Nieuwe fiscale regeling monumentenpand

Er komt een nieuwe regeling voor het onderhoud van monumentenpanden. De huidige fiscale aftrek van 80% wordt vanaf 2019 vervangen door een subsidie.

Dit staat in een brief aan de Tweede Kamer van de minister van OCW.  De nieuwe subsidieregeling moet nog wel door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd.

Subsidie in plaats van aftrek
Voor monumentenwoningen mag op dit moment een deel van de kosten in aftrek worden gebracht. Hoe hoger uw belastingtarief, hoe meer dit oplevert. In de nieuwe regeling krijgt u een subsidie van 35% van de kosten. De nieuwe subsidie is dus niet langer afhankelijk van het belastingtarief.

Ongeveer gelijk?
In de brief staat dat de nieuwe subsidie ongeveer gelijk is aan de huidige fiscale aftrek van 80%. Maar, een simpele rekensom leert dat lagere inkomens er iets op vooruit gaan en hogere inkomens er fors op achteruit.

Toets op kwaliteit
In de nieuwe subsidieregeling komt er wel vooraf een toets op de kwaliteit. Doel van de nieuwe regeling is namelijk een betere besteding van de middelen. De nieuwe regeling wordt in 2021 geëvalueerd om te kijken of deze aan de wensen voldoet.

Heeft u vragen over de fiscale aftrek van monumentenpanden, neem dan contact op met uw adviseur!

(Bron: Schipper Groep)

Koop in voor 1 januari 2019 en u bespaart 3% btw

Het kabinet heeft bepaald dat per 1 januari 2019 het verlaagde btw-tarief van 6% wordt verhoogd naar 9%. Hierdoor worden bepaalde goederen en diensten vanaf 2019 3% duurder. De goederen en diensten die onder dit verlaagde btw-tarief vallen zijn onder andere voedingsmiddelen, geneesmiddelen, agrarische goederen, boeken, kappersdiensten, restaurantdiensten en personenvervoer.

Deze verhoging heeft vooral invloed op particulieren en ondernemers die geen recht hebben op aftrek van de door hun betaalde btw. Behoort u tot deze groep? Dan kan het verstandig zijn om deze goederen en diensten in te kopen voor 1 januari 2019, zodat u nog gebruik kan maken van het 6% tarief (een besparing van 3% btw). Het is belangrijk dat niet alleen de goederen en diensten voor 1 januari 2019 zijn ingekocht, maar dat deze ook voor 1 januari 2019 worden geleverd en verricht. Voor de prestaties die worden verricht voor 1 januari 2019 maar na 1 januari 2019 worden gefactureerd, geldt het 6% btw-tarief.

Daarnaast is het van belang om als ondernemer vanaf 1 januari 2019 9% btw af te dragen over de prestaties die onder het verlaagde btw-tarief vallen.

(Bron: DRV)

Overname van bedrijf door vennoot of werknemer?

Ondernemers kunnen hun onderneming beëindigen zonder met de fiscus af te hoeven rekenen. Dit kan door de onderneming geruisloos door te schuiven aan een vennoot of medewerker. De voorwaarden waaronder dit kan geschieden, zijn onlangs verruimd.

Geruisloos doorschuiven

Als u als ondernemer uw onderneming staakt, moet u met de fiscus afrekenen over in de onderneming opgebouwde reserves. Zo is het bedrijfsgebouw vaak in waarde gestegen. Afrekenen kan soms worden voorkomen door geruisloos door te schuiven. De overnemer zet de onderneming dan voort tegen de oude boekwaardes. Te zijner tijd moet hij wel over de reserves afrekenen, tenzij ook hij er bij staking voor kiest geruisloos door te schuiven. Geruisloos doorschuiven zal zich wel vertalen in een lagere overnameprijs.

Vennoten en werknemers

Geruisloos doorschuiven kan onder meer naar medevennoten en werknemers van een onderneming. Eén van de voorwaardes is dat de overnemer minstens 36 maanden voor de overname onafgebroken medevennoot of werknemer moet zijn geweest.

Uitbreiding regeling

De uitbreiding van de regeling is met name gunstig voor werknemers van seizoensbedrijven. Bepaald is namelijk dat voor hen de periode van 36 maanden onderbroken mag worden. Wel moeten zij in de jaren voorafgaand aan de overname minstens één maand per jaar in de onderneming gewerkt hebben en het totaal aantal gewerkte maanden moet minstens 36 zijn.

