3 tips voor een goede liquiditeit

Zorg dat je kunt voldoen aan je betalingen:
De liquiditeit van je bedrijf is voor een groot deel afhankelijk van het betaalgedrag van je klanten. Hoe sneller je geld van klanten binnen is, des te sneller en beter je kunt voldoen aan je financiële verplichtingen. Hiermee verbeter je direct je eigen kredietwaardigheid.

Wat is liquiditeit?

Liquiditeit is een cijfer (ratio) dat aangeeft in hoeverre jouw bedrijf aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, nu of in de toekomst.

3 tips om je liquiditeit te verbeteren

Je liquiditeit kun je verbeteren door er simpelweg voor te zorgen dat je klanten betalen. Op tijd en volgens afspraak. Hierdoor heb jij meer financiële ruimte om te ondernemen – aan je eigen betalingsafspraken te voldoen (liquiditeit dus) en te investeren in nieuwe dingen.

 

1. Duidelijke betalingsafspraken

Maak met je klant heldere afspraken over de betaling, dan zul je eerder je geld ontvangen. Hoe? Zorg dat van tevoren de volgende zaken duidelijk zijn bij je klant:

  • Het geldbedrag (juiste valuta + BTW-percentage)
  • Betalingstermijn (vooraf, binnen x dagen, in termijnen)
  • Betaalwijze (bijv. eenmalige of periodieke incasso, cash betaling, pin,creditcard)
  • Gevolgen bij te laat betalen (aanmaning, verhoogd bedrag, incassotraject)

Hoe kun je deze afspraken goed vastleggen en bij je klant bekend maken? Dit kun je doen op de volgende manieren:

  • In je offerte
  • In een contract
  • In je algemene voorwaarden
  • Op je factuur
  • Correspondentie (e-mail)

2. Goed debiteurenbeheer voeren

Om te zorgen dat je klanten betalen is het slim hier bovenop te zitten. Dit noem je ook wel debiteurenbeheer of creditmanagement. Dit is de methode waarop jouw bedrijf ervoor gaat zorgen dat er betaald wordt, zo snel en soepel mogelijk. Door een goed georganiseerd debiteurenbeheer worden facturen sneller betaald. Belangrijk is dat je debiteurenbeheer in handen is van iemand die goed met klanten overweg kan, harde afspraken kan maken en bevoegd is om betalingsafspraken te maken. Als je intern geen capaciteit hiervoor hebt, kun je bijvoorbeeld een kredietverzekeraar, incassobureau of bank inschakelen om je hierbij te helpen.

3. Klanten afstoten

Om je liquiditeit te verbeteren is het verstandig zaken te doen met betrouwbare klanten die op tijd betalen. Durf afscheid te nemen van slecht betalende klanten en focus je op de klanten die je aandacht verdienen en voor winst zorgen. Natuurlijk wil je liever voorkomen dat je klanten de wacht aan moet zetten. Het is dan ook slimmer om vooraf goed te controleren wat de betaalreputatie en financiële status van je klant is. Dit kun je doen door kredietinformatie op te vragen via een kredietinformatiebureau of kredietverzekeraar. Deze maken door middel van een cijfer (score) van 0 tot 10 heel eenvoudig inzichtelijk in hoeverre een bedrijf de komende 12 maanden aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Zo weet jij hoeveel risico je loopt en kun je voorkomen dat je in zee gaat met slecht betalende klanten.

 

Eigen kredietwaardigheid

Door bovenstaande tips toe te passen verbeter je niet alleen je liquiditeit, het zorgt direct voor een betere kredietwaardigheid van je eigen bedrijf. Je bedrijf heeft dan zelf een gezonde basis en zeer waarschijnlijk ook een goede betaalreputatie. Hierdoor zullen klanten en financiële partijen (zoals banken en verzekeraars) eerder zaken met je doen en je bijvoorbeeld een beter rentepercentage aanbieden. Alleen maar voordelen dus.

(Bron: MKBServicedesk)

6 voordelen van het werken met een begroting

Ondernemers die bewust en actief met een begroting werken zijn doorgaans succesvoller in hun werk, omdat ze gerichter sturing kunnen geven aan hun bedrijf. In deze checklist vind je de 6 grootste voordelen van het werken met een begroting.

