Fiscale coronasteunmaatregelen verlengd en uitgebreid

Op 9 december en 18 december heeft het kabinet laten weten een aantal steunmaatregelen te verlengen en uit te breiden. In dit bericht leest u de stand van zaken rondom de fiscale steunmaatregelen voor ondernemers.

Steunmaatregelen die worden verlengd

Bijzonder uitstel van betaling wordt verlengd tot: 1 april 2021

  • Heeft u nog niet eerder om het bijzonder uitstel van betaling van (standaard) drie maanden gevraagd, dan kunt u dat alsnog tot uiterlijk 1 april 2021 doen.
  • Heeft u wel al eerder om dat corona-uitstel gevraagd en is dat verleend, dan kunt u onder voorwaarden nog om verlenging van dat uitstel vragen tot 1 april 2021.
  • Heeft u al eerder in 2020 verlenging gekregen, dan geldt het uitstel automatisch tot 1 april 2021

Zodra het uitstel eindigt moet u direct voldoen aan uw nieuw opgekomen betalingsverplichtingen. Heeft u geen verlenging van het uitstel, dan geldt dat ook voor openstaande belastingschulden van vóór 12 maart 2020. Als u geen verlenging heeft dan gaan deze zogenaamde pre-coronaschulden ook niet mee in een betalingsregeling van 36 maanden die op 1 juli 2021 start. Een verzoek om verlenging kan dus zeker lonen. Denkt u er wel aan dat uw betalingsproblemen dan hoofdzakelijk moeten worden veroorzaakt door corona én u moet voldoen aan een aantal andere voorwaarden, waaronder een bonus- en dividendverbod.

Administratieve verplichtingen loonheffingen

Verlenging van het uitstel van een aantal administratieve verplichtingen rondom de loonheffingen tot 1 april 2021

Belastingheffing grenswerkers

Verlenging van het akkoord met Duitsland en België over de belastingheffing van grenswerkers tot 1 april 2021

Duitse netto-uitkeringen

Verlenging van de vrijstelling voor een aantal Duitse netto-uitkeringen tot 1 april 2021

Btw-nultarief mondkapjes

Verlenging van het btw-nultarief op mondkapjes tot 1 april 2021

Hypotheek betaalpauze

Verlenging van behoud van recht op hypotheekrenteaftrek bij een hypotheekbetaalpauze tot 1 april 2021.

Voortzetting vaste vergoeding woon-werkverkeer

Verlenging tot 1 februari 2021 van de mogelijkheid om de vaste reiskostenvergoedingen woon-werkverkeer zonder fiscale consequenties, ongewijzigd voort te zetten, zolang de werknemer daar op 12 maart 2020 een onvoorwaardelijke recht op had. In januari komt het kabinet nog terug op hoe het na 1 februari om wil gaan met de onbelaste vaste reiskostenvergoedingen.

Is het reispatroon van uw personeel het afgelopen jaar veranderd (men is meer gaan thuiswerken), dan is deze reiskostenvergoeding vanaf 1 januari 2021 mogelijk niet meer gericht vrijgesteld. Of dat daadwerkelijke het geval is, hangt af van de omstandigheden.

Vooralsnog lijkt het erop dat de verlenging niet geldt voor de vergelijkbare tegemoetkoming voor overige vaste vergoedingen.

Nieuwe maatregelen

Btw-nultarief vaccins en testkits COVID-19

Tijdelijke invoering van een btw-tarief van 0% op COVID-19-vaccins en –testkits tot 1 april 2021.

Vrijstelling van inkomsten- en vennootschapsbelasting TVL

Vrijstelling van inkomsten- en vennootschapsbelasting van de eenmalige opslag op de TVL, die de horeca in het 4e kwartaal 2020 ontvangt voor voorraad- en aanpassingskosten (de zogenaamde TONK-regeling).

