Kleineondernemersregeling btw verandert vanaf 2020

Vanaf 1 januari 2020 gaat de vernieuwde kleineondernemersregeling (KOR) in. Het is dan mogelijk om te kiezen voor een vrijstelling van de btw-plicht. Het is niet voor iedereen mogelijk om in aanmerking te komen voor de nieuwe KOR. De omzet mag namelijk niet meer dan € 20.000 per kalenderjaar bedragen.

Welke gevolgen heeft dit voor u als ondernemer, wanneer u kiest voor de vrijstelling:

  • U brengt geen btw meer in rekening bij uw klanten;
  • U kunt de btw die andere ondernemers bij u in rekening brengen, niet meer aftrekken of terugvragen van de Belastingdienst;
  • U doet geen btw-aangifte meer.

U dient nog wel de omzet bij te houden in de administratie.

In tegenstelling tot de huidige KOR, kunnen bij de nieuwe regeling ook rechtspersonen, zoals stichtingen, verenigingen en B.V.’s gebruiken maken van de nieuwe KOR.

Huidige KOR vervalt
Op het moment dat de nieuwe regeling ingaat, vervalt de huidige KOR en de ontheffing van administratieve verplichtingen. De belastingvermindering voor de btw bestaat niet meer vanaf 2020. U moet daarom, als ondernemer, vóór 2020 laten weten of u zich wil aanmelden voor de nieuwe KOR. Heeft u een ontheffing van administratieve verplichtingen? Dan hoeft u zich niet zelf aan te melden. U wordt automatisch aangemeld door de Belastingdienst voor de vrijstelling. Wanneer u een kleine ondernemer bent ontvangt u hierover een aparte brief van de Belastingdienst. In deze brief wordt uitgelegd wat u moet doen als u geen gebruik wil maken van de vrijstelling.

Aanmelden nieuwe KOR
Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om u aan te melden voor de nieuwe KOR. Wilt u direct (vanaf 1 januari 2020) deelnemen? Dan moet u zich vóór 20 november 2019 bij de Belastingdienst aanmelden. Vanaf het moment dat u verzoek heeft gedaan om deel te nemen aan de nieuwe kleineondernemersregeling, geldt de nieuwe KOR voor tenminste drie jaar.

Heeft u nog vragen met betrekking tot de kleineondernemersregeling? Neem dan contact op met uw adviseur.

(Bron: Schipper Groep)

29 januari 2019: De Europese Verordening Huwelijksvermogensrecht

Bent u gehuwd of als partner geregistreerd en…

  • hebben u en uw partner niet dezelfde nationaliteit of heeft u meerdere nationaliteiten?
  • bent u in het buitenland uw huwelijk of geregistreerd partnerschap aangegaan?
  • zijn u en uw partner na het voltrekken van uw huwelijk of geregistreerd partnerschap ieder in een ander land gaan wonen?
  • woont u al geruime tijd in het buitenland?
  • heeft u vermogen in het buitenland?

Dan geldt er voor uw huwelijk of geregistreerd partnerschap wellicht een ander recht dat andere gevolgen met zich meebrengt.

De vraag welk recht van toepassing is op een huwelijk of geregistreerd partnerschap met internationale elementen is vaak lastig te beantwoorden. Met name wanneer de echtgenoten/geregistreerde partners niet dezelfde nationaliteit hebben en zij na het aangaan van de verbintenis niet in hetzelfde land gaan of blijven wonen. Of in het geval de partners jaren in een ander land wonen dan waar zij de eerste tijd na het aangaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap hebben gewoond. Daarbij komt dat veel landen hun eigen regels hebben wat het nog complexer maakt om vast te stellen welk internationaal recht (of misschien zelfs wel rechten) op het huwelijk/geregistreerd partnerschap van toepassing zijn.

