Sluit uw hypotheek over bij de eigen bv

Een lening die is aangegaan voor de aanschaf, verbetering of onderhoud van de eigen woning kwalificeert als eigenwoninglening. De op deze lening betaalde rente is aftrekbaar in box 1. Het maakt daarbij niet uit of de lening is aangegaan bij een bank of bij de eigen bv.

 

Zeker in de situatie dat een bv overtollige liquide middelen bezit en de DGA (directeur-grootaandeelhouder) privé een bankhypotheek met een hoge rente heeft, kan herfinanciering van de schuld bij de bv fiscaal voordeel opleveren. Uitgangspunt is daarbij wel dat de financiering op basis van zakelijke afspraken tot stand komt.

 

Een DGA en zijn bv zijn twee entiteiten. Een rentevoordeel in verband met een door u of een met u verbonden vennootschap aan de medewerker verstrekte geldlening is in het algemeen belast.

 

Tip

Heeft u in privé een bankhypotheek en heeft uw bv overtollige liquide middelen? Het kan fiscaal voordeel opleveren de hypotheek over te sluiten bij uw eigen bv.

Let op!
Vanaf 2013 zijn de regels met betrekking tot de aftrek van hypotheekrente aangescherpt.
Indien er bij het oversluiten van de hypotheek een aanvullende lening wordt aangegaan, moet
dit tijdig worden gemeld bij de Belastingdienst. De rente is alleen aftrekbaar indien er een
aflossingsschema wordt overlegd aan de Belastingdienst. Het deel van de nieuwe lening dat als vervanging dient van de oude eigen woningschuld valt wel onder de oude regels voor de aftrek van de aftrekbare hypotheekrente.
(Bron: ABAB)

Kun je pandrecht op een merk vestigen?

Onlangs kregen wij via één van de IT-notarissen waar we mee samenwerken de vraag van een accountant door, die wilde weten of het ook mogelijk is om een pandrecht te vestigen op een merk. Dit is uiteraard mogelijk, hieronder volgt een uitleg van de procedure.

Merk

Met een merk kunt u uw producten of diensten onderscheiden van die van uw concurrenten. Een merk wordt pas beschermd, nadat het is geregistreerd. Hoe werkt een dergelijke registratie?

Een merk kan worden geregistreerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). Door deze registratie krijgt u het exclusieve recht op het gebruik van het merk voor bepaalde producten en diensten binnen de Benelux. De inschrijving is in eerste instantie 10 jaar geldig, maar deze kunt u na 10 jaar verlengen. U dient wel zelf uw merk actief in stand te houden in de markt. Tijdens de registratieperiode wordt u merk beschermd.

Pandrecht op een merk

We nemen het voorbeeld van een webwinkelier die een beeldmerk houdt en voor een investering een externe geldschieter inzet. Deze webwinkelier kan het beeldmerk bij notariële of onderhandse akte in onderpand geven aan de investeerder. Wanneer de webwinkelier zijn verplichting tot terugbetalen van de lening van de investeerder niet nakomt, kan de investeerder op grond van de pandakte het beeldmerk te gelde maken en zorgen voor de voldoening van zijn vordering.

Een pandrecht op een merk heeft pas derdenwerking na inschrijving van de pandakte in het merkenregister. Indien dit niet gebeurt, heeft het pandrecht alleen werking tussen een pandgever en een pandhouder.

De webwinkelier moet de houder van het merkenrecht zijn om het in pand te kunnen geven. Dit is terug te vinden in het register op de website van de Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). Indien de webwinkelier inderdaad houder van het merk blijkt, kan hij een authentieke of onderhandse pandakte laten opstellen, waarin duidelijk welk merk wordt verpand.

Vervolgens dient deze pandakte te worden ondertekend door de webwinkelier en de investeerder. De getekende akte moet worden gestuurd naar het BBIE, die de verpanding in het register inschrijft. De webwinkelier kan vanaf het moment van deze inschrijving niet meer zonder de toestemming van de investeerder het merk overdragen of opzeggen.