Maatregelen die (vooralsnog) niet worden verlengd

Overige vaste vergoedingen

In 2020 bestaat de mogelijkheid om fiscaal vriendelijk vaste vergoedingen, waaronder vaste reiskostenvergoedingen woon-werkverkeer, zonder fiscale consequenties ongewijzigd voort te zetten, zolang de werknemer daar op 12 maart 2020 een onvoorwaardelijke recht op had. Voor de vaste reiskostenvergoeding wordt deze tegemoetkoming verlengd tot (minimaal) 1 februari 2021. Het lijkt erop dat die verlenging niet geldt voor de overige vaste vergoedingen.[DA1] 

Lager loon bij gebruikelijk loonregeling

Voor werknemers en hun partners die arbeid verrichten voor de vennootschap waarin (één van) beiden een aanmerkelijk belang houdt, geldt de zogenaamde gebruikelijk loonregeling. In verband met corona mag in 2020 een lager loon in aanmerking worden genomen gebaseerd op de omzetdaling over de eerste vier maanden van 2020 ten opzichte van de eerste vier maanden van 2019. Voor 2021 is vooralsnog niet voorzien in een verlenging van deze regeling.

Vrije ruimte werkkostenregeling

Voor 2020 is de vrije ruimte voor de werkkostenregeling met terugwerkende kracht verruimd van 1,7% naar 3% voor de eerste € 400.000 fiscale loonsom. In 2021 gaat dat percentage over de eerste € 400.000 terug naar 1,7%. Het percentage voor de loonsom boven de € 400.000 gaat per 1-1-2021 van 1,2% naar 1,18%.

Tegemoetkoming ondernemersfaciliteiten

Om in aanmerking te komen voor een aantal ondernemersfaciliteiten, waaronder de zelfstandigenaftrek, moet u voldoen aan het zogenaamde urencriterium van 1225 uur. Voor 2020, om precies te zijn de periode 1 maart tot 1 oktober 2020, gold een tegemoetkoming. Vooralsnog is deze tegemoetkoming niet verder doorgetrokken.

Verlaagde belastingrente [FP2] Wordt een aanslag door uw toedoen te laat vastgesteld of wordt in de aanslag afgeweken van de aangifte, dan wordt belastingrente in rekening gebracht. Die belastingrente was tijdelijk verlaagd tot 0,01%, maar is op 1 oktober 2020 weer verhoogd naar 4%. Dat percentage van 4% geldt tot 31 december 2021 ook voor de vennootschapsbelasting. De belastingrente voor de vennootschapsbelasting zal dus tot die tijd niet worden verhoogd naar de oorspronkelijke (minimaal) 8%.

Denkt u dat een voorlopige aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, overweeg dan een verzoek om een nadere voorlopige aanslag. Door een dergelijk verzoek kan de belastingrente immers worden beperkt en (als dat verzoek tijdig is) zelfs nog worden voorkomen.

Zoals gebruikelijk moet een en ander nog opgenomen en verder uitgewerkt worden in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis. In de komende periode zullen wij in ieder geval ook de op website opgenomen teksten ter zake van de genoemde onderwerpen updaten. Houdt u dus vooral onze website in de gaten.

Tot slot

Corona blijft ons in de greep houden. Natuurlijk kan dat er ook toe leiden dat fiscale steunmaatregelen (alsnog) verder worden verlengd. De tijd zal het leren. Maar vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte.

(Bron: Flynth)

Opnieuw ‘pensioenkorting’ voor dga’s op komst

Directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) die hun pensioen in een zogeheten oudedagsverplichting hebben zitten krijgen ook volgend jaar te maken met een ‘pensioenkorting’. De cijfers wijzen erop dat dit pensioenpotje ook over het boekjaar 2021 moet worden afgewaardeerd, in plaats van opgehoogd.

De oudedagsverplichting (ODV) is één van de keuzes die dga’s hadden bij het omvormen van hun pensioen in eigen beheer. Vanaf dit jaar is het gedaan met de fiscaal voordelige regelingen voor het afbouwen van het dga-pensioen. In de jaren 2017, 2018 en 2019 zijn er in totaal ruim 53.000 ODV’s gevormd.

