake van ondernemers die een blokverwarmingscentrale bestelden en van de leverancier een vooruitbetalingsfactuur ontvingen. Zij betaalden de leverancier en vroegen de omzetbelasting terug. Wanneer de blokverwarmingscentrale geleverd zou worden, was niet bekend. Uiteindelijk leverde de leverancier de blokverwarmingscentrale niet. De leverancier werd strafrechtelijk veroordeeld. De Duitse belastingdienst accepteerde de gevraagde teruggave vanwege de betaalde facturen voor de blokverwarmingscentrale niet. De hoogste federale rechter in belastingzaken in Duitsland heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. De eerste vraag was de vraag hoe dat in het kader van de btw-richtlijn moet worden bepaald of een ondernemer recht heeft de in rekening gebrachte btw in aftrek te brengen in een geval waarin onzeker is of vooruitbetaalde goederen worden geleverd. Advocaat-Generaal (A-G) N. Wahl heeft het HvJ geadviseerd als volgt te beslissen. Als een ondernemer een vooruitbetaling heeft gedaan voor goederen of diensten die uiteindelijk niet worden geleverd, de ondernemer recht heeft op aftrek als hij onwetend was dat de leverancier niet de bedoeling had om de overeenkomst na te leven.

 

Herziening aftrek afhankelijk van terugbetaling vooruitbetaalde factuur

De tweede prejudiciële vraag betrof de vraag of een nationale wettelijke regeling die een herziening van de aftrek vereist en deze afhankelijk stelt van de terugbetaling van de vooruitbetaling in strijd is met de richtlijn. De A-G heeft het HvJ geadviseerd te beslissen dat dit niet het geval is. Een nationale regeling mag herziening van de aftrek van voorbelasting afhankelijk stellen van een door de leverancier aan de afnemer betaalde vergoeding.

 

Reactie mr. Carola van Vilsteren

Taxence vroeg Carola van Vilsteren, fiscalist bij Van Vilsteren BTW advies B.V. om een reactie:

‘Zoals inmiddels vaker staat het recht op aftrek van btw in een kwestie die riekt naar fraude in de spotlights van het Europese Hof. De btw op vooruitbetalingsfacturen die niet gestoeld zijn op een overeenkomst tot het verrichten van een prestatie is niet aftrekbaar, zoveel is wel duidelijk. In het grijze gebied waarin wel sprake is van een overeenkomst maar de prestatie uiteindelijk niet geleverd wordt neemt de Advocaat Generaal de ter goeder trouw handelende afnemer terecht in bescherming. Er van uitgaande dat het Hof de conclusie volgt is er een praktisch arrest beschikbaar wat gebruikt kan worden bij een eventuele discussie over recht op aftrek van btw bij vooruitbetalingen.’

(Bron: Taxlive)

Hof oordeelt voor het eerst over gebruikelijkheidstoets in de werkkostenregeling

Voor het eerst sinds de invoering van het gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling heeft een gerechtshof er uitspraak over gedaan. Voor de werkgever pakt deze uitspraak ongunstig uit: hij moet fikse naheffingsaanslagen betalen over aandelenopties die hij aan werknemers verstrekte.

Sinds de invoering van de werkkostenregeling (WKR) speelt de gebruikelijkheidstoets (tool)een belangrijke rol. Die houdt namelijk in dat alleen vergoedingen en verstrekkingen waarvan het gebruikelijk is dat ze worden ondergebracht in de vrije ruimte (e-learning), daadwerkelijk als zulk eindheffingsloon mogen worden aangemerkt. In 2016 oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat een werkgever aandelenopties zonder verder bewijs mocht onderbrengen in die vrije ruimte. Het gerechtshof oordeelde onlangs echter anders.

Niet voldaan aan uitgangspunt WKR

De waarde van de aandelenopties in deze zaak was veel hoger dan € 2.400. Volgens de rechtbank was alleen die hoge waarde niet voldoende bewijs dat het onderbrengen ervan in de vrije ruimteongebruikelijk was. De Belastingdienst ging in hoger beroep en kreeg van het hof wel gelijk: er was sprake van oneigenlijk gebruik van de vrije ruimte. Dat was volgens het hof het geval, omdat er niet voldaan werd aan het uitgangspunt van de WKR dat blijkt uit de wetsgeschiedenis. Dat uitgangspunt is dat het moet gaan om vergoedingen en verstrekkingen met een acceptabele omvang die naar algemeen maatschappelijke opvattingen (deels) onbelast kunnen blijven.