Europese Verordening Huwelijksvermogensrecht

Op 29 januari 2019 is de Europese Verordening Huwelijksvermogensrecht in werking getreden. Het doel van de verordening is het geven van duidelijkheid over onder meer het recht van welk land van toepassing is op het huwelijk/geregistreerd partnerschap. Daarnaast biedt het ook de mogelijkheid om zelf duidelijkheid te scheppen over het recht dat van toepassing is op het huwelijk of geregistreerd partnerschap door het maken van een rechtskeuze.

Bent u vóór 29 januari 2019 getrouwd of een geregistreerd partnerschap aangegaan en speelt een van bovenstaande situaties voor u? Laat u dan informeren over het recht van welk land of de rechten van welke landen die op uw huwelijk of geregistreerd partnerschap van toepassing zijn en de gevolgen daarvan. Ook voor deze huwelijken/geregistreerde partnerschappen kan de verordening meer duidelijkheid bieden. Zo kunt u bijvoorbeeld door het opstellen van huwelijkse voorwaarden een keuze maken voor het recht dat van toepassing zal zijn op uw huwelijk of geregistreerd partnerschap. Dat kan naar de toekomst toe en onder voorwaarden zelfs ook voor het verleden.  

Bent u na 29 januari 2019 getrouwd of gaat u nog trouwen en speelt één van bovenstaande situaties bij u, laat u dan adviseren over de gevolgen van de verordening en hetgeen u zelf zou kunnen regelen om ongewenste gevolgen te voorkomen.

(Bron: WVDB)

“Positieve-negatieve hypotheekverklaring” versus hypotheekrecht

Volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft een notaris zijn zorgplicht geschonden, omdat hij enkel een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” in een akte had opgenomen en geen hypotheekrecht had gevestigd. Waarom komt het gerechtshof tot deze uitkomst en wat is het verschil tussen een hypotheekrecht en een “positieve-negatieve hypotheekverklaring”?

Het arrest van het gerechtshof

Een vader heeft aan zijn zoon een bedrag van ruim € 411.000,- geleend. De notaris zou een akte opstellen waarbij de condities van deze geldlening werden vastgelegd en waarbij de zoon als zekerheid voor de terugbetaling van de lening een hypotheekrecht zou vestigen op zijn woning en kantoor ten behoeve van vader.

De notaris heeft uiteindelijk een akte gepasseerd waarbij géén hypotheekrecht werd gevestigd, maar waarin wel een zogenoemde “positieve-negatieve hypotheekverklaring” was opgenomen ten aanzien van kantoorpand van zoon.

Het gerechtshof oordeelde dat de notaris zijn zorgplicht tegenover vader heeft geschonden, omdat er door het opnemen van de “positieve-negatieve hypotheekverklaring” geen harde zekerheid stond tegenover de geldlening. De notaris zou vader onvoldoende op het ontbreken van deze harde zekerheid hebben gewezen.

Hypotheekrecht

Bij het daadwerkelijk vestigen van hypotheekrecht ontstaat het zekerheidsrecht op het moment dat de notariële akte is gepasseerd en is ingeschreven bij het Kadaster. Als de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen voldoet, heeft de schuldeiser het recht om het onderpand te verkopen en zich met voorrang op eventuele andere schuldeisers op de verkoopopbrengst te verhalen. Als er na de vestiging van het hypotheekrecht bijvoorbeeld een beslag wordt gelegd, heeft de schuldeiser die eerder een hypotheekrecht heeft verkregen, voorrang op deze beslaglegger bij de verdeling van de verkoopopbrengst.

Positieve-negatieve hypotheekverklaring

Een positieve negatieve hypotheekverklaring bestaat uit twee elementen:

  1. De verklaring van de schuldenaar dat hij op eerste verzoek van de schuldeiser mee zal werken aan het vestigen van een hypotheekrecht op een registergoed (bijvoorbeeld een woning of bedrijfspand) ten behoeve van die schuldeiser; en
  2. De verklaring van de schuldenaar dat hij géén hypotheek op dat pand zal vestigen ten behoeve van een derde.