Na 2020 ook in 2021 negatief percentage

Het idee is dat de ODV vanaf een bepaald tijdstip, vaak vanaf de AOW-leeftijd, het opgebouwde pensioenpotje in 20 gelijke delen uitkeert. In de wet is geregeld dat dga’s de ODV jaarlijks mogen aanpassen (‘oprenten’) met een rentepercentage dat de overheid jaarlijks vaststelt. Dit percentage is gebaseerd op het zogeheten U-rendement. Dit is afgeleid van het rendement op Nederlandse staatsleningen. Het percentage dat dga’s mogen gebruiken om hun ODV aan te passen in een jaar is het gemiddelde van de U-rendementen in het voorgaande jaar.
In 2019 was het ‘ophoogpercentage’ nog 0,269%. Maar over 2020 is het percentage negatief: -0,107%. Inmiddels zijn alle U-rendementen voor 2020 bekend, en ook voor dit jaar komt er een negatief percentage uit de bus: -0,382%. Dat betekent dat dga’s opnieuw niet mogen ‘oprenten’, maar moeten ‘afrenten’. Ook bij een negatief percentage is het verplicht om dat te doen, zo heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst eerder bevestigd in een vraag & antwoord.

Aanpassing ODV aan eind van boekjaar

De verlaging wordt verwerkt aan het eind van het boekjaar. Hoe het ‘afrenten’ uitwerkt, hangt ervan af de ODV-uitkeringen al zijn begonnen. Als de ODV al uitkeert, leidt de verlaging tot een iets lagere uitkering. Hierbij geldt dat het rentepercentage af kan wijken omdat er gerekend wordt vanaf de startdatum van de uitkering en niet vanaf 1 januari.
Als de ODV-uitkeringen nog niet zijn gestart wordt de waarde van de pot op de balans verlaagd per 31 december 2021 (bij een boekjaar dat gelijkloopt aan een kalenderjaar) ten opzichte van de stand van 1 januari 2021. Deze afwaardering zorgt voor een kleine vrijval in de winst voor het boekjaar 2020. Als de bv van de dga winst maakt, kost dit dus extra vennootschapsbelasting.

Hulp voor dga vanuit de politiek?

Pensioenadviseurs bevestigen het beeld desgevraagd. Alfred Milius van Triple A Pensioen Perspectief heeft geen geluiden gehoord dat de politiek het ‘afrenten’ voor dga’s wil voorkomen, bijvoorbeeld door wettelijk te regelen dat het rendement nooit negatief kan zijn. “Mijn verwachting is ook dat zo’n ‘bodem’ van 0% er niet komt. Dit heeft geen aandacht in de politiek.” Tot nu toe is het beleid
Ook volgens Martin Gast, financieel planner en pensioenadviseur M&M Financieel Advies, is er ‘geen zicht op verbetering voor de dga’. “Ik adviseer dga’s met een ODV waarbij de uitkeringen nog niet zijn gestart daarom steeds vaker om de ODV af te storten bij een verzekeraar, bank of vermogensbeheerder. De dga kan het dan gebruiken om een lijfrente aan te kopen.”

(Bron: Rendement)

Jaarrekening helpt bij het rondkrijgen van financiering

Met een jaarrekening zullen ondernemingen relatief sneller een lening kunnen krijgen dan zonder. Dat is in coronatijd goed om in het achterhoofd te houden. Dat gebeurt uiteraard alleen als uit de gegeven informatie blijkt dat er sprake is van een gezonde onderneming. De jaarrekening heeft dan ook een tweeledig belang: informeren en profileren.