Bijna een ton aan naheffingsaanslagen

In deze zaak ging het echter om aandelenopties met een hoge waarde die aan een heel select groepje werknemers werden uitgedeeld. Deze aandelenopties waren geen vergoeding voor kosten die door de werknemer zijn gemaakt, maar zuiver loon. Dat maakte volgens het hof dat de aandelen niet ondergebracht mochten worden in de vrije ruimte. De Belastingdienst had dus voldoende aannemelijk gemaakt dat het ging om oneigenlijk gebruik van de vrije ruimte en de werkgever moest ongeveer € 100.000 aan naheffingsaanslagen  alsnog betalen.

(Bron: Rendement)

Kan premievrije pensioenopbouw de transitievergoeding vervangen?

Een werkgever hoeft bij ontslag geen transitievergoeding te betalen als in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Of zo’n cao-bepaling te gebruiken is, blijkt af te hangen van haar geschiedenis.

Een werknemer die na een dienstverband van twee jaar of langer uit dienst treedt, heeft recht op de transitievergoeding. In de cao kan een vervangende voorziening voor deze transitievergoeding worden opgenomen. Zo’n voorziening moet minimaal gelijkwaardig zijn aan de transitievergoeding (al wil het kabinet voor bedrijfseconomisch ontslag de gelijkwaardigheidseis laten vervallen). In een recente zaak stond dit ter discussie.

Geen recht op transitievergoeding volgens cao

Een werkneemster was volledig arbeidsongeschikt geraakt en kreeg daarom een IVA-uitkering. UWV kende daarna de werkgever een ontslagvergunning toe. De werkneemster ontving echter geen transitievergoeding. In de cao voor de periode 2015-2017 was namelijk bepaald dat als een arbeidsovereenkomst eindigde vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, de werknemer in aanmerking kwam voor een arbeidsongeschiktheidspensioen als aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor een premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen. Deze aanspraken merkte de cao aan als gelijkwaardige vervanger van de transitievergoeding. De werkneemster was het daar niet mee eens en startte een rechtszaak.

Cao-voorziening kan transitievergoeding niet vervangen

De kantonrechter gaf de werkgever gelijk, maar in hoger beroep oordeelde het hof dat de werkgever toch de portemonnee moest trekken voor een transitievergoeding. Het hof stelde vast dat de voorziening ook al ruim vóór de invoering van de transitievergoeding van de Wet werk en zekerheid was opgenomen in de cao. Met deze voorziening kan vóór 1 juli 2015 niet zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen, want die bestond toen nog niet. De premievrije voortzetting van de pensioenopbouw kon niet later ‘het equivalent vormen’ van de wettelijke regeling voor de transitievergoeding. De werknemer kreeg alsnog de transitievergoeding van € 24.673 uitbetaald.

(Bron: Rendement)

Aanpassing eigenwoningverleden bij partners

De Staatssecretaris van Financiën keurt goed dat partners die gezamenlijk voor elk de helft een eigen woning kopen en voor elk de helft de eigenwoningschuld aangaan, niet te maken krijgen met een niet-beoogde beperking van de aftrekbare eigenwoningrente.

De Staatssecretaris van Financiën vindt het ongewenst dat partners van wie tenminste één voorafgaand aan de gezamenlijke aankoop van de eigen woning een eigenwoningverleden heeft, worden geconfronteerd met een niet-beoogde beperking van de renteaftrek. Die niet beoogde beperking van de renteaftrek kan het gevolg zijn van een bestaande eigenwoningreserve (EWR) of het niet volledig kunnen voortzetten van een bestaande eigenwoningschuld (BEWS). Daarom keurt hij onder bepaalde voorwaarden goed dat het eigenwoningverleden van beide partners bij helfte wordt verdeeld over beide partners om daarna de individuele eigenwoningschuld (EWS) en het eigenwoningverleden te bepalen. De goedkeuring geldt vanaf belastingjaar 2013.