Voorbeeld: Een werknemer die zes jaar voorafgaand aan de overname ieder jaar zes maanden in de onderneming heeft gewerkt, voldoet nu dus ook aan de voorwaarde.

Combi werknemer – vennoot

Daarnaast is goedgekeurd dat ook een combinatie van werknemer en vennoot voortaan mogelijk is. Iemand die eerst een jaar in dienst is als werknemer en daarna twee jaar als vennoot, kan de regeling dus ook gebruiken.

Sabbatical

Een andere belangrijke wijziging is dat onder bijzondere omstandigheden onderbreking van de periode van 36 maanden voor een werknemer die een sabbatical opneemt, geen probleem hoeft te zijn. De inspecteur zal aan de hand van de feiten beoordelen of er van bijzondere omstandigheden sprake is. De duur van de sabbatical is bijvoorbeeld van belang.

(Bron: DRV)

Geen afwaarderingsverlies bij earn-out vordering

De Hoge Raad oordeelt dat de waardeverandering van een vordering die is verkregen als tegenprestatie bij de verkoop van een deelneming niet aftrekbaar is onder toepassing van de earn-out regeling.

De Hoge Raad oordeelt dat de waardeverandering van een vordering die is verkregen als tegenprestatie bij de verkoop van een deelneming niet aftrekbaar is onder toepassing van de earn-out regeling.

(Bron: Deloitte)

Belangrijke aanpassingen sectorindeling per 29-6-2018

Een van de maatregelen uit het voorstel voor de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is het afschaffen van de sectorindeling in de premieheffing voor de WW in 2020. Ook voor de gedifferentieerde premies voor ZW en WGA wordt de sectorindeling op termijn afgeschaft. Om voor het in werking treden van de WAB een piekbelasting bij de Belastingdienst te voorkomen, past minister Koolmees de regels voor de sectorindeling al per direct aan met drie specifieke maatregelen. De maatregelen zullen terugwerken tot 29 juni 2018 17.00 uur, en worden hieronder verder toegelicht.

Vanaf 1 januari 2020 bepaalt het soort contract (vast of flexibel) de hoogte van de WW-premie. De sectorpremie wordt afgeschaft en op termijn ook de (gedeeltelijke) sectorale differentiatie voor de Werkhervattingskas (ZW en WGA). Dit vloeit voort uit het wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans (WAB).

Sectorindeling: hoofdpijndossier

De sectorindeling is in de afgelopen jaren een steeds groter hoofdpijndossier geworden voor de Belastingdienst. De problemen worden met name veroorzaakt door de verouderde omschrijvingen van de sectoren, waardoor het vaak moeilijk is om de werkzaamheden van een werkgever aan een sector toe te wijzen, en door het sterk toegenomen ‘shopgedrag’ van werkgevers tussen sectoren om zo laag mogelijke premies af te dragen. Dit heeft geleid tot een sterke toename van het aantal aanvragen tot herindeling.

Maatregelen sectorindeling

Ook is het aantal bezwaar-, beroeps- en cassatiezaken over indelingsbeslissingen sterk gestegen – inmiddels zijn het er ruim duizend per jaar. Dit legt volgens minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onverantwoord groot beslag op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst. Vooruitlopend op de nieuwe wetgeving neemt hij daarom per direct drie maatregelen.

Deze 3 maatregelen zijn per 29 juni 2018 ingegaan:

  • Wijzigingen in de sectorindeling kunnen niet meer met terugwerkende kracht worden aangevraagd en over verstreken periodes kunnen te veel betaalde premies niet meer worden terugontvangen. Een aanpassing van de sectorindeling kan alleen nog maar op een datum in de toekomst ingaan. Er is één uitzondering: als er door een verkeerde indeling te weinig sectorpremie betaald is, dan kan de Belastingdienst de indeling wél met terugwerkende kracht veranderen.
  • Men kan geen gesplitste aansluitingen meer aanvragen. De Belastingdienst behandelt geen verzoeken meer om verschillende delen van de onderneming in verschillende sectoren in te delen.
  • Men kan geen groepsaansluitingen meer aanvragen. De Belastingdienst behandelt geen verzoeken meer om concern, nevenbedrijven en –instellingen in dezelfde sector in te delen.

De maatregelen hebben geen invloed op de huidige indeling. Indien er al een gesplitste aansluiting of een groepsaansluiting is, houdt men deze zolang aan de voorwaarden voldaan wordt.