Zeker in deze economisch moeilijke tijden door de coronacrisis, doen ondernemingen er alles aan om overeind te blijven. Financiering, of die nu komt in de vorm van overheidssteun, of via leningen en kredietverstrekking, is soms onontbeerlijk om faillissement te voorkomen. Ondernemingen kunnen hun jaarrekening gebruiken als troefkaart voor financiering. Veel rechtspersonen zijn sowieso verplicht een jaarrekening te deponeren. Vanuit de internationale literatuur wordt gesproken over twee doelstellingen van de jaarrekening:

  • Stewardship (rekenschapsfunctie): bestuurders moeten eigenlijk laten zien wat zij met het voor hen ter beschikking staande geld hebben gedaan. Met andere woorden, hoe hebben zij gepresteerd?
  • Decision usefulness: dit betreft de nuttigheid van het jaarverslag in het bepalen van de toekomstige genereerbaarheid van de onderneming. Of anders gezegd, is het nuttig om hierin te investeren?

Spelregels nodig voor het opstellen van de jaarrekening

Deze twee vormen van informatie maken wel bepaalde spelregels noodzakelijk voor het opstellen van de jaarrekening, zodat geen appels met peren worden vergeleken. Anders zou elke onderneming zomaar kunnen roepen dat ze een omzet heeft van € 3 miljoen, zonder dat daar een goede en heldere onderbouwing aan ten grondslag ligt. De spelregels zijn zowel internationaal als nationaal vastgelegd. Gelukkig is er geen strak keurslijf van regels waarvan een ondernemer niet mag afwijken. Want ondanks de internationale invloeden heeft Nederland nog steeds een eigen positie met eigen vastlegging in het Burgerlijk Wetboek.

Jaarrekening geeft breed aanvaard financieel inzicht

Op grond van de wettekst voor rechtspersonen geeft de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd zo’n goed inzicht dat bijvoorbeeld banken of andere investeerders een verantwoord oordeel kunnen vormen over het vermogen en het resultaat, en voor zover zichtbaar uit de  jaarrekening, over de solvabiliteit en de liquiditeit van de onderneming. Het grote voordeel van uniforme regelgeving is het positieve effect op de vergelijkbaarheid. Doordat de wetgever voor de diverse posten in de jaarrekening het aantal verwerkingswijzen heeft beperkt, is het mogelijk om jaarrekeningen met elkaar te vergelijken. Juist omdat de jaarrekening een betrouwbare status heeft met gedegen informatie, is het een prachtig instrument voor de ondernemer om zich te profileren en geld binnen te halen via kredietverstrekkers. Banken vertrouwen namelijk op een consistent stelsel van grondslagen van waardering en resultaatbepaling dat aan de basis ligt van iedere jaarrekening die volgens de geldende regelgeving opmaakt. Gebruik de jaarrekening dan ook als visitekaartje van de onderneming om gemakkelijker financiering rond te krijgen!

(Bron: Rendement)

Tot € 5.000 subsidie voor aanschaf schone bestelbus

Vanaf het voorjaar van 2021 kunnen ondernemers voor de aanschaf of lease van een uitstootvrije oftewel schone bestelbus tot € 5.000 subsidie krijgen. Dit heeft staatssecretaris van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat onlangs bekendgemaakt.

Om ondernemers te stimuleren over te gaan tot de aanschaf of lease van een schone bestelbus gaat er in het voorjaar van 2021 een subsidieregeling gelden voor deze bestelbussen. De subsidie is 10% van de nieuwprijs van de bus met een maximum van € 5.000. Deze regeling geldt tot en met 2025. In totaal is er € 185 miljoen aan subsidie beschikbaar, voor 2021 is dit € 22 miljoen. Ondernemers moeten er waarschijnlijk wel snel bij wezen want op is op

Actieradius van 100 kilometer is voorwaarde

Om de subsidie voor de schone bestelbus te kunnen claimen moet een ondernemer aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • De bestelbus moet een minimale actieradius hebben van 100 kilometer.
  • Er geldt een maximum voor het aantal bestelbussen waar een onderneming subsidie voor kan aanvragen.
  • Bij doorverkoop van de bestelbus binnen drie jaar moet de subsidie deels worden terugbetaald.

Bij de aanschaf van een schone bestelbus kunnen ondernemers natuurlijk ook gebruikmaken van de andere fiscale regelingen zoals de milieu-investeringsaftrek.