Het is dus van belang om zeker te stellen dat de verpanding is geregistreerd bij het BBIE. Wanneer dit niet is gebeurd, kan de webwinkelier nog steeds het BBIE overdragen of opzeggen. Het BBIE kent het bestaan van de pandakte immers niet. Natuurlijk kan de investeerder dan verhaal halen bij de webwinkelier, maar zijn onderpand is hij kwijt.

(Bron: www.it-jurist.nl)

Auteursrecht

De Auteurswet beschermt automatisch werken van letterkunde, wetenschap of kunst. De bescherming gaat in op het moment dat het werk tot stand komt. Voorwaarde is dat het werk origineel is.

Auteursrecht kost niets en de bescherming is internationaal. Makers hoeven hun werk niet te registreren of te deponeren. Het auteursrecht vervalt 70 jaar na het overlijden van de maker.

  • Werken waarop auteursrechtelijke bescherming kan rusten: teksten, kunstwerken, brochures, video’s en ander promotiemateriaal, software, foto’s, sieraden, tekeningen, schaalmodellen en bouwwerken.
  • Werken waarop geen bescherming rust: catalogi, gebruiksaanwijzingen, dienstregelingen, theaterprogramma’s en telefoongidsen.

Collectieve beheersorganisatie (cbo)

De meeste auteurs (waaronder ook componisten, muzikanten en filmmakers) oefenen hun auteursrechten uit via een collectieve beheersorganisatie (cbo). Voorbeelden zijn Buma/Stemra, Sena, Videma, Stichting Reprorecht en Stichting de Thuiskopie. Deze cbo’s zijn aangesloten bij de Vereniging van Organisaties die Intellectueel eigendom Collectief Exploiteren (VOI©E).

Toezicht

Het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA) houdt toezicht op een aantal van deze collectieve beheersorganisaties.

Klachten

Hebt u als gebruiker van auteursrechtelijk beschermd werk een klacht over een van deze cbo’s? Dan neemt u eerst contact op met die organisatie. Elke organisatie heeft een eigen geschillenregeling. Als de organisatie uw klacht niet (correct) afhandelt, kunt u zich wenden tot VOI©E. Als de cbo is aangesloten bij De Geschillencommissie, kunt u ook de Geschillencommissie Auteursrechten Zakelijk inschakelen.

(Bron: Ondernemingsplein)

Beloon meewerkende partner

Werkt de partner mee in de onderneming, dan kan het voordelig zijn om daarvoor een reële arbeidsbeloning te geven. Is de arbeidsvergoeding hoger dan € 5.000, dan is deze vergoeding voor de ondernemer aftrekbaar en bij de partner belast. Afhankelijk van de inkomens kan een tariefvoordeel worden behaald. Daarnaast ontstaat er mogelijk meer recht op verschillende heffingskortingen.

 

Door het ontbreken van een dienstbetrekking hoeft er geen loonbelasting/premie volksverzekeringen te worden ingehouden.

 

Tip
Overweeg het belonen van de meewerkende partner. Zeker wanneer de partner geen of weinig andere inkomsten heeft, geeft een reële arbeidsbeloning fiscaal voordeel. Zorg wel dat deze beloning daadwerkelijk wordt betaald aan de meewerkende partner.

(Bron: ABAB)

Let op de gebruikelijkloonregeling

Voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA), die in dienst is bij zijn eigen bv geldt de gebruikelijkloonregeling. Kort gezegd houdt deze regeling in dat een DGA voor zijn werkzaamheden een gebruikelijk salaris moet ontvangen.

 

In de Wet op de loonbelasting 1964 is het gebruikelijk loon bij een volledig dienstverband op minimaal € 44.000 (2015) gesteld. Daarnaast mag het loon van de DGA niet lager zijn dan de meest verdienende medewerker. Alleen in uitzonderlijke situaties – waarbij de continuïteit van de onderneming in gevaar komt – mag een lager gebruikelijk loon worden overeengekomen. Afstemming met de Belastingdienst is daarbij te adviseren.

 

Als hoofdregel stelt u uw loon ten minste op het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
  • Het hoogste loon van de overige medewerkers.
  • Minimaal € 44.000.