Door het vastleggen van een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” wordt het hypotheekrecht nog niet daadwerkelijk gevestigd. De schuldenaar moet in de toekomst nog meewerken aan het daadwerkelijk vestigen van een hypotheekrecht. Om dit te ondervangen is het mogelijk om een volmacht op te nemen bij de “positieve-negatieve hypotheekverklaring”. Hierdoor heeft de schuldeiser de medewerking van de schuldenaar in de toekomst niet meer nodig om de zekerheid te vestigen.

Een schuldeiser die alleen een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” heeft gekregen van een schuldenaar, heeft nog geen voorrang op eventuele andere schuldeisers, omdat er nog geen daadwerkelijk zekerheidsrecht bestaat. Als er bijvoorbeeld een beslag op het pand wordt gelegd waarvoor enkel een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” is afgegeven, moet de schuldeiser de beslaglegger voor laten gaan.

Een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” is bovendien niet zichtbaar voor derden, waar een hypotheekrecht dat wel is. Een hypotheekrecht wordt namelijk altijd ingeschreven bij het Kadaster, maar een positieve-negatieve hypotheekverklaring kan niet worden ingeschreven. Hierdoor kan de schuldenaar die een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” afgeeft tóch een hypotheek ten behoeve van een derde vestigen, als hij het beding naast zich neerlegt.

In sommige situaties wordt er uiteraard bewust voor gekozen om een “positieve-negatieve hypotheekverklaring” af te geven. De regeling hiervoor kan door ons op maat worden gemaakt en op vele verschillende wijzen worden vormgegeven.

(Bron: WVDB)

Een voordeel om bij echtscheiding aanmerkelijkbelanghouder te zijn?

Bij een echtscheiding spelen niet alleen de emotionele aspecten een grote rol. Ook de verdeling van het vermogen is vaak geen gemakkelijke klus. Uit een recente uitspraak van de rechtbank volgt dat er op fiscaal gebied mogelijk een voordeel behaald kan worden wanneer een aandelenpakket van meer dan 5% deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap.

In de betreffende zaak waren man en vrouw in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot de huwelijksgemeenschap behoorden onder andere de aandelen in twee vennootschappen, een eigen woning en schulden ten aanzien van de eigen woning. De man verkreeg de aandelen en een gedeelte van de eigenwoningschuld en de vrouw verkreeg de eigen woning en het resterende gedeelte van de eigenwoningschuld. De man wilde de eigenwoningschuld aan zijn aanmerkelijk belang (de aandelen in de vennootschappen) toerekenen, zodat hij de betaalde rente in mindering kan brengen op zijn inkomen uit aanmerkelijk belang (zoals dividenduitkeringen). De rechtbank is het hier gedeeltelijk mee eens.

Op het moment van echtscheiding c.q. verdeling vindt er een zogenoemd herbeoordelingsmoment plaats. Op dat moment wordt er opnieuw beoordeeld of er een verband bestaat tussen eventuele schulden en het aanmerkelijk belang. In deze zaak moest de man (een gedeelte van) de eigenwoningschuld overnemen om de aandelen in de vennootschappen te kunnen verkrijgen c.q. behouden.

De rente die de man betaalde kon hij echter niet volledig als kosten in aftrek brengen, omdat hij een groter gedeelte van de schuld op zich heeft genomen dan nodig was geweest als zij de gemeenschap 50/50 hadden verdeeld. Alleen de rente die ziet op de verkrijging van het aandelenpakket mag als kosten in aanmerking worden genomen.

Voor ondernemers die gaan scheiden is deze uitspraak relevant. De feiten en omstandigheden van het concrete geval bepalen of deze uitspraak voor u voordelig is.

Heeft u vragen over dit bericht of over (fiscale aspecten van) echtscheiding in het algemeen? Dan kunt u contact opnemen met Mathieu Neve. Hij helpt u graag verder.  

(Bron: WVDB)

Belastingdienst stuurt brief na echtscheiding

Mensen die in 2018 zijn gescheiden, krijgen een brief van de Belastingdienst. Hierin staan tips voor de aangifte inkomstenbelasting over 2018 en wordt onder andere aangeraden om samen aangifte te doen. 