Eén van de voorwaarden is dat de partners de eigen woning aankopen in een 50%-50%-verhouding en de schuld voor de financiering van de woning eveneens in een 50%-50%-verhouding aangaan.

In het geval zich een andere situatie voordoet dan de 50%-50% eigendomsverhouding en schuldverhouding kunnen de partners zich gezamenlijk wenden tot de Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Team Brieven en Beleidsbesluiten. Dan zal de staatssecretaris beoordelen of er in die situaties ook sprake is van een niet-beoogde beperking van de aftrek van eigenwoningrente.

(Bron: Taxlive)

Is de onderneming wel volledig gestaakt?

Een ondernemer voor de inkomstenbelasting die stopt met zijn bedrijf, ontvangt geen winst uit onderneming meer en zijn recht op ondernemersaftrek vervalt. Maar dan moet een onderneming wel daadwerkelijk gestaakt zijn, anders vangt de inspecteur bot bij de rechter.

In dit recent gepubliceerde vonnis van het gerechtshof in Den Bosch draaide het om een echtpaar dat samen een administratie- en belastingadvieskantoor runde. Zij hadden daarvoor een vennootschap onder firma opgezet. In 2010 besloten ze een groot deel van het klantenbestand en een deel van de inventaris te verkopen aan een andere partij. Bij de vof bleven nog 13 klanten achter en ook wat meubels, computers, een printer en een bedrijfsauto.

Inspecteur corrigeert aangifte inkomstenbelasting

Bij de verkoop sprak het echtpaar af dat zij nog vijf jaar verbonden bleven aan de onderneming. De definitieve verkoopprijs zou ook pas na die vijf jaar bepaald worden, aan de hand van de gerealiseerde omzet over die periode. Bij de verkoop werden twee lijfrentes afgesloten voor de man en de vrouw, elk ter waarde van ruim een ton. De inspecteur corrigeerde de aangifte inkomstenbelasting over 2010, omdat hij van mening was dat de onderneming volledig gestaakt was. En dus genoten de vennoten geen winst uit onderneming meer, maar moesten de inkomsten onder ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ vallen.

Rechter schroeft belastbaar inkomen flink terug

Voor de rechter was het de vraag of de onderneming volledig gestaakt was of niet. Het gerechtshof concludeerde dat er alleen sprake was van gedeeltelijke staking, en dat de inkomsten dus nog steeds onder de winst uit onderneming vielen. De vennoten liepen ook na de verkoop nog ondernemersrisico, want de verkoopprijs kon nog lager uitvallen als de omzet zou tegenvallen. Ook was niet álles van de onderneming verkocht: er bleven nog klanten en spullen achter bij de vof.
Ook voor wat betreft de aftrek van de lijfrente oordeelde het hof in het voordeel van de vennoten. In tegenstelling tot wat de inspecteur vond, mocht die lijfrente voor het volledige bedrag worden afgetrokken. Al met al resulteerde nog een belastbaar inkomen van iets meer dan € 45.000 voor de man. Minder dan de helft dus dan de dik € 112.000 die de inspecteur in aanmerking wilde nemen. Voor de vrouw gold dezelfde conclusie.

(Bron: Rendement.nl)

Burgers onvoldoende beschermd tegen computerbesluiten overheid

De overheid gebruikt computers voor het nemen van besluiten. Vaak gaat het daarbij om geld, zoals het verlenen van kinderbijslag, de AOW, toeslagen, het opleggen van motorrijtuigenbelasting of de aanslag inkomstenbelasting. Maar hoe die besluiten precies genomen worden, is niet duidelijk. Bovendien leunen overheden ook op elkaars computerbesluiten. De burger is daardoor onvoldoende juridisch beschermd, blijkt uit promotie-onderzoek van Marlies van Eck.

Wat gebeurt er precies bij geautomatiseerde besluiten van de overheid en wat betekent deze praktijk voor de burger die te maken krijgt met zo’n besluit? Is het voldoende dat burgers in bezwaar kunnen gaan tegen een besluit als er iets fout gaat en daarna naar de rechter kunnen stappen? Dat onderzocht de promovenda Marlies van Eck. Zij promoveert op 9 februari aan Tilburg University.