(Bron: BDO)

Omzetting btw-identificatienummer complex

Onlangs publiceerde de Autoriteit Persoonsgegevens het onderzoeksrapport over het btw-identificatienummer. In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën gereageerd op de resultaten van het onderzoek.

De conclusie uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens was dat het gebruik van het burgerservicenummer in het btw-identificatienummer van de ondernemers geen wettelijke grondslag heeft en dus in strijd is met de algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De staatssecretaris van Financiën onderschrijft de resultaten en conclusies die de Autoriteit Persoonsgegevens trekt volmondig. In zijn brief geeft hij echter ook aan dat het omzetten van het btw-identificatienummer naar een bruikbaar alternatief uitermate complex is.

De afgelopen jaren is er al meerdere malen onderzoek verricht naar alternatieven voor het burgerservicenummer in het btw-identificatienummer. Uit deze onderzoeken volgt dat de mogelijke alternatieven grote operationele gevolgen hebben.

Alternatief

Na hernieuwd onderzoek in het afgelopen voorjaar kwam er een alternatief naar voren dat op dit moment verder wordt onderzocht. Alle bestaande en nieuwe ondernemers krijgen dan een nieuw btw-identificatienummer voor extern gebruik. Dit nieuwe nummer kunnen ondernemers gebruiken in alle uitingen aan derden (op facturen, website e.d.) en ook in de correspondentie naar de Belastingdienst.

In de systemen van de Belastingdienst zal het oude (op het burgerservicenummer gebaseerde) btw-identificatienummer nog steeds worden gebruikt. Voor een goede koppeling in de systemen tussen het nieuwe en het oude btw-identificatienummer gebruikt de Belastingdienst een conversieservice.

Hoewel dit alternatief nog onderzocht wordt, is het duidelijk dat ook deze variant enorm complex is om door te voeren. Met name de verouderde systemen bij de Belastingdienst kunnen problemen opleveren bij de conversieservice. Daarnaast brengt deze mogelijkheid risico’s met zich mee voor de juiste afhandeling van btw-heffing en -verrekening.

Niet voor 1 januari 2019

De omzetting van het btw-identificatienummer zal niet kunnen worden gerealiseerd voor 1 januari 2019. De staatssecretaris gaat met de Autoriteit Persoonsgegevens om tafel om een overgangsperiode voor de realisatie van de omzetting te bespreken. Bovendien zal de omzetting van het btw-identificatienummer ook gevolgen hebben voor het bedrijfsleven, wat een invoeringstermijn rechtvaardigt.
(Bron:ABAB(

Bij overdracht onderneming overnemer niet gebonden aan btw-afspraken overdrager en Belastingdienst

In een onlangs verschenen arrest van de Hoge Raad (‘de HR’) oordeelt de HR dat bij de overdracht van een onderneming de overnemer niet is gebonden aan de btw-afspraken die de overdrager heeft gemaakt met de Belastingdienst omtrent de toepassing van de ‘unit-theorie’.

De HR oordeelde daarnaast dat belanghebbende ook overdrachtsbelasting verschuldigd was over de gekapitaliseerde waarden van de canon en retributie.


De zaak

Belanghebbende heeft in 2013 een complex van onroerende zaken tezamen met de lopende huurovereenkomsten verkregen (hierna: ‘de onroerende zaken’). Eén onroerende zaak functioneert als kantoortoren. De onroerende zaken betreffen een voortdurend erfpachtrecht en een voortdurend opstalrecht. De overdracht kwalificeerde als een overdracht van een onderneming als bedoeld in art. 37d wet OB.

Op verzoek van verkoper is een aantal jaren voorafgaand aan de onderhavige transactie door de Belastingdienst bevestigd dat iedere etage van de kantoortoren als een aparte onroerende zaak moest worden beschouwd met een eigen datum van eerste ingebruikneming en herzieningstermijn (dit in lijn met de tekst van het zogenoemde Vastgoedbesluit). Belanghebbende verdeelt echter de kantoortoren in evenzoveel onroerende zaken als er aparte delen zijn verhuurd (units), met meerdere onroerende zaken per verdieping tot gevolg. Het beoogde gevolg daarvan is een ruimere toepassing van de samenloopvrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

In geschil is:

  • Of belanghebbende gebonden is aan de hiervoor vermelde btw-afspraken die in dit kader door verkoper met de Belastingdienst zijn gemaakt. Het standpunt van de inspecteur leidt tot een beperktere toepassing van de samenloopvrijstelling omdat als een deel van een etage reeds meer dan twee jaren daarvoor in gebruik is genomen, de vrijstelling voor de gehele verdieping niet kan worden toegepast, en zo niet.
  • Of per etage (inspecteur) of per unit (belanghebbende) bepaald dient te worden of de samenloopvrijstelling kan worden toegepast, met andere woorden, of in onderhavige geval de ‘unit-theorie’ kan worden toegepast.
  • Voorts is in geschil of de Inspecteur de gekapitaliseerde waarde van de toekomstig verschuldigde canons c.q. retributies terecht tot de heffingsgrondslag van de overdrachtsbelasting heeft gerekend.

Oordeel HR

In geval van een overdracht van een onderneming treedt de overnemer btw-technisch in de plaats van overdrager. Op grond van de tekst en de parlementaire geschiedenis van artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting kan volgens de HR niet worden geconcludeerd dat de overnemer is gebonden aan tussen de overdrager en de inspecteur gemaakte btw-afspraken.

Bij de vaststelling of een gedeelte van een onroerende zaak zelfstandig als onroerende zaak kan worden aangemerkt, heeft als uitgangspunt te gelden dat niet met elkaar verbonden dan wel, indien verbonden, juridisch of fysiek te onderscheiden onroerende zaken afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen wanneer zij afzonderlijk (kunnen) worden gebruikt. Of dit in casu het geval kan zijn moet door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden beoordeeld.

Ten slotte oordeelt de HR met betrekking tot het derde geschilpunt dat het oordeel van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch geen verdere motivering vereist. Belanghebbende is dan ook overdrachtsbelasting verschuldigd over de gekapitaliseerde waarden van de canon en de retributie.

Gevolgen voor de praktijk

Btw-afspraken met de Belastingdienst c.q. ingenomen posities
Al heeft de HR het niet zo ruim geformuleerd, er is wel eindelijk duidelijkheid over de behandeling van btw-afspraken met de Belastingdienst en ingenomen posities, namelijk dat er keuze is voor de belastingplichtige om al dan niet een positie over te nemen van de overdrager. Er vanuit gaande dat de Belastingdienst wel is gebonden aan een dusdanige uitspraak. Volledig zeker is dit echter niet.

Heffingsgrondslag overdrachtsbelasting
De stelling dat alleen een onderbouwde verklaring van koper dat hij de koopsom heeft bepaald alsof sprake was van eigendom is niet voldoende. Daarbij adviseren wij, ook in geval de notaris hier niet om verzoekt, om voor de zekerheid toch voor een taxatierapport of een dergelijke verklaring van een taxateur zorg te dragen om discussies als de bovenstaande zo veel als mogelijk te vermijden.

(Bron: Deloitte

Verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% per 1 januari 2019

In het regeerakkoord is bekendgemaakt dat het verlaagde btw-tarief met ingang van 1 januari 2019 wordt verhoogd van 6% naar 9%. De aangekondigde tariefsverhoging heeft gevolgen voor alle goederen en diensten waarop nu het 6%-tarief van toepassing is. Derhalve worden onder andere primaire levensbehoeften duurder, zoals voedingsmiddelen, leidingwater en medicijnen. Daarnaast heeft de wijziging bijvoorbeeld gevolgen voor bepaalde diensten in het kader van cultuur en recreatie (bijv. toegang tot concerten, sauna en zwembad, sportwedstrijden, huur vakantiewoningen) en bepaalde arbeidsintensieve diensten (o.a. fietsenmaker en kapper).

De verhoging van het verlaagde btw-tarief moet nog door de Eerste en Tweede Kamer worden goedgekeurd, maar de staatssecretaris van Financiën raadt ondernemers aan zich vast voor te bereiden op de wijziging. De voorbereidingen die ondernemers moeten treffen zijn onder andere het aanpassen van de administratie en prijzen en vanaf 1 januari 2019 de facturatie en btw-aangiften.

Toezegging achterwege laten naheffing voor in 2018 betaalde prestaties
Met het nieuwe btw-tarief hoeft nog geen rekening gehouden te worden voor prestaties die in 2019 worden verricht, maar reeds in 2018 worden betaald. De staatssecretaris heeft namelijk toegezegd dat de belastingdienst het tariefverschil voor deze gevallen niet zal naheffen. Dat betekent bijvoorbeeld dat de ticketverkoop voor concerten die volgend jaar plaatsvinden nog met toepassing van 6% btw kan plaatsvinden. Voor ondernemers die diensten of goederen aanbieden tegen het verlaagde tarief biedt dit mogelijkheden om een besparing van 3% te realiseren.