Als een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst beëindigd wordt gedurende het jaar, dan kunnen de (ex-)partners ervoor kiezen toch het hele jaar als fiscale partner te worden beschouwd. De inkomsten en aftrekposten mogen dan nog verdeeld worden.
Blijft één van de partners in de koopwoning wonen? Dan heeft dat gevolgen voor de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait. 

Laat u informeren

Gezamenlijk aangifte doen voorkomt vaak fouten en maakt het gemakkelijker de inkomsten en aftrekposten optimaal te verdelen. Laat u hierbij altijd goed informeren zodat de aangifte juist wordt ingediend.

Subsidie voor duurzame inzetbaarheid personeel

Het Europees Sociaal Fonds (ESF) richt zich op de bevordering van duurzame inzetbaarheid. Duurzaam inzetbaar zijn werknemers die gezond, gemotiveerd, competent en productief aan het werk kunnen zijn én blijven. Gaat u investeren in de duurzame inzetbaarheid van uw personeel? Dan kunt u in aanmerking komen voor een subsidie van het ESF. U kunt deze subsidie aanvragen van 8 tot en met 12 april 2019.

Subsidie voor duurzame inzetbaarheid personeel

Het Europees Sociaal Fonds (ESF) richt zich op de bevordering van duurzame inzetbaarheid van personeel. Duurzaam inzetbaar zijn werknemers die gezond, gemotiveerd, competent en productief aan het werk kunnen zijn én blijven. Gaat u investeren in de duurzame inzetbaarheid van uw personeel? Dan kunt u in aanmerking komen voor een subsidie van het ESF. U kunt deze subsidie aanvragen van 8 tot en met 12 april 2019.

Wie kan subsidie aanvragen?

Bedrijven en instellingen met een of meer vraagstukken op het gebied van interne mobiliteit, vitaliteit, flexibiliteit of persoonlijke ontwikkeling van de medewerkers, kunnen een beroep doen op de subsidieregeling. De kosten die in aanmerking komen voor subsidie, zijn de kosten voor het laten opstellen van een advies met implementatieplan of voor het begeleiden van de implementatie van het advies in combinatie met de inzet van een externe P&O-adviseur.

Hoe ziet de subsidieregeling eruit?

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor een externe P&O-adviseur die aan de slag gaat met uw vraagstuk. Om in aanmerking te komen voor de subsidieregeling moet een organisatie minimaal € 12.000 investeren (waarvan na afloop € 6.000 vergoed kan worden). Het maximale bedrag wat u vergoedt kunt krijgen is € 12.500. Hierbij geldt een vastgesteld uurtarief van € 100 per uur voor de werkzaamheden van de externe P&O-adviseur. 

De P&O-adviseurs van ABAB zijn specialist op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Zij stellen samen met u een plan op om de duurzame inzetbaarheid binnen uw organisatie te vergroten en begeleiden de implementatie daarvan.

Subsidieaanvraag en afronding

Om ervoor te zorgen dat het plan in aanmerking komt voor de ESF-subsidie, werkt de P&O-adviseur samen met de consultants van Subsidiefocus. Subsidiefocus verzorgt de administratieve afhandeling van de subsidie en dient de subsidieaanvraag in. Voor deze werkzaamheden wordt een vergoeding gevraagd.

U betaalt vooraf voor de werkzaamheden. Na oplevering en afronding van het traject en goedkeuring van de subsidieverstrekker, ontvangt u 50% van hetgeïnvesteerde bedrag middels een subsidie van het ESF terug.

(Bron: ABAB)

Wet bescherming bedrijfsgeheimen in werking

Op 23 oktober 2018 is in werking getreden de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (‘Wbb’) (Stb. 2018, 369, i.w.tr. Stb. 2018, 370).

De Wbb vormt een implementatie van Europese Richtlijn 2016/943/EU die op zijn beurt de implementatie vormt van art. 39 van het WTO-TRIPs-verdrag dat bescherming van bedrijfsgeheimen voorschrijft.