(Bron: Rendemant)

Herziening voorbelasting in één keer is toegestaan

Onder de Nederlandse wet kan het gebeuren dat een ondernemer in één keer zijn afgetrokken voorbelasting moet herzien. Hoe vervelend dat voor hem is, het Europees recht staat zo’n herziening ineens in beginsel toe.

Een stichting kwalificeerde als een ondernemer voor de omzetbelasting. Zij had in 2013 zeven appartementen laten bouwen. Zij trok toen de voorbelasting af omdat deze appartementen toen voor belaste doeleinden waren bestemd. De oplevering was in juli 2014. Vier appartementen zijn met ingang van 1 augustus 2014 vrijgesteld verhuurd. In het derde kwartaal 2014 heeft de stichting het aan die appartementen toe te rekenen gedeelte van de voorbelasting in één keer herzien en op aangifte voldaan. Tegen deze voldoening is zij in bezwaar en beroep gekomen. Zij meent dat voor investeringsgoederen een herziening in één keer van de oorspronkelijk toegepaste aftrek op het tijdstip van de ingebruikneming in strijd is met het Europees recht.

Eindarrest

Omdat de hoogste nationale rechter daarover Unierechtelijke twijfel had, heeft hij prejudiciële vragen gesteld (14 december 2018, NTFR 2019/38). Na beantwoording ervan door het Hof van Justitie (17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:731, C-791/18) wijst de Hoge Raad nu eindarrest. De herziening in een keer van alle in rekening gebrachte omzetbelasting bij ingebruikneming van een investeringsgoed is niet in strijd met het Unierecht. Daarmee verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond.

(Bron: Taxence)

Meer vrije ruimte in de werkkostenregeling, maar minder besteed. Wat wilt u nog doen voor uw werknemers?

Door veel werkgevers werd in verband met de coronacrisis gevraagd om een gerichte vrijstelling voor thuiswerkvergoedingen, zodat werkgevers deze vergoedingen onbelast uit konden keren aan haar werknemers.

Vrijstelling

Deze gerichte vrijstelling kwam er niet. Wel kunnen werkgevers via de werkkostenregeling onbelaste vergoedingen aan werknemers geven. De vrije ruimte die werkgevers hebben om deze onbelaste vergoedingen te geven is in het jaar 2020 eenmalig verhoogd van 1,7% naar 3% voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever. Boven de € 400.000 blijft het percentage 1,7%.

Vrije ruimte

Als gevolg hebben veel werkgevers dit kalenderjaar meer fiscale ruimte om hun werknemers iets te doen toekomen. Temeer omdat in veel gevallen minder borrels en/of bedrijfsfeesten hebben plaatsgevonden. De werkgevers hebben dus vaak meer fiscale ruimte, maar minder ruimte benut.

Benutten fiscale ruimte

De werkgevers moeten natuurlijk naast fiscale ruimte ook het budget hebben om de kosten daadwerkelijk te kunnen maken. Mocht een werkgever echter zowel vrije ruimte in de werkkostenregeling als budget hebben, dan zijn dit mooie tijden om te bekijken wat er nog voor de werknemer kan worden gedaan.

Hieronder treft u zomaar een paar leuke ideeën aan:

  • Een digitale borrel via zoom of teams, waarbij u vooraf iets te snacken en te drinken toestuurt.
  • Kadootjes voor de kinderen van uw werknemers met kerst.
  • Een kleine netto bonus in de maand december (houd hierbij rekening met de gebruikelijkheid van een dergelijke beloning).
  • Een tegoedbon om eten thuis te laten bezorgen.
  • Een extra groot kerstpakket.

Daarnaast zijn er nog vele andere leuke ideeën mogelijk voor uw personeel. Misschien wel bij bedrijven bij u in de buurt of uit uw netwerk die u wilt steunen

Eindheffing

Let u wel op dat u in uw enthousiasme binnen de vrije ruimte van de werkkostenregeling blijft? Anders moet uw organisatie 80% eindheffing afdragen over de overschrijding. U heeft tot 31 december 2020 de tijd om de vrije ruimte voor de werkkostenregeling van het jaar 2020 te benutten.