(Bron: WVDB)

Geen boete voor niet-suppleren BTW bij niet-gedane aangifte BTW

X dreef een onderneming op het gebied van het ontwerpen en plaatsen van stands op beurzen. X was BTW-plichtig maar diende over 2011 geen BTW-aangiften in. X deed in juli 2014 aangifte IB 2011 en 2012. Voor deze aangiften waren jaarstukken voor de eenmanszaak opgemaakt waaruit een te betalen BTW-bedrag over 2011 volgde van € 37.094. X diende geen BTW-suppleties over 2011 in. De inspecteur legde aan X behalve een naheffingsaanslag BTW over 2011 van € 37.094, ook vergrijpboeten op grond van artikel 10a AWR van € 18.547 op en op grond van artikel 67f AWR van € 9.273. X ging in beroep tegen de vergrijpboeten. De inspecteur stelde op de zitting dat de boete op grond van artikel 67f AWR moest worden vernietigd en dat de boete op grond van artikel 10a AWR moest worden verminderd tot € 100. Rechtbank Noord-Nederland stelde voorop dat artikel 10a AWR in samenhang moest worden gelezen met een bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aangewezen en uitgewerkte informatieverplichting. In dit geval was de boete opgelegd op grond van de informatieverplichting van artikel 15 UVBG OB en werd X het nalaten te suppleren verweten, terwijl hij wist dat er BTW verschuldigd was over 2011. De Rechtbank stelde vast dat belastingplichtigen op grond van artikel 15, lid 1, UVBG OB middels een suppletie de onjuistheid of onvolledigheid in een gedane aangifte aan de inspecteur kenbaar moesten maken, zodra zij een onjuistheid of onvolledigheid in een gedane aangifte hadden geconstateerd (én daardoor te veel of te weinig belasting was betaald). X had in het geheel geen aangiften gedaan, zodat de gedraging van X geen beboetbare gedraging opleverde in de zin van artikel 10a AWR jo. artikel 15 UVBG OB. De Rechtbank verwierp de stelling van de inspecteur dat artikel 15 UVBG OB zo moest worden gelezen dat ook een suppletieplicht bestond als helemaal geen aangifte was gedaan. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde beide vergrijpboeten.

(Bron: FUTD)

Faillissementswet heeft eindelijk een modern jasje

De Eerste Kamer heeft de Wet modernisering faillissementsprocedure afgehamerd. De huidige procedure was meer dan een eeuw oud en was hard aan een update toe. Met de nieuwe wet is informatie over besluiten van de rechter dankzij digitale hulpmiddelen straks sneller beschikbaar.

Door de wet moet de procedure rondom faillissementen efficiënter en transparanter worden. Het voorstel is onderdeel van het programma Herijking Faillissementsrecht en moet de procedure moderniseren. Het programma heeft drie pijlers: de bestrijding van faillissementsfraude, het bevorderen van het reorganiserend vermogen van ondernemingen en dus de modernisering van de faillissementsprocedure.

Informatievoorziening tussen curator en schuldeisers verbetert

Veel informatie wordt momenteel nog op papier verstrekt. Dat kost de curator veel tijd. Met behulp van digitale hulpmiddelen kan dat sneller en makkelijker. Het wordt mogelijk om via internet te vergaderen en goederen te verkopen. Verder moet door de wet de informatievoorziening aan schuldeisers en andere betrokkenen bij een faillissement verbeteren. Door accurate informatie over de voortgang van de procedure worden zij in staat gesteld om voor hun belangen op te komen. Ook zal het Centraal Insolventieregister, met gegevens over onder andere faillissementen en surseances worden verbeterd.

Maatwerk en gespecialiseerde rechters-commissarissen

Om ervoor te zorgen dat procedures sneller en efficiënter kunnen verlopen, krijgen de curator en rechter-commissaris de mogelijkheid om maatwerk te leveren. Dat is vooral bij complexere zaken van belang. Het is straks ook makkelijker om meerdere rechters-commissarissen in het faillissement te benoemen. Hierdoor kunnen rechters-commissarissen zich specialiseren in bepaalde typen faillissementen. Daarnaast wordt het mogelijk om deskundigen te benoemen die de rechter-commissaris ondersteunen.

(Bron: Rendement)