De bescherming van bedrijfsgeheimen verliep in Nederland tot de invoering van de Wbb 99 jaar lang (sinds het arrest Lindenbaum/Cohen, HR 31 januari 1919, NJ 1919/161) via de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), via het contractenrecht en via het strafrecht.

Ieder verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen zonder toestemming is onrechtmatig. Dat klinkt begrijpelijk en eenvoudig. Maar de uitwerking roept tal van interessante vragen op.

Wanneer is iets (een bedrijfs)geheim?

In art. 1 Wbb is de volgende definitie opgenomen:

bedrijfsgeheim: informatie die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  1. zij is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie;
  2. zij bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en
  3. zij is door degene die daar rechtmatig over beschikt, onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden.

‘Geheim’ betekent dat de informatie niet gemakkelijk toegankelijk is, ook niet voor deskundigen. ‘Handelswaarde’ betekent dat ‘onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken daarvan schadelijk zou kunnen zijn voor de belangen van de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, aangezien daardoor afbreuk wordt gedaan aan het wetenschappelijk en technisch potentieel, de zakelijke of financiële belangen, de strategische posities of het concurrentievermogen van die persoon’ (ov. 14 bij de Richtlijn).

Dit klinkt erg ruim en dat is het ook. Vaak zal het gaan om informatie waarmee geld verdiend kan worden door deze toe te passen. Denk aan geheime recepten en productieprocessen. Maar strategische plannen van een onderneming kunnen er ook onder vallen. En televisieformats, of marketingplannen die nog niet zijn openbaar gemaakt. En wat te denken van examenopgaven die nog geheim zijn?

Het is niet eenvoudig om voorbeelden te bedenken van geheimen van of over bedrijven die geen handelswaarde hebben. Mogelijk valt bedrijfsgevoelige of koersgevoelige informatie over fraude, misstanden, aanstaande bestuurswisselingen, overnames of reorganisaties niet onder het begrip ‘bedrijfsgeheim’ in de zin van de Wbb. Maar dat betekent uiteraard niet dat het openbaar maken daarvan niet tóch onrechtmatig kan zijn. Voor het ‘klokkenluiden’ kent de Wbb in art. 4 overigens een expliciete uitzondering.

Redelijke maatregelen

Bij ‘redelijke maatregelen’ moet gedacht worden aan “het opnemen van geheimhoudingsclausules in handelscontracten, het opnemen van geheimhoudingsbepalingen in arbeidsovereenkomsten en arbeidsreglementen, het expliciet benoemen of registreren van bedrijfsgeheimen (dat wil zeggen een organisatorische maatregel ter beveiliging, zoals een bepaling dat alleen sleutelfiguren in een bedrijf toegang hebben tot de geheimen of het verrichten van een i-depot) en het bewaken van het bedrijfsterrein of de betrokken installatie. Voorts is te denken aan digitale beschermingsmaatregelen zoals encryptie, bijvoorbeeld ter voorkoming van het inbreken in computerbestanden of e-mail.” (W.v. 34 821, nr. 3, p.17).

Het lijkt een open deur om te stellen dat informatie die bekend wordt of uitlekt omdat er onvoldoende ‘redelijke maatregelen’ zijn genomen, daardoor niet meer geheim is en dus geen bescherming als bedrijfsgeheim meer geniet. Maar dit is vermoedelijk wel de belangrijkste praktische boodschap voor bedrijven: die ‘redelijke maatregelen’ móeten genomen worden. Die noodzaak is enigszins vergelijkbaar met de verplichtingen onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het regelmatig verzenden van bedrijfsgeheimen via onbeveiligde e-mail of via WeTransfer betekent mogelijk al dat er dus geen redelijke maatregelen worden genomen. Het feit dat een werknemer per ongeluk een bedrijfsgeheim naar de verkeerde persoon stuurt, hoeft niet, maar kan wel betekenen dat er geen ‘redelijke maatregelen’ waren genomen om dit te voorkomen. De enkele stelling dat die werknemer in strijd handelde met zijn arbeidsovereenkomst, lijkt niet voldoende.