(Bron: Van Oers)

Werkgeverslasten 2021 in beeld

We naderen het einde van het jaar en na Prinsjesdag hebben we een beeld van de werkgeverslasten 2021. We hebben de premies voor u op een rij gezet.

Ter vergelijking hebben we in het overzicht de premies 2020 en de premies voor 2021 voor u naast elkaar gezet. Over het totaal gezien is er sprake van een lichte stijging van deze premie percentages.

Premievergelijking

Premie20202021
Algemeen werkloosheidsfonds (Awf) laag2,94%2,70%
Algemeen werkloosheidsfonds (Awf) hoog7,94%7,70%
Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) Geldt alleen voor overheidswerkgevers0,68%0,68%
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof)6,79%7,03%
Uniforme opslag kinderopvang (Aof)0,50%0,50%
Werkhervattingskas (rekenpremie) (Whk)*1,24%1,36%
Werkgeversheffing ZVW6,70%7,00%
Werknemersbijdrage ZVW5,45%5,75%
Maximumpremieloon€ 57.214€ 58.311

*Premie werkhervattingskas

De premie werkhervattingskas is afhankelijk van verschillende factoren: allereerst uw premieloonsom, ook of u instroom heeft gehad van (ex)werknemers in de ziektewet/wga en tenslotte uw sectorindeling.

In deze periode stelt de Belastingdienst de premie per werkgever vast, u ontvangt daarvan een beschikking.

Wijzigigingen in de wet- en regelgeving

Er zijn dit jaar geen structurele wijzigingen in de opbouw van de premieheffing. Per 1 januari 2022 wordt er wel weer een wijziging verwacht.  Voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds zal dan ook een premiedifferentiatie geïntroduceerd worden. De (middel)grote werkgevers zullen vanaf dat moment een hogere premie betalen, terwijl kleine werkgevers een lagere premie zullen betalen.

(Bron: Van Oers)

Huur opschorten, kwijtschelden of beëindigen

Wat zijn de regels voor winkel- en horecapanden?

Moet u huur betalen als uw huurpand vanwege coronamaatregelen gesloten blijft of eerder op slot moet? Een van de vragen die veel ondernemers hebben. Er blijkt nogal wat onduidelijkheid te bestaan over de mogelijkheden om de huurovereenkomst te beëindigen of de huurpenningen op te schorten of zelfs kwijt te schelden nu er strengere overheidsmaatregelen gelden. De rechter heeft inmiddels enkele uitspraken gedaan over het opschorten van huurpenningen. Winkel- en horecapanden kennen een streng regime van huurtermijnen in vergelijking tot andere bedrijfspanden. Ik vertel u graag hoe het zit.

Afspraken tussen huurder en verhuurder

De strengere sluitingstijden en de overheidsmaatregel om horecapanden helemaal op slot te houden, zorgen ervoor dat veel retailers en horeca-ondernemers, net als in het voorjaar, in problemen komen met het betalen van de huur. Waar huurder en verhuurder afspraken kunnen maken over uitstel of afstel van betalingen, juichen we dat van harte toe.

Ook deze medaille kent echter twee kanten, waardoor de mogelijkheden om concessies te doen met de andere kant van de tafel verder weg lijken dan in het voorjaar. En dat is begrijpelijk. De bedrijfsvoering van verhuurders is ook afhankelijk van een continue stroom aan inkomsten en de bodem van de spaarpot lijkt ook bij de verhuurders in zicht te komen.