Voordelen

Van Eck concludeert op basis van het onderzoek dat de inzet van technologie bij het nemen van besluiten wel degelijk voordelen heeft voor burgers. Het verzamelen van alle gegevens vindt zorgvuldig plaats. Ook krijgen mensen vaak van tevoren te zien welke gegevens de overheid heeft, wat de transparantie ten goede komt. Een ander voordeel is dat de computer alle gelijke gevallen ook echt gelijk behandelt.

Beslisregels onzichtbaar

Maar er zijn ook nadelen. De instructies aan de computer (de beslisregels en de algoritmen) zijn niet beschikbaar voor de personen die het besluit krijgen. Ook zijn er geen onafhankelijke instanties die deze instructies controleren op juistheid. In een rechtszaak over het besluit kan de rechter dus niet controleren of de overheid de wet goed interpreteert. Bovendien blijven aannames die de programmeur heeft gehad onzichtbaar. Als niet precies duidelijk is waarom de computer een besluit neemt, weet niemand of het besluit eigenlijk wel juist is.

Besluiten aan elkaar gelinkt

Een ander nadeel is dat de overheidsorganen zwaar op elkaar leunen bij het nemen van computerbesluiten. Een besluit van het ene overheidsorgaan werkt door in het besluit van een ander overheidsorgaan. Maar als er iets fout gaat, is het voor de burger erg lastig om de fouten die al verspreid zijn, te herstellen. Zeker als het met terugwerkende kracht verbeterd moet worden, is dit voor de systemen moeilijk. Dit betekent dat de burger niet altijd de juridische bescherming krijgt waar hij recht op heeft.

Aanbevelingen

Van Eck doet een aantal voorstellen om de bescherming van burgers te verbeteren. Zij stelt voor dat iedereen met problemen met computerbesluiten een ‘loods’ krijgt: een ambtenaar die gaat helpen het probleem op te lossen. Op deze manier ligt de last van de gespecialiseerde en ingewikkelde uitvoering weer bij de overheid in plaats van bij de burger. Daarnaast moeten de instructies aan de computer niet alleen openbaar en toegankelijk worden, maar ook te begrijpen zijn door mensen die geen verstand hebben van programmeren en zeker door rechters.

Promotie

Mr. Marlies van Eck promoveert op vrijdag 9 februari om 10:00 uur in de aula van Tilburg University. Titel proefschrift: Geautomatiseerde ketenbesluiten & rechtsbescherming. Een onderzoek naar de praktijk van geautomatiseerde ketenbesluiten over een financieel belang in relatie tot rechtsbescherming.

[ Bron: Tilburg University ]

Het verschil: maximumdagloon en maximumpremieloon

Elke werkgever moet bij het bepalen van de te betalen werkgeversheffing Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekeringen rekening houden met een maximumloon. Ook UWV hanteert een maximumloon voor de hoogte van uitkeringen. Deze bedragen zijn echter nét niet hetzelfde…

Voor werknemers die een UWV-uitkering krijgen, bijvoorbeeld bij werkloosheid (WW), ziekte (ZW), arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA) of vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof (WAZO), hangt de hoogte van die uitkering af van het type uitkering en van het loon dat de werknemer verdiende vóór hij die uitkering kreeg. UWV hanteert hierbij wel een bovengrens. De uitkeringsinstantie betaalt namelijk nooit méér uit dan het zogeheten maximumdagloon, dat voor de eerste helft van 2018 € 209,26 bedraagt. Op jaarbasis is dat € 54.616,86.

Nooit meer afdragen dan over het maximumpremieloon

Dit bedrag lijkt – niet toevallig – op het maximumpremieloon dat de werkgever moet hanteren bij het bepalen van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen. De werkgever hoeft via de loonaangifte maar premies te betalen over het loon van de werknemer tot deze bovengrens. Het maximumpremieloon bedraagt in 2018 € 54.614. Exact dezelfde regels en maximumbedragen gelden voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW).

Verschillend aantal werkdagen als uitgangspunt

Ook al is het jaarbedrag voor het maximumbijdrage- en -premieloon een kleine € 3 lager dan het maximumdagloon dat UWV aanhoudt, toch is het op dagbasis net iets hoger. In 2018 bedraagt het maximumpremieloon namelijk € 210,05. Dit komt voort uit een verschillend aantal werkdagen waarmee gerekend wordt. Voor het maximumpremie- en -bijdrageloon wordt gerekend met 260 werkdagen per jaar en voor het maximumdagloon met 261 werkdagen.
Een tweede verschil is dat het maximumdagloon altijd per 1 januari en 1 juli wordt aangepast aan de stijging van het wettelijk minimumloon, terwijl het maximumpremieloon alleen met ingang van een nieuw kalenderjaar opnieuw wordt bepaald.