Wie is rechthebbende?

Rechthebbende op een bedrijfsgeheim is de houder van het bedrijfsgeheim: ‘iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt’. Ook deze definitie roept vragen op.

Betekent dit dat íedere licentienemer die rechtmatig kennis heeft van het bedrijfsgeheim en die kennis ook toepast, ook gerechtigd is om de rechten verbonden aan het zijn van houder van een bedrijfsgeheim op zijn eigen houtje uit te oefenen jegens derden? Denk aan het instellen van verbodsvorderingen, beslagleggen en schadevergoedingsvorderingen. Dat zal toch meestal niet de bedoeling zijn van de licentiegever van wie het bedrijfsgeheim afkomstig is. Maar dat zal hij dan vermoedelijk wel contractueel moeten vastleggen.

Betekent dit ook dat een ieder die door reverse engineering een geheim ontdekt heeft, zelf ook weer rechthebbende op dat geheim wordt en dat recht kan uitoefenen? ‘Observatie, onderzoek, demontage of testen van een product of voorwerp dat ter beschikking van het publiek is gesteld of dat op een rechtmatige manier in het bezit is van degene die de informatie verwerft en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting het verkrijgen van het bedrijfsgeheim te beperken’ is namelijk toegestaan en levert rechtmatig gebruik op. Of is het bedrijfsgeheim niet meer geheim zodra iemand door reverse engineering heeft ontdekt wat het is?

Wie maakt inbreuk?

Verkrijgen

Verkrijging van een bedrijfsgeheim is onrechtmatig wanneer iemand zich schuldig maakt aan ‘onbevoegde toegang tot of het zich onbevoegd toe-eigenen of kopiëren van documenten, voorwerpen, substanties, materialen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid’.

Gebruiken of openbaar maken

Gebruiken of openbaar maken is onrechtmatig als het bedrijfsgeheim onrechtmatig is verkregen of wanneer een contractuele verplichting tot geheimhouding wordt geschonden. Dit ligt voor de hand.

Had moeten weten

Maar, ‘het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim is ook onrechtmatig wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon op het moment van het verkrijgen, gebruiken, of openbaar maken, wist, of gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte’ (art. 2 lid 3).

Hier komen we in de sfeer van het profiteren van andermans wanprestatie. In geval van opzet of kwader trouw is dit duidelijk. Maar derden kunnen lang niet altijd weten dat iets een bedrijfsgeheim is (geweest).

Verkoop van ‘inbreukmakende goederen’

Nog verder gaat het dat iemand die ‘inbreukmakende goederen’ invoert, aanbiedt of opslaat ook onrechtmatig kan handelen. (inbreukmakende goederen: ‘goederen waarvan het ontwerp, de kenmerken, de werking, het productieproces of het in de handel brengen aanzienlijk voordeel heeft of hebben bij bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt’).

Als een handelaar ‘wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim onrechtmatig werd gebruikt’ bij het in het verkeer brengen, kan er ook bij hem op dergelijke goederen beslag worden gelegd of een verkoopverbod worden gevorderd. Maar wat nu als de handelaar op het moment van inkoop van niets wist, maar vervolgens op de hoogte wordt gesteld? Mag hij dan nog iets verkopen?

Wat te denken van goederen waar op zichzelf niets mis mee is, maar waarbij bij de eerste verkoop gebruik is gemaakt van een klantenlijst die door een ex-werknemer aan een concurrent is doorgespeeld? Zijn die goederen dan ‘besmet’ en mag de verdere (door)verkoop ervan worden verboden vanwege die schending van een bedrijfsgeheim bij de eerste verkoop?

Het heeft er alle schijn van dat onvoldoende is nagedacht over dit vergaande ‘zaaksgevolg’ van schending van bedrijfsgeheimen.