Streng regime voor winkel- en horecapanden

Huur van winkel- en horecapanden wordt in de wet geregeld in artikel 7:290 BW. Daarom worden winkel- en horecapanden artikel 290-ruimten genoemd. Voor de huur van zo’n bedrijfsruimte geldt een strenger regime dan voor andere (overige) bedrijfsruimten (artikel 230a-ruimte). Gemene deler in het onderscheid is de vraag of in de verhuurde bedrijfsruimte een voor het publiek toegankelijke ruimte aanwezig is voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening (artikel 7:290 BW) of juist niet (artikel 7:230a BW). Opzegging van de huur van een artikel 290-ruimten kan alleen op basis van opzeggingsgronden die genoemd zijn in de wet. Eva Smidts besteedde in het voorjaar ook aandacht aan deze opzeggingsgronden.

Huurovereenkomsten die betrekking hebben op een artikel 290-ruimte worden opgedeeld in twee termijnen, die samen in totaal voor tien jaar gelden. De eerste termijn duurt altijd tenminste vijf jaar. In het geval dat de eerste termijn langer dan vijf jaar duurt, duurt de tweede termijn zoveel korter dan vijf jaar als de eerste termijn langer duurt dan vijf jaar.

Deze termijnbescherming werkt door in de mogelijkheden om op te zeggen. Verhuurder en huurder kunnen de overeenkomst pas opzeggen na afloop van de eerste termijn en na afloop van de tweede termijn en niet lopende de termijn. Bij die opzegging moet ook rekening worden gehouden met de opzegtermijn. Daarnaast is de verhuurder ook nog eens gebonden aan opzeggingsgronden, die per termijn verschillen. Opzegging door de verhuurder kan alleen op basis van een in de wet genoemde opzeggingsgrond. Na afloop van beide termijnen gaat de huurovereenkomst een nieuwe fase in. Deze fase is doorgaans voor onbepaalde tijd, tenzij uit de overeenkomst een bepaalde tijd voortvloeit of partijen na de tien jaar een bepaalde tijd overeenkomen.

Huur opschorten of kwijtschelden, wat zegt de rechter?

Over de mogelijkheden van opschorting van de huursom is door de uitspraken in kort geding meer duidelijk geworden. De rechter heeft namelijk in een aantal kortgedingzaken uitspraak gedaan over de te volgen lijn, wat betreft opschorting van huurpenningen in tijden van het coronavirus. Uit de uitspraken blijkt dat de rechter de overheidsmaatregelen beschouwt als een gebrek aan het gehuurde. Door dit gebrek acht de rechter opschorting van de huursom van 25% tot 50% gerechtvaardigd.

Kanttekening is wel dat het hier gaat om uitspraken in een kort geding. De uitspraken gelden derhalve nog als voorlopig en zullen in een bodemprocedure eventueel worden bevestigd.

In kort geding heeft de rechter zich nog niet gewaagd aan uitspraken over het kwijtschelden van de huursom, of dit mogelijk is zal uit eventuele bodemprocedures moeten blijken. Uiteraard is geen huurzaak hetzelfde en gelden bij iedere huurzaak verschillende belangen. Dit is iets om rekening mee te houden voor zowel verhuurder als huurder. Wij lichten u dit graag toe.

Conclusie

Verhuurders en huurders van winkel- en horecapanden hebben te maken met een streng wettelijk huurregime. Opzeggen is mogelijk voor de verhuurder, maar enkel en alleen op basis van bepaalde opzeggingsgronden, waarbij bepaalde opzegtermijnen in acht moeten worden genomen. De wet formuleert daarnaast ook opzegtermijnen voor de huurder.

Indien u als verhuurder of als huurder de wens heeft om een huurovereenkomst op te zeggen, zijn de volgende vragen belangrijk:

  • Wordt er opgezegd op basis van een in de wet geformuleerde opzeggingsgrond?
  • Wordt de juiste opzegtermijn in acht genomen?
  • Welke belangen heeft u als verhuurder of als huurder om de overeenkomst op te zeggen of om de huur voort te kunnen zetten?

