Progressievoorbehoud en keuzerecht buitenlandse belastingplichtige

De heffing van belasting over pensioenuitkeringen is in het Belastingverdrag met Duitsland aan het woonland toegewezen. Hof Den Bosch oordeelde onlangs dat Nederland ten onrechte belasting had geheven over het pensioen van een inwoner van Duitsland. Bijzondere omstandigheid in dit geval was dat de belanghebbende had gekozen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige in Nederland. Uitgaande van die keuze had de Belastingdienst een aanslag opgelegd alsof de belanghebbende binnenlands belastingplichtig was. De pensioenuitkeringen werden daarbij in aanmerking genomen, met toepassing van een vermindering van belasting.

Om te bereiken dat buitenlandse belastingplichtigen dezelfde voordelen hebben als binnenlandse belastingplichtigen die in gelijke omstandigheden verkeren, wordt de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting berekend volgens de vrijstellingsmethodiek met progressievoorbehoud. Het Nederlandse inkomen wordt belast naar het gemiddelde tarief dat zou gelden wanneer over het wereldinkomen zou worden geheven. Dat bij de keuze voor behandeling als binnenlands belastingplichtige het wereldinkomen als uitgangspunt wordt genomen voor het berekenen van dat gemiddelde tarief, betekent niet dat Nederland belasting heft over inkomensbestanddelen die in een belastingverdrag aan een ander land zijn toegewezen. Volgens de Hoge Raad heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat Nederland de pensioenuitkeringen in strijd met het Belastingverdrag in de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting heeft betrokken.

(Bron: Schuiteman Accountants)

BV aansprakelijk voor belastingschuld van voormalige dochter-BV

BV X bezat 100% van de aandelen BV Y. In maart 2007 verkocht BV Y een pand en  realiseerde daarmee een boekwinst van bijna € 1 mln. BV X nam daarna € 743.048  in rekening-courant op bij BV Y. Op 31 juli 2007 verkocht BV X haar aandelen BV  Y aan BV Z, die de koopsom grotendeels voldeed door middel van de overname van  de schuld in rekening-courant van BV X. Daarna kocht BV Y, eveneens op 31 juli  2007, een aantal onroerende zaken van BV Q voor een totaalbedrag van € 2,5 mln.  BV Q had de onroerende zaken op diezelfde dag van BV Z voor € 750.000 gekocht.  De onroerende zaken waren belast met verschillende hypotheekrechten voor  bedragen van in totaal € 3,4 mln. Ook lagen er twee executoriale beslagen op de  onroerende zaken ten behoeve van de ontvanger voor in totaal € 200.000. In de  eerste helft van 2008 werden de onroerende zaken door de hypotheekhouder  executoriaal verkocht. De opbrengst bedroeg € 907.400. BV Y liet vervolgens de  ambtshalve opgelegde aanslag Vpb 2007 onbetaald, waarna de ontvanger BV X op  grond van artikel 40 IW aansprakelijk stelde voor een deel van de aanslag. BV X  ging in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat het vermogen van BV Y was  verminderd anders dan door de normale bedrijfsvoering. De aankoop van de  onroerende zaken was geen handelen in het kader van de normale  bedrijfsuitoefening geweest. De onroerende zaken waren tot een (potentieel)  hoger bedrag bezwaard met hypotheken en beslagen dan de verschuldigde koopsom,  terwijl het niet gebruikelijk was om onroerende zaken te kopen waarop nog  hypotheken of beslagen voor schulden van een derde rusten. BV X was terecht  aansprakelijk gesteld en had ook niet aannemelijk gemaakt dat het niet aan haar  was te wijten dat het vermogen van BV Y ontoereikend was voor het voldoen van de  aanslag. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Interne criminaliteit in uw winkel

Eigen medewerkers die geld lenen uit de kassa, korting geven aan vrienden,  geld of producten stelen? Als ondernemer kunt u te maken krijgen met interne  criminaliteit. Bekijk het stappenplan  interne criminaliteit van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en  Veiligheid (CCV) om dit te voorkomen.

Mag u cameratoezicht houden?

Om diefstal te voorkomen mag u onder bepaalde voorwaarden cameratoezicht houden op de  werkplek.

Mag u jassen en tassen controleren?

Na bijvoorbeeld een reeks van diefstallen mag u de inhoud van jassen en  tassen van uw medewerkers controleren.  Dit heet visitatie. Visitatie is niet hetzelfde als fouilleren. Dat mag alleen  de politie doen.

U moet een visitatieregeling hebben. Hierin zet u wie mag visiteren, wanneer  en hoe visitatie plaatsvindt en waarom. Dit bespreekt u met uw ondernemingsraad. U kunt een  veiligheidsdienst de visitatie laten uitvoeren. Uw medewerker heeft het recht te  weigeren.