Beperkingen

De Wbb kent beperkingen ten gunste van de pers- en informatievrijheid en van het ‘klokkenluiden’(het onthullen van wangedrag, fouten of illegale activiteiten) (art. 4).

Procesrechtelijke bepalingen

Een apart sub-specialisme is de geheimhouding tijdens een procedure over de beweerdelijke schending van bedrijfsgeheimen. Regels daarover zijn onder andere opgenomen in een nieuwe titel 15a Rv, art. 1019ia t/m 1019ie. Om te bewijzen dat iemand anders gebruik maakt van jouw bedrijfsgeheim is het nodig om in ieder geval aan de rechter, maar ook aan de wederpartij, duidelijk te maken wat het bedrijfsgeheim is en waaruit blijkt dat de wederpartij het gebruikt. Maar daarbij wil je het geheim zèlf tegelijkertijd ook geheimhouden, in ieder geval voor derden. En om dat inbreukmakend gebruik aan te tonen, wil je mogelijk bewijsbeslag leggen bij de wederpartij. Maar dat mag weer niet uitmonden in een fishing expedition waarbij juist bedrijfsgeheimen van die wederpartij worden onthuld. Zie bijvoorbeeld het recente arrest van de Hoge Raad waarin al wordt geanticipeerd op de Wbb. (HR  28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, Organik / Dow).

Daarom is nu in art. 1019ib expliciet bepaald dat het aan deelnemers aan ‘gerechtelijke procedures tot bescherming van bedrijfsgeheimen ingevolge de Wet bescherming bedrijfsgeheimen’ verboden is ‘bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen te gebruiken of openbaar te maken die de rechter op verzoek van een partij als vertrouwelijk heeft aangemerkt en die hun ter kennis zijn gekomen als gevolg van een dergelijke deelname of toegang’. De rechter kan ook bepalen wie er kennis mogen nemen van die geheimen.

Maar die mogelijkheid bestaat ook voor procedures die zelf niet over bedrijfsgeheimen gaan. Aan art. 22 wordt een nieuwe derde lid toegevoegd:

“De rechter kan, indien kennisneming van stukken door een partij de bescherming van een bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. […]”

Dit roept ook weer belangrijke vragen op. Wat moet een advocaat met informatie die hij niet met zijn cliënt mag delen? Is dit niet een inbreuk op de bijzondere vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt? De advocaat kan vaak niet oordelen over de (technische) geheime informatie waar hij wèl kennis van mag nemen, maar die hij níet met zijn client mag delen. Hoe kan hij daar dan iets zinnigs mee doen?

Volledige proceskosten

Voor het overige bevat de nieuwe titel 15a Rv bepalingen die grote gelijkenis vertonen met het IE-procesrecht opgenomen in titel 15 Rv. Bij amendement is daar ook de mogelijkheid van een volledige proceskostenveroordeling bij opgenomen. Die volledige proceskostenveroordeling stuitte bij een deel van de Eerste Kamer op grote bezwaren, hetgeen ook de reden is dat de Wbb niet tijdig is geïmplementeerd. De Richtlijn had al op 8 juni 2018 moeten zijn geïmplementeerd. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, is een wijziging aangekondigd waardoor het mogelijk wordt om bij AMvB ten aanzien van zaken over bedrijfsgeheimen regels te stellen ‘in welke gevallen de rechter de in het ongelijk gestelde partij kan veroordelen in de kosten’. (w.v. 34 821, H).

Veel ervaring in common law landen

Tot slot is het nuttig om te melden dat er in de Angelsaksische wereld heel veel ervaring bestaat met trade secret protection als onderdeel van confidential information. Er is daar veel rechtspraak en allerlei leerstukken, zoals relative secrecy en de springboard doctrine, zijn daar al decennia in ontwikkeling. Bescherming van bedrijfsgeheimen en het bijbehorende procesrecht is daar al heel lang een belangrijke en afzonderlijke tak van sport. En dat gaat het in Nederland en de rest van de EU de komende jaren zeker ook worden. Met veel vragen van uitleg aan het HvJ EU over de verschillende geharmoniseerde begrippen en regels.