De meeste ondernemers maken bij de start van hun bedrijf een begroting, waarin ze de verwachte inkomsten en uitgaven opnemen. De begroting maakt in veel gevallen deel uit van het ondernemingsplan. Bij een financieringsaanvraag stellen ondernemers (verplicht) een aantal begrotingen op, maar zodra de financiering rond is, kijken sommigen hier eigenlijk niet meer naar om. Zonde, want werken met een begroting heeft de nodige voordelen. Hieronder noemen we er zes.

1. Inzicht in de financiële haalbaarheid van plannen

Een begroting is in principe niets anders dan het doorrekenen van toekomstplannen. Hiermee worden zwakke plekken en risico’s zichtbaar. Het is goed om van tevoren helder te krijgen wat wel en wat niet haalbaar is. Aan de hand hiervan kun je prioriteiten stellen. Blind blijven sturen op een onhaalbaar doel kan grote gevolgen hebben voor de continuïteit van jouw onderneming.

2. Meer kans op krediet

Op basis van een goed doordacht plan kan worden bepaald hoe veel externe financiering jij nodig hebt en of die financiering bij de bank geregeld kan worden en/of bij een alternatieve financier. Zowel de bank als andere financiers zullen vaak een (meerjaren)begroting eisen voordat ze tot financiering kunnen overgaan.

Met een begroting laat je de financier vooraf zien wat je met het geleende geld gaat doen. Nu het steeds lastiger wordt om startkapitaal te vergaren, is goed ondernemerschap belangrijk. Een ondernemer die kan aantonen dat hij met behulp van een begroting bewust sturing geeft aan zijn bedrijf, laat zien dat hij een goede ondernemer is waarin financiers vertrouwen kunnen hebben.

3. Op tijd kunnen bijsturen

Hoewel een begroting vrijwel nooit (exact) zal worden gerealiseerd, is het de bedoeling dat je wel probeert de begroting te halen. Door maandelijks de gerealiseerde cijfers te vergelijken met jouw begroting, kun je waar nodig ingrijpen. Soms zullen omstandigheden je dwingen de begroting aan te passen in positieve of negatieve zin. Als je bewust stuurt, zie je eventuele problemen vaak al in een vroeg stadium aankomen, kun je tijdig bijsturen en daarmee eventuele problemen voorkomen.

4. Liquiditeitsprognose en seizoensfinanciering

Bedrijven die een beperkte periode van het jaar een hogere financiering nodig hebben, regelen dat meestal met een rekening courant krediet bij de bank. Omdat dit vrij kostbaar kan zijn, is het belangrijk dat je probeert dit krediet zo laag mogelijk te houden.

Een planning van de inkomsten en uitgaven in deze periode (liquiditeitsbegroting) is belangrijk. Je kunt daarmee uitrekenen hoeveel seizoenskrediet nodig is (limiet) en kunt snel ingrijpen (debiteuren aanmanen, betaling van crediteuren uitstellen) als de werkelijkheid te veel gaat afwijken van de begroting. Ook het tijdig aanvragen van verruiming van het krediet is mogelijk wanneer je beschikt over een liquiditeitsprognose.

5. Kosten en budgettering

Een begroting geeft inzicht in de te maken kosten. Op basis van een begroting kun je als ondernemer beter bepalen welke uitgaven wel of niet gewenst of noodzakelijk zijn. Met een begroting kunnen financiële beslissingen ook transparanter worden gemaakt richting eventuele medewerkers. Bijvoorbeeld bij het vaststellen van de budgetten.

6. Juiste kostprijs bepalen

Verkoopprijzen voor producten of diensten worden bepaald door de markt. Een bedrijf maakt winst wanneer de kostprijs lager is dan de verkoopprijs. Het is daarom belangrijk om op de kostprijs te sturen en deze zo laag mogelijk te houden. De kostprijs bepaal je door directe kosten (inkoop en overige directe kosten) te vermeerderen met eventuele indirecte kosten en risico’s. De begroting, waarin je deze gegevens moet verwerken, is de basis voor de kostprijsberekening en van groot belang voor jouw uiteindelijke bedrijfsvoering.

[Bron: MKB Servicedesk]

Betalingstermijnen op facturen, hoe zit dat?