 

De regeling kent een doelmatigheidsmarge van 25%. Dit betekent, dat uw loon 25% lager mag zijn dan zakelijk gebruikelijk zou zijn in het economisch verkeer. Bij de vaststelling van de hoogte van het gebruikelijk loon is ook het hoogste loon van uw ‘gewone’ medewerkers van belang. Met ingang van 2015 is de groep medewerkers, waarvan men het loon in aanmerking moet nemen, uitgebreid met medewerkers van verbonden vennootschappen. Bent u bijvoorbeeld partner (medicus, advocaat of architect) binnen een samenwerkingsverband? Dan kan deze uitbreiding gevolgen hebben voor de hoogte van uw gebruikelijk loon.
Tip
Zorg ervoor dat u voldoet aan de gebruikelijkloonregeling. Bij een controle zal de Belastingdienst uw loon beoordelen. Voldoet u niet aan de regeling dan kan de Belastingdienst correcties (met boete) opleggen.
Sommige DGA’s verrichten slechts zeer beperkte werkzaamheden voor hun (beleggings)bv. Als de werkzaamheden zo beperkt zijn dat een gebruikelijk loon minder dan € 5.000 bedraagt, mag in het geheel worden afgezien van loon.
​
(Bron: ABAB)

Turboliquidatie BV zonder gevaar?

Het toewerken naar een turboliquidatie (ontbinding BV zonder wettelijke vereffening) gebeurt in de praktijk vaak, maar is niet geheel zonder risico.

Als het wenselijk is een BV te beëindigen, zijn er meerdere mogelijkheden om dat te doen. Wordt gekozen voor de weg van ontbinding, dan zal bezien moeten worden wat daartoe de geëigende procedure is. Om tijd en kosten te besparen, wordt in de praktijk regelmatig aangestuurd op een ontbinding zonder wettelijke vereffening: de ‘turboliquidatie’. Het toewerken naar een turboliquidatie is echter niet geheel zonder risico’s en in situaties waarin een BV (bekende) schulden heeft, is extra voorzichtigheid geboden.

Reguliere ontbindingsprocedure, turboliquidatie of faillissement?

Wat de geëigende procedure is, hangt af van het antwoord op de vraag welke baten (en schulden) er – op de beoogde (effectieve) datum van ontbinding – daadwerkelijk zijn en redelijkerwijs nog te verwachten zijn.

  • Reguliere ontbindingsprocedure: ontbinding met wettelijke vereffening

Als de BV op de datum van het effectief worden van het ontbindingsbesluit baten heeft, houdt de BV niet direct op te bestaan. Er is dan namelijk nog een vermogen dat vereffend moet worden. Dat gebeurt door één of meer aangestelde vereffenaars. Vaak zijn dat degenen die ook bestuurders van de BV waren. De vereffeningswerkzaamheden houden kort samengevat in dat alle vorderingen worden geïnd, alle schulden worden voldaan en alle rechtsverhouding volledig worden beëindigd. De vereffenaars maken een rekening en verantwoording van de vereffening op en – als er meerdere gerechtigden zijn tot het batig saldo na vereffening – een plan van verdeling. Als daartegen geen bezwaar wordt gemaakt door de crediteuren, gaan de vereffenaars over tot uitkering van het batig saldo en houdt de BV daarna op te bestaan. Gezien de wettelijke termijn die crediteuren hebben om genoemd bezwaar te maken, zal de reguliere ontbindingsprocedure ten minste 2 maanden in beslag nemen.

  • Turboliquidatie: ontbinding zonder wettelijke vereffening

Als de BV op de datum van het effectief worden van het ontbindingsbesluit geen baten heeft, en deze ook niet zijn te verwachten, houdt de BV wél meteen op te bestaan. Er is dan namelijk geen vermogen dat vereffend moet worden.

Van een BV zonder baten kan in beginsel alleen sprake zijn als het saldo van de balans nul is. Daarnaast dient, zoals hierboven aangegeven, ook rekening te worden gehouden met potentiële baten. Er zou bijvoorbeeld een latente belastingvordering kunnen bestaan al dan niet op grond van de laatste aangifte, de BV zou in een procedure betrokken kunnen zijn waarvan de uitkomst nog onzeker is, de BV zou (potentiële) vorderingen kunnen hebben op bestuurders, aandeelhouders of derden, etc.