(Bron: AcconAVM)

Wijzigingen uitstel betaling belastingen

Er zijn twee belangrijke wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de uitstel van betaling van belastingen:

✔️ Ondernemers die voor 1 oktober uitstel hebben aangevraagd, kunnen dit verlengen tot 1 januari 2021. 
✔️ Ondernemers die tot nu toe (nog) geen uitstel van betaling van belastingen hebben aangevraagd, kunnen dit alsnog doen.
Dit kan tot 1 januari 2021. 

Motie van Tweede Kamer

Bovenstaande betekent dat niet alleen ondernemers die vóór 1 oktober uitstel hebben aangevraagd dit kunnen verlengen, maar dat ook degenen die nog geen uitstel hebben aangevraagd dit alsnog kunnen doen. De Tweede Kamer had hier een motie voor ingediend. 

Aflossen vanaf 1 juli 2021

De belastingschulden waarvoor uitstel wordt verkregen, moeten in beginsel vanaf 1 juli 2021 worden afgelost. Hiervoor krijgen ondernemers 36 maanden de tijd.

Uitstelportaal heropend

De Belastingdienst zal het digitale uitstelportaal vanaf 4 november heropenen. Via dit portaal kunnen ondernemers uitstel van betaling van belastingen aanvragen. Verzoeken tot uitstel die al langs een andere weg bij de Belastingdienst zijn binnengekomen, zal de Belastingdienst ook in behandeling nemen.

(Bron: De Jong & Laan)

Nieuwe UWV-uitvoeringsregels ontslagprocedure en ontslag

Wat zijn de regels voor het aanvragen van ontslag om bedrijfseconomische redenen of wegens langdurige arbeidsongeschiktheid? Waar moet u conform de UWV-richtlijnen op letten?

Bij ontslag om bedrijfseconomische redenen of wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is het UWV de aangewezen instantie om een ontslagaanvraag in te dienen. Bij het aanvragen van dit ontslag is het van belang dat de ontslagprocedure goed wordt gevolgd. Daarbij moet u bijvoorbeeld denken aan de termijn voor het aanvullen van een incompleet verzoek, de termijnen voor hoor en wederhoor en wanneer uitstel kan worden verleend. Deze regels zijn vastgelegd in de Regeling UWV ontslagprocedure.

UWV-uitvoeringsregels ontslagprocedure

Aanvullend op deze regeling heeft het UWV interne werkinstructies gemaakt – de UWV-uitvoeringsregels ontslagprocedure – over hoe het UWV deze ministeriële procedurele regels in de praktijk toepast. Deze uitvoeringsregels ontslagprocedure gelden vanaf 1 september 2020. Ze bieden duidelijkheid over onderwerpen als de klachtregeling van het UWV, een voorlopige en herhaalde aanvraag, het voeren van verweer en de mondelinge behandeling.

Voorlopige ontslagaanvraag

Het UWV geeft in de uitvoeringsregels aan hoe te handelen als de werkgever met de werknemer nog wil onderhandelen over een beëindigingsovereenkomst. De werkgever kan dan een zogeheten voorlopige aanvraag indienen met een verzoek om uitstel voor het voeren van deze onderhandelingen.

Tip! Dien bij een bedrijfseconomisch ontslag altijd eerst een voorlopige ontslagaanvraag in. Pas als deze is ontvangen door het UWV, kan de werknemer worden verzocht mee te werken aan een beëindigingsovereenkomst. Op die manier kan een werknemer door een eventuele ziekmelding de ontslagprocedure niet frustreren, omdat het opzegverbod dan niet van toepassing is.

Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen

UWV heeft tegelijkertijd een nieuwe versie van de Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen gepubliceerd, die de versie van oktober 2019 vervangt en geldt vanaf september 2020. In de nieuwe versie zijn aanpassingen van de wetgeving verwerkt, zoals de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren en het vervallen van de overbruggingsregeling transitievergoeding.

Tip! Raadpleeg voordat u een ontslagaanvraag indient eerst de UWV-uitvoeringsregels ontslagprocedure, zodat u niet voor verrassingen komt te staan. Deze kunt u downloaden op de website van het UWV.

(Bron: DRV)