ZZP’ers vermelden op hun facturen bijna altijd een betalingstermijn. Toch wordt deze uiterlijke betaaldatum regelmatig overschreden door opdrachtgevers of klanten, waardoor ondernemers in financiële problemen komen. Wat zijn de wettelijke voorwaarden met betrekking tot betalingstermijnen en hoe kun je als ZZP’er het beste met wanbetalers omgaan?

Redenen voor ontslag

U mag uw werknemer alleen ontslaan als u daarvoor een goede reden heeft. In de wet staat wat een goede reden kan zijn. In sommige situaties mag u uw werknemer helemaal niet ontslaan. En soms heeft u geen reden nodig voor het ontslag. Uw werknemer mag zonder goede reden ontslag nemen.

Wat zijn toegestane redenen voor ontslag?

U mag uw werknemer ontslaan:

  • om bedrijfseconomische redenen. Bijvoorbeeld bij een reorganisatie, een bedrijfsverhuizing of uw faillissement.
  • als uw werknemer 2 jaar of langer arbeidsongeschikt is en de kans klein is op een herstel binnen 26 weken.
  • als uw werknemer vaak ziek is, dit onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering en een andere functie of aangepast werk niet mogelijk is.
  • als uw werknemer onvoldoende functioneert. U moet uw werknemer hier dan wel vaker aantoonbaar op gewezen hebben. Bijvoorbeeld in een beoordelingsgesprek of functioneringsgesprek. Uw werknemer moet ook de kans krijgen het functioneren te verbeteren. De ongeschiktheid voor de functie mag niet komen door arbeidsomstandigheden of onvoldoende scholingsmogelijkheden.
  • als uw werknemer verwijtbaar gedrag vertoont of verwijtbaar iets nalaat. Bijvoorbeeld stelen, dronken op het werk verschijnen, diploma’s vervalsen of werk weigeren zonder goede reden. Hiervoor mag u uw werknemer vaak zelfs op staande voet ontslaan.
  • als uw werknemer ernstige gewetensbezwaren heeft tegen de werkzaamheden en u kunt geen andere functie of aangepast werk bieden.
  • bij een verstoorde arbeidsrelatie die niet meer te herstellen is.
  • bij andere omstandigheden. Bijvoorbeeld als uw werknemer illegaal in Nederland is of in de gevangenis zit.

Herplaatsing

Voor u uw werknemer kunt ontslaan, moet u eerst kijken of herplaatsing mogelijk is.

Wanneer mag u uw werknemer zonder een toegestane reden ontslaan?

  • Als uw werknemer de AOW-leeftijd of andere pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
  • Als uw werknemer een proeftijd heeft en u uw werknemer tijdens deze proeftijd ontslaat.

Wanneer mag u uw werknemer niet ontslaan?

In een aantal situaties mag u uw werknemer niet ontslaan:

  • tijdens de eerste 2 jaar ziekte of arbeidsongeschiktheid.
  • tijdens een zwangerschap en bevalling, bevallingsverlof en 6 weken daarna of vanwege ouderschapsverlof.
  • als uw werknemer (kandidaat)lid is van een medezeggenschapsorgaan (tot 2 jaar daarna) of lid is van een voorbereidingscommissie van een ondernemingsraad.
  • tijdens de dienstplicht in het land van herkomst van uw werknemer.
  • als uw werknemer lid is van een vakbond of vanwege het bijwonen van vergaderingen van (commissies van) vertegenwoordigende organen.
  • op basis van godsdienst, ras, geslacht, leeftijd, handicap (discriminatie).
  • als uw werknemer weigert op zondag te werken.
  • als uw bedrijf wordt overgenomen.

Wat als uw werknemer zelf ontslag neemt?

Een werknemer hoeft geen reden te hebben om ontslag te nemen. Neemt uw werknemer zelf ontslag, dan hoeft u geen transitievergoeding te betalen. Maar vertrekt uw werknemer vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van uzelf? Bijvoorbeeld als door laakbaar gedrag een verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan? Dan heeft uw werknemer wel recht op een transitievergoeding, en een extra vergoeding.

(Bron: Ondernemersplein.nl)

Man-vrouwfirma oprichten: wat zijn de regels?

De man-vrouwfirma is een speciale vorm van de vennootschap onder firma (vof) en bestaat uit partners die samen een bedrijf starten. De oprichting is wel aan een aantal voorwaarden gebonden en heeft fiscaal gezien zowel voor- als nadelen. Lees daarom deze checklist over het oprichten van een man-vrouwfirma.