Als duidelijk is dat er op het moment van de ontbinding (potentiële) baten zijn, moet vereffend worden en kan geen turboliquidatie plaatsvinden.

  • Faillissement

Zijn er wel baten, maar is het saldo van de baten en lasten negatief, dan houdt de BV door ontbinding niet op te bestaan maar dient het vermogen van de BV als een faillissement te worden afgewikkeld. In dit geval wordt een curator benoemd die onder toezicht het vermogen van de failliete BV afwikkelt. Blijkt van deze vermogenspositie nadat het ontbindingsbesluit effectief is geworden, dan dient de aangifte tot faillietverklaring door de vereffenaar(s) te worden gedaan, tenzij alle bekende schuldeisers instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement.

Wat zijn risico’s van onterechte turboliquidatie?

In de praktijk komt het regelmatig voor dat het bestuur van een BV, voorafgaand aan de ontbinding van de BV, vereffeningshandelingen verricht, zodat alsnog een turboliquidatie kan plaatsvinden. Het toewerken naar een turboliquidatie is echter niet geheel zonder risico’s.

Mocht na het ontbindingsbesluit bijvoorbeeld blijken dat de BV wel baten had, dan kan dit tot gevolg hebben dat de BV (formeel juridisch) altijd is blijven bestaan. In dat geval zijn de verplichtingen van het bestuur ook blijven doorlopen, zoals die tot het opstellen en publiceren van een jaarrekening. Zeer waarschijnlijk heeft het bestuur daar niet aan voldaan, het ging er immers van uit dat de BV er niet meer was.

Ingeval ten onrechte tot turboliquidatie is overgegaan terwijl de BV nog schulden heeft, dreigt het risico dat de BV geacht wordt in een toestand te verkeren dat zij is opgehouden met betalen, en zouden schuldeisers van de BV de mogelijkheid hebben alsnog faillissement van de BV aan te vragen. In een eventuele faillissementssituatie, die dus na ontbinding kan volgen, kan een bestuurder die niet aan genoemde administratieplicht en/of publicatieplicht heeft voldaan door de curator (hoofdelijk) aansprakelijk worden gehouden voor het tekort in de boedel van de BV. Met het nalaten van genoemde verplichtingen komt namelijk ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ vast te staan en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

Ook kan een rechter, op verzoek van een schuldeiser, oordelen dat het achterwege laten van de vereffening ondanks de aanwezige baten, een onrechtmatige daad is geweest tegenover de schuldeisers; het naar de nulstand toewerken van het balanstotaal zou neer kunnen komen op een bevoordeling van sommige schuldeisers boven anderen dan wel op het doen van een uitkering aan (een) gerechtigde(n) die te hoog is geweest. Ook aandeelhouders kunnen aansprakelijk zijn, wanneer zij wisten of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de BV na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van opeisbare schulden.

Conclusie

Wanneer een BV op de datum van het effectief worden van het ontbindingsbesluit geen (potentiële) baten heeft, kan tot turboliquidatie worden overgegaan. Wanneer de BV echter (bekende) schulden heeft, is extra voorzichtigheid geboden.

Het toewerken naar een turboliquidatie gebeurt in de praktijk vaak, maar is niet geheel zonder risico. Indien achteraf mocht blijken dat ten onrechte tot turboliquidatie is overgegaan, kan dat de bestuurder(s) duur komen te staan (en in sommige gevallen ook de aandeelhouder(s)).

(Bron: DVAN)

Welke procedure ook wordt gekozen, het is primair aan de bestuurders (of vereffenaars na ontbinding) om te zorgen dat het vermogen van de BV op een behoorlijke manier wordt afgewikkeld.