(Bron: Rendement)

Geen fiscale partners dus geen bezwaar en beroep mogelijk tegen aanslag van vroegere echtgenote

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X tegen de aanslag IB ten name van zijn vroegere echtgenote, die in het desbetreffende jaar geen fiscale partner was, geen bezwaar kan maken. De inspecteur heeft het bezwaar van X terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende X meent over het jaar 2002 recht te hebben op 100% aftrek van de eigenwoningrente terwijl hij maar recht heeft op 50% aftrek. De inspecteur en de rechtbank stellen X niet in het gelijk. Vervolgens gaat X op 20 augustus 2014 in bezwaar tegen de aan zijn vroegere echtgenote Y opgelegde aanslag IB 2002. De inspecteur verklaart zijn bezwaar op 27 januari 2016 niet-ontvankelijk. X gaat in beroep. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X en Y in 2002 niet elkaars fiscaal partner waren, omdat zij al vanaf eind 2000 duurzaam gescheiden leven. De rechtbank oordeelt dat door de regels voor fiscaal partnerschap de negatieve inkomsten uit eigen woning van X niet zijn begrepen in de aanslag van zijn vroegere echtgenote Y. Volgens de rechtbank heeft Y alleen aangifte kunnen doen van haar eigen inkomens- en vermogensbestanddelen, zodat X geen beroep kan instellen tegen de aanslag van Y.

Hof Arnhem-Leeuwarden is het daarmee eens. X kwalificeert noch als belanghebbende, noch als medebelanghebbende ten aanzien van de aan Y opgelegde aanslag. Hij heeft niet het recht van beroep. Omdat het recht van bezwaar uitsluitend openstaat aan degene aan wie het recht is toegekend om beroep in te stellen, heeft de inspecteur het bezwaar van X terecht niet-ontvankelijk verklaard.

(Bron: Taxlive)

Inkomensverklaring voor huurverhoging toegestaan

De verwerking van inkomensgegevens door de Belastingdienst en woningcorporaties ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhoging is niet in strijd met het recht op privacy. De wet bevat namelijk (vanaf 1 maart 2016) een expliciete wettelijke verplichting voor de Belastingdienst voor het op verzoek van de verhuurder verstrekken van de inkomensverklaring.

 

Verhuurders van sociale huurwoningen hebben de mogelijkheid om de huurprijs jaarlijks extra te verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage om zo ‘scheefwonen’ tegen te gaan. In de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 moest bij een voorstel voor een dergelijke huurverhoging een door de inspecteur op verzoek van de verhuurder afgegeven verklaring worden gevoegd. Op 3 februari 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat de inspecteur niet verplicht is om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder. Met ingang van 1 maart 2016 is daarom in de wet een expliciete wettelijke verplichting opgenomen voor het verstrekken van de inkomensverklaring op verzoek van de verhuurder.

 

In een procedure voor Rechtbank Den Haag stelt de Woonbond, een belangenorganisatie voor huurders, dat de verwerking van persoonsgegevens door de inspecteur en verhuurders onrechtmatig is en (ondermeer) in strijd met de geheimhoudingsplicht en het recht op privacy. De Woonbond vordert dat wordt vastgesteld dat de huurders het inkomensafhankelijke deel van de huursom onverschuldigd hebben betaald. Rechtbank Den Haag oordeelt dat nu de verplichting om dergelijke inkomensverklaringen verklaringen expliciet in de wet is opgenomen de woningcorporatie er vanuit mag gaan dat de inkomensverklaringen – die zij van de in de wet daartoe aangewezen inspecteur verkreeg – rechtmatig waren verstrekt en dat zij deze kon gebruiken voor het voorstellen en doorvoeren van een inkomensafhankelijke huurverhoging. Het gebruik van deze inkomensverklaringen door de woningcorporatie was daarom niet onrechtmatig.

(Bron: PKF Wallast)