Hebt u recht op schadevergoeding?

U kunt uw werknemer een boete opleggen of een schadevergoeding  eisen bij de rechter. U moet in het arbeidscontract opnemen dat u  dit bij interne criminaliteit mag toepassen.

Mag u iemand direct ontslaan?

Hebt u voldoende bewijs? Dan mag u iemand direct ontslaan. Bij een terecht  gegeven ontslag op staande voet hebt u geen ontslagvergunning nodig van UWV.

Waarschuwingsregister detailhandel

Veel bedrijven in de detailhandel hebben te maken met diefstal door  personeel. Daarom kunnen winkeliers in het waarschuwingsregister nagaan of een sollicitant in het verleden bijvoorbeeld gestolen heeft.

(Bron: antwoord voor bedrijven)

Uw activiteiten op internet: hobby of onderneming?

Hebt u een internetsite waarmee u regelmatig zakelijk op internet adverteert?  Bijvoorbeeld op Marktplaats of Facebook? Of verdient u geld met uw internetsite,  zoals met het online verkopen van goederen of diensten, of met activiteiten als  affiliate?

Als het antwoord op deze vragen ‘ja’ is, bent u waarschijnlijk ondernemer.  Maar of dat ook echt zo is, hangt af van verschillende factoren. Zo zijn er  verschillen tussen ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting en ondernemer zijn  voor de btw. Hieronder leest u wat de verschillende vormen van ondernemerschap  zijn voor de Belastingdienst.

Wanneer bent u géén ondernemer?

Biedt u goederen of diensten gratis aan? Of alleen in de hobby- of  familiesfeer? Dan bent u voor ons geen ondernemer. U hoeft dus geen btw te  betalen en u hoeft ook niets te vermelden in uw aangifte inkomstenbelasting.

Ondernemer voor de inkomstenbelasting

Verkoopt u online goederen of diensten? En kunt u hieruit winst verwachten?  Dan is er sprake van inkomsten en bent u mogelijk ondernemer voor de  inkomstenbelasting.

Voor de inkomstenbelasting zijn er 3 soorten  inkomsten:

  • winst uit onderneming
  • loon uit dienstbetrekking
  • resultaat uit overige werkzaamheden

Waar uw inkomsten onder vallen, hangt af van een aantal factoren.  Bijvoorbeeld:

  • zelfstandigheid
  • ondernemersrisico
  • winstverwachting
  • de hoeveelheid tijd die u besteedt aan uw activiteiten

Meldt u zich aan als ondernemer? Dan beoordelen wij aan de hand van uw  omstandigheden of u aan de eisen voor ondernemerschap voldoet. Maar vaak kunnen  wij pas na afloop van het jaar beoordelen of u daadwerkelijk ondernemer was voor  de inkomstenbelasting.

U betaalt belasting, maar bent geen ondernemer voor de  inkomstenbelasting

Hebt u inkomsten uit uw internetactiviteiten en gaat het niet om een hobby?  En bent u niet in loondienst, maar beschouwen wij u ook niet als ondernemer?  Voor de inkomstenbelasting hebt u dan ‘resultaat uit overige werkzaamheden’. Uw  winst wordt op dezelfde manier berekend als bij ondernemers. Maar u hebt geen  recht op bepaalde regelingen voor ondernemers, zoals de zelfstandigenaftrek of  de investeringsaftrek.

Wanneer bent u ondernemer voor de btw?

Als u geen ondernemer voor de inkomstenbelasting bent, kunt u toch ondernemer  zijn voor de btw. Dat is het geval als u zelfstandig werkzaamheden uitvoert en  daar inkomsten uit hebt. Om te beoordelen of u ondernemer bent voor de btw,  letten wij op een aantal zaken.

(Bron: belastingdienst bewerkt)

Korting op loondoorbetalingsverplichting

Bij ziekte van een werknemer is de werkgever verplicht om het loon van de  werknemer door te betalen. Deze doorbetalingsverplichting geldt in beginsel voor  de eerste twee jaren van ziekte, maar kan worden verlengd als het UWV een  zogenaamde loonsanctie oplegt.

De omvang van de loondoorbetalingsverplichting in het derde ziektejaar was  inzet van een geschil bij de kantonrechter. Onderdeel van dat geschil was of het  door te betalen loon mag worden gekort met de inkomsten die de  arbeidsongeschikte zieke werknemer geniet uit andere arbeid dan zijn  dienstverband met de werkgever. De werkgever is wettelijk verplicht om 70% van  het loon door te betalen. In de arbeidsovereenkomst of in een CAO kan worden  vastgelegd dat meer dan 70% van het loon wordt doorbetaald. Is er niets anders  geregeld, dan geldt in het derde ziektejaar de wettelijke  loondoorbetalingsverplichting van 70%.