Zwanger als ZZP’er: dit zijn je rechten en plichten

Ben jij ZZP’er en in blijde verwachting? Gefeliciteerd! Omdat je tijdens jouw zwangerschap (en vlak na de bevalling) minder kunt werken, heb je als zwangere zelfstandige recht op steun van de overheid. Zo ontvang je een uitkering (ZEZ-regeling) en is op deze periode een lager urencriterium van toepassing.

1. Kan ik als zwangere ZZP’er een uitkering aanvragen?

Ja, dat kan. Hoewel je als zelfstandige professional normaal gesproken zelf voor een financiële buffer moet zorgen als je tijdelijk minder (of niet) kunt werken, wordt in het geval van een zwangerschap een uitzondering gemaakt. Als zwangere ZZP’er heb je in principe recht op een uitkering van ten minste zestien weken tijdens en na je zwangerschap. Officieel wordt dit de Zelfstandig en Zwanger-regeling (ZEZ) genoemd.

2. Hoe hoog is deze uitkering?

De hoogte van de zwangerschapsuitkering en bevallingsuitkering is – afhankelijk van je situatie – maximaal honderd procent van het wettelijk bruto minimumloon. Als je gewend bent om voor een bepaald tarief te werken, kan het dus zijn dat je gedurende deze periode rekening moet houden met een lager inkomen. Indien je meewerkend echtgenote bent, zal de ZEZ-uitkering worden berekend op basis van de door de partner behaalde winst (en jouw aandeel hierin).

Het uitkeringsbedrag is ook afhankelijk van het aantal gewerkte uren in het voorgaande jaar. Wanneer je in dat jaar meer dan 1.225 uur hebt gewerkt voor jouw bedrijf, heb je recht op een maximale ZEZ-uitkering. In het geval van minder gewerkte uren zal logischerwijs ook het uitkeringsbedrag lager uitvallen.

Op de zwangerschapsuitkering en bevallingsuitkering is trouwens ook acht procent vakantiegeld van toepassing. Dit bedrag wordt na de einddatum bijgeschreven op je rekening. “Valt de maand mei in de periode waarin je de uitkering ontvangt? Dan krijg je in mei alvast het vakantiegeld dat je tot en met april hebt opgebouwd”, aldus het UWV.

3. Voor wie geldt de ZEZ-regeling?

De ZEZ-uitkering is van toepassing op ZZP’ers, zelfstandige beroepsoefenaars (bijvoorbeeld een artiest, huisarts of alfahulp) en meewerkende echtgenotes of partners van een zelfstandige professional.

4. Hoe vraag ik een uitkering aan?

De aanvraagprocedure van de ZEZ-regeling loopt via uitkeringsinstantie UWV. Bij het invullen van het aanvraagformulir moet je in ieder geval de volgende gegevens bij de hand houden:

  • Burgerservicenummer
  • Inkomstenoverzicht (zoals vermeld op de recente aangifte voor de inkomstenbelasting
  • Jouw (eventuele) vrijwillige Ziektewet-verzekering bij UWV
  • De uitgerekende datum

Vul het formulier volledig in en stuur het per post naar het volgende adres:

UWV
WAZO-ZEZ
Postbus 58018
1040 HA Amsterdam

Belangrijk: vergeet bij de aanvraag ook niet een zwangerschapsverklaring van je verloskundige, gynaecoloog of huisarts mee te sturen.

Je ontvangt dan binnen acht weken bericht van het UWV met informatie over de hoogte van de uitkering (en hoelang de regeling duurt). In deze brief staat ook vermeld wanneer de uitkering ingaat en op welke datum je voor het eerst een betaling kunt verwachten.

Een bevallingsdatum valt doorgaans moeilijk te voorspellen. Niet zelden gebeurt het dat de baby eerder of later geboren wordt dan de uitgerekende dag.

Het UWV zal alleen in het geval van latere geboortedatum de lengte van de uitkering aanpassen. Mocht je vroegtijdig bevallen, blijft de einddatum van je ZEZ-uitkering dus ongewijzigd.

Mocht jouw baby later ter wereld komen dan gepland, zal de duur van de uitkering ook worden verlengd. Je ontvangt dan van UWV een nieuwe brief met de definitieve einddatum van jouw uitkering. Na de bevalling heb je nog minimaal tien weken recht op de ZEZ-uitkering en het verlof.