Wat is een man-vrouwfirma?

Een man-vrouwfirma is een variant van de vennootschap onder firma (vof), waarbij de vennoten of firmanten partners van elkaar zijn. De term man-vrouwfirma is overigens behoorlijk gedateerd en stamt nog uit de tijd dat een echtpaar uit een man en een vrouw bestond. Deze rechtsvorm slaat inmiddels dus op alle echtparen, ongeacht sekse. De regels en oprichtingseisen zijn verder in principe gelijk aan die van een vof.

Wat zijn ook alweer de regels van een vof?

Een vennootschap onder firma (vof) is een rechtsvorm waarbij je samen met andere ondernemers een bedrijf start. Het is de bedoeling dat alle vennoten iets inbrengen in de op te richten onderneming. Het gaat hier in veel gevallen om een geldbedrag, maar de inbreng kan bijvoorbeeld ook bestaan uit specifieke goederen of arbeidsuren.

Alle ondernemers in een vof betalen inkomstenbelasting over hun eigen winst. Elke vennoot die aan de eisen voor het ondernemerschap voldoet, geldt voor de Belastingdienst als ondernemer. En kan vervolgens gebruikmaken van de fiscale aftrekposten als de zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek, MKB-winstvrijstelling en de fiscale oudedagsvoorziening.

Voor de btw gelden dan weer andere regels: in dit geval wordt de vof als één ondernemer gezien. Als je met z’n tweeën een vof vormt, ben je dus allebei ondernemer voor de inkomstenbelasting, maar is de vof ondernemer voor de btw. Als je personeel in dienst neemt, komen de loonheffingen van de werknemers voor rekening van de vof, niet voor de afzonderlijke vennoten.

Hoe richt je een man-vrouwfirma op?

Net als bij een eenmanszaak volstaat de oprichting met een inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Bij een vof is het gebruikelijk om met de andere vennoten afspraken te maken en een contract af te sluiten over de oprichting, winstverdeling, algemene doelstellingen en de verdere bedrijfsvoering. Bij een man-vrouwfirma is dit vaak wat overzichtelijker omdat het partners betreft, maar het kan nooit kwaad om bij een notaris langs te gaan om je voor te laten lichten over een vennootschapscontract.

Wat zijn de voordelen van een man-vrouwfirma?

Het grootste voordeel van de man-vrouwfirma is dat beide partners gebruik mogen maken van de beschikbare fiscale voordelen voor ondernemers, zoals de zelfstandigenaftrek. Dit is een groot verschil ten opzichte van een situatie waarbij de ene partner ondernemer is en de andere partner diens medewerker. Voorwaarde is wel dat beide partners voldoen aan de eisen van het ondernemerschap. Een partner die niet voldoet aan het urencriterium van 1225 uur, komt niet in aanmerking voor de ondernemersregelingen.

Wat zijn de overige voorwaarden?

Een andere voorwaarde is dat het werk gelijkwaardig moet zijn. De partners moeten volwaardig zijn en op hetzelfde niveau (mee)werken in de onderneming. Een veel gebruikt voorbeeld is de relatie tussen een tandarts en zijn assistente. Ze zijn getrouwd en werken samen in een vof. Toch kunnen ze geen man-vrouwfirma oprichten omdat ze geen gelijkwaardig werk verrichten: de ‘ondersteunende’ werkzaamheden van de partner zijn niet voldoende.

Een dokterspraktijk waarin beide echtelieden huisarts zijn, voldoet dan juist wel weer aan de eisen. De Belastingdienst let scherp op deze voorwaarden in verband met de dubbele zelfstandigenaftrek. Zorg er dus voor dat je aan alle voorwaarden voldoet om naheffingen of boetes te voorkomen.

Heeft deze constructie ook nadelen?

Een nadeel van een man-vrouwfirma is dat beide partners hoofdelijk aansprakelijk zijn en dat eventuele schuldeisers dus aanspraak kunnen maken op beide privé-vermogens, óók wanneer ze niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Dit komt omdat een vof, en dus ook de man-vrouwfirma, geen rechtspersoon is. Elke partner in een vof is met zijn persoonlijke vermogen dus hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van de schulden van de firma.