Volgens de kantonrechter mocht de werkgever in het derde ziektejaar de  loonbetaling opschorten. Een werkgever mag de loonbetaling alleen opschorten als  hij de werknemer onverwijld kennis heeft gegeven van de aanleiding daartoe. Voor  het derde ziektejaar had de werkgever daaraan voldaan. De combinatie van de  opgelegde loonsanctie en het niet verstrekken van informatie over zijn inkomsten  door de werknemer waren voldoende aanleiding voor de werkgever om het loon stop  te zetten.

Op grond van de wet mag de werkgever op het loon bij ziekte in mindering  brengen de inkomsten van werkzaamheden die de werknemer tijdens zijn ziekte  heeft verricht. In de literatuur bestaat discussie over de vraag of bij een  loonbetalingsverplichting van 70% de inkomsten voor 100% mogen worden gekort of  slechts voor 70%. Een andere variant die wordt bepleit is dat de werknemer mag  bijverdienen tot 100% van zijn loon en dat alleen het meerdere mag worden  gekort. De wettekst pleit volgens de kantonrechter voor volledige korting van  alle inkomsten. De wettekst maakt geen enkel voorbehoud ten aanzien van de  omvang van de korting.

Omdat de inkomsten uit andere activiteiten beduidend hoger waren dan de  loonbetalingsverplichting tijdens het derde ziektejaar, hoefde de werkgever aan  de werknemer geen loon meer te betalen.

(Bron: Schuiteman Accountants)

Bij middeling moet premie volksverzekeringen ook meetellen

De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de onderdelen 5.4 tot en met 5.19 van de conclusie van A-G Niessen dat het beroep van mevrouw X ongegrond is. Volgens de A-G fungeert de herrekende premie volksverzekeringen terecht als korting op de IB-teruggaaf.

Mevrouw X verzoekt in 2012 om een IB-middelingsteruggaaf over 2007, 2008 en 2009. Volgens art. 3.154 lid 7 Wet IB 2001 wordt onder de geheven inkomstenbelasting (IB) mede verstaan de premie volksverzekeringen (PVV) en wordt onder de herrekende IB mede verstaan de PVV. X stelt dat bij de berekening van de teruggaaf alleen de IB moet worden betrokken. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de keuze van de wetgever om een middelingsteruggaaf te berekenen aan de hand van belasting- en premiedruk samen niet van redelijke grond is ontbloot. Gelet op de duidelijke wettekst en de wetsgeschiedenis moet de premie wel als rekengrootheid in de middeling worden meegenomen. X gaat in sprongcassatie. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de onderdelen 5.4 tot en met 5.19 van de conclusie van A-G Niessen dat het beroep van X ongegrond is. Volgens de A-G fungeert de herrekende premie terecht als korting op de belastingteruggaaf. De middelingsregeling wordt dus materieel ook voor de premieheffing toegepast. Deze keuze van de wetgever is goed te verdedigen en is niet van elke redelijke grond ontbloot. De belasting en premie worden namelijk samen in de eerste schijf geheven en kunnen dus voor het bepalen van de progressie niet los van elkaar worden gezien. De wetgever was redelijkerwijs niet gehouden om de middelingsregeling in te voeren en heeft in deze dus een ruime beoordelingsvrijheid. De regeling is volgens de A-G ook niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM, noch van het gelijkheidsbeginsel als vervat in art. 26 IVBPR of art. 14 EVRM. Zo wordt de herrekende premie volksverzekeringen ook niet “bijgeheven”.

(Bron: Taxlive)

Terechte afwijking van aangifte omdat niet is voldaan aan administratie- en bewaarplicht

Volgens Hof Den Haag is de inspecteur terecht van de aangifte van X afgeweken omdat niet is voldaan aan de administratieplicht en de bewaarplicht.

X drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. X heeft voor de jaren 2005 t/m 2009 niet voldaan aan de administratieplicht en de bewaarplicht zoals opgenomen in de AWR. In hoger beroep is in geschil is of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag terecht van de aangifte ib/pvv over het jaar 2009 is afgeweken. Het hof heeft X op de zitting voorgehouden dat hij in zijn bewijsvoering tekortschiet en hem daarbij een termijn van veertien dagen geboden om alsnog aanvullend bewijs te leveren betreffende een aantal kostensoorten. X heeft dat niet gedaan. Volgens Hof Den Haag heeft de inspecteur X ruim voldoende tijd en mogelijkheden geboden om de administratie op orde te brengen maar dit is niet gelukt. Problemen met de administratie voortvloeiend uit een niet functionerende personal computer liggen in de risicosfeer van X en de gevolgen daarvan blijven voor zijn rekening. Nu X ook van de extra mogelijkheid om alsnog aanvullend bewijs te leveren geen gebruik heeft gemaakt is er geen aanleiding om de aanslag te verminderen. Het hoger beroep wordt toch gegrond verklaard omdat de inspecteur heeft toegestemd de in aanmerking te nemen financieringskosten met € 52,30 te verhogen.