(Bron: mr-online)

Wel uitstel, (nog) geen afstel voor Brexit

De Brexit is uitgesteld tot 22 mei 2019 indien het Verenigd Koninkrijk voor 12 april 2019 een nieuw Brexit voorstel aan de landen van de Europese Unie presenteert. Gebeurt dit niet, dan is er een No-deal Brexit (harde Brexit) op 12 april a.s. Dit betekent dat u langer de tijd heeft om u voor te bereiden op de wijzigingen die eraan komen voor uw onderneming en uw werknemers.

Omdat het (nog steeds) onzeker is of er een Brexit deal komt is het voor iedereen (ondernemingen, werkgevers en werknemers) verstandig om zich voor te bereiden op het ergste scenario: No-deal. Om u goed voor te bereiden geeft  Mazars  tot en met vrijdag 29 maart 2019 iedere dag een toelichting op de gevolgen van de (No-deal) Brexit. 

Brexit-voucher

Wilt u (persoonlijk) geadviseerd worden over de Brexit, dan is mogelijk de Brexit-voucher interessant voor u. Nederlandse bedrijven die economische belangen hebben in het Verenigd Koninkrijk kunnen namelijk een Brexit-voucher aanvragen bij de overheid. Met deze voucher kunt u advies inwinnen over alternatieve markten voor de export en/of invoer van goederen en diensten. Daarnaast kan met de Brexit-voucher een bijdrage worden geleverd in de kosten die gepaard gaan met het vaststellen van de gevolgen voor de onderneming op het terrein van logistiek of het vrij verkeer van werknemers, goederen en diensten. Met de Brexit-voucher krijgt een onderneming een vergoeding van 50 procent van de werkelijk gemaakte kosten, tot een maximum van € 2.500, exclusief BTW.

(Bron: Mazars)

Vóór 1 mei checken: voorlopige berekening tegemoetkomingen Wtl

Werknemers met een kwetsbare positie kunnen u veel financieel voordeel opleveren. Of u hier recht op heeft, hoort u jaarlijks uiterlijk 15 maart van UWV. Zorg dat u geen voordeel misloopt: controleer vóór 1 mei of deze instantie in haar voorlopige berekening de juiste werknemers en bedragen in het vizier heeft.

De Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) voorziet in financieel voordeel bij ouderen, arbeidsgehandicapten en -beperkten, jongeren en werknemers met een laag inkomen. U moet hiervoor bij elk van deze doelgroepen aan specifieke voorwaarden voldoen. In zijn voorlopige berekening geeft UWV aan voor welke werknemer(s) u volgens deze instantie recht heeft op een tegemoetkoming. En welk voordeelbedrag hierbij hoort.

Goed en snel controleren

Het is belangrijk om deze informatie en berekeningen goed, maar vooral ook snel te controleren. Klopt er iets niet, dan ontvangt u mogelijk een te lage of zelfs helemaal geen tegemoetkoming. Tegelijkertijd krijgt u maar weinig tijd om correcties door te geven. Dit kan tot uiterlijk 1 mei aanstaande, daarna neemt UWV ze niet meer in behandeling. Vroeger kon u nog tot ruim een jaar na dato met terugwerkende kracht corrigeren, maar in 2017 is deze termijn fors ingeperkt.

 Wtl-check: zo pakt u dat aan Check met behulp van de voorwaarden op uwv.nl of u werknemers in dienst heeft die tot de doelgroep behoren. Benut de voorbeeldspecificatie met toelichting om te zien hoe u de informatie en berekeningen van UWV moet interpreteren. Doe uw voordeel met aandachtspunten en tips van UWV over veelvoorkomende fouten én uw mogelijkheden om ze te corrigeren.

Uiterlijk deze zomer zekerheid

Uiterlijk 31 juli 2019 ontvangt u van de Belastingdienst de definitieve berekening van de tegemoetkoming(en). Uitbetaling volgt binnen 6 weken na de beslissing.