Wanneer is sprake van winst uit onderneming?

Binnenkort is het weer zover en mag de aangifte inkomstenbelasting 2015 verzorgd en ingeleverd worden. Een vraag die dan kan opdoemen, is of bepaalde activiteiten kunnen kwalificeren als ondernemingsactiviteiten en daardoor aangegeven kunnen worden onder winst uit onderneming. Waarom is dat interessant en wanneer kan het eigenlijk (niet)?

Voordelen fiscaal ondernemerschap
Het voordeel van fiscaal ondernemerschap is dat men, indien men aan de voorwaarden voldoet, een aantal ondernemingsfaciliteiten kan benutten. Zoals de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de MKB – winstvrijstelling, de FOR. Deze faciliteiten leiden tot vele duizenden euro’s voordeel. Daarnaast zijn de kosten als ondernemingskosten aftrekbaar. Indien dit leidt tot een negatief resultaat uit onderneming is dit negatieve resultaat te verrekenen met andere positieve box I inkomsten. Men ziet in de praktijk dan ook wel dat men mede om deze reden verlieslijdende activiteiten als ondernemingsactiviteiten poogt te kwalificeren. Dat dit niet altijd goed gaat, heeft recentelijk een uitspraak van Hof Amsterdam in een verwijzingszaak weer laten zien¹.

In deze casus had een belastingplichtige, X, in 2006 zijn eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. X zou kennismakingsreizen aanbieden met het project “Inspirerend op weg door Europa”. In zijn aangiften IB 2007 en 2008 voerde X een verlies uit onderneming op. Hof Den Haag was het met de inspecteur eens dat geen sprake was van een bron van inkomen. De inspecteur nam de inkomsten in aanmerking als resultaat uit overige werkzaamheden zonder aftrek van kosten. X ging in beroep. Hof Den Haag volgde het standpunt van de inspecteur. De Hoge Raad vond de beslissing van het Hof onverenigbaar met zijn beslissing dat X in 2008 geen inkomsten had verworven met activiteiten voor zijn eenmanszaak. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Amsterdam. Dit Hof besliste dat X niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een organisatie van kapitaal en arbeid waarmee duurzaam werd deelgenomen aan het economische verkeer en dat met de in zijn eenmanszaak ondernomen activiteiten in 2008 redelijkerwijs geen voordeel viel te verwachten. Het Hof handhaafde de correctie van de inspecteur.

Voorwaarden ondernemerschap
In voornoemde uitspraak lezen we dat het ondernemerschap getoetst wordt aan de criteria van ondernemerschap. Eerst moet bepaald worden of sprake is van een bron van inkomen en vervolgens of deze bron van inkomen kwalificeert als winst uit onderneming.

Van een onderneming (een bedrijf of een zelfstandig uitgeoefend beroep) is sprake in geval van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee beoogd wordt om door middel van deelname aan het economisch verkeer winst te behalen en deze winst ook redelijkerwijs te verwachten is. Uit deze omschrijving zijn zes criteria te destilleren.

De eerste drie criteria bepalen of sprake is van een bron van inkomen:

  1. deelname aan het economisch verkeer
  2. winst beogen
  3. winst is redelijkerwijs te verwachten

De laatste drie criteria bepalen of sprake is van winst uit onderneming:

  1. marktgerichtheid
  2. organisatie van kapitaal en arbeid
  3. ondernemersrisico

De vraag is vaak of er nu sprake is van ondernemingsactiviteiten of van nevenwerkzaamheden (aan te geven onder belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden). De feitelijke omstandigheden zijn  bepalend. Uit de jurisprudentie is af te leiden dat de volgende (combinatie van) factoren van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van ondernemerschap.

  • het aantal klanten of opdrachtgevers;
  • de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden;
  • de grootte van de omzet;
  • de omvang van de investeringen;
  • de bekendheid naar buiten;
  • het lopen van debiteurenrisico;
  • het spraakgebruik.