(Bron: Taxlive)

Traag betalende overheid? Meldt het

De Nationale ombudsman stelt een onderzoek in naar ‘de traag betalende overheid’. Onderdeel van het onderzoek is een meldpunt waar gedupeerde (kleine) ondernemers melden waar ze in de praktijk tegenaan lopen. In de huidige economische situatie is het van belang dat het betaalgedrag verbeterd wordt.

 

Mijn auto van de zaak met buitenlands kenteken en de belasting

Wie in Nederland met een auto de weg op gaat, is motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Dat geldt ook voor auto’s met een buitenlands kenteken. Wie in Nederland woont, moet bovendien BPM betalen. Alleen voor kortdurend gebruik of een auto van de (buitenlandse) zaak kunt u vrijstelling krijgen.

Stel, u gaat met uw auto van de zaak naar het buitenland. Het maakt niet uit of dat zakelijk is of voor vakantie. Uw auto geeft er de geest, en u krijgt of regelt vervangend vervoer. Die auto heeft dan een buitenlands kenteken. U rijdt ermee terug naar Nederland. Is daarmee de kous af? Nee. U bent in overtreding.

Gebruik
Wie in Nederland woont, moet motorrijtuigenbelasting (MRB) betalen voor elke auto die op zijn of haar naam staat. Is dat een buitenlandse auto, dan moet er bovendien belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over betaald worden voor de duur van het gebruik in Nederland.

Vooraf
Voor uw buitenlandse vervangende auto (bijvoorbeeld een huurauto) moet u dus belasting betalen. Gelukkig is er een uitzondering: u kunt twee weken vrijstelling aanvragen. Dat moet dan wel vooraf, dus voordat u met de auto op de Nederlandse weg komt. Dat kan via een speciale site van de Belastingdienst.

Verplichting
Ook mensen van buiten Nederland krijgen al snel te maken met de plicht BPM en MRB te betalen. Wie in een periode van zes maanden vier maanden in Nederland verblijft, wordt geacht hier te wonen en moet zich inschrijven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Daarmee ontstaat ook meteen de verplichting om auto’s met buitenlands kenteken in Nederland te registreren. En over elke auto die in Nederland is geregistreerd, moeten deze belastingen betaald worden.

Invloed
Er is een belangrijke uitzondering, en wel voor werknemers die in Nederland wonen maar bij een onderneming werken in het buitenland. De auto moet door de werkgever ter beschikking gesteld zijn aan de werknemer. Bovendien moet de werkgever een verklaring afgeven, dat de auto hoofdzakelijk bestemd is voor de uitoefening van werk buiten Nederland. Essentieel is, dat de werknemer zelf geen invloed kan uitoefenen op het land waar de auto is geregistreerd. Een ondernemer heeft die invloed wel, en is daarom verplicht om de auto in Nederland in te schrijven, als hij hier ook woont.

Boete
Kortom: wie in Nederland woont, is verplicht zijn auto aan te melden en belasting te betalen. Wie dat niet doet en wordt gepakt, riskeert een naheffing en een forse boete van meerdere duizenden euro’s. Afgelopen zomer kondigde staatssecretaris Weekers aan, extra aandacht te besteden aan controle en handhaving.
(Bron: De Zaak)

Onredelijke eis werkgever bij re-integratie elders

Bij arbeidsongeschiktheid van een werknemer rust op de werkgever de verplichting om de werknemer te laten re-integreren in het arbeidsproces. Wanneer er binnen het eigen bedrijf van de werkgever geen mogelijkheden voor re-integratie van de werknemer zijn, moet gezocht worden naar mogelijkheden voor re-integratie elders.

Een werkgever stelde bij re-integratie in het tweede spoor als voorwaarde dat de werknemer ontslag nam en in dienst trad bij het re-integratiebureau. De werknemer weigerde daaraan mee te werken. Nadat de werkgever van het UWV een ontslagvergunning had gekregen werd de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd. De kantonrechter wees de door de werknemer gevorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag af. Naar het oordeel van de kantonrechter had de werknemer niet meegewerkt aan zijn re-integratie buiten het bedrijf van de werkgever. Daarom was het ontslag niet kennelijk onredelijk.

In hoger beroep oordeelde Hof Den Bosch anders. Volgens het hof kon de werknemer niet verweten worden dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie door niet in te gaan op de eis om ontslag te nemen. De werknemer is verplicht om in te gaan op redelijke voorstellen van de werkgever om een duurzame re-integratie te bevorderen. Het instemmen met direct ontslag is geen redelijk voorstel. Het hof kende de werknemer een schadevergoeding toe.