5. Wanneer vraag ik de ZEZ-uitkering aan?

Je kunt een zwangerschapsuitkering en bevallingsuitkering op zijn vroegst aanvragen als je 24 weken in verwachting bent tot (uiterlijk!) twee weken voor de ingangsdatum van je zwangerschapsverlof. Het UWV raadt zwangere zelfstandigen echter aan om niet te lang te wachten met het versturen van de aanvraag.

6. Heeft dit invloed op mijn AOV-verzekering?

Heb jij een AOV-verzekering afgesloten? Dan kan het zijn dat je van deze verzekering ook recht hebt op een uitkering bij zwangerschap. Dit hoeft in principe geen gevolgen te hebben voor de toewijzing van een ZEZ-uitkering.

Houd er wel rekening mee dat het uitgekeerde bedrag van jouw AOV-verzekering daardoor wel lager kan uitvallen.

Het is dus verstandig om dit al in een vroeg stadium na te vragen bij de verzekeraar van je arbeidsongeschiktheidsverzekering.

7. Hoe zit het met het urencriterium?

Normaal gesproken moet je als ondernemer op jaarbasis ten minste 1.225 uur voor jouw bedrijf werken om te kunnen profiteren van fiscale aftrekposten zoals de zelfstandigen- en startersaftrek. Maar tijdens de laatste maanden van je zwangerschap en vlak na de bevalling zul je geheid minder uren aan je bedrijf kunnen besteden dan je normaal gesproken doet.

Het feit dat je in deze periode minder uren zult werken kan van invloed zijn op het minimale urencriterium van 1.225 uur dat je moet halen om recht te houden op fiscale aftrekposten. Bij een zwangerschap wordt hiervoor een uitzondering gemaakt.

In dat geval mag je – als je jouw vanwege de zwangerschap moet onderbreken – voor een periode van zestien weken de niet-gewerkte uren meetellen alsof je deze uren wel had gemaakt.

(Bron: Ikgastarten)

goed vastleggen wijze van besluitvorming

Leg schriftelijk vast hoe bestuurders onderling moeten besluiten, voordat zij de vennootschap naar buiten toe kunnen binden

Indien er meerdere bestuurders zijn, kan er onenigheid ontstaan over wie wat mag beslissen. Als al die bestuurders dan ook nog eens zelfstandig bevoegd zijn om de vennootschap te vertegenwoordigen, dan kan het lastig of zelfs onmogelijk zijn om bepaalde handelingen terug te draaien. Het is dus zaak om de besluitvorming binnen het bestuur aan bepaalde regels te onderwerpen. Hoe belangrijk dat is, blijkt uit een recente uitspraak van het Hof Amsterdam.

De situatie

Wat was het geval? X en Y (de voormalig schoonzoon van X) zijn samen (indirect) bestuurder van een vennootschap (‘Z’) en in die hoedanigheid beiden bevoegd om Z zelfstandig te vertegenwoordigen. Zij houden (indirect) ook ieder 50% van de aandelen in Z.

In Z wordt een pand geëxploiteerd. De huurder, waarvan de huidige schoonzoon van X bestuurder is, kan de huur niet opbrengen en vraagt Z om een betalingsregeling. Aangezien X en Y beiden zelfstandig bevoegd bestuurder zijn, stemt X namens Z in met die betalingsregeling. Vervolgens wordt die betalingsregeling niet nagekomen. Y wil rechtsmaatregelen treffen richting de huurder, maar X werkt hier niet aan mee en wijst Y op de getroffen betalingsregeling.

Y ziet geen andere mogelijkheid dan om in rechte te vorderen dat X zijn medewerking verleent aan het namens Z treffen van rechtsmaatregelen. De rechtbank en in hoger beroep ook het Hof wijzen die vorderingen (grotendeels) toe, maar alleen omdat X de huurder niet (actief) aan de betalingsregeling wilde houden en geen redelijk denkend bestuurder dit zou nalaten.