Het gewicht van deze factoren is wisselend. De jurisprudentie laat in deze een veelheid van voorbeelden zien. Bij vrije beroepsbeoefenaren (bijvoorbeeld belastingadviseurs, advocaten) kan de omvang van investeringen bijvoorbeeld (zeer) gering blijven, terwijl er toch sprake van ondernemerschap kan zijn. Er is ook de nodige jurisprudentie over vrachtwagenchauffeurs. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat een vrachtwagenchauffeur die slechts rijdt voor één opdrachtgever, een (gering) debiteurenrisico loopt, investeert in een vrachtwagen, toch ondernemer is. Ook een vrachtwagenchauffeur die niet investeert, maar rijdt voor verschillende opdrachtgevers kan kwalificeren als ondernemer. Wat ook helpt is als er aandacht wordt besteedt aan de (uiterlijke) kenmerken van een onderneming, zoals inschrijving kamer van koophandel, briefpapier, bedrijfsbrochures, bankrekening, reclame, vergunningen, vakdiploma’s, facturen en dergelijke.

Ook hoeft een (volledige) dienstbetrekking geen belemmering te zijn om daarnaast activiteiten te ontplooien die als ondernemingsactiviteiten kwalificeren.

Startende activiteiten
De discussie over het wel of niet kwalificeren als onderneming ontstaat ook vaak bij opstartactiviteiten. In de opstartfase is nogal eens sprake van negatieve resultaten en het is toch interessant als die aftrekbaar zijn. Is immers sprake van ondernemingsactiviteiten, dan kan het verlies verrekend worden met andere box I inkomsten en ook de carry back kan nog interessant zijn. De inspecteur wil het bronkarakter nog wel eens ontkennen, met name daar waar weliswaar winst beoogd wordt, maar deze winst redelijkerwijs niet te verwachten is. In deze stelling wordt de inspecteur dan vaak geholpen doordat feitelijk (immer) verlies wordt gemaakt. Het zal niet verwonderen dat er in deze situatie uitgebreide jurisprudentie voorhanden is.

Tegemoetkoming bij verliezen in de aanloopfase van een onderneming
De inkomstenbelasting kent een regeling voor de kosten die ondernemers maken in de fase die ligt voor het moment dat sprake is van een onderneming. Er dient in dit verband een onderscheid te worden gemaakt tussen:

  1. gevallen waarin van een activiteit van een belastingplichtige het bronkarakter niet duidelijk is
  2. gevallen waarin de (voorgenomen) activiteit wél een bron van inkomen vormt, maar aan de uitoefening van die activiteit een periode voorafgaat waarin voorbereidende handelingen worden verricht en slechts kosten worden gemaakt.

In de gevallen onder (i) kan achteraf, wanneer er geen twijfel meer bestaat dat er sprake is van een bron van inkomen en dat deze bron kwalificeert als winst uit onderneming, bij de berekening van de winst van het eerste jaar van het (fiscaal erkende) bestaan van de onderneming, het totale bedrag van de kosten die in de vijf voorafgaande kalenderjaren zijn gemaakt, in aftrek worden gebracht. Deze kosten moeten verband houden met het starten van de onderneming. Daarnaast moet bij de aftrek rekening worden gehouden met eventuele opbrengsten in die jaren. Als deze regeling ertoe leidt dat in het eerste boekjaar een (groter) verlies uit onderneming ontstaat, zijn de gewone regels van verliesverrekening daarop van toepassing, ook al komen de kosten waarom het hier gaat uit andere jaren. De regeling heeft evenwel niet tot gevolg dat met terugwerkende kracht de regels van de winstbepaling van toepassing worden verklaard. Er wordt bijvoorbeeld niet alsnog investeringsaftrek verleend.

In de gevallen onder (ii) worden de kosten aanstonds in aanmerking genomen, ook als de voorgenomen activiteit uiteindelijk geen doorgang vindt. Er is in deze gevallen immers wel sprake van een onderneming. In deze gevallen komt men niet toe aan de regeling met betrekking tot verliezen in de aanloopfase naar een onderneming.

We hebben het hier gehad over ondernemerschap in de inkomstenbelasting. In een afzonderlijk artikel zal ik ingaan op ondernemerschap voor de BTW en zult u zien dat het in nuances kan verschillen.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

10 Vragen over werkgeverslasten 2016

Zijn werkgeverslasten nu iets wat iedereen wel weet of blijven er vragen over. Werkgeverslasten in 10 vragen – opgesteld door Ton Breitenfellner – biedt een beknopt overzicht.