Conclusie

Z wordt dus in principe gebonden door de handelingen van X en ook Y moet zich daaraan houden. Y kan dus niet zomaar de handelswijze van X naast zich neerleggen en zijn eigen weg kiezen. Uit de uitspraak van het Hof kan overigens worden afgeleid dat, indien de huurder de betalingsregeling gewoon was nagekomen, de vorderingen van Y (in hoger beroep) zouden zijn afgewezen. Het treffen van de betalingsregeling was namelijk niet zodanig dat een redelijk denkend bestuurder deze niet zou zijn aangegaan. Zoals zo vaak zijn de omstandigheden van het geval beslissend.

Afsluitend

Zijn er meerdere bestuurders, onderzoek dan goed hoe de vertegenwoordiging is geregeld en maak onderling afspraken over hoe de bestuurders onderling moeten overleggen voordat zij verplichtingen met derden aangaan. In dergelijke gevallen kan een directiereglement uitkomst bieden, maar minstens zo belangrijk is in welke mate de gemaakte afspraken worden nageleefd. Gebeurt dit niet of onvoldoende, dan is de gang naar de rechter vaak de enige mogelijkheid. Zelfs dan ligt het er nog maar aan of eerdere toezeggingen van andere bestuurders kunnen worden terug gedraaid of in strijd daarmee mag worden gehandeld.

(Bron: Pellicaan)

Export naar klanten in de EU die geen btw-aangifte doen: drempelbedragen

Levert u goederen aan een klant in een ander EU-land en doet deze klant geen btw-aangifte? En vervoert u de goederen zelf naar dat land of laat u de goederen daar naartoe vervoeren? Dan is dit een afstandsverkoop als u in 1 jaar meer verkoopt dan het drempelbedrag van het EU-land waar de goederen naartoe gaan. U gebruikt dan het btw-percentage dat geldt in dat EU-land.

Klanten die geen btw-aangifte doen, zijn:

  • particulieren
  • ondernemers die uitsluitend vrijgestelde prestaties leveren
  • ondernemers die gebruikmaken van de landbouwregeling
  • rechtspersonen die geen ondernemer zijn

Drempelbedragen bij afstandsverkopen

Bij afstandsverkopen geldt dat u buitenlandse btw in rekening moet brengen. Om te voorkomen dat u zich al voor 1 enkele levering in een ander EU-land moet laten registreren, hebben de EU-landen drempelbedragen afgesproken. Tot aan die drempelbedragen per land mag u Nederlandse btw in rekening brengen. Daarboven moet u het btw-tarief van het land van de klant in rekening brengen.

Wat betekent dat voor u?

Verkoopt u in 1 jaar in totaal meer dan het drempelbedrag dat per land geldt? Dan moet u het btw-tarief van het land van de klant in rekening brengen. Dat doet u vanaf het moment dat u het drempelbedrag bereikt. U moet zich dan, ook in dat land als ondernemer registreren en daar btw-aangifte doen. Als u het vorige jaar boven het drempelbedrag uitkwam, moet u het jaar daarop ook buitenlandse btw in rekening brengen, ook als u in dat jaar het drempelbedrag niet overschrijdt.

Wilt u weten hoe dat in de praktijk gaat? Bekijk dan deze voorbeelden van afstandsverkopen.

Kiezen voor buitenlandse btw

Wilt u niet altijd de drempelbedragen in de gaten houden? En verschillende btw-tarieven moeten toepassen? Dat kan als u ervoor kiest altijd de regeling voor afstandsverkopen toe te passen. U brengt dan altijd buitenlandse btw in rekening aan klanten die in een ander EU-land geen btw-aangifte doen.

Uitzonderingen bij afstandsverkopen

De regeling voor afstandsverkopen geldt niet bij export van:

De bedragen van deze leveringen telt u dus niet mee voor het drempelbedrag.

Uw klant heeft ook een drempelbedrag

Is uw klant een ondernemer die geen btw-aangifte doet, of een rechtspersoon die geen ondernemer is? Voor deze groepen geldt dat zij tot bepaalde maximumbedragen goederen kunnen kopen in een ander EU-land, tegen het btw-tarief van dat EU-land. Komt zo’n klant boven het drempelbedrag? Dan zal hij u vragen om een factuur met 0% btw. Voor u is dan sprake van een intracommunautaire levering. Uw klant moet de btw in eigen land aangeven en betalen. De maximumbedragen voor afnemers vindt u bij Drempelbedragen voor uw buitenlandse klanten.