1.   Wat zijn werkgeverslasten?

Werkgeverslasten zijn extra loonkosten naast het brutoloon en bestaan uit wettelijke en niet wettelijke lasten.

2. Waarover worden werkgeverslasten berekend?

Werkgeverslasten worden berekend over het loon maar ook over uitkeringen. Uitkeringen worden betaald door uitvoeringsinstellingen en eigen risicodragers

3. Hoe hoog zijn de werkgeverslasten?

Werkgeverslasten over het loon kunnen oplopen tot 40% van het brutoloon. Over uitkeringen is dit maximaal 25%.

4. Waarom is inzicht in werkgeverslasten belangrijk?

Ter bepaling van de totale loonkosten, het risico van eigen risicodragers en het extra percentage dat meeverzekerd kan worden bij verzuimverzekeringen in verband met werkgeverslasten.

5. Wat zijn wettelijke werkgeverslasten?

Wettelijke werkgeverslasten bestaan uit premies werknemersverzekeringen:

  • WAO-WIA basispremie (inclusief premie kinderopvang)
  • AWF-premie
  • ZVW-premie
  • Sectorfondspremie
  • Premies (Whk) ZW, WGA-vast en WGA-flex.

Premies werknemersverzekeringen worden berekend over het gemaximeerde loon (artikel 17 Wfsv). Per 1-1-2016 bedraagt dat maximum  € 52.763,- per jaar. De premies Whk worden jaarlijks door het UWV aan werkgevers verstrekt.

6. Wat zijn niet wettelijke werkgeverslasten?

Niet wettelijke werkgeverslasten zijn de via arbeidsovereenkomst of CAO geldende lasten zoals de pensioenpremie en sectorale afdrachten (bijvoorbeeld O&O-fondsen).

7. Hoe hoog zijn de werkgeverslasten over het loon voor niet eigen risicodragers?

De WAO-WIA, AWF en ZVW-premies worden landelijk en de Sectorfondspremies per sector vastgesteld. Voor de Whk gelden voor kleine werkgevers sectorale,  voor grote werkgevers gedifferentieerde en voor middelgrote werkgevers gemengde premies. Gemiddeld zijn de wettelijke werkgeverslasten 2016, 18,47%.

8. Hoe hoog zijn de werkgeverslasten over het loon voor eigen risicodragers?

Werkgeverslasten voor eigen risicodragers zijn gelijk aan die van niet eigen risicodragers met uitzondering van de premie voor het risico (ZW en/of WGA) dat men zelf draagt. Gemiddeld zijn deze lasten over 2016 voor eigen risicodragers ZW 18,08% en voor eigen risicodragers WGA-vast 17,99%.

9. Hoe hoog zijn de werkgeverslasten over uitkeringen?

Over uitkeringen zijn alleen wettelijke werkgeverslasten verschuldigd. De hoogte ervan hangt af van wie de uitkering betaalt: het UWV of de eigen risicodrager. Voor het UWV zijn de werkgeverslasten 2016, in alle gevallen 18,85%. Voor eigen risicodragers zijn deze gelijk aan die over het loon.

10. Hoe berekent de werkgever zijn werkgeverslasten?

De  WAO/WIA-basispremie inclusief premie kinderopvang, de AWF-premie en de ZVW werkgeverspremie, bedragen 15,57%.  De Sectorfondspremie kan aan de hand van de gepubliceerde tabellen worden bepaald. Kleine werkgevers (loonsom tot € 319.000) betalen ook voor de Whk sectorale premies die jaarlijks worden gepubliceerd. Grote werkgevers (loonsom boven € 3.190.000) betalen gedifferentieerde ZW, WGA-vast en WGA-flex premies. Middelgrote werkgevers betalen een mengvorm van sector- en gedifferentieerde premies Whk. Werkgevers ontvangen jaarlijks in november van het UWV een opgave van de nieuwe Whk-premies.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Bewaarplicht voor digitale kassagegevens

Ondernemers zijn verplicht om digitale kassagegevens te bewaren. De reden hiervoor is dat de Belastingdienst een efficiëntere controle kan uitvoeren. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad. Wat betekent dit voor ondernemers in de praktijk?