(Bron: Belastingdienst)

Beperk je risico’s als bestuurder van een BV

Ondanks dat het economisch klimaat wat beter lijkt te zijn, zijn er nog steeds financiële problemen bij het mkb. Hoewel het aantal faillissementen terugloopt, gaat het helaas nog wel eens mis. Ondernemers zijn (soms terecht) liever bezig met ondernemen dan met de risico’s van bijvoorbeeld aansprakelijkheid, maar het is ook goed die risico’s te bespreken.

Als advocaat gespecialiseerd in bestuurdersaansprakelijkheid zie ik maar al te vaak dat problemen eerder voorkomen hadden kunnen worden. Liever vooraf advies, dan achteraf problemen!

Vormen van bestuurdersaansprakelijkheid

Als bestuurder kun je het risico lopen van persoonlijke aansprakelijkheid. Er zijn verschillende vormen van bestuurdersaansprakelijkheid. Bijvoorbeeld is het vaste rechtspraak dat een bestuurder aansprakelijk kan zijn wanneer hij namens de onderneming verplichtingen aangaat waarvan hij weet, of redelijkerwijs kon weten, dat de onderneming deze verplichtingen niet zou kunnen voldoen en waardoor schuldeisers vervolgens met lege handen staan. Simpel gezegd: als je tegen beter weten in toch nog doorgaat.
Een andere aansprakelijkheid is als de bestuurder bewerkstelligt dat de vennootschap een wettelijke of contractuele verplichting niet nakomt. Rechters zijn echter wel terughoudend met het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid. De gedachte hierachter is dat ondernemers ook een bepaalde vrijheid moeten hebben risico’s te nemen (dat hoort nu eenmaal bij ondernemen). De bestuurder moet een voldoende ernstig verwijt gemaakt kunnen worden.

Dividenduitkering en aansprakelijkheid bestuurder

Er zijn echter ook andere risico’s. Als het gaat om de financiële situatie, zijn er bepalingen opgenomen ten aanzien van bijvoorbeeld dividenduitkeringen. Artikel 2:216 BW bepaalt bijvoorbeeld dat een dividenduitkering pas gevolgen heeft wanneer dit goedgekeurd is door het bestuur, waarbij de bestuurder een zogenaamde uitkeringstest moet doen. Maar de Wet schrijft bijvoorbeeld ook voor dat bestuurders aansprakelijk kunnen zijn voor schade vanwege een misleidende voorstelling van zaken in de jaarrekening.

Aansprakelijkheid bestuurder administratie niet op orde

Een ander aansprakelijkheidsrisico dat op de loer ligt, is de plicht van het melden van betalingsonmacht bij de belastingdienst. Indien niet tijdig betalingsonmacht wordt gemeld, kan de bestuurder aansprakelijk worden gehouden voor belastingen en (pensioen)premies. In geval van faillissement is ook belangrijk dat de curator een krachtig wapen heeft, indien de bestuurder de administratie van de vennootschap niet op orde heeft, want dan is er een vermoeden van onbehoorlijk bestuur.

Aansprakelijkheid bestuurder bankzaken

Naast al deze risico’s die in de Wet zijn genoemd en in rechtspraak, dient een bestuurder natuurlijk ook beducht te zijn op informatieverplichtingen aan bijvoorbeeld de bank. In de bankvoorwaarden staat (vrijwel) altijd dat alle relevante informatie over de vennootschap moet worden verstrekt. Indien een bestuurder dat niet doet, kan de bestuurder ook worden aangesproken door de bank.
Ik heb enkele risico’s voor het bestuur en de ondernemer aangestipt. In de praktijk zijn er ook andere risico’s. Vooraf advies vragen aan advocaat kan vaak veel ellende in de toekomst voorkomen.
(Bron: MKB Servicedesk)