 

Kies voor het juiste kassasysteem

Met de bewaarplicht moeten ondernemers er nu nog beter voor zorgen dat zij hun digitale kassagegevens goed bewaren. Sommige kassasystemen overschrijven wekelijks de digitale detailgegevens om zo geheugencapaciteit te besparen. Met deze kassasystemen voldoet u niet meer aan de gestelde eisen en is het noodzakelijk om hier een oplossing voor te vinden. Er bestaan verschillende kassasystemen, waarmee u eenvoudig  aan de fiscale  regels kunt voldoen. Alle x en z-afslagen en transacties dienen minimaal gedurende 7 jaar bewaard te worden.

 

Kassasysteem vormt basis bedrijfsvoering

Met een goed kassasysteem voldoet u niet alleen aan de fiscale bewaarplicht, u legt ook direct een goede basis voor uw bedrijfsvoering. Kassasystemen hebben tegenwoordig uitgebreide functionaliteiten en geven u inzicht in onder andere transactie-, inkoop- en voorraadgegevens. Wilt u nog meer met deze gegevens doen? Overleg het met ons.

Terugvragen oninbare BTW kan niet met creditfactuur

Uw organisatie mag geen creditfactuur gebruiken voor het corrigeren van de BTW bij oninbare debiteuren. Corrigeren is alleen mogelijk door een afzonderlijk schriftelijk verzoek om teruggaaf bij de Belastingdienst in te dienen. Dit blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland.

In deze zaak ging het om een BTW-ondernemer die zich bezighield met advertentieacquisitie. Na ontvangst van de opdrachtbevestiging stuurde de ondernemer een factuur met BTW. Bleef de betaling van de factuur uit, dan stuurde hij een herinnering. Mocht dat niet helpen, dan volgde er een aanmaning en ten slotte nam hij telefonisch contact op. Kreeg de ondernemer dan nog niet zijn geld, dan ging hij over tot opzegging van de overeenkomst en stuurde hij een creditfactuur met dezelfde datum als de oorspronkelijke factuur.

Feitelijk geen omzet

De Belastingdienst vond die afhandeling niet correct en legde een naheffingsaanslag BTW op. De ondernemer had de BTW namelijk schriftelijk moeten terugvragen volgens de fiscus. Hier was de ondernemer het niet mee eens. Hij stelde namelijk dat hij de BTW op de creditfacturen wel in mindering kon brengen in de BTW-aangifte. Feitelijk had hij namelijk geen omzet gedraaid, omdat de creditnota dezelfde datum kreeg en dus in hetzelfde belastingtijdvak werd teruggevraagd. De rechter ging daar niet in mee. Bij oninbare debiteuren moest de ondernemer een schriftelijk verzoek indienen om de BTW terug te krijgen. De ondernemer mocht dus geen creditfactuur gebruiken.

Binnen één maand verzoek indienen

Uw organisatie kan alleen een creditfactuur gebruiken als de overeenkomst wordt ontbonden, minder wordt geleverd dan afgesproken of de prijs wordt verlaagd. Bij oninbare vorderingen moet uw organisatie binnen één maand na afloop van het aangiftetijdvak waarin duidelijk is geworden dat de debiteur niet heeft en niet meer zal betalen een schriftelijk verzoek indienen voor teruggaaf van BTW. Met dit verzoek moet u ook bewijzen meesturen. De volgende gegevens moet u in ieder geval in het verzoek opnemen:

  • naam en adres van uw afnemer;
  • datum en nummer van de betreffende factuur;
  • het niet-betaalde factuurbedrag;
  • het bedrag aan BTW dat u terugvraagt.

(Bron: Rendement)

Vraag huurder om verklaring 90% belaste prestaties

Verhuur van onroerende zaken is in principe vrijgesteld van heffing van btw. Verhuurder en huurder kunnen echter opteren voor een met btw belaste verhuur, als de huurder het gehuurde voor minimaal 90% (sommige branches 70%) gebruikt voor belaste activiteiten. Blijkt de huurder niet langer te voldoen aan deze voorwaarde, dan is de verhuur vrijgesteld. Dit kan tot gevolg hebben dat de verhuurder een gedeelte van de eerder afgetrokken btw moet terugbetalen.

 

Tip
Vraag de huurder om een verklaring dat hij in 2015 voldoet aan het 90%/70% criterium. Blijkt dit niet het geval, dan moet mogelijk de huurprijs (exclusief btw) worden aangepast.
(Bron: ABAB)